Door de Longobarden werd Napels niet veroverd. Het werd eng ingesloten

door den Hertog van Benevento in 581, toen de Longobarden Campanië

verwoestten en het klooster van Monte Cassino plunderden; maar het

bood met goed gevolg weerstand, voornamelijk door de hulp van de

Byzantijnsche vloot en gedurende de 7e en de eerste helft van de 8e

eeuw bleef het trouw, ofschoon de Keizers, die werden bezig gehouden

door de Saracenen op Sicilië, er zich weinig mee bemoeiden; het werd

toen bestuurd door Byzantijnsche Rechters en Kommandanten en later

door Byzantijnsche Hertogen en nam geen deel aan den opstand van

Ravenna en de Pentapolis tegen de Byzantijnsche heerschappij. Ten

slotte verklaarde omstreeks 760 de Hertog van Napels, Stephanus II

de stad onafhankelijk. De officieele taal was van Grieksch Latijn

geworden; de munten, behalve in sommige gevallen, waarin het oude type

werd bewaard, droegen den beeldenaar van St. Januarius in plaats van

dien van den Keizer; de zoon van Hertog Stephanus werd als mederegent

aangenomen, een daad, waardoor een soort van dynastieke regeering werd

ingeleid; en eindelijk nam de Hertog zelf, die weduwnaar was geworden,

het prachtige besluit in zijn eigen persoon de hoogste burgerlijke en

geestelijke macht te vereenigen; nadat hij de tonsuur had aangenomen

werd hij te Rome tot Bisschop van Napels gewijd. Onder de volgende

Hertogen verdedigde de stad zich dapper tegen de Saracenen en hield het

een tijdlang tegen de Noormannen uit; maar in 1134, na een langen en

heldhaftigen tegenstand, werd zij door Roger, den koning van Sicilië,

ingenomen en werd aldus aan haar zelfbestuur een einde gemaakt.

HOOFDSTUK IV.

KAREL DE GROOTE TE ROME.

Karel bezocht Rome voor 800 driemaal. De eerste keer was in 774,

ongeveer 27 jaren voor zijn kroning. Sinds de eerste dagen van den

herfst van 773 had hij Desiderius in Pavia belegerd en daar het scheen,

dat de belegering nog lang zou duren, besloot hij Paschen (2 April)

in Rome te vieren, waar hij van plan was belangrijke zaken met Paus

Hadrianus te bespreken. Het eerste bezoek van den Frankischen vorst

aan de stad, die de metropool van het oude Romeinsche Keizerrijk was

geweest en weldra de hoofdstad zou worden van het nieuwe Romeinsche

Keizerrijk, is van bijzonder belang wegens de z.g.n. Donaties. Hierom,

en ook omdat de ontmoeting van den koning en den Paus plaats vond

onder treffende en merkwaardige omstandigheden en samenhangt met

eenige belangrijke vraagstukken over kunst, zullen wij deze episode

en de Donaties ietwat uitvoeriger behandelen.

Men zal zich herinneren, dat Hadrianus, toen hij in 772 Paus was

geworden, vergeefs getracht had op goeden voet te komen met den

Longobardischen koning Desiderius, die hevig verontwaardigd was, dat

zijn dochter Desiderata door Karel verstooten was, en die beproefd had

den Paus over te halen Karloman's zoon, die gevlucht was, als wettige

koning van de Franken te wijden. Dit verzoek weigerde Hadrianus in te

willigen en hij toonde zich, zooals de oude kroniekschrijver zegt,

"zoo onbuigzaam als diamant". Daarop wilde Desiderius de steden van

het Exarchaat niet overgeven, nam bovendien Faenza en Ferrara in,

bedreigde Ravenna en trok plotseling zuidwaarts tegen Rome op. Daarna,

quando 'l dente longobardo morse

La santa Chiesa, sotto alle sue ali

Carlo magno, vincendo, la soccorse, [205]

want als een adelaar schoot hij van de Alpen neer en de Longobardische

koning had nauwelijks tijd noordwaarts te vluchten en zich in Pavia

op te sluiten. De stad werd weldra door de Franken belegerd en na

zes maanden besloot Karel, omdat, zooals wij zagen, de belegering

waarschijnlijk nog lang zou duren, naar Rome te gaan om aldaar Paschen

te vieren. Hij ging de Apennijnen over en trok aan het hoofd van een

groot gevolg Toskane door langs de Via Clodia.

Toen Paus Hadrianus van zijn aankomst bericht kreeg, besloot hij

hem met dezelfde eer te ontvangen, die den Byzantijnschen Exarch

bewezen werd, wanneer hij de oude hoofdstad van het Keizerrijk

bezocht. Hij zond dus een deputatie van edelen en magistraten om

hem te verwelkomen en hem als een bewijs van hulde, de banier van de

stad te overhandigen. Zij ontmoetten den Frankischen koning bij den

Lacus Sabatinus, ongeveer 45 K.M. van de stad, in loco qui vocatur

Nobas. Toen de koninklijke cavalcade met zijn gevolg van Frankische

krijgslieden en Romeinsche autoriteiten den Pons Milvius, die ons

in verband met Constantijn en Maxentius, zoo goed bekend is, bereikt

hadden en den Tiber waren overgetrokken, troffen zij aan beide zijden

van de Via Flaminia een groote menigte aan en werden zij ontvangen door

een processie van studenten van alle militaire en burgerlijke scholen

te Rome, "met palm- en olijftakken, onder het zingen van lofliederen",

terwijl de geestelijkheid venerandas cruces, id est signa, droeg;

dit waren waarschijnlijk vaandels zooals het labarum.

Toen Karel de heilige banieren zag, steeg hij af en ging te voet naar

de basiliek van St. Pieter, waar Paus Hadrianus bovenaan staande super

grados [sic] juxta fores ecclesiae hem afwachtte. Karel besteeg op zijn

knieën de groote marmeren trap, die tot de basiliek toegang geeft,

terwijl hij elke trede kuste (omnes grados singillatim deosculatus),

totdat hij Hadrianus bereikte; deze kuste hem en hand in hand gingen

toen de sanctissimus papa en de excellentissimus Francorum rex het

heilige gebouw binnen, terwijl een groot koor van geestelijken de

woorden Benedictus qui venit in nomine Domini zong. Zij schreden

eerst over den witmarmeren vloer van het portaal, waar onder den

kolossalen bronzen dennekegel de fontein zich verhief; daarna gingen

zij de basiliek zelf binnen en knielden voor het hoogaltaar, tegenover

de "confessio", de getraliede opening van de schacht, die toegang

gaf tot het graf van den Heilige, en verheerlijkten de Goddelijke

Almacht, die hun de overwinning had geschonken (over de Longobarden)

per interventionum suffragia ejusdem principis apostolorum. Daarna

daalden zij in de crypte af en voor het gebeente van den Heiligen

Petrus zwoeren zij en alle edelen en prelaten elkander trouw.

Karel had verzocht ook in andere groote kerken van Rome zijn gebeden

te mogen uitspreken; zij gingen dus op den Zaterdag voor Paschen (774)

naar de basiliek van S. Salvatore (later S. Giovanni in Laterano),

waar de Paus de volwassenen doopte, een ritus nog die tegenwoordig

in het Lateraan-Baptisterium wordt verricht, doch niet door den

Paus. Op Paaschzondag werd een mis gehouden in de oude kerk, de

S. Maria Maggiore, in ecclesia sanctae Dei Genetricis ad Praesepe

[206], en een groot feestmaal in het Lateraan. Op den vierden dag van

de Paaschweek, quarta feria, vond de belangrijke plechtigheid van de

Donatie plaats in de St. Pieter, waar Hadrianus den koning verzocht

in alle bijzonderheden (ut adimpleret in omnibus) de belofte van zijn

vader Pepijn, van hemzelf, zijn broeder Karloman en alle Frankische

edelen te vervullen. Karel liet zich de oorkonde van Koning Pepijn

voorlezen en daarna betuigde die praeexcellentissimus et revera

christianissimus rex Francorum vrijwillig, bono et libenti animo,

zijn volledige instemming daarmede, zooals ook al zijn edelen deden,

en beval, dat een tweede promissio zou worden opgesteld, die de vorige

Donatie zou bevestigen en uitbreiden. Deze teekende hij propria manu

(hetgeen hem misschien moeite kostte, want zijn biograaf Einhart

vertelt, dat hij laat schrijven had geleerd), en liet het door al

zijn edelen teekenen, die zich sub terribili sacramento verbonden

alle voorwaarden na te komen. Hij liet het ook copieeren. Van deze

afschriften schijnt hij een of twee te hebben mee genomen en een werd

opgehangen in de "Confessio" van de St. Pieter, als wij den schrijver

van Hadrianus' leven in den Liber Pontificalis mogen gelooven.

De Frankische vorst bleef ongeveer twee maanden in Rome. Het beleg

van Pavia, waar Koning Desiderius was opgesloten, liep nu ten einde en

Karel haastte zich noordwaarts om nog bij de overgave aanwezig te zijn.

Zijn andere bezoeken aan Rome en zijn kroning zijn reeds

beschreven. Toen hij gekroond werd, was hij 58 jaar oud, zoodat wij

er om moeten denken, dat Karel bij het bezoek, dat in dit hoofdstuk

is beschreven, slechts 32 jaar en een indrukwekkende verschijning

was, daar zijn lengte, volgens Einhart, zeven maal die van zijn

voet bedroeg. Zijn lange lichtblonde haren en knevel, die door

Einhart zoo worden geroemd, kan men op zijn munten (plaat 45) of het

Tricliniummozaïek (p. 216) niet gemakkelijk zien.

De Basiliek van St. Pieter.

In verband met de bezoeken van Karel den Groote te Rome is het van

belang iets meer te vertellen over de oude basiliek van St. Pieter.

Het stadsgedeelte, waar de St. Pieter staat, in Raffael's [207] dagen

en ook nu nog bekend als de Borgo (voorstad), heette in den Romeinschen

tijd Ager Vaticanus, waarschijnlijk naar een Etrurisch dorp, dat

daar lag. Daar het in een moerassige bocht van de rivier lag, was het

onderhevig aan malaria en bevond zich nog niet binnen de stadsmuren,

zelfs niet binnen de Aureliaansche (c. 270 n. Chr.). Caligula liet hier

een groot circus en een amphitheater maken, dat onder Nero berucht

werd door de vreeselijke martelingen, die de Christenen volgens

Tacitus daar leden. Waarschijnlijk werd in dit amphitheater, tusschen

de twee metae, zegt men, de apostel gekruisigd, of op de helling van

den Janiculus, waar nu de S. Pietro in Montorio staat. Zijn lichaam

werd eerst naar een catacombe aan de Via Appia, doch later naar de

Vatikaansche heuvel gebracht. Op dit laatste graf richtte de vijfde

Paus, Anacletus, die door den H. Petrus zelf tot priester was gewijd,

een kapel op. Meer dan twee eeuwen later (306) stichtten Constantijn

en Silvester op die plek een basiliek, terwijl de Keizer zelf het werk

inwijdde door een hoeveelheid aarde uit te graven en weg te dragen.

Deze basiliek bleef, ofschoon er veel aan veranderd werd, bestaan

tot ongeveer 1500-10, toen zij plaats moest maken voor de nieuwe

St. Pieter, ontworpen door Bramante, wiens plannen, met vele

veranderingen, zijn uitgevoerd door Raffael, Michelangelo en vele

andere architecten. Maar het afbreken ging langzaam en het is zeer

waarschijnlijk, dat, toen Raffael in 1508 Rome voor het eerst bezocht,

de voorgevel van de oude basiliek, die hij in zijn Incendio del

Borgo heeft geschilderd, en de groote zuilen van het schip, die wij

op den achtergrond van de Donatie van Constantijn (fig. 29) zien,

nog bestonden. Behalve deze frescos en een schilderij in de crypte

van de St. Pieter hebben wij den plattegrond van Alfarano (1591),

die door Rossi en den Abbé Duchesne met vele details wordt gegeven. De

kleine reconstructie op blz. 261 is gebaseerd op dezen plattegrond.

De basiliek, die geflankeerd was door vele kapellen, en andere

gebouwen, die op de schets niet voorkomen, had aan de voorzijde

(de oost-zijde, want de St. Pieter heeft geen orthodoxe ligging) een

zeer ruim atrium of quadriportus, waaraan andere gebouwen grensden

o. a. de campanile met de drie klokken, die c. 755 door Paus Stephanus

II is gebouwd. Dit atrium, "il Paradiso" geheeten, had een witmarmeren

vloer; in het midden stond een fontein, c. 370 door Paus Damasus voor

de pelgrims opgericht, en c. 498 door Paus Symmachus van een metalen

dak voorzien, waarop hij den reusachtigen bronzen dennekegel plaatste,

die misschien vroeger op het Pantheon of de Moles Hadriani stond en

die nu in den Giardino della Pigna van het Vatikaan staat. Dit is

de pijnappel, waarover Dante spreekt, wanneer hij een van de reuzen

beschrijft, die den rand van de Helleput "omtorenden":

La faccia sua mi parea lunga e grossa

Come la pina di San Pietro a Roma.

Het dak van de kerk bestond uit vergulde pannen, een geschenk van Paus

Honorius (c. 625). De voorgevel was met mozaïek versierd. Boven het

portaal waren oorspronkelijk de Verlosser en de H. Petrus afgebeeld,

wien Constantijn de kerk toonde (of een model van de kerk gaf?). Op

Raffael's Incendio kan men nog flauwe sporen van mozaïek op het gebouw

zien. De latere mozaïeken bestonden uit drie gedeelten: in den gevel

stonden Christus en de H. Maagd, tusschen en naast de bovenvensters

de vier Evangelisten en tusschen de benedenvensters de 24 oudsten,

die hun gouden kronen tot den Verlosser omhoog hieven. Het schip van

de basiliek was aan de zijden geflankeerd door twee zijbeuken. Zes en

negentig zuilen [208], waarvan vele genomen waren uit oude gebouwen,

zooals b.v. het amphitheater van Nero, scheidden de beuken en

droegen de clerestory [209], die evenals de apsis was versierd met

mozaïekwerk. Kostbare lampen, schitterende gordijnen van brokaat,

gouden, zilveren en bronzen kandelabres, lampen, altaren en beelden

luisterden het inwendige van de kerk op.

Aan de westzijde werden het schip en de beuken gekruist door een

kort transsept; daaraan grensde een hooger gebouwd presbyterium,

zooals men in de Florentijnsche S. Miniato, S. Giorgio te Rome en

andere kerken kan zien. Om het presbyterium te bereiken besteeg men,

rechts of links van het hoogaltaar, zeven treden van porfier. Onder

het hoogaltaar bevond zich de crypte, met de graven van den H. Petrus

en den H. Paulus; de fenestella confessionis was onder het altaar

[210] tusschen de beide porfieren trappen, zooals men kan zien

op Raffael's fresco, waar Leo III den eed voor Karel den Groote

aflegt. Dit "venster van de belijdenis" was een traliewerk met een

opening, waardoor men in een loodrechte schacht kon zien naar het

graf van den Heilige. St.-Gregorius vertelt, wat zijn diaken in de

St. Pieter-basiliek zag, en spreekt van een "parvula fenestella",

waardoor men, als het traliewerk geopend was, zijn hoofd kon steken

(immisso introrsum capite) en aldus zijn beden kon uiten. De schacht en

het graf in de St. Pieter werden waarschijnlijk in 846 na den inval

van de Saracenen volgegooid en begraven onder het puin. Ongeveer

zeven en een halve eeuw later (1594) schijnt, toen de fundamenten

werden uitgegraven, de oude tombe weer aan het licht gekomen te zijn

en inderdaad zag Paus Clemens VIII door een opening een zilveren

sarcophaag en een gouden kruis; doch hij liet alles weer dichtmetselen.

Zooals zij, die de Grotte nuove in de St. Pieter hebben bezocht, weten,

bevindt zich thans de "confessio" ongeveer tien voet onder den vloer

van de tegenwoordige kathedraal. Het vraagstuk over de echtheid van

de reliquieën en de sarcophagen van den H. Petrus en den H. Paulus

(want ook het lichaam van den H. Paulus is van de catacomben van de

Via Appia daarheen gebracht en in de 16e eeuw is bij den herbouw de

sarcophaag gezien) behoeft hier niet besproken te worden; maar dit

dient vermeld te worden, dat, toen de Saracenen in 846 de S. Pietro

en de S. Paolo plunderden, zij den inhoud van de groote bronzen

(zilveren?) sarcophaag van den H. Petrus wegwierpen, zooals Anastasius,

de schrijver van dit gedeelte van den Liber Pontificalis, vertelt,

en "het graf van den H. Paulus, dat in de basiliek bij de Via Appia

was, verwoestten".

De Donaties.

Op den vijfden dag van zijn eerste bezoek aan Rome liet Karel, zooals

wij zagen, in de basiliek van de St. Pieter zich de Donatie van Pepijn

voorlezen; en deze Donatie, overgeschreven en met eenige bijzonderheden

vermeerderd, werd plechtig door hem bekrachtigd en voorzien van zijn

handteekening en die van zijn voornaamste edelen en prelaten.

Doch er bestond, ofschoon Karel hiervan blijkbaar niet op de hoogte

was, een dergelijk charter, dat voor veel ouder gehouden werd, de

z.g.n. Donatie van Constantijn. Dit vrome bedrog werd misschien het

eerst beraamd door Stephanus II, toen hij Koning Pepijn in 754 te

Parijs bezocht. Wanneer dit zoo is, dan gebruikte hij de legende van

het bestaan van een dergelijk stuk om den Frankischen vorst over te

halen hem hulp te brengen tegen de plunderende Longobarden. Maar het

document zelf, waarschijnlijk een imitatie van een oud handschrift,

schijnt iets later vervaardigd te zijn, misschien door een handigen

secretaris van Paus Paulus I. Hadrianus kende ongetwijfeld het stuk

wel, doch daar hij ook wist, hoe het ontstaan was, durfde hij het

Karel, ofschoon deze waarschijnlijk niet kon lezen, niet toonen, toen

in 774 de Donatie van Pepijn aan den koning werd voorgelezen. Drie

jaren later evenwel, toen hij zijn gezag in de hem geschonken landen

ten noorden van de Apennijnen niet kon handhaven en hevig geplaagd

werd door de vijandigheid van Ravenna, Spoleto en Benevento als

ook door den opstand van Tarracina en andere steden, was Hadrianus

wederom genoodzaakt de hulp van Karel in te roepen, en bij deze

gelegenheid (777) werd de Donatie van Constantijn, die eenige eeuwen

later zoo beroemd [211] is geworden, voor het eerst openlijk en

plechtig genoemd en richtte Hadrianus tot Karel het dringend verzoek

"een tweede Constantijn te worden". De historische waarde van het

stuk bestaat niet in de legende, die het bewaart, maar in het feit,

dat het, ofschoon het een monsterachtig bedrog is, ons een zeer juist

oordeel geeft over de gedachten en overtuigingen van de priesterschap,

die het heeft ontworpen.

Laten wij deze Donatie van Constantijn nog iets nauwkeuriger

beschouwen, voordat wij de Donatie van Pepijn en de bekrachtiging

daarvan door Karel behandelen.

(1) De Donatie van Constantijn.

Volgens een oud verhaal, dat het eerst verschijnt in een Vita

S. Silvestri van 490 ongeveer, daarna ook in het Grieksch en het

Syrisch, en dat even wordt aangeroerd door den schrijver (c. 510) van

Silvester's leven in den Liber Pontificalis, werd Constantijn door

melaatschheid aangetast en rieden zijn geneesheeren hem aan zich in

kinderbloed te baden. Drie duizend onschuldige kleinen moesten voor

dit doel geslacht worden, maar het weeklagen en de smeekbeden van de

moeders wekten Constantijn's medelijden zoo zeer op, dat hij weigerde

zich aan de voorgeschreven kuur te onderwerpen. Daarop kreeg hij 's

nachts in een visioen een bezoek van den H. Petrus en den H. Paulus,

die hem prezen en zeiden: "Zoek Silvester, den Bisschop van Rome, die

zich in de bergen schuil houdt; hij zal u een bron wijzen, waarin gij

u drie keer moet wasschen; dan zult gij gereinigd zijn". Constantijn

zond soldaten uit, die Silvester dicht bij den top van de Syraptim (op

de Soracte, zegt Dante, evenals de Liber) vonden en de Heilige doopte

hem en hij kwam bevrijd van zijn melaatschheid uit den bron. Toen liet

hij afkondigen, dat in het geheele Keizerrijk Christus alleen mocht

aanbeden worden en dat de Bisschop van Rome aan het hoofd zou staan

van alle bisschoppen (ut in toto orbe sacerdotes pontificem Romanum

caput habeant). Op den achtsten dag bezocht hij de "Confessio" van

de tombe van den H. Petrus, groef met eigen handen wat aarde uit voor

de stichting van een nieuwe basiliek en legde den eersten steen. Den

volgenden dag legde hij den grondslag voor zijn paleis en een nieuwe

basiliek bij het Lateraan.

Wat men ook wil denken van het overige dezer geschiedenis, de doop

van Constantijn in het Lateraan-Baptisterium is toch, ofschoon die

door Raffael op een beroemd fresco geschilderd en door Chaucer in

zijn Confessio Amantis is beschreven, en ofschoon in den Liber een

volledige beschrijving wordt gegeven van de prachtige porfieren

doopvont door Constantijn voor die plechtigheid geschonken, een

legende, want hij is eerst kort voor zijn dood gedoopt; en al is

het mogelijk, dat hij aan Bisschop Silvester het Lateraanpaleis en

een zekere hoeveelheid land heeft gegeven, en aan de Kerk en de

Bisschop verschillende privileges en patrimonia heeft toegekend,

men heeft alle reden om te gelooven dat geen souvereine rechten van

eenigen aard door Constantijn zijn toegestaan, en evenmin, zooals wij

zullen zien, door Karel den Groote. En toch verklaarde het valsche

document--en verklaart nog, want er bestaan nog vertalingen van--dat

het edict de volgende woorden bevatte: "Wij, als ook onze Satrapen,

de geheele Senaat, de Edelen en het Volk, achten het wenschelijk,

dat evenals de H. Petrus op aarde de Vicarius van God was, evenzoo de

Hoogepriesters, zijn plaatsvervangers, van ons en van ons imperium een

macht en een waardigheid zullen ontvangen, die grooter is dan de onze,

en wij decreteeren, dat de heilige zetel van den H. Petrus zal verheven

worden boven onzen wereldlijken troon. Wij overhandigen en schenken

aan den heiligen Hoogepriester en Paus (een titel, die eerst twee

eeuwen later werd gebruikt!) Silvester ons paleis, de stad Rome, alle

provincies, plaatsen en steden van Italië en de landen van het Westen

en wij bevelen, dat die door hem en zijn opvolgers zullen bestuurd

worden en zullen blijven onder het gezag van de heilige Roomsche Kerk".

Het is nauwelijks te gelooven, dat zulk een document ooit in ernst is

aangehaald als een bewijs, zelfs door de brutaalste verdedigers van

de wereldlijke macht van den Paus. Men zou denken dat een dergelijke

buitensporige onbeschaamdheid met minachtend ongeloof zou zijn

ontvangen. Doch onder de aanhangers van den paus werd de legende

langen tijd geloofd. Dante zelfs twijfelde niet aan de waarheid van

de Schenking, ofschoon hij bitter klaagde over "de slechte vrucht

van hetgeen met goede bedoeling was gedaan". "Wee! Constantijn",

riep hij uit [212],

van hoeveel kwaad was moeder,

Niet uwe bekeering, maar de gift,

Die de eerste rijke vader van u ontving!

Maar ten tijde van Ariosto werd de Donatie door spotters belachelijk

gemaakt. In den Orlando Furioso [213] vindt de Paladijn Astolfo de

pauselijke domeinen op de Maan:

Toen kwam hij aan een berg met bonte bloemen,

Die eens heerlijk geurde, maar nu afschuwelijk stonk;

Dat was die gift, (als het geoorloofd is te zeggen)

Die Constantijn aan den goeden Silvester schonk.

En de aanspraken, die de Pausen maakten op grond van de Donatie van

Pepijn, zooals deze door Karel was bekrachtigd, waren, zooals wij

zullen zien, niet minder onbeschaamd.

(2) De Donatie van Pepijn en Karel.

Wij hebben gezien, hoe Pepijn, de vader van Karel den Groote, in

751 den titel van koning aannam op aanraden van Paus Zacharias, die

St. Bonifacius, den Engelschen zendeling in Duitschland, uitzond om hem

te kronen, en hoe de opvolger van Zacharias, Stephanus II, daar zijn

verzoek aan Astulf zonder uitwerking bleef, de Alpen overstak en de

eerste zes maanden van 754 de gast was van den Frankischen koning in

de abdij van St. Denis, bij Parijs. Wij hebben ook gezien, hoe Pepijn

hem met nadruk beloofde te zullen restitueeren "de steden van het

Exarchaat en de andere plaatsen en rechten", die de Longobarden zich

toegeëigend hadden; en deze belofte heeft hij, naar men zegt, plechtig

hernieuwd en bekrachtigd (misschien schriftelijk) in tegenwoordigheid

van zijn edelen, die te Quierzy (Carisiacus in den Liber), bij Laon,

vergaderd waren. Stephanus kroonde toen Pepijn in de kerk van St. Denis

en kort na deze plechtigheid vergezelde hij den koning en zijn leger

naar Italië, waar Astulf gedwongen werd zijn verzet te staken en al

zijn veroveringen beloofde terug te geven.

Maar nauwelijks was Pepijn de Alpen weder overgetrokken, of de

doortrapte Longobard weigerde zijn woord te houden en bedreigde

zelfs Rome. Vele brieven werden er nu tusschen Pepijn en Stephanus

gewisseld; de Paus smeekte steeds dringender om hulp, totdat ten

laatste de Frankische koning terugkwam en Astulf dwong al het

veroverde gebied weer af te staan. Daarop werden de sleutels van

al deze steden, ongeveer twintig, aan den Paus overgegeven, met een

formeele akte van Donatie "aan den Apostel van God, aan Zijn Vicarius,

den allerheiligsten Paus en al zijn opvolgers". Deze Donatie, met de

sleutels, werd gelegd in de "Confessio" van de St. Pieter te Rome,

en was naar men verzekerde, hetzelfde document, dat door Karel in

774 gelezen en bekrachtigd was. Het oorspronkelijke manuscript is

niet over en evenmin een van de afschriften, die Karel heeft laten

maken; maar wij behoeven er niet aan te twijfelen, dat zij werkelijk

hebben bestaan, want wij hebben in den Liber een getuigenis van den

schrijver van Hadrianus' leven, die blijkbaar bij de plechtigheid

tegenwoordig was en de copie van het stuk zag, die in de "Confessio"

van de tombe van den H. Petrus was opgehangen.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 23 / 48 段