den inhoud van de bekrachtigde Donatie; en nog moeilijker de juiste
verklaring te geven van hetgeen er van aangehaald wordt door den
biograaf van Hadrianus in den Liber Pontificalis. De nieuwe belofte
(alia promissio) van Karel was waarschijnlijk in denzelfden geest als
Pepijn's charter (ad instar anterioris, zegt de Liber); doch dit is
niet van zoo groot belang, want in elk geval was de belofte van Karel
bindend en had geen precedent noodig. Belangrijk zijn de volgende drie
punten. Ten eerste, is de Liber Pontificalis betrouwbaar, wat betreft
de steden en landen, die geschonken zijn, of vertelt de schrijver
slechts waarop pauselijke hebzucht en eerzucht aanspraak maakten? Ten
tweede, aan wien werd het gebied afgestaan? Ten derde, werden deze
steden en landen eenvoudig beschouwd als patrimonia d.w.z. afgestaan
aan de Kerk als eigendom, waar de geestelijke autoriteiten hun
Kerkelijke rechten en eischen konden doen gelden; of werden zij
overgegeven met souvereine rechten, zoodat zij gescheiden werden van
het gebied van den Frankischen Koning (en het nieuwe Keizerrijk) en
niet zoozeer een imperium in imperio vormden als wel een afzonderlijk,
onafhankelijk rijk?
Hierop kan men antwoorden, dat, wanneer het gebied, door Pepijn en
Karel afgestaan, werkelijk zoo groot was, als de Liber aangeeft,
het Corsica, Lunigiana, Parma, Mantua, Reggio, universum Exarchatum
Ravennatium, provincias Venetiarum et Istriae, necnon et cunctum
ducatum Spoletinum et Beneventinum omvatte, inderdaad ongeveer
hetzelfde als "alle provincies, plaatsen en steden van Italië",
zooals in de valsche Donatie van Constantijn staat. Indien dit alles
nu met souvereine rechten aan de Kerk of den Paus gegeven werd, en
indien de Frankische Koning werkelijk bedoelde (zooals de Donatie
van Constantijn het omschrijft), dat de allerheiligste zetel van
den H. Petrus zou verheven worden boven alle aardsche tronen, dan
zou men wel kunnen vragen, wat Karel nog voor zichzelf wilde houden
ten zuiden van de Alpen! Dat echter Karel--de rex Longobardorum--van
plan was al, of bijna al zijn nieuw Italiaansch gebied te behouden,
is duidelijk genoeg en het is zeer waarschijnlijk, dat hij slechts
bedoelde de belangen van de Kerk, wat betrof haar privaat eigendom,
haar inkomsten en geestelijke privileges, in deze "geschonken" landen
te verdedigen. Slechts een paar jaren later zien wij hem handelen
alsof hij alleen de leenheer was van geheel Italië, behalve misschien
van Rome en het Hertogdom Rome, en dat dit door den Paus zelf werd
erkend wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in denzelfden tijd
(c. 777), toen Hadrianus de Donatie van Constantijn aanhaalde om zijn
aanspraken op de uitgestrekte landen in Noord-Italië te bewijzen,
hij verplicht was aan Karel toestemming te vragen, voordat hij het
waagde op de Spoletaansche heuvels eenige boomen te vellen, die hij
noodig had om het dak van de basiliek van St. Pieter te herstellen. En
wanneer men daar tegen aanvoert, dat Karel bij zijn latere bezoeken
aan Rome, in 781 en 787, zijn concessies vernieuwde, dan kunnen wij
daarop antwoorden, dat hij bij die gelegenheden niets deed, waardoor
hij blijk gaf eenig souverein recht aan den Paus toe te kennen, al
vroeg hij hem ook den jongen Pepijn als Koning van Italië te kronen,
een feit, dat Hadrianus zonder twijfel uitlegde als een erkenning van
zijn souvereiniteit in Italië. Deze "vernieuwde concessies" bepaalden
zich eenvoudig tot een zekere uitbreiding van het Hertogdom Rome, dat
nu voortaan ook het twistzieke stadje Tuscania of Toscanella bevatte,
waarover wij in een ander hoofdstuk hebben gesproken.
Wat de tweede vraag betreft--aan wien was het gebied geschonken?--is
het leerzaam en eenigzins vermakelijk, op te merken, hoe Paus Stephanus
II in zijn brieven aan Pepijn en aan Astulf eerst schrijft alsof
deze steden en landen moeten worden teruggegeven aan het Keizerrijk;
vervolgens lezen wij, dat zij moeten worden teruggegeven "aan Rome
of de Romeinsche Republiek"; een weinig later is het geworden "aan
den H. Petrus"; en eindelijk krijgen wij de volledige bekentenis,
dat het geheele Exarchaat in de Pentapolis en al deze andere landen en
steden met souvereine rechten worden opgeëischt door de "Heilige Kerk"
en door haar hoogepriester en Zijn opvolgers voor alle eeuwigheid.
Aanteekening over de Byzantijnsche keizers
800-1453.
Omdat Rome, toen Irene den keizerlijken diadeem had aangenomen en Karel
door den Paus gekroond was wederom de algemeen erkende hoofdstad van
het Keizerrijk werd, zal er minder dan ooit reden voor ons zijn onze
aandacht te richten op de lotgevallen van de zoogenaamde Byzantijnsche
Keizers. Doch het zal toch weleens noodig zijn een enkelen keer
een blik in die richting te werpen en daarom is het nuttig een paar
woorden over het latere Byzantijnsche Keizerrijk te spreken.
Van de herleving van het Romeinsche Keizerrijk tot de inneming van
Constantinopel door de Turken verliepen 653 jaren. Gedurende dien
tijd regeerden te Constantinopel ongeveer 55 zoogenaamde Keizers van
verschillende dynastiën. Vier eeuwen lang na de dagen van Irene geven
de annalen van dit Byzantijnsche Rijk weinig belangrijke mededeelingen;
maar de invloed van de Byzantijnsche school op de kunst van Zuid-Italië
is voor hem, die de geschiedenis van Italië bestudeert, van belang.
In 1202-04 werd Constantinopel genomen door de Kruisvaarders uit
het westen en de Venetianen, en nadat de stad op barbaarsche wijze
was geplunderd, werd Baldwin, (Boudewijn) Graaf van Vlaanderen op
den troon van de Oostelijke keizers gezet. Vijf andere "Latijnsche"
Keizers volgden op hem. Ondertusschen was er een "Keizer" opgetreden
te Thessalonica, een ander te Nicaea in Klein-Azië en een derde
te Trapezus (Trebizonde) op de afgelegen stranden van den Pontus
Euxinus. Eén van de Keizers te Nicaea, Vatatzes, veroverde het
"Imperium" van Thessalonica en bemachtigde Macedonië en Thracië en in
1260-61 nam een van zijn opvolgers, Michael Palaeologos Constantinopel
in, verdreef Baldwin II, den "Latijnschen" Keizer en stichtte
een dynastie, die bleef bestaan tot de komst van de Turken, toen de
laatste Byzantijnsche Keizer, Constantinus Palaeologos, gedood werd. De
verhalen bij Gibbon over deze "Romeinsche Keizerrijken" van Nicaea
en Trebizonde in het verre oosten zijn buitengewoon merkwaardig. Te
Trebizonde liet een Keizer, Alexius, aan zijn opvolgers den beroemden
keizerlijken naam van de Comneni na. Het hof te Trebizonde was bekend
om zijn rijkdom en half-Oostersche weelde en de schoonheid van zijn
vorstinnen. Tijdelijk was soms dit Keizerrijk Trebizonde onderworpen
aan den Sultan van Rûm (Iconium), aan de Seldsjoeken, Mongolen en
Turcomannen en eindelijk werd het onderworpen door een veldheer van
Mohammed II, den veroveraar van Constantinopel.
De toestanden te Constantinopel,--hoe deze stad na de verwoesting
door de Latijnsche Kruisvaarders wederom het middelpunt van beschaving
in Europa werd,--zijn levendig door Gibbon beschreven in het laatste
deel van zijn Decline and Fall of the Roman Empire.
VIERDE DEEL
HISTORISCH OVERZICHT
800-1190.
De staatkundige geschiedenis van Italië in de 4 eeuwen, die nu
volgen, kan in drie perioden verdeeld worden. Eerst komen (800-962) de
Karolingers en de zgn. Italiaansche koningen, van welke er sommige tot
Keizer werden gekroond; daarna ontstaat het zgn. Heilige Roomsche Rijk,
gebouwd op de grondvesten van het oude Keizerrijk door de Saksische
en Frankische vorsten; de derde periode omvat de regeering van de
twee eerste Keizers der Hohenstaufen en eindigt met de opkomst der
Italiaansche republieken en vereeniging van het Duitsche rijk met dat
der Noormannen. De eerste periode is, na den dood van Karel den Groote
in 814, weinig belangwekkend. De kronieken van deze vrome, domme en
zwakke Karolingische Keizers en de nauwelijks minder onbelangrijke of
verachtelijke "Italiaansche" vorsten vertoonen een verbijsterend en
vermoeiend warnet van staatkundige verwikkelingen, van gevechten van
zonen tegen vaders, broeders tegen broeders, van ellendige oorlogen
en opstanden en bloedvergieten, van boosaardigheid, bijgeloof, verraad
en misdaad. Indien wij meer wisten van de werkelijke geschiedenis van
Italië in dezen tijd, de geschiedenis van het volk, zijn gedachteleven,
zijn voelen en werken, zijn taal, literatuur en kunst; indien wij
duidelijk den groei der Italiaansche republieken, haar handel en
hartstochtelijke liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid konden
nagaan; indien wij van meer nabij konden waarnemen, hoe de adel van
den arbeid zich langzamerhand verhief tegenover de aanmatiging van
den militairen en geestelijken stand, hoe het feudalisme uit zijn
sterkten werd gedreven; indien wij meer konden vernemen van de groote
en edele mannen en vrouwen, wier persoonlijkheid is begraven in de
beschimmelde kronieken van Pausen en Keizers, dan zouden degenen van
ons die niet alleen oudheidkundigen of politieke historici zijn, deze
periode belangrijk genoeg vinden. Maar de kronieken geven slechts een
opsomming van al het lage en verachtelijke in de menschelijke natuur,
zooals dat te voorschijn treedt bij de vreemde overheerschers en
pretendenten naar koninklijke en keizerlijke titels, of bij de listige,
losbandige en eerzuchtige hoogepriesters van de Roomsche Kerk. Deze
eerste droevige periode zullen wij dus vrij kort behandelen; wij zullen
meer in bijzonderheden afdalen, wanneer wij komen aan den belangrijken
tijd van de Noormannen, Otto den Groote en Frederik Barbarossa.
(1) De Karolingers (800-888).
Het verhaal der historische gebeurtenissen werd in het derde deel
afgebroken met de kroning van Karel te Rome op den Kerstdag van het
jaar 800. Als Keizer regeerde hij dertien jaren en een maand, daar
hij den 28en Januari 814 stierf. Eenige karaktertrekken van hem zijn
reeds vermeld; in een later hoofdstuk zal er nog meer gezegd worden
over zijn persoonlijkheid, zijn invloed, zijn wijze van regeeren;
dus zullen wij ons thans tot de volgende feiten bepalen.
De uitgestrektheid van het nieuwe Keizerrijk en het groote verschil
tusschen de vele volken, die het omvatte en die zonder eenig
onderling verband door een dwang van buiten werden bijeengehouden,
veroordeelden het tot een snellen ondergang. Karel was een groot
aanvoerder en uitstekend soldaat, maar geen man, die een Imperium
kon stichten, un grandissimo condottiero, zegt Villari, senza un
vero genio organizzatore. Bovendien werd door Karel het Duitsche
systeem van opvolging toegepast, waarbij de vorst beschouwd werd als
de persoonlijke eigenaar van het rijk en zijn gebied gewoonlijk onder
zijn erfgenamen verdeelde, een systeem, dat zoo verderfelijk voor het
oude Frankische Koninkrijk was gebleken; Karel hoopte aldus twisten
tusschen zijn zonen te voorkomen. Zijn kinderen, wettige en onwettige,
waren niet minder dan vijftien in aantal, maar hij beschouwde de drie
zonen van zijn gemalin Hildegard, nl. Karel, Pepijn en Lodewijk, als
zijn erfgenamen, en hij had door een testament, dat in den wettelijken
vorm in 806 was opgesteld, Frankrijk (d.w.z. Austrasië en Neustrië),
Italië en Aquitanië respectievelijk aan deze drie toegewezen. Maar
Pepijn stierf te Milaan, waar men zijn graftombe kan zien, in 810 na
zijn ongelukkige belegering van Venetië, en zijn broeder stierf in
het volgend jaar. Dus vond de ontworpen verdeeling van het rijk niet
plaats en de zwakke en bijgeloovige Lodewijk, bijgenaamd "de Vrome"
of "de Zachtmoedige" (le Débonnaire), werd plechtig als medekeizer
door zijn vader in 813 te Aken [214] gekroond en volgde hem het jaar
daarna als Keizer op.
Lodewijk de Vrome toonde zijn karakter door den nieuwen Paus, Stephanus
IV te smeeken naar Reims te komen om hem nog eens te kronen. Deze Paus
nu had, evenals zoovele andere Pausen, voor zijn eigen wijding zich
niet bekommerd om de keizerlijke bekrachtiging, waarop Karel de Groote
zoo sterk had aangedrongen; doch niettegenstaande dit feit beschouwde
de nieuwe Keizer zichzelf niet alleen zonder de pauselijke zalving als
ongekroond, maar wierp zich bij de komst van den Paus te Reims driemaal
voor hem op zijn knieën, een gebeurtenis, die wel verdient vermeld te
worden met het oog op den toekomstigen strijd over de Investituur. Ja
zelfs, toen bij den dood van Stephanus Paus Paschalis haastig gewijd
werd, voordat de keizerlijke sanctie was gekomen, toonde Lodewijk zich
wederom niet beleedigd, maar was zelfs zoo vriendelijk een Donatie
te schenken, zooals Pepijn er een had toegekend, waarbij hij (als
het document echt is) alle vroegere territoriale giften bekrachtigde
en aan de kerk souverein gezag gaf over uitgestrekte gebieden als
ook volledige vrijstelling van keizerlijke inmenging bij pauselijke
verkiezingen. Merkwaardig is het, dat deze concessies weldra gevolgd
werden door een daad, die eenigzins beleedigend schijnt tegenover
den Heiligen Vader: in navolging van zijn vader plaatste Lodewijk met
eigen handen de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Lotharius
in de kathedraal te Aken en wees aan zijn twee jongere zonen, Pepijn
en Lodewijk (den Duitscher) Aquitanië en Beieren toe, zonder zich
blijkbaar in het minst te bekommeren om de pauselijke zalving.
Ofschoon Lotharius dus mede-keizer was geworden, had hij toch als
keizer [215] over Rome of Italië nog geen macht. Zijn jeugdige neef,
de onwettige zoon van Pepijn, Bernard geheeten, was Koning van Italië
geworden en moest den Keizerstitel hulde bewijzen. Daar hij echter
een dergelijke slaafschheid haatte, stond hij tegen het keizerlijk
gezag op. Hierop werd de jonge vorst spoedig overweldigd en door zijn
vromen oom Lodewijk op zulk een wreede wijze van het gezicht beroofd,
dat hij stierf.
Toen werd Lotharius in zijn plaats Koning van Italië en nam de
uitnoodiging van den Paus aan om zijn keizerlijken titel in Rome te
laten bekrachtigen. Maar hoe weinig geneigd hij was de pauselijke
aanspraken op gezag of zelfs op rechtspraak in Rome te erkennen,
blijkt wel uit het feit, dat hij aldaar zijn keizerlijken rechterstoel
plaatste en als hoogste rechter uitspraak deed in een zaak tegen Paus
Paschalis. Dit besliste optreden, waartoe Lotharius eerder geleid werd
door het voorbeeld van zijn grootvader dan door den invloed van zijn
zwakken en bigotten vader, was ongetwijfeld in de goede richting; hij
en zijn opvolgers hadden, indien zij aldus krachtig waren voortgegaan,
misschien de ellende kunnen voorkomen, die de Pausen eeuwen lang
veroorzaakt hebben door hun begeerte naar wereldlijke macht [216]. Doch
de mede-keizer was niet krachtig genoeg om den Paus in zijn eigen hol
te trotseeren. Zoodra Lotharius Rome verlaten had, werden eenige van
Paschalis' tegenstanders gevangen genomen en gedood, waarschijnlijk
op bevel van den Paus, en toen er gezanten van den verontwaardigden
Keizer kwamen om de zaak te onderzoeken, stelde de sluwe priester hen
door een welbekende list te leur en legde plechtig voor een openbare
vergadering in het Lateraan een verklaring af van zijn volkomen
onschuld, terwijl hij tegelijkertijd stoutweg verzekerde, dat zijn
vijanden als verraders waren omgekomen (velut majestatis reos).
Aldus had Lotharius' goed bedoelde poging slechts ten gevolge, dat
het Italiaansche volk verdeeld werd in twee partijen, die later
de Ghibellijnen en Welfen zouden heeten. Zoo bitter was reeds de
vijandschap, dat het, toen Paus Paschalis stierf, onmogelijk bleek
hem in de St. Pieter te begraven, en de onlusten bij de verkiezing
van zijn opvolger waren zoo hevig, dat Lotharius nog eens door zijn
vader gezonden werd om den vrede te herstellen. Bij deze gelegenheid,
(824) vaardigde hij een Constitutio uit, die bepaalde, dat er te Rome
een keizerlijke gezant (missus) gevestigd moest zijn en de keizerlijke
sanctie vóór de wijding van een Paus als noodzakelijk voorschreef.
Ermengard, de vrouw van Lodewijk den Vrome, was in 818 gestorven en men
had Lodewijk met moeite kunnen weerhouden zich in een klooster terug
te trekken; maar weldra trad hij weder in het huwelijk en geraakte
geheel en al onder den invloed van zijn tweede gemalin, de Beiersche
prinses Judith; en toen het langzamerhand bleek, dat haar jonge zoon,
de latere Karel de Kale, de vooruitzichten van zijn oudere broeders
zou vernietigen en zich niet om hun geboorterechten zou bekommeren,
brak er een afschuwelijke familietwist uit. De drie oudste zonen,
Lotharius, Pepijn en Lodewijk de Duitscher verbonden zich en zetten hun
stiefmoeder gevangen; en bijna dwongen zij hun vader in een klooster
te gaan. Maar het volk kwam tusschenbeide; de koningin werd bevrijd
en de zwakke oude koning werd weder op den troon geplaatst. Hij
stierf evenwel kort daarna (840) en dadelijk namen de drie broeders
(Pepijn was gestorven) de wapenen tegen elkander op, totdat zij te
Verdun een overeenkomst sloten, waarbij Karel de Kale Frankrijk,
Lodewijk Duitschland en Lotharius Italië kreeg met een strook lands,
die Frankrijk van Duitschland scheidde en zich uitstrekte van den
mond van den Rijn tot dien van de Rhône. Deze merkwaardige strook,
met haar twee hoofdsteden, Aken en Arles, noemde hij Lotharingen en
een deel daarvan draagt nog dien naam.
Wij zullen nu van de dynastieke twisten van deze Karolingers afscheid
nemen en onze aandacht meer bepalen bij hetgeen in Italië zelf gebeurde
tijdens de regeering van Lotharius. In het noorden van het schiereiland
was, ofschoon verscheidene steden, vooral Venetië, een groote mate
van onafhankelijkheid hadden verworven, de Frankische vorst, die
zich "Koning van Italië" noemde ook werkelijk de heerscher. Ook in
Rome slaagde hij erin tot op zekere hoogte, zooals wij zagen, zijn
keizerlijke rechten tegen het Pausdom te handhaven. Maar in het zuiden
en het midden had deze "Rex Longobardorum" slechts een schaduw van
macht over den hertog van Spoleto en zelfs dit niet over den hertog van
Benevento [217]. Bovendien waren er verscheidene zuidelijke steden,
zooals Salerno en Capua, die niet alleen weigerden de Frankische
suprematie te erkennen, maar ook hun onafhankelijkheid tegen hun
Longobardische heeren handhaafden, of die, zooals Napels en Amalfi,
de Byzantijnsche overheersching afschudden en autonomie verwierven.
Zooals het ook het geval was geweest met de Longobarden, sloot de
onvolkomenheid van de Frankische verovering alle mogelijkheid uit,
om Italië tot één geheel te maken. De verdeeldheid van het land
stelde het bloot aan vreemde indringers, onder wie het zeer lang
geleden heeft; en juist in dezen tijd hebben wederom indringers een
belangrijke rol gespeeld, indringers, die zeer verschilden van de
Ariaansche Goten en Vandalen, van de Katholieke Franken, of zelfs
van de heidensche Hunnen. De Mohammedanen of Saracenen van Arabië
en Noord-Afrika hadden hun veroveringen met verbijsterende snelheid
over de geheele zuidelijke en oostelijke kust van de Middellandsche
zee uitgebreid, hadden het grootste gedeelte van Spanje bemachtigd
en zouden zich van geheel West-Europa meester gemaakt hebben, indien
Karel Martel hen niet in 732 bij Tours een verpletterende nederlaag had
toegebracht. In de volgende eeuw maakten zij voortdurend de kusten van
Sicilië, Sardinië en Zuid-Italië onveilig, bedreven de meest brutale
daden van zeerooverij, soms zelfs in bondgenootschap met Christelijke
steden, die hen te hulp riepen tegen hun Christelijke tegenstanders. In
827 vluchtte een Byzantijnsche veldheer, Euphemius, die op Sicilië
zonder resultaat een opstand had verwekt, naar Afrika en overreedde
de Saracenen een vloot van honderd schepen met ongeveer 10.000 man
uit te zenden om Sicilië te veroveren. In den beginne werden zij door
nederlagen en pest gedecimeerd; doch er werden talrijke versterkingen
gezonden en na een langdurig en verschrikkelijk beleg namen zij
Palermo in, welks bevolking, naar men zeide, gedurende de belegering
van 70.000 op 3000 was gedaald. Van Sicilië uit begonnen de Saracenen
het kustgebied van Zuid-Italië te bestoken en hun stoutmoedigheid werd
aangewakkerd door het verraad van verscheidene Italiaansche steden,
van welke Napels in het bijzonder zich schandelijk heeft gedragen
door de Mohammedanen behulpzaam te zijn bij de inneming van Messina.
Om Rome zelf tegen deze Muzelmannen te beschermen vond Paus Gregorius
IV (tijdens de regeering van Lotharius) het noodzakelijk een nieuwe
stad [218] bij Ostia te bouwen, die stevig te versterken en zware
ballistae op de wallen te plaatsen. Maar de Saracenen baanden zich
met geweld een doortocht den Tiber op (846), plunderden het land tot
de stadsmuren en ook de twee groote basilieken van den H. Paulus en
de H. Petrus, die buiten de muren lagen. De Angel-Saksen, Franken en
andere vreemdelingen die hunne "kolonies" in den Borgo hadden, werden
overweldigd en er ontstond een wanhopige strijd op de Vatikaansche
brug; doch eindelijk werden de ongeloovigen door de Romeinen, geholpen
door de Longobardische troepen uit Spoleto, teruggeworpen. De schrik
door deze stoutmoedige onderneming veroorzaakt deed Lotharius en den
Paus, den energieken en krijgshaftigen Leo IV besluiten den Borgo
[219] met muren te omringen en deze wijk heette in het vervolg de
Città Leonina.
Terwijl deze nieuwe muren verrezen (in 849), werd er op de hoogte van
Ostia een zeer belangrijke zeeslag geleverd, een slag die misschien
van evenveel gewicht was als die van Salamis, van Châlons (op de
Catalaunische velden) of van Tours. De Napolitanen, die alle reden
hadden om berouw te hebben over hun verbond met de Muzelmannen, vielen
stoutmoedig een sterke vloot der Saracenen aan, die Ostia bedreigde en
geholpen door een storm, die vele schepen van den vijand deed stranden,
maakten zij een ontzaglijk aantal gevangenen, van welke velen gedwongen
werden te werken aan de muren van de Città Leonina. Een prachtig,
hoewel bloeddorstig fresco, door Raffael ontworpen en uitgevoerd door
Giov. da Udine stelt Leo IV voor, terwijl hij te Ostia met opgeheven
hand de slachting van Saraceensche gevangenen zegent. Dit is echter
historisch onjuist, want Leo heeft, naar men zegt, den dag voor den
slag een bidstond gehouden in de S. Aurea, de basiliek te Ostia en
is dadelijk daarna naar Rome vertrokken.
[Voordat wij van dit onderwerp afscheid nemen, zal het noodig zijn een
weinig vooruit te loopen en op te merken dat de Saracenen nog vele
jaren Sicilië behielden en Zuid-Italië teisterden. Zij maakten Bari
tot hun voornaamste steunpunt en plunderden geheel Apulië, Calabrië en
zelfs Campanië tot de poorten van Salerno. In 888 verwoestten zij de
Benedictijner abdij van Monte Cassino, zooals te voren is vermeld. Zoo
nu en dan werden zij streng gestraft. Lodewijk II veroverde Bari en
maakte den "Sultan" der Saracenen gevangen. De zgn. Keizer Guido
(c. 890) hakte hem in de pan en maakte een sterke legerplaats,
die zij op den berg Garigliano (bij de Liris) hadden aangelegd,
met den grond gelijk; toen deze legerplaats was herbouwd, werd die
wederom geheel en al vernield door de verbonden staten van Zuid-Italië
tijdens de regeering van Berengarius (915). Maar zij bleven toch een
voortdurend gevaar en veroorzaakten zelfs den Saksischen keizers veel
last. Otto III werd inderdaad volkomen door hen verslagen en kwam bijna
in dien slag om. De Saracenen van Spanje teisterden bovendien jaren
lang de noordelijke kusten. Zij bemachtigden Provence en Sardinië en
verwoestten de marina van Ligurië, Toskane en Latium en eens zelfs
brandden zij een gedeelte van de stad Pisa plat. Eindelijk werden
deze Spaansche Saracenen door de vloten van de Pisanen, van Sicilië
en Zuid-Italië overwonnen en opgenomen door de Noormannen, zooals
wij later zullen zien.
In 855 stierven zoowel Lotharius als Paus Leo, de eerste in een
klooster, waarin hij zich had teruggetrokken, nadat hij afstand
had gedaan van den troon ten behoeve van zijn zoon Lodewijk, die
ongeveer vijf jaren te voren als medekeizer was gekroond. Leo werd
opgevolgd door Benedictus III, die door de pauselijke partij werd
gesteund en gekozen werd in strijd met de wenschen uitgesproken door
de officieele gezanten namens den nieuwen Keizer, hetgeen een zeer
duidelijke aanwijzing van den stand van zaken te Rome was.