De vraag komt hier bij ons op, waar Theodelinda haar bouwmeesters

en beeldhouwers voor al deze gebouwen vandaan haalde? Vanwaar kreeg

Agilulf, haar gemaal, de "Italiaansche kunstenaars", die zij naar

de Avaren stuurde om hen den scheepsbouw te leeren (ad faciendas

naves)? Waren deze architecten en "kunstenaars" Italianen [190],

of Byzantijnsche werklieden van Ravenna? Welke andere stad had hen

kunnen verschaffen? Er bestaat een verleidelijke theorie, gebaseerd

op niet zeer vaste gronden, dat vele leden van de Romeinsche

kunstenaars-gilden, verdreven uit Rome, waar kunst, geleerdheid,

en ook de taal, tot een zeer laag peil waren gezonken, noordwaarts

zijn getrokken en als hoofdkwartier hebben gekozen dat kleine eiland

in den Lago di Como, de Isola Comacina, dat Theoderik had versterkt

en dat later een stevig bolwerk was van het Byzantijnsche Exarchaat,

maar door de Longobarden tijdens de regeering van het Autharis werd

genomen (587). Deze theorie is gegrond op het feit, dat "Comacijnsche

bouwmeesters" door de kroniekschrijvers vermeld worden. Door de

wetten van Rotharis b.v. (c. 640) worden aan deze magistri Comacini

zekere privileges toegekend ten opzichte van slaven, huisbedienden,

contracten enz., en een eeuw later (739), tijdens de regeering van

Luitprand, wordt een Comacijnsch meester Rodpert (blijkbaar een

Noorman, geen Romein) genoemd, die te Toscanella bezig schijnt te

zijn met den bouw van de prachtige basiliek van S. Pietro. (fig. 25).

Deze Comacijnschen meesters, zoo genoemd naar het eiland [191] of

de streek van Como, spelen een belangrijken rol in sommige moderne

theoriën over den oorsprong van de Romaansche bouwkunst, die na een

lange donkere periode (van c. 600-c. 1000), plotseling in al haar

schoonheid en volmaaktheid is verschenen.

Maar of het woord comacinus in eenig verband staat met het eiland of

met Como, is onzeker en het is niet onwaarschijnlijk, dat het zou

beteekenen mede-metselaar, co-macio (het middeleeuwsch-Latijnsche

macio = maçon), dus een lid van het metselaarsgilde, ofschoon wij

niet dadelijk moeten aannemen, dat deze magistri Comacini, aan

wie zoo vele privileges werden gegeven, werkelijk vrijmetselaars

waren d. w. z. de middeleeuwsche erfgenamen en overbrengers van

de maçonnieke mysteriën van Koning Salomon. [192] Hoe het ook zij,

wij mogen het als een feit beschouwen, dat Italiaansche bouwmeesters

en beeldhouwers, waarschijnlijk uit Rome, in grooten getale gebruikt

werden door de Longobardische veroveraars, en dat de beeldhouwers--de

architecten waarschijnlijk niet--hun eigen artistieke neigingen

geheel moesten wijzigen naar den eigenaardigen smaak van de

heerschers. Deze heerschers nu schepten vermaak in groteske en min

of meer monsterachtige diervormen en waren volkomen ongevoelig voor

stuitende wanstaltigheid, want deze eigenaardigheden ontmoeten wij

in al haar naakte leelijkheid ten Noorden van de Alpen en overal in

Noord-Italië, waar wij zuiver Longobardisch werk [193] aantreffen. Maar

in architectuur is de Romeinsche of Comacijnsche bouwmeester zichzelf

gebleven en ofschoon hij eenigszins rekening hield met de eischen

en de traditioneele ideën van zijn Longobardischen heer, heeft hij

langzamerhand een nieuwen stijl ontwikkeld, dien wij kennen als den

Longobardisch-Romaanschen, den oorsprong van alle andere Romaansche

bouwkunst, de Toskaansche, Germaansche, Noordsche.

De eerste Longobardische basiliek, die door de kroniekschrijvers

wordt vermeld, is gebouwd bij Bergamo door Theodelinda's eersten

echtgenoot, Koning Autharis. Over de vele bouwwerken van Theodelinda

is reeds gesproken. Van haar Monza-basiliek, een gebouw met achthoekig

centrum, zijn nog slechts eenige oude ronde en achtzijdige zuilen

over met kapiteelen, waarop Longobardische vogels en andere dieren

zijn afgebeeld; van haar eigen paleis bestaan nog slechts een

paar twijfelachtige overblijfselen. De kathedraal van Padua geeft

misschien de oudste (dikwijls herstelde) Longobardische façade,

met blinde galerijen en eenvoudige ronde vensters. (De groote

Romaansche vensters in den vorm van een wiel of rozet zijn van later

tijd.) De oude kerk van S. Salvatore te Brescia, die nu een deel

van het Museum uitmaakt, heeft eenige bijzonder fraaie witmarmeren

kapiteelen met lofwerk, en ook andere, die de Longobardische,

groteske kenmerken vertoonen. De laatste zijn uit den tijd van

Desiderius; de eerste zijn misschien Romeinsch of Byzantijnsch werk,

dat men zich toegeëigend heeft; maar zij kunnen ook "Comacijnsch"

d. i. Romeinsch-Longobardisch zijn. Te Lucca, in de S. Frediane

(oorspronkelijk gebouwd door een Ierschen bisschop c. 570), zijn

eenige zeer mooie oude of Romeinsch-Longobardische zuilen en een

apside-colonnade met architraven in plaats van bogen, die misschien

Romeinsch-Longobardisch is. Te Pavia werd de beroemde S. Pietro in

Ciel d'oro, wellicht opgericht door Agilulf of Theodelinda, herbouwd

of hersteld door Liutprand, die, zooals reeds verhaald is, het gebeente

van St. Augustinus daarheen bracht. Van het oorspronkelijke gebouw zijn

een paar kapiteelen en een gedeelte van den voorgevel nog over. Andere

kerken, die overblijfselen bezitten van vroeg Romeinsch-Longobardische

bouwkunst zijn de oude, doch onlangs herbouwde basilica van S. Abbondio

bij Como, de S. Giusto en S. Martino (fig. 41 te Lucca, de kapel van

de S. Maria della Valle te Cividale (c. 750), de S. Fedele te Como,

en de S. Ambrogio te Milaan, wier atrium oorspronkelijk van c. 790 is.

Doch de meest volledige en fraaiste overblijfselen van deze

Romeinsch-Longobardische periode vindt men te Toscanella, [194]

oudtijds Tuscania, een kleine doch flink versterkte stad bij

Viterbo, in het zuiden van het Longobardische Toskane. Hier zijn

twee basilieken. Die van S. Pietro werd oorspronkelijk gebouwd in

628 (om de gebeenten van drie heiligen te bewaren), maar zij werd,

zooals zoo vaak het geval was met de oudste Longobardische kerken, die

waarschijnlijk dikwijls niet goed werden opgericht, herbouwd tijdens

de regeering van Luitprand (c. 740), misschien door den Comacijnschen

bouwmeester Rodpert, dien wij reeds genoemd hebben. Van deze periode

dateert veel van het zeer fijne binnenwerk. Sommige van de zuilen en

kapiteelen zijn antiek of anders zeer goed nagevolgd door Comacijnsche

of Romeinsche werklieden.

Andere kerken, zooals de hier afgebeelde, zijn zeer zeker

Longobardisch, ofschoon zij het barbaarsche karakter missen. Het

uitwendige is voornamelijk in later Romaanschen stijl en toont

daarvan vele kenmerken, zooals de diep inliggende vensters, de arcades

van baksteen en marmer, en het zigzag-ornament dat zo gewoon is in

de Noordsche architectuur. De prachtige voorgevel, met het fraaie

rozet-raam (fig. 25), dateert grootendeels van een reconstructie van

omstreeks 1040; maar de schoone inspringende portalen zijn ongetwijfeld

voor een deel oud Romeinsch-Longobardisch. De andere basiliek, de

S. Maria Maggiore, was de oudste van de twee en de zetel van den

bisschop tot 650, doch er is niet veel over van het oude gebouw,

dat omstreeks 800 geheel herbouwd is. De façade is ongeveer uit

denzelfden tijd als die van de S. Pietro.

Het is waarschijnlijk, dat de Romeinsch-Longobardische bouwstijl

door de Franken naar de landen ten noorden van de Alpen is

overgebracht. Vooral langs den grooten waterweg van den Rijn vinden

wij voorbeelden van oud-Romaanschen stijl. De beroemde abdij van

Lauresheim te Lorsch, niet ver van Worms, is gesticht aan het einde

van de regeering van Pepijn den Korte (c. 767), en ingewijd in de

tegenwoordigheid van Karel den Groote in 774, in hetzelfde jaar, toen

hij den laatsten Longobardischen Koning, Desiderius, naar Frankrijk

voerde. Het origineel van de S. Maria im Capitol te Keulen was zeer

waarschijnlijk een Romeinsch-Longobardische kerk, gebouwd in de 8e of

9e eeuw. Te Aken bouwde Karel zijn kathedraal, zooals wij reeds weten,

naar het voorbeeld van de S. Vitale te Ravenna. [195]

In verband met deze periode (300-800) moeten wij spreken over

klokkentorens, want, ofschoon de ontelbare campanili van Italië meest

van later tijd zijn en hierna behandeld zullen worden, zijn sommige

reeds gebouwd in de 7e of zelfs 6e eeuw. Men zal zich herinneren,

dat op de mozaïeken van Theoderik de voornaamste gebouwen van Ravenna

en Classe werden voorgesteld, en dat men daar geen campanile op

ziet. Het is dus waarschijnlijk, dat de oude ronde klokkentoren van

de kathedraal, van de S. Apollinare Nuova en de S. Apollinare in

Classe niet gebouwd zijn voor 600 ongeveer of misschien zelfs een

eeuw later. Gregorovius vertelt ons, dat de klokkentoren van de oude

St. Pieter te Rome door Paus Stephanus is opgericht, omstreeks 755,

en dat dit de eerste campanile was (in Rome?). Als de oude teekening

op blz. 261 (zie hfdst. IV) juist is, was die campanile blijkbaar

vierkant, zooals die van de Torcello-kathedraal, die misschien

van de 9e eeuw is. Waarschijnlijk bestond er reeds lang voor den

oudsten campanile, die nog bestaat, een type van klokkentoren, want

kerkklokken werden het eerst te Nola [196], in Campanië, omstreeks

400 gebruikt. Groote klokken waren echter niet voor 600 ongeveer in

gebruik; c. 700 zijn zij zeer gewoon. Zij worden door Beda vermeld.

HOOFDSTUK III.

VENETIË EN ANDERE STEDEN.

Wij hebben gezien hoe in het begin van de 8e eeuw de steden onder

de Byzantijnsche suprematie zeer ontevreden werden. Te Rome had de

Exarch zich onder het bed van den Paus moeten verbergen om aan een

woedende menigte te ontsnappen en de wreedheden te Ravenna door

den Oost-Romeinschen Keizer Justinianus II bedreven hadden hevige

verontwaardiging en een algemeenen opstand onder de steden van het

noordelijk Exarchaat en de Pentapolis verwekt. Deze opstand had

de Byzantijnsche macht in Italië zeer geschokt, en wij kunnen nu,

omstreeks 730, nadat de twisten over den beeldendienst de kloof

tusschen het Oosten en Westen hadden verbreed, Rome en het Exarchaat

als feitelijk autonoom beschouwen. Doch de autonomie van het Exarchaat

duurde kort. Het viel weldra in de macht van de Longobarden, die

Ravenna innamen. In 734 echter heroverden de Venetianen, op verzoek van

den Paus, de stad en gaven die weder aan het Keizerrijk, een bewijs,

dat Venetië reeds machtig en onafhankelijk was. Een paar jaren later

(752) veroverden de Longobarden onder Astulf die geheele streek van

Italië en maakten aldus voor altijd een einde aan het Exarchaat,

behalve als geografischen naam, waardoor die streek wordt aangeduid

in de Donaties van Pepijn en Karel den Groote.

Eenige eeuwen moesten toch nog voorbijgaan, voordat de vreemde

overheersching zou plaats maken voor de opkomst van de Republieken,

die zulk een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van Italië;

maar reeds in de 7e eeuw, te midden van de algemeene verbrokkeling,

veroorzaakt door de gedeeltelijke verovering van het land door de

Longobarden, door de verbittering tusschen Rome en Constantinopel,

en door het verdwijnen van de Byzantijnsche macht in Italië,

hadden verscheidene groote steden een zekere mate van zelfbestuur

verworven. Dit was vooral het geval met Rome en Venetië.

Te Rome schijnt, niettegenstaande de snel toenemende macht van de

Pausen, een republikeinsche geest in dezen tijd de overhand te hebben

gehad, ofschoon de regeeringsvorm eenigszins oligarchisch [197]

was. De geschiedenis van Rome in deze periode is reeds uitvoerig

door ons verhaald. Zij bestaat voornamelijk uit oproeren en twisten,

politieke en kerkelijke, die geen herhaling behoeven, daar zij niet

meer van belang zijn, terwijl hetgeen bij voortduring belangrijk is,

zooals de persoonlijkheid van Gregorius den Groote en de twee Leo's,

reeds veel van onze aandacht gevergd heeft, evenals de verschillende

vraagstukken over Romeinsche architectuur. Derhalve zullen wij nu tot

Venetië overgaan, dat het oudste en meest treffende voorbeeld geeft

van een onafhankelijke Italiaansche stad.

Eeuwen lang voor den tijd van Attila werden de eilanden bij Venetië

bezocht door visschersvolk en tijdelijk ook bewoond; op sommige van

die eilanden hadden rijke Romeinen hun villa's gebouwd; want oudtijds

hadden de Veneti of Heneti, in het nauw gebracht door de Kelten, zich

onder bescherming gesteld van Rome en toen het noorden van Italië

(Gallia Cisalpina of Togata) een Romeinsche provincie was geworden,

werd het Venetiaansche gebied, met zijn steden Patavium (Padua),

Aquileia, en Altinum een deel van het Keizerrijk. In vroegere tijden,

voordat Venetië bestond, werden de eilanden, die nu Torcello en

S. Giorgio Maggiore heeten, dikwijls door de Romeinsche patriciërs

gekozen als geschikte plaatsen voor hun zomerverblijven en het strand

(litus) van Gradus (thans de lido van Grado) was reeds, naar het

schijnt, aan het vasteland verbonden door een dam en bezat reeds

zijn weiden en wijngaarden. Toen Attila op Venetië losstormde en

Aquileia plunderde, vonden dus de vluchtelingen, die naar Grado, op

de eilanden en lidi van de lagunen samenstroomden, nog iets meer dan

verlaten modder. Deze vluchtelingen schijnen twaalf nederzettingen

te hebben gesticht. Grado werd als toevluchtsoord gekozen door de

bewoners van Aquileia, Heraclea (dat eerst de voornaamste stad was

van Venetia maritima, maar later is verwoest) werd bezet door het

volk van Belluno, Torcello en Burano door de menschen van Altinum,

Malamocco en Rivoalto (de Rialto) door de Paduanen. In 466 kwamen de

vertegenwoordigers van de twaalf nederzettingen te Grado bijeen en

kozen twaalf Tribunen [198].

In hoeverre Venetië onder de Gotische heerschappij kwam, is

onbekend. Wij vernemen, dat de Goten het tijdens Baduela's (Totila's)

regeering bezetten, maar het is onzeker, of Theoderik het ooit bij

zijn gebied heeft ingelijfd, ofschoon wij lezen, dat Cassiodorus, de

minister van den Gotischen koning en zijn opvolgers, aan de Tribuni

maritimorum in het jaar 537 (of misschien een Interdictio vroeger,

dus in 523) een dringend schrijven richt, dat zij niet moeten vergeten

over zee of liever over de "rivieren" van de lagunen zekere bijdragen

bestaande in olie en wijn van Istria naar Ravenna te brengen. Of dit nu

als handel werd bedoeld dan wel als een verplichting aan den bondsheer

Theoderik of Vitiges, is niet geheel duidelijk, doch ondanks den ietwat

bevelenden toon van den brief geeft deze het bewijs--misschien wel het

vroegste bewijs--dat de Tribunen van het maritieme Venetië officieel

erkend waren en dat de Bond reeds in deze vroege tijden een zekere

mate van zelfbestuur bezat. Het is daarom wel de moeite waard eenige

passages uit den brief [199] te laten volgen:

"Wij hebben orders gegeven, dat Istria wijn en olie, waarvan de

oogst dit jaar overvloedig was, naar de koninklijke residentie te

Ravenna zal sturen. Betoont gijlieden nu, die aan de stranden van

de Provincia ontelbare schepen bezit, dezelfde toewijding in het

doorzenden van voorraden, die zij betoonen in het verschaffen..... Gij

hebt het voordeel, dat er voor u nog een tweede weg openstaat,

die steeds veilig en rustig is; want, wanneer de woedende winden de

zee onbevaarbaar maken, is er voor u nog een prachtige weg door de

geulen. Uw vrachtschuiten, met touwen getrokken, behoeven de rukwinden

niet te vreezen; en, hoe dikwijls zij ook in aanraking komen met de

grond, zij worden er niet door beschadigd. Wanneer men het op een

afstand ziet en geen kanaal of rivier ontwaart, zou men denken dat gij

over de weilanden vaart...... Het is een genoegen aan uw woonplaatsen

te denken, zooals ik die eens heb gezien. Venetië, het hooggeroemde

[200], waar vroeger de nobiles zoo gaarne vertoefden, grenst in het

Zuiden aan Ravenna en de Po, terwijl het in het Oosten geniet van

het heerlijke Ionische (Adriatische) strand en zijn afwisselend

getij. Hier hebt gij, als de watervogels, uw huizen gebouwd. Te

midden van de wijde watervlakten hebt gij de woonplaatsen, die de

natuur u heeft verschaft, door uw eigen arbeid stevig gemaakt; door

gevlochten en samengeknoopte wilgeteenen hebt gij den grond in een

vaste massa veranderd, die de zware branding van de ondiepe zee niet

kan wegrukken". Daarna beschrijft hij hun rijkdom van visch en zout,

en spoort hen nog eens aan hun schepen in orde te brengen en gereed

te houden, "die daar aan uw muren gemeerd liggen".

Gedurende en na de herovering van Italië door de Byzantijnen was de

verhouding tusschen Venetia maritima en het Oost-Romeinsche Keizerrijk

vriendschappelijk, doch men bemerkt niets van onderhoorigheid. Toen

in 538 Narses uit het oosten werd gezonden om met Belisarius samen te

werken, hielpen de Venetianen hem om zijn troepen over te voeren met

hun schepen en er wordt verteld (maar het wordt ook tegengesproken),

dat hij hen van zijn kant Byzantijnsche bouwmeesters stuurde, die op

den Rivoalto de basiliek van S. Teodoro oprichtten, de oudste kerk van

Venetië, die later afgebroken werd om plaats te maken voor de S. Marco,

toen het gebeente van den heilige in 828 uit Alexandria werd gebracht.

Met de hulp van de Byzantijnen was de Venetiaansche confederatie

een tijdlang in staat zich te verdedigen tegen de Longobarden en

zij bezat in deze periode een tamelijk groote onafhankelijkheid

door haar zeemacht [201]; de bevolking nam ook zeer toe door de

vluchtelingen van de steden [202] op het vasteland en een groot

staatkundig voordeel verkregen de eilanders in 580 door de vlucht van

den Patriarch van Aquileia naar Grado; want aldus kreeg de confederatie

een kerkelijk Hoofd, erkend door den Paus. In 584 werd er een soort

van Parlement ingesteld, bestaande uit Tribuni majores. Doch onder

deze gemeenten braken twisten uit, en zij werden voortdurend bedreigd

door de Longobardische hertogen van Friule. Zij besloten dus zich tot

éen staat te vereenigen. In 697 riep de Patriarch, blijkbaar zonder

daartoe gemachtigd te zijn door den Keizer of den Exarch, een Parlement

te Heraclea bijeen, de eerste Doge werd gekozen en met het hoogste

gezag bekleed; deze Dogen, wier zetel eerst te Heraclea was gevestigd,

regeerden bijna onafgebroken elf eeuwen over de Venetianen. Zij werden

voor hun leven gekozen en bezaten een bijna koninklijk gezag. Alle

openbare ambten hingen van hen af. In hun handen was de investituur

van bisschoppen en patriarchen; de kerkelijke Synode en het Parlement

(Arengo) konden zij naar hun goedvinden bijeenroepen en ontbinden;

de Arengo bleef tot 1423 het eenige belangrijke democratische element

in de Venetiaansche staatsinrichting.

De eerste Doge van het maritieme Venetië was Paoluccio Anafesto. Hij

werd gedood bij een burgertwist en opgevolgd door Marcello, zijn

Magister equitum. Tijdens de regeering van den derden Doge, Orso,

maakten de Longobarden, zooals wij reeds gezien hebben, zich meester

van het Exarchaat en namen Ravenna in. De Byzantijnsche Exarch vluchtte

naar de Venetiaansche eilanden en haalde, gesteund door de brieven

van Paus Gregorius III, den Doge en den Arengo over om Ravenna voor

het keizerrijk te heroveren. Deze stoutmoedige onderneming werd met

goed gevolg uitgevoerd (734), hetgeen bewijst, dat de Venetianen

niet alleen een vloot bezaten, die krachtig genoeg was om de haven,

Classe, te nemen, maar ook een leger, dat in staat was de sterke stad

zelf te veroveren [203].

Doch binnenlandsche twisten bedreigden wederom de jonge staat. De

pro-Byzantijnsche partij vermoordde den Doge, Orso, die aan het

hoofd stond van de nationalisten en vijf jaren lang (737-41)

werd de titel van Doge opgeschort en het bestuur uitgeoefend door

jaarlijksche Magistri militum onder het hooge toezicht van den Exarch

van Ravenna. Daarna bracht een tweede revolutie den zoon van Orso,

Diodato, op den troon, terwijl de ongelukkige Magister blind werd

gemaakt, abbacinato, op de wreedaardige, Byzantijnsche manier (zie

p. 15). De nieuwe Doge werd niet, zooals gewoonlijk, te Heraclea

gekozen, maar te Malamocco [204], dat nu (742) residentie werd.

Onder Astulf (c. 752) veroverden de Longobarden, zooals wij

zagen, het geheele Venetiaansche vasteland en maakten een eind

aan het Byzantijnsche Exarchaat; maar blijkbaar onderwierpen

zij de maritieme Venetianen niet met geweld, want wij vernemen,

dat zij een vriendschappelijk en onafhankelijk verbond met hen

hadden. Doch toen Pepijn en de Franken kwamen, en vooral toen Karel

Pavia veroverde, Koning Desiderius gevangen nam en een einde maakte

aan de Longobardische heerschappij, moesten de Venetianen een andere

politiek volgen. In die crisis werden zij bestuurd door den wijzen en

krachtigen Doge Galbaio en het schijnt (indien wij een oude inscriptie

op een looden plaat in het Britsch Museum mogen vertrouwen) dat vier

en twintig Venetiaansche galeien de Po en de Ticino opvoeren om Karel

bij de belegering van Pavia te helpen en dat de gevangen Longobardische

koning een tijdlang door de Venetianen vastgehouden werd.

Doch deze Frankische politiek leidde tot een vernieuwing van de

binnenlandsche twisten en ook met de Franken zelf ontstonden er

moeielijkheden, daar de Venetianen uit Ravenna en de Pentapolis werden

verdreven wegens hun gehechtheid aan den slavenhandel, die Karel door

een wet had afgeschaft. De veeten tusschen den Doge en Patriarch,

tusschen Heraclea, Jesolo en de andere steden van de Venetiaansche

Confederatie eindigden weldra met den moord op den Patriarch, de

volkomen verwoesting van Heraclea en Jesolo, de verbanning van den

Doge Galbaio en zijn zoon, dien hij reeds als opvolger had aangewezen,

en de verkiezing van een Frankischen partijganger, Obelerio. Maar

de andere partij, die de Byzantijnsche heerschappij begunstigde en

waarbij zich de verdreven bewoners van Heraclea aansloten, kreeg op

haar beurt de overhand en bracht een verbond met den Oost-Romeinschen

Keizer tot stand. Dit deed den Frankischen monarch besluiten een einde

te maken aan de voortdurende moeilijkheden, die de woelige en oproerige

eilandbewoners hem veroorzaakten. Hij stuurde zijn zoon Pepijn, den

koning van Italië, met een sterk leger en een groote vloot om hun

versterkte plaatsen te veroveren. Toen werd Obelerio, die aanried zich

te onderwerpen, door de woedende Venetianen afgezet en een bewoner

van Heraclea, Agnello Partecipazio werd gekozen, niet als Doge, maar

als militaire kommandant. De Franken namen weldra Grado, Brondolo,

en Chioggia. Daarna vielen zij de lidi van Pellestrina en Malamocco

aan en namen na hevige gevechten Malamocco zelf in; doch onderwijl

hadden de eilanders zich teruggetrokken en versterkt op den Rivoalto,

en nadat Pepijn zes maanden lang tevergeefs beproefd had hen vandaar te

verjagen, gaf hij, ontmoedigd door hun tegenstand, door het labyrint

van ondiepe lagunen, en door de gevaarlijke moerasdampen, die door de

hitte in den herfst opkwamen, de onderneming op en trok af. Kort daarna

stierf hij te Milaan, waar men zijn tombe in de S. Ambrogio kan zien,

en Karel achtte het verstandig het maritieme Venetië als een vrijstaat

onder het protectoraat van het Oostelijke Keizerrijk te erkennen.

In 811 werd Agnello Partecipazio, dien sommige schrijvers Particiaco

noemen, tot Doge gekozen en in 813, of misschien vroeger, bracht hij

den zetel der regeering over naar den Rivoalto of Rialto; de stad op

de oevers van dezen "Diepen Stroom" heette voortaan Venetia of Venezia

en werd erkend als het centrum van de Venetiaansche staat. Hier kreeg

Partecipazio, de elfde Doge van den Venetiaanschen confederatie en

de eerste Doge, die te Venetië regeerde, een paleis, dat op de plaats

stond, waar zich thans het hertogelijke Paleis bevindt.

Over de andere steden, Florence, Pisa, Pavia, Milaan, Monza,

Genua enz. vinden wij slechts weinige opmerkingen bij de oudste

kroniekschrijvers. Hier en daar is reeds vroeger melding van deze

steden gemaakt. Napels evenwel verdient eenige aandacht. Het beroemt

er zich op veel ouder te zijn dan Venetië, zelfs ouder dan Rome, want

men zegt dat het omstreeks 900 v. Chr. onder den naam Parthenope, door

de Grieken van Cymae (Cumae) gesticht is. De oudste geschiedenis van

Napels is onbelangrijk, want de eerste gelegenheid, waarbij de stad

een rol speelde in de geschiedenis van Italië was in 535 n. Chr. toen

de Goten haar hardnekkig tegen Belisarus verdedigden, totdat hij

haar eindelijk innam door een list, bijna even vernuftig als die

van het houten paard; hij liet n.l. 600 man door de galerijen van de

aquaeducten ("voorloopers" van de groote Serino-aquaeducten) kruipen,

waardoor zij de stad binnendrongen en de poorten openden. Acht jaren

later werd Napels door de Goten onder Baduela hernomen. Na den slag

op de helling van den Vesuvius en den dood van Theia (553) viel het

natuurlijk in de handen van de Byzantijnen; en men zal zich herinneren,

dat Narses zijn residentie daar in 567 vestigde, toen hij zijn ontslag

als veldheer had gekregen.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 22 / 48 段