opvolgde, had persoonlijk niet veel met Italië te doen, maar zooals
ook met andere Duitsche Koningen van Italië en Imperatores Romanorum
het geval is, kan zijn regeering dienen als een bruikbare omlijsting
van belangrijke gebeurtenissen. Otto's pogingen om in Italië een
Keizerrijk te stichten hadden niet slechts gefaald, maar zelfs een
krachtig anti-Germaansch gevoel in het heele land opgewekt. Hij had
gehoopt op den steun van de Kerk en den invloed van de geestelijkheid
versterkt door te erkennen, dat zij het erfelijk recht op de gunst van
de kroon had en onafhankelijk was van andere leenheeren. Hierdoor waren
de edelen diep gegriefd en besloten het vreemde juk af te werpen. In
Rome bezat de zoon van Crescentius, dien Otto had terechtgesteld,
ondanks de keizersgezinde politiek van den wijzen Paus Silvester II,
die vroeger de voogd van Otto was geweest, tien jaren lang groote macht
als hoofd van de leeken-aristocratie, totdat hij werd opgevolgd door
de Graven van Tusculum [238], die de stad gedurende een nog langere
periode beheerschten. In Noord-Italië was, niet alleen onder den adel,
maar ook in de talrijke steden [239], wier rijkdom en onafhankelijkheid
snel toenam, de vijandige stemming tegen de Noordelijke barbaren zoo
sterk, dat een maand na den dood van Otto III de markgraaf van Ivrea,
Arduin, met de ijzeren Longobardische kroon te Pavia gekroond werd.
Hendrik, die reeds den titel van Koning der Romeinen had aangenomen,
beantwoordde deze uitdaging door het zenden van een kleine
legerafdeeling, die door Arduin verslagen werd. Toen kwam hijzelf met
een leger en werd eveneens te Pavia met de ijzeren kroon als Koning
van Italië gekroond; maar dat zijn rechten allerminst berustten op
den wil van het volk, bewijst wel het feit, dat op denzelfden avond
een zeer ernstig oproer uitbrak; de Duitschers staken Pavia in brand
en verwoestten een groot deel van de stad [240].
De republikeinsche beweging breidde zich, zooals overal elders, ook
te Rome uit en de Graven van Tusculum zagen zich hierdoor genoodzaakt
een tijdlang zich te verbinden met den Paus en de keizerlijke partij
tegen Arduin en zijn aanhang. Het gevolg hiervan was, dat Hendrik werd
uitgenoodigd den keizerlijken diadeem te aanvaarden; tegelijk met hem
werd ook zijn koningin Kunigunde te Rome gekroond (1014). Wederom
vonden er heftige anti-Duitsche betoogingen en ernstige onlusten
plaats; maar zij werden met geweld onderdrukt en de aanwezigheid van
den nieuwen Keizer en zijn machtig leger boezemden Koning Arduin zulk
een vrees in, dat hij zich naar een Benediktijner klooster in Piemont
terugtrok, waar hij weldra stierf.
De volgende tien jaren kenmerken zich door gebeurtenissen, die
weinig verband hebben met Hendrik en zijn Duitschers, maar van groot
belang zijn voor de toekomst van Italië. Pelgrims van de Noormannen
[241], terugkeerend van Jeruzalem (c. 1016), hadden Salerno tegen
de Saracenen geholpen en waren door Melo van Bari in dienst genomen
tegen de Byzantijnen. Maar de Byzantijnen hadden den rebel Melo en
zijn Noormannen bij Canne (op het oude slagveld van Cannae) verslagen
en hun heerschappij over het grootste gedeelte van Apulië en Calabrië
weder bevestigd, en zelfs ook over Napels, Capua en Salerno.
Deze wending der gebeurtenissen bewoog zoowel Melo als Paus Benedictus
VIII de reis naar Duitschland te ondernemen om Hendrik over te halen
hen te komen helpen; en hij gaf aan hun verzoek gehoor. Met een groot
leger marcheerde hij naar het zuiden en behaalde eenige voordelen;
maar hij was weldra gedwongen terug te keeren naar zijn noordelijke
landen, waar hij in 1024 stierf.
(4) De Frankische Keizers (1024-1125).
Zoowel Otto III als Hendrik II stierven kinderloos. De Duitschers kozen
tot koning Koenraad II van Frankenland, d.w.z. het land van den Main,
Würzburg en Nürnberg. De regeeringen van de vier Frankische Keizers,
die juist een eeuw duren (1024-1125), behooren voornamelijk bij de
geschiedenis van Duitschland en behoeven hier slechts vermeld te
worden, voor zoover de geschiedenis van Italië in verband staat met
de houding van het Italiaansche volk en de Pausen jegens die vreemde
vorsten; deze beschouwden zichzelf en werden, niet alleen door hun
noordelijke onderdanen, maar ook door een aantal hunner Italiaansche
vazallen, leeken en geestelijken, beschouwd als degenen, die
krachtens hun Duitsche koningskroon recht hadden op de ijzeren kroon
van Lombardije en, als "aangewezen" Keizers (imperatores designati)
op den diadeem van de Caesars. Deze rechten werden echter door de
groote meerderheid van het Italiaansche volk allerminst erkend--een
feit, dat zeer duidelijk aan het licht komt door de ernstige onlusten,
die bijna regelmatig voorkwamen bij de kroningen te Pavia, Milaan en
Rome en ook door de vijandige houding, waarmede een Duitsche koning,
die Italië kwam bezoeken, ontvangen werd.
Doch om niet te verdwalen in het labyrint van staatkundige
verwikkelingen van dit tijdperk en om de juiste verhouding tusschen
de Duitschers en Italianen te ontdekken, is het noodig eenige punten
vast te stellen en dit kan misschien vergemakkelijkt worden door de
volgende opmerkingen. Ten eerste moet de invloed, dien de Duitsche
vorsten op een deel van het Italiaansche volk bezat voornamelijk
toegeschreven worden aan het feit, dat zij de kleine landbezitters
(vooral de geestelijken, die beneficia bezaten) in bescherming
namen tegen de machtige edelen, die op hen als hun leenmannen hun
rechten wilden laten gelden. Daar zij deze beneficiarii erkenden als
rechtstreeksche leenmannen van de kroon en niet als achterleenmannen
van de groote edelen, wonnen zij hen voor de zaak van het keizerrijk
en tegelijkertijd versterkten zij ten zeerste de onafhankelijkheid en
macht van de geestelijken en een groot gedeelte van de leeken. Ten
tweede werd Rome voortdurend bezocht door Duitsche vorsten en
hun krijgslieden. Aldus verwierf de keizerlijke partij een zeer
belangrijken aanhang. Dit verwekte steeds onlusten en bloedvergieten,
waarbij de aristocratie, de volkspartij en de aanhangers van den Paus
om beurten de hulp van den vreemdeling inriepen om hun tegenstanders
te overweldigen. Bovendien waren zoowel de Romeinen als ook de
Italianen van het zuiden dikwijls gedwongen de Duitsche vorsten om
steun te vragen tegen de Byzantijnen, Saracenen of heerschzuchtige
Longobardische hertogen. Ten slotte waren vele steden in Noord-Italië
bezig zich onafhankelijk te maken als republieken en verwierven snel
een belangrijke welvaart en grooten invloed [242], sommige vooral
door hun zeemacht, en deze republieken behoorden natuurlijk tot
de patriottische, anti-Duitsche partij; doch de onderlinge twisten
hadden dikwijls ten gevolge, dat de vreemdeling er bij werd geroepen,
die altijd geneigd was tusschenbeide te komen en van die oneenigheden
voordeel te trekken.
In dit verband moet men zich herinneren, dat het de gunst van de
Frankische en Duitsche Keizers (vooral van de drie Otto's) was, die
het Pausdom tot zulk een machtige positie had verheven, dat het ten
slotte in staat was door middel van zijn wereldlijke en geestelijke
wapenen zijn beschermheer te trotseeren en vernederen. Dat nu de
Kerk, d.w.z. eerst Aribert van Milaan en later Paus Gregorius VII
(Hildebrand), de keizerlijke macht aldus weerstreefde, is ongetwijfeld
een feit, dat de regeeringen van deze Frankische vorsten buitengewoon
belangwekkend voor ons maakt. Derhalve zullen wij hierover nog
eenigszins uitvoeriger spreken en het overige gedeelte van dit tijdperk
in het kort behandelen, terwijl wij dergelijke onderwerpen als de
overheersching van de Noormannen, de opkomst van de Republieken, en
de ontwikkeling van de Romaansche bouwkunst voor volgende hoofdstukken
zullen bewaren.
Aribert had zich meester gemaakt van de wereldlijke macht in Milaan,
waar hij aartsbisschop was. Zijn eerzuchtig doel was, naar het
schijnt, de Ambrosijnsche Kerk vrij te maken van Rome. Om zijn
plannen te bevorderen noodigde hij Koenraad II uit naar Milaan te
komen en kroonde hem met de ijzeren kroon in de kathedraal van
S. Ambrogio. Na een verblijf van een jaar in Noord-Italië, trok
Koenraad, aangespoord door zijn eerzuchtige gemalin Gisela, naar Rome
(1027), waar zij beiden met den keizerlijken diadeem gekroond werden
in tegenwoordigheid van vele vorsten, onder wie zich Kanoet (Knut),
Koning van Denemarken, Noorwegen en Engeland bevond [243]. De Keizer
bleef eenigen tijd in Zuid-Italië om te trachten zijn gezag aldaar te
herstellen. De verwarde toestand in deze streken was bijna niet voor
verbetering vatbaar; er was voortdurend oorlog tusschen Byzantijnen,
Saracenen, Longobarden en vele steden, zooals Napels en Capua, die
onder verschillende bestuurders zich onafhankelijk hadden gemaakt
of den vrijen republikeinschen regeeringsvorm hadden aangenomen; en
de toestand werd misschien nog erger door het feit, dat avonturiers
van de Noormannen, die steeds in aantal toenamen, nu eens aan deze,
dan weer aan gene partij hun diensten verhuurden. Het schijnt, dat
Koenraad erin geslaagd is sommige deelen van het land tijdelijk aan
zijn gezag te onderwerpen, want wij lezen, dat hij den Noormannen
plechtig toestemming verleent zich bij Capua te vestigen en hen aldus
een eerste pied-à-terre in Italië verschafte. Ten noorden van de Alpen
waren zijn krijgsbedrijven zeer belangrijk, daar hij o.a. Bourgondië
veroverde en annexeerde. Dit bracht hij tot stand door de hulp van
een groot contingent Italiaansche troepen, en deze Longobarden en
Toskaners, die Bourgondië bereikten over den Grooten St. Bernard en
het meer van Genève, werden aangevoerd door den krijgshaftigen en
eerzuchtigen Aartsbisschop Aribert van Milaan en door Bonifacius,
den markies van Toskane, den vader van gravin Mathilde, die beroemd
is zoowel om haar belangrijke "erfenis", als ook om de rol die zij
misschien vervult in Dante's Aardsch Paradijs [244].
Aribert werd nu bijna almachtig in Milaan, maar Koenraad, die hem niet
in alle opzichten vertrouwde, ging naar Milaan en liet hem gevangen
zetten. Groot is de verontwaardiging hierover; Aribert slaagt erin te
ontvluchten, verschanst zich in het kasteel van Milaan en er wordt
een slag geleverd, die onbeslist blijft. Koenraad laat het aan zijn
troepen over den rebel te belegeren en gaat zelf naar Rome, waar
hij den losbandigen Benedictus IX op den pauselijken troon herstelt
[245] en hem overreedt den banvloek over Aribert uit te spreken. Maar
de aartsbisschop hield dapper stand in Milaan (welke stad hij nog
zeven jaar bestuurde) en de Duitsche troepen trokken ten slotte weg
naar Parma, waar zij bloedige gevechten leverden met de Italiaansche
bevolking en de stad in brand staken. Koenraad trok nog eens naar
het zuiden en ondernam met zijn vriend Paus Benedictus een eenigzins
vergeefschen veldtocht tegen de Byzantijnen en een zekeren Pandulf
van Capua; daarna ging hij weer noordwaarts met een leger, dat door
de pest en koorts gedecimeerd was. De belegering van Milaan liet hij
over aan zijn Italiaansche leenmannen en keerde zelf naar Duitschland
terug, waar hij in 1039, waarschijnlijk aan de pest, stierf.
Hendrik III, de zoon en opvolger van Koenraad, regeerde ongeveer
zeventien jaar als koning en tien jaar als keizer. Hij werd eerst
ernstig bezig gehouden door onlusten in Hongarije en Carinthië, en toen
hij ten slotte in 1046 besloot Italië een bezoek te brengen, deed hij
dit blijkbaar niet zoozeer met de bedoeling den keizerlijken diadeem te
ontvangen als wel om een eind te maken aan den schandelijken toestand,
die toen aan het pauselijke hof heerschte. Hij was zeer godsdienstig
van aard, geneigd tot ascetisme [246] en begunstigde ernstig de
hervorming van de Kerk, waarvoor de monniken van Cluny streden; zelfs
was hij een voorstander van het moedige voorstel van een "Godsvrede"
(treuga Dei), waarbij alle strijd gedurende vier dagen van de week zou
verboden worden. Hoe de stand van zaken in Rome was, kan men eenigszins
opmaken uit de volgende feiten; waarschijnlijk was het nooit erger,
zelfs niet in de dagen van de Borgia's. Toen Hendrik in Italië gekomen
was, hield hij drie Concilies, te Pavia, in de oude Etrurische stad
Sutri, en te Rome. Op deze Concilies werd het feit, dat de pauselijke
waardigheid door Benedictus aan Gregorius verkocht was, veroordeeld
als de snoodste simonie en werden de drie Pausen afgezet. Silvester
trok zich in een klooster terug, Gregorius werd naar Duitschland
gevoerd (vergezeld door Hildebrand, den monnik, van wien wij later
meer zullen hooren) en Benedictus vluchtte met zijn bloedverwanten
naar Tusculum. Hendrik liet den Duitschen Bisschop van Bamberg tot
Paus kiezen en werd door hem op Kerstmis 1046 als Keizer gekroond.
Maar voordat er een jaar was verloopen, werd de Duitsche Paus,
Clemens II, vergiftigd door handlangers van Benedictus, die met
de hulp van den Toskaanschen markgraaf, Bonifacius, voor de derde
maal den pauselijken troon besteeg. Hendrik zette hem weer af en
benoemde den Duitschen Bisschop van Brixen; doch na drie en twintig
dagen stierf ook deze Paus, Damasus II, plotseling, waarschijnlijk
eveneens vergiftigd door handlangers van Benedictus. Wederom liet
Hendrik een Duitscher, den Bisschop van Toul (in Lotharingen) tot Paus
kiezen. Het schijnt dat Benedictus eindelijk van zijn aanspraken heeft
afgezien. Zijn einde is onbekend. Een vriendelijke kroniekschrijver
zegt dat hij kluizenaar is geworden en, als een heilige betreurd,
is gestorven. Anderen verzekeren dat "hij voortging te leven als een
beest". Men geloofde algemeen, dat hij in het diepst van een donker
woud geheime beraadslagingen hield met den Satan.
De Bisschop van Toul, die Rome op zijn bloote voeten (vergezeld door
Hildebrand, den monnik, als zijn raadsman) binnenkwam, bleek als Paus
Leo IX een ernstig hervormer te zijn en begon met ijver den Augiasstal
van Rome te reinigen. Hij bezocht ook eenige van de voornaamste
Europeesche steden om de hervorming te bevorderen en misbruiken af te
schaffen, zooals simonie en het huwelijk van de geestelijkheid [247].
Thans moeten wij onze aandacht richten op het feit, dat er, ten noorden
van Rome, en ook ten zuiden, zich machten hadden ontwikkeld, die,
in hoogere mate dan de op zich zelf staande republieken der steden,
een gevaar voor de Duitsche heerschappij schenen te worden. In het
noorden toonde de machtige Markgraaf van Toskane, Bonifacius, die
reeds vermeld is als de vader van Gravin Mathilde, een duidelijke
neiging om den vreemden overheerscher zijn rechten te betwisten. Zijn
grootvader, Azzo, had het kasteel Canossa [248] (dat weldra zoo
beroemd zou worden) bezeten en had daar prinses Adelheid, met wie
Otto de Groote later trouwde, op haar vlucht gastvrij ontvangen. Azzo
en zijn zoon Ugo werden daarom zeer begunstigd en ontvingen weldra
uitgestrekte beneficia, waartoe ook de steden Mantua, Brescia, Modena
en Reggio behoorden. Van Koenraad II kreeg Bonifacius het markiezaat
Toskane en hij hielp hem, zooals wij gezien hebben, bij de verovering
van Bourgondië; maar in den laatsten tijd koesterde hij eerzuchtige
plannen en had zich zelfs verbonden met vijanden van het Keizerrijk,
zelfs met dien misdadigen ellendeling, Benedictus IX.
De Noormannen waren de andere vijandige macht. Hun geschiedenis wordt
elders verteld. Hier zullen een paar feiten voldoende zijn.
Nadat de Noormannen van Koenraad II toestemming hadden gekregen om
zich in de omstreken van Capua te vestigen, werd de stad Aversa hun
voornaamste vesting. Ongeveer tien jaar later (c. 1040) kwam, met
vele andere avonturiers van de Noormannen, een van de talrijke zonen
van Tancred d'Hauteville aldaar aan, en de macht van de Noormannen,
die steeds nieuw gebied veroverden en zich nu eens bij deze, dan weer
bij gene partij (de Byzantijnen, Longobarden, de hertogen van Napels
enz.) aansloten, werd zoo geducht, dat de bevolking van Benevento
de hulp van Paus Leo IX inriep en hun stad aan hem overgaf [249],
op voorwaarde dat hij hen tegen deze lastige vijanden zou helpen. Leo
nam dat aan. Hij vertrok dadelijk naar Duitschland en het gelukte hem
van Hendrik een aantal soldaten te krijgen. Met deze en zijn eigen
troepen marcheerde hij zuidwaarts langs de Adriatische kust, toen
hij bij het voorgebergte Gargano de Noormannen ontmoette, onder wier
aanvoerders zich thans de beroemde Robert Guiscard bevond; Leo werd
volkomen verslagen en gevangen genomen. Maar de overwinnaars wierpen
zich eerbiedig voor hem op de knieën en smeekten hem om vergiffenis;
daarna voerden zij hem naar Benevento en hielden hem zes maanden als
gijzelaar gevangen! Hij kocht zich waarschijnlijk vrij met de belofte
hen te zullen bekleeden met de heerschappij over Apulië, Calabrië en
zelfs over Sicilië, dat nog altijd in de macht van de Muzelmannen was.
Leo IX stierf kort na die ramp. Hendrik benoemde terstond weder
een Duitscher, den Bisschop van Eichstadt (Victor II). Men moet
hierbij opmerken, dat dit de vierde Paus was, die door den Keizer
werd aangewezen en zonder eenige openlijke oppositie door het volk
en de geestelijkheid van Rome werd gekozen. Geen wonder, dat deze
Duitsche monarchen de investituur van Pausen en bisschoppen begonnen
te beschouwen als een recht, dat onafscheidelijk verbonden was aan
de keizerlijke, of zelfs koninklijke, waardigheid.
Hendrik begeleidde den door hem aangewezen Paus naar Italië. De
verdachte plannen van den Markies Bonifacius hadden hem ongerust
gemaakt en zijn ongerustheid was niet verdwenen door den dood
van Bonifacius (1052), want diens weduwe Beatrice had een anderen
tegenstander van hem getrouwd, namelijk Godfried van Lotharingen. Na
de bruiloft was Godfried naar zijn noordelijke landen vertrokken
en om den opstand in de kiem te onderdrukken nam de Keizer zoowel
Beatrice als haar dochter Mathilde gevangen en voerde beiden naar
Duitschland. Kort daarna, in October 1056, stierf hij.
Zijn zoon, Hendrik IV, een kind van zes jaren, werd als koning
uitgeroepen onder het regentschap van zijn moeder Agnes. Om zijn lange
regeering van vijftig jaar als een soort van lijst te gebruiken, waarin
de schetsen van de vele en bonte tafereelen, die de geschiedenis van
Italië van dit tijdperk vormen, gezet kunnen worden, zullen wij die
regeering in vier perioden verdeden.
(1) Gedurende zes jaren (1056-1062) neemt de keizerin-weduwe Agnes
het regentschap waar, terwijl het haar steeds moeilijker wordt gemaakt
door vele oproeren. Daarna ontvoert Anno, de Aartsbisschop van Keulen,
den jeugdigen koning en maakt zichzelf regent. (Agnes trekt zich
in een klooster terug en sterft later te Rome.) Vervolgens neemt de
Aartsbisschop van Bremen het regentschap over. In 1066 komt Hendrik
zelf, die daarvoor nu den leeftijd bereikt had, aan de regeering en
treedt krachtig en despotisch op, waardoor hij zich vele vijanden
maakt. In 1073 breekt er een ernstige opstand onder de Saksers
uit, en Hendrik wordt door bijna alle Duitsche edelen in den steek
gelaten. De steden evenwel (vooral de steden aan den Rijn, zooals
Worms) steunden hem en na veel bloedvergieten krijgt hij eindelijk
eenigzins vasten voet en zou misschien zijn macht gevestigd hebben,
als hij niet de uitdaging van de Paus had aangenomen.
(2) Van 1073 tot 1084 woedt de lange en dramatische strijd over
de investituur tusschen Hendrik en Hildebrand. De voornaamste
gebeurtenissen van dit tijdperk zijn de vernedering van den koning,
nu een jong man van zeven en twintig jaar, over wien de banvloek is
uitgesproken, te Canossa in 1077, de overwinning over zijn mededinger,
Rudolf van Zwaben, zijn eindelijke triomf en kroning te Rome (1084);
daarna volgde de bevrijding van den Paus en de plundering van Rome
door Robert Guiscard en zijn Noormannen en Saracenen.
(3) Van 1085-1095 bestuurt Hendrik met tamelijk gunstig gevolg zijn
noordelijke landen en bemoeit zich weinig met Italië, behalve dat
hij in 1090 een korten veldtocht leidt tegen Mathilde van Toskane en
Mantua en andere steden inneemt.
(4) Van 1095 tot zijn dood in 1106 wordt het leven van Hendrik IV
verbitterd door den opstand van zijn zonen. Eerst wordt zijn oudste
zoon, Koenraad, overgehaald de partij van den Paus en het Toskaansche
hof te kiezen; hij wordt te Monza en later in de S. Ambrogio te
Milaan als Koning van Italië gekroond. Zijn jongste innig geliefde
zoon, Hendrik, een koelbloedige, berekenende ellendeling, wordt
door de priesters en Gravin Mathilde verleid, en nadat hij zijn
broeder Koenraad, die in 1101 sterft, heeft onttroond, voegen zich
de meeste van de Zuid-Duitsche edelen bij hem. Maar het Rijnland
geeft wederom blijk van zijn trouw aan den koning en de jonge rebel
wordt gedwongen om vergiffenis te smeeken. Zijn vader ontmoet hem te
Coblenz, omhelst hem onder tranen en volgt hem zonder argwaan naar
een van zijn kasteelen in het Nahe-dal, waar hij verraderlijk wordt
gevangen genomen en hem de belofte wordt afgedwongen, dat hij afstand
zal doen van de regeering. Het gelukt hem echter te ontvluchten en hij
verzamelt wederom troepen om zijn ontaarden zoon het hoofd te bieden;
maar weldra sterft hij. Het lichaam van den koning, over wien nog
steeds de ban bleef uitgesproken, werd begraven te Luik; het werd
echter door priesters verwijderd en, nadat het een tijdlang op een
eiland in de rivier de Maas had gerust, werd het gebracht naar Speyer,
waar Hendrik de reusachtige Romaansche kathedraal had laten bouwen,
die kort te voren voltooid was. Vijf jaren lang, tot 1111, bleef het
lijk boven aarde staan, waarschijnlijk in opgerichte houding, in de
zijkapel van St. Afra; maar eindelijk werd de ban opgeheven en werd
het stoffelijk overschot in een tombe gelegd [250].
In de twee eerste perioden van de regeering van Hendrik IV vonden er
eenige belangrijke gebeurtenissen in verschillende deelen van Italië
plaats. Dit zal evenwel verteld worden, wanneer de opkomst van de
Republieken en de veroveringen van de Noormannen onze aandacht
vragen. Hier zullen wij ons beperken tot de oorzaak van den
Investituurstrijd en eenige feiten uit dat tijdperk.
De Duitsche Paus, Victor II, dien Hendrik III had benoemd (1054), was
vriendelijk of politiek genoeg geweest om te trachten een verzoening
tot stand te brengen tusschen het Duitsche en het Toskaansche hof. De
Keizerin-weduwe Agnes werd overgehaald Gravin Beatrice en haar dochter
Mathilde, die Hendrik als gijzelaars naar Duitschland had gevoerd, in
vrijheid te stellen en zij gaf Godfried, den Hertog van Lotharingen,
toestemming naar zijn gemalin en stiefdochter te Florence terug te
keeren. Na den dood van Victor, werd Godfried's broeder, de abt van
Monte Cassino, gekozen tot Paus (Stephanus IX) en alles scheen goed te
zullen gaan. Maar de Paus stierf plotseling te Florence, waarschijnlijk
vergiftigd door handlangers van den Romeinschen adel, en deze edelen
kozen dadelijk een van Hertogen van Tusculum (Benedictus X). Daarop
benoemden Godfried en Beatrice, met toestemming van de Keizerin en
op aanraden van den monnik Hildebrand en een ander vurig hervormer en
asceet, Pietro Damiano van Ravenna [251], den Bisschop van Florence,
die als Paus Nikolaas II zich met gunstig gevolg te Rome vestigde,
daar hij zijn mededinger Benedictus dwong te vluchten.