belang voor de toekomst van Italië was, onopgemerkt hebben gelaten,
geven de annalen van de twintig jaar van Lodewijk's regeering
(855-75) nauwelijks iets belangrijks behalve de veldtochten van den
Keizer tegen de Saracenen, waarover reeds gesproken is, en eenige
gebeurtenissen, die samenhangen met het krachtig optreden van Paus
Nicolaas I. Deze was gekozen door den invloed van den Keizer, doch
het duurde niet lang of hij geraakte in hevigen strijd met Lodewijk
II en het volkomen ontbreken van elk gevoel van eerlijkheid, dat in
het pauselijk gemoed bijna altijd scheen gepaard te gaan met andere,
niet zelden bewonderenswaardig dappere eigenschappen, bracht er
hem toe, de bekende "Isidorische decretalen", een verzameling van
onechte in Frankrijk verzamelde decreten van gefingeerde Concilies,
waardoor den Paus de suprematie over alle bisschoppen gegeven werd en
het kerkelijk gezag (zooals in de beroemde Donaties van Constantijn en
Pepijn) volkomen onafhankelijk werd gemaakt van de burgerlijke macht,
als aanvalswapen te gebruiken. Hierna keerde Paus Nicolaas zich tegen
den aartsbisschop van Ravenna, die, zooals vele van zijn voorgangers,
een eenigzins uitdagende houding tegen Rome had aangenomen, en na een
korten strijd overwon hij hem volkomen. Toen viel hij den Patriarch
van Constantinopel aan en de twist tusschen het Oosten en Westen werd
een breuk naar aanleiding van de heftig bestreden Filioque-vraag,
de vraag of de Heilige geest niet alleen van den Vader maar ook van
den Zoon uitgaat. Daarna toonde hij zijn moed in een zaak van minder
diepzinnigen aard. De broeder van Lodewijk II, Lotharius, koning van
Lotharingen, was hevig verliefd geworden op een zekere Waldrada,
die hem op daemonische wijze fascineerde en die hij werkelijk had
laten kronen in de plaats van zijn koningin, Luitberga. Het was
een geval gelijkend op dat van Anna Boleyn en in beide gevallen
had de Paus ongetwijfeld gelijk. Een Kerkelijk Concilie te Metz
had de echtscheiding bekrachtigd en het nieuwe huwelijk ingezegend;
de Aartsbisschoppen van Trier en van Keulen kwamen naar Rome om hun
meening kracht bij te zetten; maar Paus Nicolaas weigerde drie weken
lang hun audientie te verleenen; daarna zette hij hen af en sprak
over beiden den banvloek uit.
Daarop marcheerde Lodewijk, die op een veldtocht tegen de Saracenen te
Benevento was, hevig verontwaardigd naar Rome en bezette de Civitas
Leonina. Paus Nicolaas nam een houding van lijdelijk verzet aan; hij
ging de St. Pieter binnen en bleef twee dagen lang, zonder voedsel,
geknield voor het hoogaltaar liggen; ten slotte zegevierde hij,
want Lodewijk werd ziek en keerde naar het noorden terug zonder
iets bereikt te hebben; en Lotharius stierf een paar jaren later,
nadat hij vergeefsche en vernederende pogingen had aangewend om van
den opvolger van Paus Nicolaas de erkenning van Waldrada te verkrijgen.
Toen Lodewijk II in 875 te Brescia stierf, waren zijn twee ooms,
Lodewijk, de koning van Duitschland, en Karel de Kale van Frankrijk,
die reeds beslag hadden gelegd op het gebied van Lotharius, de
pretendenten naar de kroon van Italië en den keizerstitel, en het
is belangwekkend te zien, dat bij deze gelegenheid, in plaats van
een zich zelf kronenden Keizer, de Paus, de energieke en eerzuchtige
Johannes VIII en de Italiaansche grooten de zaak beslissen. Het is
zeker, dat Karel werd uitgenoodigd (of aangemaand) door Johannes
naar Rome te komen om door den Paus tot keizer te worden gekroond,
dat hij gehoorzaamde en dadelijk daarna naar Pavia trok, waar hij
voor een groote vergadering van Italiaansche edelen en prelaten
door den Aartsbisschop van Milaan met de Longobardische IJzeren
Kroon tot Koning van Italië werd gekroond. De twee jaren van de
regeering van Karel den Kale zijn merkwaardig om zijn voortdurende
gevechten tegen zijn neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher,
en de hernieuwde moeilijkheden met de Saracenen, die, ofschoon zij
door een Italiaansche vloot onder aanvoering van Paus Johannes zelf
verslagen waren, toch het Romeinsche gebied verwoestten en, wederom
geholpen door de verraderlijke Napolitanen, Rome zelf bedreigden [220].
Na den dood van Karel den Kale in 877 volgde er een sombere periode
van vier jaren van onbeduidende oorlogen, gedurende welke er geen
Keizer was. De pretendenten waren Lodewijk de Stamelaar (le Bègue) en
zijn drie neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher. Een van deze,
Karloman, werd Koning van Italië en na zijn dood in 879 volgde zijn
broeder Karel de Dikke hem op en werd ten slotte in 881 tot Keizer
gekroond. Daar al zijn mededingers waren gestorven, werd Karel
de Dikke kort daarna ook koning van Duitschland en van Frankrijk
(d.w.z. van de Oost- en West-Frankische koninkrijken) en regeerde dus
over bijna het geheele vroegere Rijk van Karel den Groote. Maar zijn
domme onmacht bleek even merkwaardig als zijn lichamelijke grofheid;
en een vergadering van edelen te Tribur, bij Mainz, onttroonde hem en
het volgend jaar stierf hij. Aldus eindigde na 88 jaar de erfelijke
dynastie der Karolingers, die zich Koningen van Italië en Keizers der
Romeinen noemden, ofschoon, zooals wij zullen zien, sommige van de
koningen en z.g.n. keizers van de volgende sombere en woelige periode
op onwettige wijze (zooals Arnulf) of door de vrouwelijke linie
(zooals Berengar en Lodewijk) van Karel den Groote afstamden.
(2) Zoogenaamde Italiaansche Koningen en Keizers (888-962).
Het verval van de keizerlijke en koninklijke waardigheid moet men
aan vele oorzaken toeschrijven. Een daarvan was de ontaarding van
de Karolingische vorsten; een andere de noodlottige familie-veeten
die zich vermenigvuldigden als hydra-koppen; nog een andere oorzaak
was het feit, dat de Pausen en de bisschoppen zich wereldlijke macht
aanmatigden; vervolgens ook de uitputtende en dikwijls vergeefsche
worstelingen met buitenlandsche vijanden, zooals de Saracenen,
waarbij weldra nog de Hongaren en Noormannen kwamen; en ten slotte
was een zeer voorname oorzaak de snel toenemende onafhankelijkheid
van vele steden, zooals Venetië en Napels (om niet te spreken van
Rome), en ook van de machtige leenmannen van de kroon, die in vele
gevallen erfelijke hertogdommen of markiezaten hadden gesticht en
geneigd waren steeds hooger te streven en met elkander te strijden
om de kroon van Italië of zelfs te grijpen naar het bedriegelijke
schijnbeeld van den keizerlijken diadeem.
Het ineenstorten van het Karolingische Rijk had de opkomst van twee
groote volken ten gevolge, het Duitsche en het Fransche; en een
tijdlang scheen het alsof Italië eindelijk zich tot één natie onder
eigen koningen zou vereenigen. Daarom zijn Italiaansche schrijvers
geneigd om met een zeker genoegen over deze z.g.n. "Italiaansche"
hertogen en markiezen, en den regno d'Italia indipendente uit de
weiden, terwijl door de Duitsche historici deze periode, in welke
Italië grootendeels vrij was van Duitsche overheersching, dikwijls
beschouwd wordt als een triviale periode van ontaarding, die geen
beschrijving verdient.
Daar er in een volgend hoofdstuk iets zal gezegd worden over
wetenschap, godsdienst en kunst in Italië gedurende de negende en
tiende eeuw en de twisten van de pretendenten naar de kroon van Italië
onbelangrijk zijn, zullen wij nu slechts een kort verslag geven van
de voornaamste gebeurtenissen van deze periode.
Bij de verkiezing van Karel den Dikke hebben wij gezien, dat de keuze
van een keizer, een tijdlang ten minste, afhankelijk was van den Paus,
en de grooten, zoowel de leeken als de geestelijken, van Noord-Italië,
zich het recht hadden aangematigd hun eigen koning te kiezen of
de keuze te bekrachtigen; want zij lieten Karel te Pavia door den
Aartsbisschop van Milaan kronen met de Longobardische kroon. Na zijn
onttroning was het dus natuurlijk van zelf sprekend, dat deze grooten
weder hun eigen koning zouden kiezen. Zij negeerden het feit, dat
Arnulf van Carinthië, een Karolingische bastaard, in de plaats van
Karel als koning van Duitschland was gekozen en zich dus ipso facto
als Koning van Italië beschouwde, en kozen Berengarius, den Markies van
Friaul [221], den zoon van Gisela, een dochter van Lodewijk den Vrome.
In de volgende 37 jaren (888-925) moest Berengar achtereenvolgens
tegen vijf mededingers strijden; van deze gelukte het vier de
pauselijke kroning deelachtig te worden, voordat Berengar zelf in
915 dit bereikte. De eerste van deze mededingers was de Hertog van
Spoleto. Hoe stoutmoedig en onafhankelijk deze Longobardische hertogen
van Zuid-Italië geworden waren, hebben wij reeds gezien. Toen Lodewijk
II nog keizer en Hadrianus II Paus (867) was, had de hertog van
Spoleto, Lambert, plotseling een inval gedaan en Rome geplunderd. Deze
daad herhaalde hij in 878, toen hij Paus Johannes VIII een maand lang
gevangen hield, en hem tevergeefs trachtte te dwingen Karloman den
keizerstitel toe te kennen; hij gebruikte dergelijke dreigementen,
dat de Paus, dien wij reeds om zijn krijgshaftig optreden en zijn
schitterende overwinning op de Saracenen hebben bewonderd, op een
schip naar Graaf Boso van Provence vluchtte.
Deze Lambert van Spoleto nu had een zoon, Guido, dien Karel de Dikke
wegens verraad afzette, terwijl hij zijn hertogdom aan Berengar
van Friuli gaf. Maar Guido kwam weer met behulp van de Saracenen
[222] terug, en nadat hij Berengar bij de Trebia, niet ver van Pavia,
verslagen had, zette hij zich als Koning van Italië de IJzeren Kroon op
het hoofd en werd twee jaren later (891) met den keizerlijken diadeem
in de St. Pieter te Rome gekroond, ofschoon de Paus, Stephanus V,
in het geheim samenspande met een derden mededinger, Arnulf van
Carinthië, die, als opvolger van Karel den Dikke ten noorden van de
Alpen, al dien tijd zijn aanspraken op het koningschap van Italië en
den keizerstitel had volgehouden [223].
Guido was niet tevreden met den keizerstitel; hij wenschte een
keizerlijke dynastie te stichten door ook zijn zoon, Lambert, tot
keizer te maken, en de beruchte Formosus, die Paus was geworden,
begunstigde eerst die eerzuchtige plannen en kroonde Lambert te
Ravenna als medekeizer; maar toen na Guido's dood Arnulf (896)
met een sterk leger in Italië drong en Rome binnentrok, weigerde de
besluitelooze of sluwe Paus den Spoletaanschen pretendent zijn hulp
en ofschoon hij de keizerlijke kroon op Lambert's hoofd had gezet,
herhaalde hij nu deze plechtigheid ten gunste van diens mededinger.
Arnulf evenwel had niet veel voordeel van het feit, dat hij het
doel van zijn eerzucht bereikt had, want terwijl hij zich gereed
maakte Lambert te Spoleto aan te vallen, werd hij door een beroerte
getroffen en ofschoon hij nog drie jaren in leven bleef, beteekende
zijn politieke invloed in Italië toch niets meer. De ommekeer van de
stemming wegens de kroning van dezen "barbaar" over den Paus, die
deze verfoeilijke unctio barbarica had verricht was zoo geweldig,
dat het lijk van Formosus voor den dag werd gehaald om voor een
Synode ter verantwoording te worden geroepen,--een tooneel, dat later
beschreven zal worden. Lambert daarentegen, krachtig geholpen door
zijn eerzuchtige moeder, Agiltrud, (de dochter van den hertog van
Benevento, die Keizer Lodewijk gevangen nam), rees ten zeerste in
de achting van het volk en zou er waarschijnlijk in zijn geslaagd
zijn eenig overgebleven mededinger te verdrijven, ware hij niet in
898 gestorven ten gevolge van een val van zijn paard, terwijl hij op
jacht was--of volgens anderen, vermoord. Aldus werd Berengar van zijn
mededingers bevrijd.
Doch niet lang werd den Koning van Italië rust gegund. De nieuwe,
verschrikkelijke vijanden, de Magyaren, zooals zij zichzelf noemden,
of Hun-ugri, zooals de Slaven hen noemden, waren evenals de Hunnen
van Oostersche afkomst en geleken op hen, wat hun woestheid en
meedoogenlooze onmenschelijkheid betrof; zij waren in groote massa's
van de Oeral-streken gekomen en hadden nu, daar zij bij de Slavische
volken slechts weinig weerstand vonden, reeds onder hun aanvoerder
Arpad het land veroverd, dat naar hen nog Hongarije heet; en weldra
drongen zij door in Duitschland, Frankrijk en Italië en waren een
halve eeuw lang de schrik van Europa, totdat zij in 955 volkomen werden
verslagen door Keizer Otto I in den grooten slag op het Lechfeld [224].
In 899 vielen deze Magyaren in Italië en brachten Berengarius bij de
rivier de Brenta zulk een nederlaag toe, dat zijn tegenstanders wederom
moed vatten en een vreemden vorst, Lodewijk, den zoon van Boso, den
"Koning" van Provence, voor de keizerskroon opriepen, daarbij een
gedragslijn volgend, die ontzaglijk veel ellende over Italië bracht.
De jeugdige pretendent, de zoon van Boso en Ermengard, de dochter
van den Karolinger Lodewijk II, gaf gehoor aan de uitnoodiging; hij
kwam te Rome en werd inderdaad door Paus Johannes IX gekroond; maar
Berengarius viel hem stoutmoedig aan, dwong hem naar huis te gaan en
te beloven nooit meer in Italië terug te komen. Deze belofte evenwel
werd door Lodewijk gebroken; maar in 904 werd hij door Berengarius
gevangen genomen, blind gemaakt en naar Provence teruggezonden.
Wederom volgde een periode, waarin Berengarius onbetwist koning was,
en in 915 werd hij te Rome als keizer gekroond, nadat het hem gelukt
was te zamen met Paus Johannes X een bond van de Longobardische
hertogen, van Napels en andere steden te vormen, met de bedoeling
het Saraceensche kamp bij de Garigliano te vernietigen, welk doel
werkelijk werd bereikt. Het scheen nu wederom, alsof Italië eindelijk
vrede en eenheid zou deelachtig worden onder zijn eigen regeerders;
maar deze Italiaansche Koningen en Keizers waren in het geheel niet
naar den zin van de Pausen, die aldus onder voortdurend toezicht
stonden, en de eerzuchtige en beginsellooze Johannes X begon, kort
nadat hij Berengar den keizerlijken diadeem op het hoofd had gezet,
evenals vele van zijn voorgangers en opvolgers, te "boeleeren" met
vreemde vorsten, zooals Dante het noemt. Hij noodigde Rudolf, koning
van Hoog-Bourgondië uit, het koningschap over Italië te aanvaarden en
plaatste hem te Pavia in 922 de IJzeren Kroon op het hoofd. Berengar,
in het nauw gebracht, riep zijn oude vijanden, de Magyaren, weder in
het land. Deze kwamen, doch in plaats van hem te helpen, begonnen
zij de landstreek te plunderen. Zij staken Pavia in brand en hun
benden strekten hun strooptochten naar het zuiden bijna tot Rome
uit. Ondertusschen was Berengar, zonder hun hulp, erin geslaagd Rudolf
te verslaan en naar Bourgondië terug te jagen; maar kort daarna (924)
werd hij te Verona vermoord, naar men zegt door een intiemen vriend,
Flambert, die reeds eenmaal tegen hem een samenzwering had gesmeed
en vergiffenis had gekregen [225].
In de volgende zeven en dertig jaren was er geen Keizer. De titel,
die eens het zinnebeeld was geweest van een macht over de geheele
wereld, had nu geen waarde meer; Byzantijnsche vorsten matigden
zich dien titel aan en Pausen kenden dien aan Duitsche monarchen,
Provençaalsche prinsen of Longobardische hertogen toe. Het ontbreken
van een Imperator Romanorum in Italië gedurende meer dan een derde van
een eeuw was van weinig belang, want het is de werkelijkheid achter
dergelijke namen, die er eenig gewicht aan geeft, en het aanzien,
dat die naam aan het latere "Heilige Roomsche Rijk" schenkt, is niet
te danken aan de onafgebroken opvolging, maar geheel en al aan het
staatkundige en persoonlijke gewicht van de Duitsche vorsten, die,
in meerdere of mindere mate met goedvinden van het Italiaansche volk,
den keizerlijken titel hebben gevoerd. Het oorspronkelijke Imperium
Romanum had reeds voor de zesde eeuw opgehouden te bestaan en het
eenige recht, dat de middeleeuwsche Imperatores Romanorum hadden op
hun titel, bestond in hun macht of was het recht, dat de Italianen (en
in sommige gevallen misschien de Pausen als hun vertegenwoordigers)
bezaten, om dien titel te doen herleven en toe te kennen, aan wien
zij wilden. Maar, ofschoon men moet erkennen, dat de keizerlijke
waardigheid, zooals die in den persoon van Otto herleefde, nog meer
een fictie was dan de titel, die met de woorden piissimus Augustus,
a Deo coronatus, magnus Imperator aan Karel den Groote werd toegekend
of zelfs dan de eer, die Arnulf van Carinthië deelachtig werd door
de unctio barbarica van den Paus, men mag toch niet vergeten dat
zoo iets als keizerlijke opvolging soms een zoogenaamde subjectieve
werkelijkheid bezit; want hoe denkbeeldig de onafgebroken overdracht
van een geheimzinnig voorrecht ook moge zijn, de ontroering, die gewekt
wordt in de gemoederen, die dergelijke aanspraken erkennen, blijkt
dikwijls een wezenlijke en groote kracht te zijn in de historische
evolutie en die ontroering kan niet geloochend worden [226].
Eindelooze veeten en burgertwisten, algeheele ondergang van patriotisme
door lage, persoonlijke eerzucht, schaamtelooze verbintenissen met
vreemde vorsten en barbaarsche vijanden--dat zijn de voornaamste
trekken van de z.g.n. regno d'Italia indipendente, een tijd, waarin het
bleek, dat de Italianen nog niet hoog genoeg stonden om onafhankelijk
te zijn.
Merkwaardig is het, dat in deze periode van zeven en dertig jaren
verscheidene vrouwen zulk een belangrijken invloed hebben uitgeoefend;
meer dan eene heeft een tijdlang een staatkundige macht bezeten,
die men kan vergelijken met het gezag van Placidia of Pulcheria;
maar zij verwierven en behielden die macht door een daemonische, of
misschien beter gezegd, diabolische bekoring, die eerder doet denken
aan de jongere Agrippina of Lucrezia Borgia dan aan de dochter of
kleindochter van den grooten Theodosius. Een van deze vrouwen was
Bertha, de dochter van die Waldrada, die wij vroeger vermeld hebben
in verband met Lotharius (p. 285). Bertha was eerst gehuwd met Graaf
Theobald van Provence, die haar een zoon, Hugo, had geschonken. Daarna
trouwde zij met Adalbert, Markies van Toskane, en kreeg verscheidene
kinderen, van welke er een, Ermengard, met de fascineerende schoonheid
van haar moeder begiftigd was. Bertha, en na haar dood, Ermengard,
Markiezin van Ivrea, schijnen op de Italiaansche edelen zulk een
invloed te hebben gehad, dat deze kort na den moord op Berengarius
besloten Rudolf van Bourgondië, ofschoon hij reeds door den Paus
gekroond was, niet te erkennen en den jongen graaf van Provence uit
te noodigen de kroon van Italië te aanvaarden [227]. Hugo landde bij
Pisa (926) en werd te Pavia gekroond, terwijl Paus Johannes X voor
de derde maal zijn goddelooze zalving gaf aan een pretendent tijdens
het leven van diens mededinger en er aldus de oorzaak van werd, dat
de open wond van Italië ging zweren in plaats van die, als Hoofd van
Christelijk Kerk, te verbinden en te heelen.
Rome van 896 tot 926.
Maar in Rome was de vrouwelijke overheersching in deze periode aan
het licht gekomen, en wij moeten een weinig teruggaan om te zien hoe
dit begon. Nadat Paus Formosus Arnulf als keizer had gekroond, en Paus
Stephanus VI om deze onwaardige handeling te wreken, zijn lijk uit het
graf had gehaald en voor een Synode ter verantwoording had geroepen,
heerschte er een schandelijke toestand in Rome, waar in acht jaren
(896-904) niet minder dan tien Pausen optraden, van wie de meeste hun
ambt verwierven of verloren door misdadige kuiperij of moord [228]. In
dezen tijd, waarin volgens sommigen geheel Italië een gelukkige
onafhankelijkheid genoot onder de regeering van hun eigen koning
Berengarius, begon in Rome een verschrikkelijk despotisme op te komen,
waarvoor zoowel het Pausdom als het Koningschap van Italië zouden
moeten buigen. Een zekere Theophylactus, een leider van de wereldlijke
aristocratie (judices de militia) was gestegen tot het ambt van Dux et
Magister militum en had de titels van Senator en Consul aangenomen,
terwijl zijn vrouw, die den onheilspellenden naam Theodora droeg,
en hare twee dochters Marozia en Theodora er in slaagden door haar
schoonheid en losbandigheid een groot getal aanbidders en satellieten
tot zich te trekken. In 904 werd de eerzuchtige Kardinaal Sergius,
die reeds jaren lang getracht had de pauselijke tiara te bemachtigen
en wien het ten slotte gelukt was de minnaar van Marozia te worden,
tot Paus gekozen; sinds dat jaar was het ambt van paus langen tijd
afhankelijk van deze vrouwen. Zeven jaren troonde deze man op den zetel
van den H. Petrus; door Baronius en andere kerkelijke schrijvers wordt
hij een monster, door Gregorovius een "terroriseerende misdadiger"
genoemd; zijn concubine en haar Semiramis-achtige moeder hadden een
hofhouding, die door haar weelde en zedeloosheid deed denken aan de
ergste tijden van het oude Keizerrijk.
Sergius III stierf in 911. Twee pausen volgden daarna, van wie wij
bijna niets weten, maar wier verkiezing en plotseling verdwijnen
waarschijnlijk moeten worden toegeschreven aan hof-intriges. Toen
werd een zekere priester, Johannes, die langen tijd Theodora,
ofschoon zij niet jong meer was, het hof had gemaakt en Aartsbisschop
van Ravenna was geworden, door den invloed van zijn minnares op
den pauselijken troon geplaatst (914). Hij was die zedelooze en
onbetrouwbare Paus Johannes X, van wien wij reeds meer dan genoeg
hebben gehoord. Ondertusschen had Marozia, die haar pauselijken minnaar
had verloren, een fortuinzoeker getrouwd (913), een soldaat, Alberik
geheeten, die na afwisselend onder Guido en Berengarius gediend te
hebben er in geslaagd was zich tot Hertog van Spoleto op te werpen.
Het was kort hierna, dat Berengarius, gesteund door Theophylactus,
Alberik en hun beider almachtige echtgenooten, naar Rome kwam en als
Keizer werd gekroond (915) door Paus Johannes X, nadat hij de Saracenen
op den berg Garigliano, zooals reeds verteld is, verslagen had.
Theophylactus, Theodora en Alberik verdwijnen nu plotseling en
eenigzins geheimzinnig van het tooneel en Marozia vestigt zich in
den sterken burcht van S. Angelo (Engelenburg), vanwaar zij Rome
beheerscht. Paus Johannes laat Berengarius in den steek en kroont
Rudolf van Bourgondië; niet lang daarna herhaalt hij dit spel met
Hugo van Provence. Deze verraderlijke intriges brengen Marozia in
botsing met den vroegeren minnaar van haar moeder; ten slotte neemt
zij hem gevangen en sluit hem in den burcht op, waar hij weldra op
haar bevel wordt geworgd, of volgens sommigen, met een kussen gesmoord.
Na den dood van haar echtgenoot, Alberik van Spoleto, was Marozia in
het huwelijk getreden met Guido van Toskane, den broeder van Ermengard
en den stiefbroeder van Hugo van Provence. Toen nu Hugo in 926 tot
Koning van Italië werd gekozen en gekroond, gevoelde Marozia zich
natuurlijk diep gegriefd, want zij had ongetwijfeld Guido getrouwd
met de bedoeling zichzelf Koningin van Italië te maken. Doch gelukkig
stierf Guido weldra, en Hugo van Provence verloor omstreeks denzelfden
tijd zijn vrouw. Deze kans mocht Marozia niet laten voorbijgaan en
weldra werden de listen van de verleidelijke meesteres van Rome met
succes bekroond. Hugo kwam te Rome (932) en vierde zijn bruiloft met
Marozia in den Engelenburg; de onlangs gekozen Paus Johannes XI, een
zoon van de bruid en haar minnaar van vroegere jaren, Paus Sergius
III, verrichtte de plechtige handeling en zegende het koninklijk
echtpaar in.