een wettigen zoon, die nu ongeveer achttien jaar was, ook Alberik
geheeten; deze zoon had de krijgshaftige eigenschappen van zijn vader
geërfd en bezat een heerschzuchtig karakter en aanleg om leider te
zijn. De jongeling was zeer verontwaardigd over het gedrag van zijn
moeder en voelde zich beleedigd door de aanwezigheid van zijn nieuwen
stiefvader, in wiens gevolg hij als page had gediend, en toen Hugo
eens zijn onbeschaamdheid [229] met een oorveeg beloonde, snelde
hij naar buiten en sprak met vurige welsprekendheid de verzamelde
menigte toe, die dadelijk daarop een aanval deed op den burcht. Hugo,
verschrikt, liet zich aan een touw naar beneden zakken en vluchtte uit
Rome. Alberik zette zijn moeder [230] gevangen, stelde zijn onechten
halfbroeder, den jongen Paus, onder strenge bewaking en nam de titels
van Princeps en Senator aan.
Alberik, of Alberico, bestuurde Rome misschien streng, maar
rechtvaardig, gedurende 22 jaren (932-954). Het is een periode van
de Italiaansche geschiedenis vol belangrijke hervormingen, die,
helaas, weer te gronde zijn gegaan onder Alberik's zoon en opvolger,
die het karakter van zijn grootmoeder, Marozia, had geërfd. Hij
verdeelde het leger in twaalf scholae naar de twaalf wijken van
de stad, elk onder bevel van een banderese, "baanderheer", zooals
de Florentijnsche Gonfaloniere della compagnia. Door de titels van
Princeps en Senator bekleedde hij blijkbaar zichzelf met de voornaamste
wetgevende en uitvoerende bevoegheden; want de Senaat bestond niet
meer en de aanzienlijken schijnen slechts als zijn ondergeschikte
ambtenaren gehandeld te hebben. Als President van het Gerechtshof
[231] had hij, zooals de Venetiaansche Doges van vroeger tijden,
een bijna absolute macht, en ofschoon wij op zijn munten naast zijn
naam dien van den Paus vinden, is het toch zeer duidelijk, dat geen
der zeven Pausen van deze periode eenig politiek gezag had. De meeste
van hen waren door Alberik zelf uitgekozen, en onder zijn régime was
een Paus niets anders dan het Hoofd van de Kerk, die het geestelijke
gezag uitoefende. En men kan er niet aan twijfelen, dat Alberik de
werking van geestelijken invloed zeer hoog schatte, ten minste als
een steun voor het burgerlijke gezag. Dit blijkt uit twee feiten. Ten
eerste moedigde hij krachtig de hervorming van de kloosters [232] aan,
waarmede Broeder Berno te Cluny, in Frankrijk, een begin had gemaakt,
en toen Berno's leerling, Odo, Rome bezocht, gaf hij hem een paleis
op den Aventinus om daar een hervormd klooster te stichten (thans
S. Maria Aventina en het klooster van de Maltezer Ridders). En ten
tweede was hij zoo overtuigd van de noodzakelijkheid om den invloed
van den godsdienst te erkennen en te gebruiken, dat hij besloot het
hoogste burgerlijke en het hoogste geestelijke gezag in één hand te
vereenigen, een stoutmoedige poging, die bij de oudste Romeinsche
Keizers en bij eenige Kaliefen van de Mohammedanen schijnt geslaagd
te zijn, maar die in vele gevallen de oorzaak is gebleken van groote
ellende. Vóór zijn dood verzamelde hij de aanzienlijken van Rome voor
de Confessio van de St. Pieter en liet hen zweren, dat zij, zoodra
de gelegenheid zich voordeed, zijn zoon en opvolger, Octavianus, tot
Paus zouden kiezen. Wij zullen zien, hoe deze belangrijke proef afliep.
Voordat Alberik stierf (954), had Koning Hugo driemaal (933, 936 en
941) Rome aangevallen om zich te wreken en zijn oproerigen stiefzoon
te verdrijven; maar Alberik had hem krachtig afgeslagen en, ofschoon
er een tijdelijke wapenstilstand was gesloten en hij in dien tijd
Hugo's dochter trouwde, verhinderde hij toch al zijn pogingen om de
stad binnen te komen en de keizerskroon uit de handen van den Paus
te ontvangen.
Ongeveer 940 was er nog een pretendent voor de kroon van Italië
verschenen in den persoon van een anderen Berengarius, Markies
van Ivrea, een stiefzoon van Ermengard, die wij vroeger genoemd
hebben. Hugo veinsde vriendelijk naar zijn aanspraken te luisteren
en noodigde hem uit naar zijn hof te komen, met de bedoeling hem te
dooden of blind te maken. Maar Hugo's zoon, Lotharius, bracht, uit
vriendschap of medelijden, Berengarius van dien toeleg op de hoogte;
deze vluchtte daarop naar Duitschland, keerde in 946 geholpen door
Otto, den Saksischen Koning, terug en verdreef Hugo, die zich terugtrok
naar zijn eigen rijk, Provence, en kort daarna te Arles stierf. Nu
was Berengarius in naam regent van den jongen koning Lotharius,
maar het duurde niet lang of Lotharius stierf (950), waarschijnlijk
vergiftigd door den man, wiens levens hij had gered. Hugo had een
Bourgondische douairière getrouwd en haar dochter, Adelheid, aan zijn
zoon Lotharius uitgehuwelijkt. Na den dood van Lotharius trachtte
Berengarius Adelheid te dwingen zijn zoon Adalbert te trouwen, dien
hij tot deelgenoot in het koningschap van Italië had benoemd. Doch
Adelheid wees die eer natuurlijk van de hand. Zij werd dadelijk naar
den Lago di Garda gevoerd en daar in een toren gevangen gezet; maar
zij ontsnapte en riep de hulp in van Otto van Saksen. Door haar en
andere vijanden van den tyrannieken Berengarius uitgenoodigd, rukte
Otto met een leger (het eerste Duitsche leger, dat in den loop van een
halve eeuw de Alpen overstak) Italië binnen, en, na Pavia veroverd
te hebben, trouwde hij met de schoone Adelheid en liet zich tot
Koning van Italië kronen, ofschoon Berengarius dien titel nog steeds
voerde. Hij stuurde ook een bericht naar Paus Agapetus, dat hij van
plan was naar Rome te komen en zich als Keizer te laten kronen. Dit
plan evenwel gaf hij wijselijk op, want Alberik liet hem weten, dat
zonder zijn toestemming geen koning Rome zou binnentrekken en die
toestemming weigerde hij te geven. Maar na Alberik's dood in 954 werd
de toestand te Rome ondragelijk. Octavianus, zijn losbandige zoon,
volgde hem als Princeps en Senator op en werd na het overlijden van
Agapetus (955) ook tot Paus gekozen onder den naam van Johannes XII.
De verhalen over de pazza bestialità van dezen pauselijken losbol,
zooals die niet alleen door onpartijdige schrijvers, b.v. Villari
en Gregorovius, gegeven worden maar ook zelfs door partijdige
schrijvers als de Abbé Duchesne (in zijn prachtige uitgave van den
Liber Pontificalis) zijn bijna ongeloofelijk. Men zegt dat hij er
een harem van concubines op na hield. In gezelschap van losbandige
vrienden gaf hij zich aan alle mogelijke zinnelijke uitspattingen
over. Hij was gewoon op de gezondheid van den duivel te drinken en
de heidensche goden aan te roepen. Wij lezen van een geestelijke,
die in een stal werd bevestigd; van een bisschop, die op zijn tiende
jaar werd gewijd; van een kardinaal, die op schandelijke wijze werd
verminkt en gedood op bevel van dezen Vicarius van Christus. Geen
fatsoenlijke vrouw durfde een voet in het Lateraan zetten [233]. En
aan het hof en in de legerplaats van Koning Berengarius II was de
toestand nauwelijks beter; deze had de Longobardische kroon van den
Saksischen Koning te Augsburg terug ontvangen, daar hij beloofd
had die te zullen dragen als vazal van Otto. Zijn waanzinnige
buitensporigheden en onbeschaamde wreedheid, als ook de woeste
bacchanalen van het pauselijk-senatoriale hof te Rome, bewogen de
Italianen om nog eens de hulp in te roepen van den Duitschen monarch,
die daarop met een groot leger den Brenner-pas doortrok. Toen hij geen
weerstand in Noord-Italië vond--want Berengarius' soldaten weigerden
te vechten--en een uitnoodiging ontving van den losbandigen jongeling
te Rome, die nu besloten had den Duitschen tegen den Italiaanschen
Koning van Italië uit te spelen, trok Otto de stad binnen en werd op
den tweeden Februari 962 als Keizer gekroond.
Aldus werd door de met bloed bevlekte handen van dezen jeugdigen schurk
ingesteld, wat later bekend was als het Heilige Roomsche Rijk. Hoe
Paus Johannes de bewerker kon zijn van zulk een instelling, is een
vraagstuk voor de theologen, maar in welk een geringe mate hij den
wensch van de inwoners van Rome weergaf, kan men opmaken uit hetgeen
een oude kroniekschrijver, Thietmar, mededeelt. De aanzienlijken,
zegt hij, verborgen hun gevoel achter een somber stilzwijgen. Op
de gezichten van deze Romeinen, wier vrijheid en macht hij kwam
vernietigen, las Otto wrok en moordlust en voordat hij zich aan de
plechtigheid van de kroning onderwierp, zeide hij tot Ansfried van
Leuven: "Wanneer ik voor de tombe van den H. Petrus kniel, houd dan uw
zwaard voortdurend boven mijn hoofd, want ik weet, dat mijn voorvaders
dikwijls de trouweloosheid van de Romeinen ondervonden hebben". Men
moet er zich dus nauwelijks over verwonderen, dat de nieuwe Keizer,
voordat er twee jaren waren verloopen, den Paus afzette, door wiens
apostolische zalving hij zijn goddelijke rechten had verkregen en de
Romeinen van hun recht om hun eigen Pausen te kiezen beroofde.
(3) De Saksische Keizers (962-1024).
Er bestaat nog een document, het Privilegium Ottonis, dat, afgezien
van enkele latere toevoegsels, schijnt opgemaakt te zijn tusschen Otto
en Paus Johannes XII. Het bekrachtigt officieel de herleving van het
Imperium en de overdracht van de waardigheid van de Frankische aan
de Saksische vorsten; het hernieuwt ook alle concessies, die gedaan
zijn door de Donaties van Pepijn en Karel de Groote, en geeft aan
de Kerk zelfs Venetië, Istrië, Napels, Benevento en ook Sicilië,
dat nog in de macht van de Saracenen was!
Maar, wat men ook moge denken van vernieuwde Donaties en het
herstelde Imperium, de herleving van de Germaansche heerschappij
in Italië was een feit, waarvan de waarheid weldra duidelijk werd;
want, toen Paus Johannes, aangespoord door den ontevreden adel,
zich met Berengarius in verbinding stelde en Berengarius' zoon,
Adalbert, als zijn gast in Rome ontving, kwam Otto oogenblikkelijk
van Noord-Italië terug. Bij zijn nadering namen Adalbert en Paus
Johannes de vlucht. Otto trok Rome binnen, riep een Concilie bijeen
(het "Concilie van November"), zette Johannes plechtig af en gaf den
Romeinen zijn keizerlijke bekrachtiging bij het kiezen van een anderen
Paus, Leo VIII, een precedent van groote beteekenis, wanneer men ziet,
dat in de volgende honderd jaren de Pausen door de Keizers werden
uitgekozen of aangewezen door hun gezanten. Maar de verbannen Paus
Johannes was niet gemakkelijk te bedwingen. Hij verwekte een oproer te
Rome, en een aanval op Otto, in het Vatikaan, werd met moeite en veel
bloedvergieten afgeslagen. Men kan niet zeggen, hoe het verder zou
gegaan zijn, want de Romeinen waren zeer verontwaardigd over Otto's
inmenging in hun rechten. Maar Paus Johannes werd door een bedrogen
echtgenoot betrapt en zoo duchtig afgerost, dat hij aan de gevolgen
stierf. Dadelijk koos men in zijn plaats, zonder zich om Otto's Paus
te bekommeren, een anderen Paus, Benedictus V, die echter, toen de
keizerlijke partij ten slotte de overhand kreeg werd afgezet.
Ondertusschen had Otto in Noord-Italië Berengarius gevangen genomen
en hem naar Duitschland gezonden, waar hij kort daarna stierf.
In 966, toen er ongeregeldheden te Rome waren voorgevallen,
marcheerde Otto wederom zuidwaarts en strafte de rebellen met groote
strengheid. De Prefect van de stad, die zich tegen Paus Johannes
XIII, den beschermeling van Otto, had verzet, werd aan zijn haren
opgehangen aan het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius [234],
vervolgens omgekeerd op een ezel gezet, door de straten geleid en ten
slotte naar Duitschland in de gevangenis gevoerd. Daarna bracht Otto
het grootste gedeelte van zijn leven in Italië door, hetgeen bewijst,
hoe bezorgd hij ervoor was, niettegenstaande zijn uitgestrekt gebied
in het Noorden, den titel van erfelijk Romeinsch Keizer van het Westen
te behouden. Deze bezorgdheid bracht er hem toe zijn twaalfjarigen
zoon door den Paus met den keizerlijken diadeem te laten kronen, een
plechtigheid, die in de St. Pieter op Kerstdag 967 plaats vond. En
hiermede nog niet tevreden, deed hij een poging zich door den Keizer
van het Oosten te laten erkennen als Keizer van het Westen en vroeg
als bruid voor den jongen Otto een Byzantijnsche prinses; maar dit
voorstel, dat bovendien de verovering van Sicilië op de Saracenen
en den afstand van de Byzantijnsche bezittingen in Zuid-Italië
als bruidschat insloot, werd hoogmoedig van de hand gewezen door
Nicephorus Phocas, den veroveraar van Creta, die zichzelf als eenig
wettig Romeinsch Keizer beschouwde, en Otto's aanspraken minachtte. Ja
zelfs, ofschoon Otto zijn trouwen Liudprand [235] als gezant naar
Constantinopel zond, verzamelde de Byzantijnsche Keizer een vloot om
Adalbert, Berengarius' zoon, te helpen en, zoo mogelijk, voor het
Oostersche Keizerrijk de steden Capua, Benevento, Ravenna--en Rome
te heroveren! Derhalve moest Otto vluchten, en belegerde Bari met de
hulp van een machtigen Longobardischen Hertog, Pandulf, het IJzeren
Hoofd (Testa di ferro), die onder zijn bestuur het gebied van Spoleto,
Benevento en Capua vereenigd had; maar Bari lag aan de zee, die door
de Byzantijnsche vloot beheerscht werd, en Pandulf viel ongelukkig
in een hinderlaag en werd gevangen genomen.
In dezen tijd werd Phocas vermoord door zijn gemalin, die reeds haar
vader en haar eersten echtgenoot, Keizer Romanus, had vergiftigd. Haar
deelgenoot in de samenzwering, de kleine Johannes Tzimeskes besteeg
den Byzantijnschen troon en liet Pandulf vrij; ook bevredigde hij Otto,
daar hij de begeerde prinses Theophano, de dochter van de driedubbele
moordenares, naar Italië zond. Zij trad in het huwelijk met den jongen
mede-keizer en ontving den titel van Keizerin. Een jaar later, Mei 973,
stierf Otto de Groote, zooals hij wordt genoemd.
Zijn opvolger, Otto II, was nu zeventien jaar oud. Ofschoon hij het
heerschzuchtig karakter van zijn vader niet had, toonde hij toch
moed en kracht en had van zijn moeder Adelheid de fijne beschaving
geërfd, die zijn vader blijkbaar miste. Zijn tienjarige regeering werd
voornamelijk in beslag genomen door oorlog. Eerst werd hij aangevallen
door Hendrik van Beieren, dien hij versloeg en onttroonde. Daarna viel
Lotharius van Frankrijk hem aan, en nam hem te Aken bijna gevangen;
vervolgens voerde hij een leger aan tegen Parijs en ofschoon hij er
niet in slaagde die stad te nemen, verzekerde hij zich het ongestoorde
bezit van Lotharingen. Vervolgens rukte hij Italië binnen, herstelde
een verbannen Paus, en, nadat hij den toestand te Rome, waar heftige
twisten tusschen de keizerlijke en pauselijke partijen chronisch
waren geworden, geregeld had, opende hij (982) den veldtocht tegen de
Saracenen, die nog steeds Sicilië bezet hielden en onlangs in grooten
getale wederom waren overgestoken naar Zuid-Italië. Stoutmoedig
geworden door zijn succes, handelde Otto overijld, werd overrompeld
en niet ver van Cotrone, het oude Crotona volkomen verslagen; hij zou
gevangen genomen zijn wanneer hij niet in zee was gesprongen en naar
een Byzantijnsch schip was gezwommen, welks bemanning hem gelukkig niet
herkende. Het bericht van deze ramp veroorzaakte geweldige woelingen
en gevaarlijke opstanden in de noordelijke landen, maar Otto besloot
toch eerst zijn gezag en invloed in Italië te herstellen. Hij riep
te Verona een groote vergadering van de aanzienlijken van zijn beide
volken bijeen en liet zijn zoon, een kind van drie jaar, tot Koning van
Duitschland en Italië kiezen. Toen maakte hij zich gereed den oorlog
tegen de Saracenen weder te beginnen en trok, nadat hij tevergeefs
getracht had de Venetianen te overreden hem een vloot te leenen,
nogmaals naar het zuiden. Te Rome werd hij door koorts aangetast en
stierf. Hij werd begraven in een oude sarcophaag met een porfieren
deksel, dat gestolen was van de graftombe van Hadrianus. Deze
sarcophaag stond vijf eeuwen in den Paradiso, het groote atrium
(portaal) van de oude basiliek, maar toen Paulus V de gewelven van
de kathedraal omstreeks 1610 herstelde, werd het porfieren deksel er
afgenomen om als doopvont dienst te doen (zooals ook nu nog geschiedt);
de oude sarcophaag werd naar de keuken gebracht om als trog te worden
gebruikt en het gebeente van den jongen Keizer werd in de marmeren
kist gelegd, die nu in de crypte (Grotte Vecchie) van de St. Pieter
staat. Een mozaïek, dat waarschijnlijk door Keizerin Theophano is
opgesteld, kan men nog dicht bij de tombe van Otto zien; het is een
belangwekkend voorbeeld van de ontaarde kunst van deze periode.
De kleine Otto III, in 980 geboren, was onlangs te Aken door de
Duitsche edelen tot Koning van Duitschland en van Italië gekroond,
toen het bericht van zijn vader's dood te Rome kwam. Zijn moeder,
Keizerin Theophano, werd regentes en zij bleek die taak waardig, daar
zij blijkbaar meer de natuur van haar vader geërfd had, den Keizer
van het Oosten, Romanus, dan het schandelijk karakter van haar moeder.
Van de eerste zes jaren van haar regentschap vernemen wij weinig,
behalve dat er te Rome, zooals gewoonlijk, hevige twisten waren. Een
paus, Benedictus VI, was gevangen gezet en door de volksleiders
geworgd; de volgende, Bonifacius VII, was voor de keizerlijken naar
Constantinopel gevlucht; een derde, Benedictus VII, door het volk
verdreven en door Otto II in zijn ambt hersteld, was opgevolgd door
Johannes XIV, Bisschop van Pavia en keizerlijk kanselier. Maar
Bonifacius kwam uit het oosten terug (985), zette Johannes af,
vergiftigde hem of liet hem dood hongeren, en gedroeg zich zoo
wreed, dat het volk opstond, hem vermoordde, zijn lijk door de
straten sleurde en onder "het paard van Constantijn", d.w.z. het
ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (zie p. 300) wierp, den grooten
heidenschen keizer-philosoof, wiens overpeinzingen zouden verstoord
zijn, indien hij had kunnen voorzien, welk een vreemd gebruik men
van zijn standbeeld zou maken.
De leider van deze opstanden was Crescentius, wiens vader ook het hoofd
van de anti-Duitsche partij was geweest. Crescentius nam den ouden
titel "Patricius" aan, en was blijkbaar eenige jaren lang, evenals
Alberik vroeger, de machtigste in Rome, en niet alleen koos hij als
Paus Johannes XV, die elf jaren regeerde, maar verdreef hem ook, toen
hij lastig werd. Het is dus ietwat vreemd, wanneer wij Theophano nog
in 989 te Rome vinden en blijkbaar zoowel door Crescentius als door
dezen Paus als Keizerin erkend zien; en zelfs, toen de jonge Otto,
nu zestien jaar oud, na haar dood en na het korte regentschap van
koningin Adelheid, naar Rome kwam (966) om tot keizer gekroond te
worden, schijnt Crescentius zich niet verzet te hebben en ook geen
straf te hebben ontvangen. Maar hij zou weldra zijn lot ondergaan,
zooals wij zullen zien.
Voordat het verhaal wordt voortgezet, moet er iets gezegd worden over
de persoonlijkheid van den jongen Saksischen vorst, die negentien
jaar regeerde en twee en twintig jaar oud werd. "De Germanen", zegt
een schrijver over deze periode van de Italiaansche geschiedenis,
"waren groote, blonde menschen, bierdrinkers, geweldige eters,
ruw, ongemanierd, aanmatigend, phlegmatiek en roekeloos". Men is
misschien maar al te zeer geneigd om deze beschrijving toe te passen
op de Saksische Otto's. Wellicht is dit vrij juist ten opzichte
van Otto den Groote, die, naar men zegt, zeer onontwikkeld was,
ofschoon hij, evenals Karel de Groote, een ijverige beschermer was
van de wetenschappen [236] en een vriend van geleerden, zooals de
polyglotte Liudprand. Maar zeker is het niet juist deze beschrijving
toe te passen op Otto II, die dweepte met de beschaving van het
zuiden, donker van uiterlijk en klein van gestalte was, zooals
gebleken is, toen zijn gebeente uit de sarcophaag werd genomen
(vgl. p. 302). Nog minder juist is het ten opzichte van Otto III,
ofschoon Gregorovius hem "een Germaan van top tot teen" noemt. Zijn
moeder, de Byzantijnsche prinses Theophano, die afstamde van Keizer
Basilius en Leo, bekend als philosoof, had hem begiftigd met een
oostersch temperament en fantastische neigingen en zij had zijn
geestdrift voor de Byzantijnsche beschaving en de idealen van het
Christendom in het oosten aangewakkerd.
Toen Otto III, als jongeling van zestien jaar, voor het eerst in
996 te Rome kwam, was Paus Johannes XV juist gestorven. Hij liet
dadelijk zijn achterneef, Bruno, tot Paus wijden; deze nam den naam
Gregorius V aan en plaatste drie weken later den keizerlijken diadeem
op het hoofd van zijn vorstelijken beschermheer. Hij, de eerste
Duitsche Paus, begunstigde niet alleen de hervormingen te Cluny
(p. 296), maar koesterde, evenals Otto zelf, een warme geestdrift
voor het kloosterleven, dat wederom, zooals natuurlijk was in zulk
een periode van staatkundige en godsdienstige woelingen, zich in
het Christendom deed gelden. Eenige merkwaardige voorbeelden hadden
onlangs navolging opgewekt. De H. Nilus, een ongeletterde Calabriër,
die als kluizenaar in een grot bij Gaeta leefde, werd door Otto
en vele anderen met oprechte vereering aanbeden. De H. Romualdus
van Ravenna, die iets later de Gereformeerde (Witte) Benedictijner
Orde van Camaldoli stichtte, wekte ook geestdriftige belangstelling;
men geloofde, dat door zijn invloed Doge Pietro Orseolo Venetië in
stilte als pelgrim vermomd had verlaten, en zich had begraven in
een Fransch klooster. Nog dieper indruk maakte Adalbert, de vrome
en geleerde Bisschop van Praag, die, nadat hij te Rome de wijding
voor het kluizenaarsleven had ontvangen, tegen zijn zin gedwongen
werd naar zijn Boheemsche diocese terug te keeren en eindelijk den
martelaarsdood zocht en vond onder de woeste heidenen van Noord-Polen.
Door den invloed van dergelijke voorbeelden werd de dweepzieke
Otto gemakkelijk tot zonderlinge buitensporigheden verleid. Hij
bezoekt nu eens als pelgrim den Monte Gargano en de reliquieën van
den H. Bartholomaeus te Benevento [237], dan weer gaat hij naar de
tombe van den H. Adalbert in de wildernissen van Polen of beraamt
een kruistocht om het Heilige Graf uit de macht van de Saracenen te
bevrijden, een plan, dat eerst een eeuw later verwezenlijkt werd;
soms ook zien wij hem in een aanval van razernij en fanatisme de
meest bloeddorstige wreedheden bedrijven. Voorbeelden van dergelijke
wreedheden, de onmenschelijke verminking en moord op den "tegen-Paus"
Johannes XVI, die door Crescentius was gekozen in plaats van Otto's
neef Gregorius, en de terechtstelling van Crescentius zelf en alle
voornaamste magistraten van Rome, zullen later behandeld worden
als bewijs van de barbaarschheid der tiende eeuw. Een andere daad
van Otto, waardoor hij blijk gaf van zijn zonderlinge neigingen, is
het openen van de tombe in de kathedraal te Aken, waarin het lijk van
Karel den Groote naar men zeide, op een troon gezeten was. Het is niet
mogelijk met zekerheid vast te stellen, wat Otto vond en wat hij deed,
met hetgeen hij vond; maar wij weten, dat zijn eigen lichaam te Aken
zou begraven worden naast dat van Karel en toen hij in 1003 dicht bij
Rome stierf, droegen zij hem daarheen, terwijl zij zich met geweld
een weg baanden door Italië, dat in openlijken opstand was; want in
de laatste jaren van zijn regeering had hij vergeefsche pogingen
aangewend om zijn droom van een hersteld Romeinsch-Byzantijnsch
Keizerrijk te verwerkelijken in Rome, dat hij de Eeuwige Stad en de
eenige ware hoofdstad van de wereld noemde. Doch de inwoners van
Rome koesterden een zoo groote minachting voor zijn staatkundige
plannen en zijn religieuze bezieling, dat zij hem bij zijn laatste
bezoek uitgelachen en beleedigd, en hem zelfs in zijn paleis op den
Aventinus belegerd hadden, zoodat hij hen nauwelijks kon overhalen
hem ongedeerd te laten vertrekken. Nadat hij zich een tijdlang in het
klooster van St. Romualdus te Ravenna had teruggetrokken, besloot hij,
ofschoon de heilige het hem met nadruk afried, het kloosterleven op te
geven en nog eens een poging te ondernemen om zijn Imperium Romanum te
herstellen. Maar eerst moest hij Rome zelf heroveren en terwijl hij
aarzelde het aan te vallen, werd hij door koorts aangetast en stierf
in het kasteel van Paterno, bij den berg Soracte. In deze dagen reisde
een Byzantijnsche prinses naar Italië om zijn gemalin en de Keizerin
van het Keizerrijk zijner droomen te worden. Wanneer wij ons denken,
hoe zij zich over zijn levenloos lichaam boog, hebben wij misschien
een zinnebeeldige voorstelling van zijn onvervuld gebleven wenschen.