Ofschoon de kroniekschrijvers zonder twijfel veel, wat van groot

belang voor de toekomst van Italië was, onopgemerkt hebben gelaten,

geven de annalen van de twintig jaar van Lodewijk's regeering

(855-75) nauwelijks iets belangrijks behalve de veldtochten van den

Keizer tegen de Saracenen, waarover reeds gesproken is, en eenige

gebeurtenissen, die samenhangen met het krachtig optreden van Paus

Nicolaas I. Deze was gekozen door den invloed van den Keizer, doch

het duurde niet lang of hij geraakte in hevigen strijd met Lodewijk

II en het volkomen ontbreken van elk gevoel van eerlijkheid, dat in

het pauselijk gemoed bijna altijd scheen gepaard te gaan met andere,

niet zelden bewonderenswaardig dappere eigenschappen, bracht er

hem toe, de bekende "Isidorische decretalen", een verzameling van

onechte in Frankrijk verzamelde decreten van gefingeerde Concilies,

waardoor den Paus de suprematie over alle bisschoppen gegeven werd en

het kerkelijk gezag (zooals in de beroemde Donaties van Constantijn en

Pepijn) volkomen onafhankelijk werd gemaakt van de burgerlijke macht,

als aanvalswapen te gebruiken. Hierna keerde Paus Nicolaas zich tegen

den aartsbisschop van Ravenna, die, zooals vele van zijn voorgangers,

een eenigzins uitdagende houding tegen Rome had aangenomen, en na een

korten strijd overwon hij hem volkomen. Toen viel hij den Patriarch

van Constantinopel aan en de twist tusschen het Oosten en Westen werd

een breuk naar aanleiding van de heftig bestreden Filioque-vraag,

de vraag of de Heilige geest niet alleen van den Vader maar ook van

den Zoon uitgaat. Daarna toonde hij zijn moed in een zaak van minder

diepzinnigen aard. De broeder van Lodewijk II, Lotharius, koning van

Lotharingen, was hevig verliefd geworden op een zekere Waldrada,

die hem op daemonische wijze fascineerde en die hij werkelijk had

laten kronen in de plaats van zijn koningin, Luitberga. Het was

een geval gelijkend op dat van Anna Boleyn en in beide gevallen

had de Paus ongetwijfeld gelijk. Een Kerkelijk Concilie te Metz

had de echtscheiding bekrachtigd en het nieuwe huwelijk ingezegend;

de Aartsbisschoppen van Trier en van Keulen kwamen naar Rome om hun

meening kracht bij te zetten; maar Paus Nicolaas weigerde drie weken

lang hun audientie te verleenen; daarna zette hij hen af en sprak

over beiden den banvloek uit.

Daarop marcheerde Lodewijk, die op een veldtocht tegen de Saracenen te

Benevento was, hevig verontwaardigd naar Rome en bezette de Civitas

Leonina. Paus Nicolaas nam een houding van lijdelijk verzet aan; hij

ging de St. Pieter binnen en bleef twee dagen lang, zonder voedsel,

geknield voor het hoogaltaar liggen; ten slotte zegevierde hij,

want Lodewijk werd ziek en keerde naar het noorden terug zonder

iets bereikt te hebben; en Lotharius stierf een paar jaren later,

nadat hij vergeefsche en vernederende pogingen had aangewend om van

den opvolger van Paus Nicolaas de erkenning van Waldrada te verkrijgen.

Toen Lodewijk II in 875 te Brescia stierf, waren zijn twee ooms,

Lodewijk, de koning van Duitschland, en Karel de Kale van Frankrijk,

die reeds beslag hadden gelegd op het gebied van Lotharius, de

pretendenten naar de kroon van Italië en den keizerstitel, en het

is belangwekkend te zien, dat bij deze gelegenheid, in plaats van

een zich zelf kronenden Keizer, de Paus, de energieke en eerzuchtige

Johannes VIII en de Italiaansche grooten de zaak beslissen. Het is

zeker, dat Karel werd uitgenoodigd (of aangemaand) door Johannes

naar Rome te komen om door den Paus tot keizer te worden gekroond,

dat hij gehoorzaamde en dadelijk daarna naar Pavia trok, waar hij

voor een groote vergadering van Italiaansche edelen en prelaten

door den Aartsbisschop van Milaan met de Longobardische IJzeren

Kroon tot Koning van Italië werd gekroond. De twee jaren van de

regeering van Karel den Kale zijn merkwaardig om zijn voortdurende

gevechten tegen zijn neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher,

en de hernieuwde moeilijkheden met de Saracenen, die, ofschoon zij

door een Italiaansche vloot onder aanvoering van Paus Johannes zelf

verslagen waren, toch het Romeinsche gebied verwoestten en, wederom

geholpen door de verraderlijke Napolitanen, Rome zelf bedreigden [220].

Na den dood van Karel den Kale in 877 volgde er een sombere periode

van vier jaren van onbeduidende oorlogen, gedurende welke er geen

Keizer was. De pretendenten waren Lodewijk de Stamelaar (le Bègue) en

zijn drie neven, de zonen van Lodewijk den Duitscher. Een van deze,

Karloman, werd Koning van Italië en na zijn dood in 879 volgde zijn

broeder Karel de Dikke hem op en werd ten slotte in 881 tot Keizer

gekroond. Daar al zijn mededingers waren gestorven, werd Karel

de Dikke kort daarna ook koning van Duitschland en van Frankrijk

(d.w.z. van de Oost- en West-Frankische koninkrijken) en regeerde dus

over bijna het geheele vroegere Rijk van Karel den Groote. Maar zijn

domme onmacht bleek even merkwaardig als zijn lichamelijke grofheid;

en een vergadering van edelen te Tribur, bij Mainz, onttroonde hem en

het volgend jaar stierf hij. Aldus eindigde na 88 jaar de erfelijke

dynastie der Karolingers, die zich Koningen van Italië en Keizers der

Romeinen noemden, ofschoon, zooals wij zullen zien, sommige van de

koningen en z.g.n. keizers van de volgende sombere en woelige periode

op onwettige wijze (zooals Arnulf) of door de vrouwelijke linie

(zooals Berengar en Lodewijk) van Karel den Groote afstamden.

(2) Zoogenaamde Italiaansche Koningen en Keizers (888-962).

Het verval van de keizerlijke en koninklijke waardigheid moet men

aan vele oorzaken toeschrijven. Een daarvan was de ontaarding van

de Karolingische vorsten; een andere de noodlottige familie-veeten

die zich vermenigvuldigden als hydra-koppen; nog een andere oorzaak

was het feit, dat de Pausen en de bisschoppen zich wereldlijke macht

aanmatigden; vervolgens ook de uitputtende en dikwijls vergeefsche

worstelingen met buitenlandsche vijanden, zooals de Saracenen,

waarbij weldra nog de Hongaren en Noormannen kwamen; en ten slotte

was een zeer voorname oorzaak de snel toenemende onafhankelijkheid

van vele steden, zooals Venetië en Napels (om niet te spreken van

Rome), en ook van de machtige leenmannen van de kroon, die in vele

gevallen erfelijke hertogdommen of markiezaten hadden gesticht en

geneigd waren steeds hooger te streven en met elkander te strijden

om de kroon van Italië of zelfs te grijpen naar het bedriegelijke

schijnbeeld van den keizerlijken diadeem.

Het ineenstorten van het Karolingische Rijk had de opkomst van twee

groote volken ten gevolge, het Duitsche en het Fransche; en een

tijdlang scheen het alsof Italië eindelijk zich tot één natie onder

eigen koningen zou vereenigen. Daarom zijn Italiaansche schrijvers

geneigd om met een zeker genoegen over deze z.g.n. "Italiaansche"

hertogen en markiezen, en den regno d'Italia indipendente uit de

weiden, terwijl door de Duitsche historici deze periode, in welke

Italië grootendeels vrij was van Duitsche overheersching, dikwijls

beschouwd wordt als een triviale periode van ontaarding, die geen

beschrijving verdient.

Daar er in een volgend hoofdstuk iets zal gezegd worden over

wetenschap, godsdienst en kunst in Italië gedurende de negende en

tiende eeuw en de twisten van de pretendenten naar de kroon van Italië

onbelangrijk zijn, zullen wij nu slechts een kort verslag geven van

de voornaamste gebeurtenissen van deze periode.

Bij de verkiezing van Karel den Dikke hebben wij gezien, dat de keuze

van een keizer, een tijdlang ten minste, afhankelijk was van den Paus,

en de grooten, zoowel de leeken als de geestelijken, van Noord-Italië,

zich het recht hadden aangematigd hun eigen koning te kiezen of

de keuze te bekrachtigen; want zij lieten Karel te Pavia door den

Aartsbisschop van Milaan kronen met de Longobardische kroon. Na zijn

onttroning was het dus natuurlijk van zelf sprekend, dat deze grooten

weder hun eigen koning zouden kiezen. Zij negeerden het feit, dat

Arnulf van Carinthië, een Karolingische bastaard, in de plaats van

Karel als koning van Duitschland was gekozen en zich dus ipso facto

als Koning van Italië beschouwde, en kozen Berengarius, den Markies van

Friaul [221], den zoon van Gisela, een dochter van Lodewijk den Vrome.

In de volgende 37 jaren (888-925) moest Berengar achtereenvolgens

tegen vijf mededingers strijden; van deze gelukte het vier de

pauselijke kroning deelachtig te worden, voordat Berengar zelf in

915 dit bereikte. De eerste van deze mededingers was de Hertog van

Spoleto. Hoe stoutmoedig en onafhankelijk deze Longobardische hertogen

van Zuid-Italië geworden waren, hebben wij reeds gezien. Toen Lodewijk

II nog keizer en Hadrianus II Paus (867) was, had de hertog van

Spoleto, Lambert, plotseling een inval gedaan en Rome geplunderd. Deze

daad herhaalde hij in 878, toen hij Paus Johannes VIII een maand lang

gevangen hield, en hem tevergeefs trachtte te dwingen Karloman den

keizerstitel toe te kennen; hij gebruikte dergelijke dreigementen,

dat de Paus, dien wij reeds om zijn krijgshaftig optreden en zijn

schitterende overwinning op de Saracenen hebben bewonderd, op een

schip naar Graaf Boso van Provence vluchtte.

Deze Lambert van Spoleto nu had een zoon, Guido, dien Karel de Dikke

wegens verraad afzette, terwijl hij zijn hertogdom aan Berengar

van Friuli gaf. Maar Guido kwam weer met behulp van de Saracenen

[222] terug, en nadat hij Berengar bij de Trebia, niet ver van Pavia,

verslagen had, zette hij zich als Koning van Italië de IJzeren Kroon op

het hoofd en werd twee jaren later (891) met den keizerlijken diadeem

in de St. Pieter te Rome gekroond, ofschoon de Paus, Stephanus V,

in het geheim samenspande met een derden mededinger, Arnulf van

Carinthië, die, als opvolger van Karel den Dikke ten noorden van de

Alpen, al dien tijd zijn aanspraken op het koningschap van Italië en

den keizerstitel had volgehouden [223].

Guido was niet tevreden met den keizerstitel; hij wenschte een

keizerlijke dynastie te stichten door ook zijn zoon, Lambert, tot

keizer te maken, en de beruchte Formosus, die Paus was geworden,

begunstigde eerst die eerzuchtige plannen en kroonde Lambert te

Ravenna als medekeizer; maar toen na Guido's dood Arnulf (896)

met een sterk leger in Italië drong en Rome binnentrok, weigerde de

besluitelooze of sluwe Paus den Spoletaanschen pretendent zijn hulp

en ofschoon hij de keizerlijke kroon op Lambert's hoofd had gezet,

herhaalde hij nu deze plechtigheid ten gunste van diens mededinger.

Arnulf evenwel had niet veel voordeel van het feit, dat hij het

doel van zijn eerzucht bereikt had, want terwijl hij zich gereed

maakte Lambert te Spoleto aan te vallen, werd hij door een beroerte

getroffen en ofschoon hij nog drie jaren in leven bleef, beteekende

zijn politieke invloed in Italië toch niets meer. De ommekeer van de

stemming wegens de kroning van dezen "barbaar" over den Paus, die

deze verfoeilijke unctio barbarica had verricht was zoo geweldig,

dat het lijk van Formosus voor den dag werd gehaald om voor een

Synode ter verantwoording te worden geroepen,--een tooneel, dat later

beschreven zal worden. Lambert daarentegen, krachtig geholpen door

zijn eerzuchtige moeder, Agiltrud, (de dochter van den hertog van

Benevento, die Keizer Lodewijk gevangen nam), rees ten zeerste in

de achting van het volk en zou er waarschijnlijk in zijn geslaagd

zijn eenig overgebleven mededinger te verdrijven, ware hij niet in

898 gestorven ten gevolge van een val van zijn paard, terwijl hij op

jacht was--of volgens anderen, vermoord. Aldus werd Berengar van zijn

mededingers bevrijd.

Doch niet lang werd den Koning van Italië rust gegund. De nieuwe,

verschrikkelijke vijanden, de Magyaren, zooals zij zichzelf noemden,

of Hun-ugri, zooals de Slaven hen noemden, waren evenals de Hunnen

van Oostersche afkomst en geleken op hen, wat hun woestheid en

meedoogenlooze onmenschelijkheid betrof; zij waren in groote massa's

van de Oeral-streken gekomen en hadden nu, daar zij bij de Slavische

volken slechts weinig weerstand vonden, reeds onder hun aanvoerder

Arpad het land veroverd, dat naar hen nog Hongarije heet; en weldra

drongen zij door in Duitschland, Frankrijk en Italië en waren een

halve eeuw lang de schrik van Europa, totdat zij in 955 volkomen werden

verslagen door Keizer Otto I in den grooten slag op het Lechfeld [224].

In 899 vielen deze Magyaren in Italië en brachten Berengarius bij de

rivier de Brenta zulk een nederlaag toe, dat zijn tegenstanders wederom

moed vatten en een vreemden vorst, Lodewijk, den zoon van Boso, den

"Koning" van Provence, voor de keizerskroon opriepen, daarbij een

gedragslijn volgend, die ontzaglijk veel ellende over Italië bracht.

De jeugdige pretendent, de zoon van Boso en Ermengard, de dochter

van den Karolinger Lodewijk II, gaf gehoor aan de uitnoodiging; hij

kwam te Rome en werd inderdaad door Paus Johannes IX gekroond; maar

Berengarius viel hem stoutmoedig aan, dwong hem naar huis te gaan en

te beloven nooit meer in Italië terug te komen. Deze belofte evenwel

werd door Lodewijk gebroken; maar in 904 werd hij door Berengarius

gevangen genomen, blind gemaakt en naar Provence teruggezonden.

Wederom volgde een periode, waarin Berengarius onbetwist koning was,

en in 915 werd hij te Rome als keizer gekroond, nadat het hem gelukt

was te zamen met Paus Johannes X een bond van de Longobardische

hertogen, van Napels en andere steden te vormen, met de bedoeling

het Saraceensche kamp bij de Garigliano te vernietigen, welk doel

werkelijk werd bereikt. Het scheen nu wederom, alsof Italië eindelijk

vrede en eenheid zou deelachtig worden onder zijn eigen regeerders;

maar deze Italiaansche Koningen en Keizers waren in het geheel niet

naar den zin van de Pausen, die aldus onder voortdurend toezicht

stonden, en de eerzuchtige en beginsellooze Johannes X begon, kort

nadat hij Berengar den keizerlijken diadeem op het hoofd had gezet,

evenals vele van zijn voorgangers en opvolgers, te "boeleeren" met

vreemde vorsten, zooals Dante het noemt. Hij noodigde Rudolf, koning

van Hoog-Bourgondië uit, het koningschap over Italië te aanvaarden en

plaatste hem te Pavia in 922 de IJzeren Kroon op het hoofd. Berengar,

in het nauw gebracht, riep zijn oude vijanden, de Magyaren, weder in

het land. Deze kwamen, doch in plaats van hem te helpen, begonnen

zij de landstreek te plunderen. Zij staken Pavia in brand en hun

benden strekten hun strooptochten naar het zuiden bijna tot Rome

uit. Ondertusschen was Berengar, zonder hun hulp, erin geslaagd Rudolf

te verslaan en naar Bourgondië terug te jagen; maar kort daarna (924)

werd hij te Verona vermoord, naar men zegt door een intiemen vriend,

Flambert, die reeds eenmaal tegen hem een samenzwering had gesmeed

en vergiffenis had gekregen [225].

In de volgende zeven en dertig jaren was er geen Keizer. De titel,

die eens het zinnebeeld was geweest van een macht over de geheele

wereld, had nu geen waarde meer; Byzantijnsche vorsten matigden

zich dien titel aan en Pausen kenden dien aan Duitsche monarchen,

Provençaalsche prinsen of Longobardische hertogen toe. Het ontbreken

van een Imperator Romanorum in Italië gedurende meer dan een derde van

een eeuw was van weinig belang, want het is de werkelijkheid achter

dergelijke namen, die er eenig gewicht aan geeft, en het aanzien,

dat die naam aan het latere "Heilige Roomsche Rijk" schenkt, is niet

te danken aan de onafgebroken opvolging, maar geheel en al aan het

staatkundige en persoonlijke gewicht van de Duitsche vorsten, die,

in meerdere of mindere mate met goedvinden van het Italiaansche volk,

den keizerlijken titel hebben gevoerd. Het oorspronkelijke Imperium

Romanum had reeds voor de zesde eeuw opgehouden te bestaan en het

eenige recht, dat de middeleeuwsche Imperatores Romanorum hadden op

hun titel, bestond in hun macht of was het recht, dat de Italianen (en

in sommige gevallen misschien de Pausen als hun vertegenwoordigers)

bezaten, om dien titel te doen herleven en toe te kennen, aan wien

zij wilden. Maar, ofschoon men moet erkennen, dat de keizerlijke

waardigheid, zooals die in den persoon van Otto herleefde, nog meer

een fictie was dan de titel, die met de woorden piissimus Augustus,

a Deo coronatus, magnus Imperator aan Karel den Groote werd toegekend

of zelfs dan de eer, die Arnulf van Carinthië deelachtig werd door

de unctio barbarica van den Paus, men mag toch niet vergeten dat

zoo iets als keizerlijke opvolging soms een zoogenaamde subjectieve

werkelijkheid bezit; want hoe denkbeeldig de onafgebroken overdracht

van een geheimzinnig voorrecht ook moge zijn, de ontroering, die gewekt

wordt in de gemoederen, die dergelijke aanspraken erkennen, blijkt

dikwijls een wezenlijke en groote kracht te zijn in de historische

evolutie en die ontroering kan niet geloochend worden [226].

Eindelooze veeten en burgertwisten, algeheele ondergang van patriotisme

door lage, persoonlijke eerzucht, schaamtelooze verbintenissen met

vreemde vorsten en barbaarsche vijanden--dat zijn de voornaamste

trekken van de z.g.n. regno d'Italia indipendente, een tijd, waarin het

bleek, dat de Italianen nog niet hoog genoeg stonden om onafhankelijk

te zijn.

Merkwaardig is het, dat in deze periode van zeven en dertig jaren

verscheidene vrouwen zulk een belangrijken invloed hebben uitgeoefend;

meer dan eene heeft een tijdlang een staatkundige macht bezeten,

die men kan vergelijken met het gezag van Placidia of Pulcheria;

maar zij verwierven en behielden die macht door een daemonische, of

misschien beter gezegd, diabolische bekoring, die eerder doet denken

aan de jongere Agrippina of Lucrezia Borgia dan aan de dochter of

kleindochter van den grooten Theodosius. Een van deze vrouwen was

Bertha, de dochter van die Waldrada, die wij vroeger vermeld hebben

in verband met Lotharius (p. 285). Bertha was eerst gehuwd met Graaf

Theobald van Provence, die haar een zoon, Hugo, had geschonken. Daarna

trouwde zij met Adalbert, Markies van Toskane, en kreeg verscheidene

kinderen, van welke er een, Ermengard, met de fascineerende schoonheid

van haar moeder begiftigd was. Bertha, en na haar dood, Ermengard,

Markiezin van Ivrea, schijnen op de Italiaansche edelen zulk een

invloed te hebben gehad, dat deze kort na den moord op Berengarius

besloten Rudolf van Bourgondië, ofschoon hij reeds door den Paus

gekroond was, niet te erkennen en den jongen graaf van Provence uit

te noodigen de kroon van Italië te aanvaarden [227]. Hugo landde bij

Pisa (926) en werd te Pavia gekroond, terwijl Paus Johannes X voor

de derde maal zijn goddelooze zalving gaf aan een pretendent tijdens

het leven van diens mededinger en er aldus de oorzaak van werd, dat

de open wond van Italië ging zweren in plaats van die, als Hoofd van

Christelijk Kerk, te verbinden en te heelen.

Rome van 896 tot 926.

Maar in Rome was de vrouwelijke overheersching in deze periode aan

het licht gekomen, en wij moeten een weinig teruggaan om te zien hoe

dit begon. Nadat Paus Formosus Arnulf als keizer had gekroond, en Paus

Stephanus VI om deze onwaardige handeling te wreken, zijn lijk uit het

graf had gehaald en voor een Synode ter verantwoording had geroepen,

heerschte er een schandelijke toestand in Rome, waar in acht jaren

(896-904) niet minder dan tien Pausen optraden, van wie de meeste hun

ambt verwierven of verloren door misdadige kuiperij of moord [228]. In

dezen tijd, waarin volgens sommigen geheel Italië een gelukkige

onafhankelijkheid genoot onder de regeering van hun eigen koning

Berengarius, begon in Rome een verschrikkelijk despotisme op te komen,

waarvoor zoowel het Pausdom als het Koningschap van Italië zouden

moeten buigen. Een zekere Theophylactus, een leider van de wereldlijke

aristocratie (judices de militia) was gestegen tot het ambt van Dux et

Magister militum en had de titels van Senator en Consul aangenomen,

terwijl zijn vrouw, die den onheilspellenden naam Theodora droeg,

en hare twee dochters Marozia en Theodora er in slaagden door haar

schoonheid en losbandigheid een groot getal aanbidders en satellieten

tot zich te trekken. In 904 werd de eerzuchtige Kardinaal Sergius,

die reeds jaren lang getracht had de pauselijke tiara te bemachtigen

en wien het ten slotte gelukt was de minnaar van Marozia te worden,

tot Paus gekozen; sinds dat jaar was het ambt van paus langen tijd

afhankelijk van deze vrouwen. Zeven jaren troonde deze man op den zetel

van den H. Petrus; door Baronius en andere kerkelijke schrijvers wordt

hij een monster, door Gregorovius een "terroriseerende misdadiger"

genoemd; zijn concubine en haar Semiramis-achtige moeder hadden een

hofhouding, die door haar weelde en zedeloosheid deed denken aan de

ergste tijden van het oude Keizerrijk.

Sergius III stierf in 911. Twee pausen volgden daarna, van wie wij

bijna niets weten, maar wier verkiezing en plotseling verdwijnen

waarschijnlijk moeten worden toegeschreven aan hof-intriges. Toen

werd een zekere priester, Johannes, die langen tijd Theodora,

ofschoon zij niet jong meer was, het hof had gemaakt en Aartsbisschop

van Ravenna was geworden, door den invloed van zijn minnares op

den pauselijken troon geplaatst (914). Hij was die zedelooze en

onbetrouwbare Paus Johannes X, van wien wij reeds meer dan genoeg

hebben gehoord. Ondertusschen had Marozia, die haar pauselijken minnaar

had verloren, een fortuinzoeker getrouwd (913), een soldaat, Alberik

geheeten, die na afwisselend onder Guido en Berengarius gediend te

hebben er in geslaagd was zich tot Hertog van Spoleto op te werpen.

Het was kort hierna, dat Berengarius, gesteund door Theophylactus,

Alberik en hun beider almachtige echtgenooten, naar Rome kwam en als

Keizer werd gekroond (915) door Paus Johannes X, nadat hij de Saracenen

op den berg Garigliano, zooals reeds verteld is, verslagen had.

Theophylactus, Theodora en Alberik verdwijnen nu plotseling en

eenigzins geheimzinnig van het tooneel en Marozia vestigt zich in

den sterken burcht van S. Angelo (Engelenburg), vanwaar zij Rome

beheerscht. Paus Johannes laat Berengarius in den steek en kroont

Rudolf van Bourgondië; niet lang daarna herhaalt hij dit spel met

Hugo van Provence. Deze verraderlijke intriges brengen Marozia in

botsing met den vroegeren minnaar van haar moeder; ten slotte neemt

zij hem gevangen en sluit hem in den burcht op, waar hij weldra op

haar bevel wordt geworgd, of volgens sommigen, met een kussen gesmoord.

Na den dood van haar echtgenoot, Alberik van Spoleto, was Marozia in

het huwelijk getreden met Guido van Toskane, den broeder van Ermengard

en den stiefbroeder van Hugo van Provence. Toen nu Hugo in 926 tot

Koning van Italië werd gekozen en gekroond, gevoelde Marozia zich

natuurlijk diep gegriefd, want zij had ongetwijfeld Guido getrouwd

met de bedoeling zichzelf Koningin van Italië te maken. Doch gelukkig

stierf Guido weldra, en Hugo van Provence verloor omstreeks denzelfden

tijd zijn vrouw. Deze kans mocht Marozia niet laten voorbijgaan en

weldra werden de listen van de verleidelijke meesteres van Rome met

succes bekroond. Hugo kwam te Rome (932) en vierde zijn bruiloft met

Marozia in den Engelenburg; de onlangs gekozen Paus Johannes XI, een

zoon van de bruid en haar minnaar van vroegere jaren, Paus Sergius

III, verrichtte de plechtige handeling en zegende het koninklijk

echtpaar in.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 25 / 48 段