De eenige stad van Italië, die Rome misschien in basilieken overtreft,

is Ravenna, dat gedurende drie eeuwen, als hoofdstad van het Westersche

Keizerrijk, van het Oost-Gotische koninkrijk, en van het Exarchaat,

in staatkundige en geestelijke aangelegenheden Rome's mededingster

was. Deze schitterende basilieken van Ravenna (van c. 500-600)

zijn vroeger reeds beschreven. Zij verschillen in dit opzicht van de

basilieken te Rome, dat zij, zooals de latere basilieken van Grado en

Torcello, Byzantijnschen invloed vertoonen in de détails, zooals de

pulvino (zie fig. 17 en 23 en pag. 238) en de buitengewoon prachtige

en oorspronkelijke sculptuur van de wit-marmeren kapiteelen.

In de eerste drie eeuwen van de periode 300-800 hebben wij dus, behalve

de barbaarsche toepassing van den ouden stijl bij het construeeren

van nieuwe gebouwen, slechts weinig overblijfselen van den klassieken

stijl, dien wij nog kunnen zien in het mausoleum van Galla Placidia en

dat van Theoderik, en die door den Romeinsch-gezinden Oostgotischen

Koning bij de bouw van zijn paleizen wel zal zijn begunstigd. Dan

hebben wij den nieuwen stijl van de Christelijke basilieken [181];

en ten slotte den zgn. Byzantijnschen stijl, waarover nog iets gezegd

moet worden.

Byzantijnsche Bouwkunst.

Toen wij de regeering van Justinianus I behandeld hebben, is er melding

gemaakt van de vele gebouwen, die door hem zijn opgericht en in het

bijzonder is zijn groote kathedraal van S. Sofia te Constantinopel

genoemd en de S. Vitale te Ravenna. Men zal zich herinneren dat deze

kerken, prachtige voorbeelden van den ouden Byzantijnsche stijl,

van het zgn. centrale type zijn, d.w.z. niet gebouwd volgens het

ontwerp van een Romeinsche basilica.

Men vond, misschien meer in het Oosten dan in het Westen, dat voor

sommige ceremoniën de basiliek, vooral toen zij door de toevoeging van

het transept kruisvormig werd, niet zoo doelmatig was, als de ronde of

veelhoekige ruimte, die de andere kerken, zooals de "Dom van de Rots"

te Jeruzalem, de S. Costanza of de grootste van alle ronde kerken,

de S. Stefano Rotondo aanbood. In het Oosten werden daarom de armen

van het kruis ingekort en bedekt met koepels; het middengedeelte

werd ook door een koepel gedekt; aldus ontstond de kerk met vijf

koepels, waarvan wij in de S. Marco te Venetië een mooi voorbeeld uit

later tijd hebben. Ook werd een eenigszins eenvoudiger vorm van het

centrale type gebruikt, zooals die van de S. Vitale [182], waar de

achthoekige middenruimte bedekt is door een koepel, rustend op acht

zware pijlers, en omgeven is door zeven diepe nissen met galerijen

en een nog diepere apsis. De S. Sofia is in denzelfden stijl, maar

grooter en meer gecompliceerd, met een ellipsvormige centrale ruimte

die bedekt is door een koepel en twee halve koepels.

In verband met deze Byzantijnsche kerken heeft de koepel een groote

beteekenis. Hij is het voornaamste kenmerk, en hetzij de koepel is

ontstaan in navolging van de geweldige Romeinsche Thermae, hetzij hij

of uit het Oosten is gekomen, het is, als het ware, een herschepping

van de Byzantijnsche bouwmeesters, misschien van Athemius van Tralles,

in Klein-Azië, die de S. Sofia voor Justinianus heeft gebouwd. Hoe

dit is geschied, vereischt eenige verklaring.

De Romeinsche koepel was een monoliet, zooals de reusachtige steen,

die het mausoleum van Theoderik dekt, of bestond uit een massa cement,

die op een tijdelijk geraamte werd samengevoegd en op een rond bouwwerk

rustte, zooals een deksel op een pot, zonder zijdelingschen druk. Dit

systeem was zeer lastig en kostbaar en de Byzantijnsche bouwmeesters

bedachten andere methoden. Zij construeerden een koepel van terra-cotta

buizen, spiraalsgewijze samengevoegd en bedekt met pleister; deze nu

was veel lichter dan de Romeinsche koepel. Maar er waren zware pijlers

noodig, daar de samengestelde bouw een sterkeren zijdelingschen druk

uitoefende. En er was nog een andere moeilijkheid. De ruimte, die door

een koepel bedekt moest worden, was meestal vierkant of veelhoekig. Hoe

moet men een ronden koepel op een vierkante basis zetten? Wanneer men

de hoeken van het vierkant zoo opvult dat men een ronde basis vormt,

is de draagkracht zeer zwak. De oplossing van deze moeilijkheid door

middel van pendentieven is een van de belangrijkste feiten in de

Byzantijnsche bouwkunst.

In plaats van den koepel op de vierkante basis te bouwen, richt men

op de zijden van het vierkant bogen op en vult de tusschenruimten tot

gelijke hoogte met pendentieven aan. Deze "pendentieven" (hangbogen),

wier binnenzijden hol zijn (als apsiden) en wier omtrekken kromlijnige

driehoeken zijn, zullen met hun bovenste gebogen lijnen een cirkel

[183] vormen. Op deze ronde basis bouwden de Byzantijnen hun koepel,

en dit gaf een sterken steun, want de hangbogen trokken den geheelen

verticalen druk van den koepel naar zich toe.

Een andere merkwaardigheid van den Byzantijnschen stijl is de vorm van

het kapiteel, dat niet langer concaaf blijft, daar de zuil een geweldig

gewicht moet dragen, maar convex is en niet meer diep uitgesneden,

zooals het Corinthische kapiteel, maar in ondiep relief gebeeldhouwd

is. De versiering van het kapiteel is dikwijls bijzonder fraai, hoewel

conventioneel, b.v. blad- en bloem-ornamenten, mandewerk of een fijn

diep ingeboorde bewerking, die op kant lijkt. En eindelijk werd,

om den boog hooger en lichter te maken, het Byzantijnsche kapiteel

gekroond door de pulvino (een tweede, "boven-kapiteel").

Nog een andere merkwaardigheid is het gebruik van gekleurd-marmeren

dunne platen, waarmede de Byzantijnsche gebouwen, die niet zelden van

baksteen waren, dikwijls in- en uitwendig werden versierd; aldus kon

men zeer rijke en schitterende effecten bereiken.

Mozaïek.

Er bestaan zeer fraaie voorbeelden van oud-Romeinschen steen- en

glasmozaïek, zooals het Nijl-landschap in een vloer te Palestrina en

de "Alexander-slag" te Pompeii; maar de kunst om muren en apsiden

met groote mozaïek-werken te versieren schijnt onder de Christenen

te Rome tegelijk met de oprichting van de eerste basilieken te zijn

ontstaan en van Italië naar Constantinopel te zijn overgeplant, waar

zij zich weer verder ontwikkeld heeft. Wij zullen ons beperken tot

een paar voorbeelden van mozaïeken te Rome en te Ravenna; want de

zuiver-Byzantijnsche mozaïeken, die eens in grooten getale aanwezig

waren, zijn bijna alle vernield door de beeldenstormers, Kruisvaarders

en Turken, terwijl de nog bestaande, in de S. Sofia of andere moskeeën,

meerendeels verborgen zijn door bepleistering. Maar wij zullen den

Byzantijnschen stijl in eenige Italiaansche mozaïeken kunnen nagaan.

De eerste groote mozaïeken van het Christelijke Rome zijn natuurlijk

uit den tijd van Constantijn, want voor den "Vrede" hadden de

Christenen geen groote kerken. Bovendien schijnt de herleving

van het glasmozaïek uit deze periode te dateeren. De oudste zijn

waarschijnlijk die van S. Constanza (c. 320). Dit gebouw was bedoeld

als mausoleum, niet als kerk, en het feit, dat Constantijn een

ongedoopte heiden was tot zijn laatste uren, maakt het duidelijk,

waarom deze mozaïeken,--die gedeeltelijk bewaard, gedeeltelijk bekend

zijn uit oude teekeningen,--bijna geheel decoratief en niet Christelijk

zijn, nl. voorstellingen van den oogst, wijnrank-ornamenten, vogels,

Cupidootjes, alles zeer fijn afgewerkt. Een ander schitterend

mozaïek (c. 370) kan men zien in de S. Pudenziana, een kerk, die,

naar men zeide, gebouwd was op een terrein, behoorend aan Pudent, den

gastheer van den H. Petrus, en gewijd aan zijn dochter Pudentia. Hier

hebben wij (fig. 24) zooals op vele andere apsis-mozaïeken, een

groote symbolische voorstelling. De Zaligmaker, een zeer eerwaardige

figuur met breeden baard en lang haar, dat over zijn schouders valt,

troont te midden van de Apostelen voor de muren en torens van het

Nieuwe Jeruzalem; op den achtergrond verheft zich de Calvariënberg

met het triumfeerende Kruis, waar omheen de dier-gestalten van de

Evangelisten zweven. In deze groote apocalyptische voorstellingen is

Christus meestal de midden-figuur en Hij wordt omringd door engelen

en allerlei symbolische afbeeldingen, den zeven-armigen kandelaar, de

rivieren van het Paradijs, het Lam op den troon, de twaalf Apostolische

schapen, gewoonlijk komende uit gebouwen, die Jeruzalem en Bethlehem

voorstellen, de Evangelische dieren en de Hand van God, die uit een

wolk te voorschijn treedt. Op den boog van de apsis en de muren van

het schip zijn veelal Bijbelsche voorstellingen of personen. Andere

prachtige, oude mozaïeken waren die van de S. Paulo fuori (fig. 4),

die kort nadat de kerk voltooid was, door Honorius werden aangebracht

(c. 420); maar hiervan hebben wij nu slechts reconstructies, daar de

origineele vernield zijn door den brand van 1823.

Er zijn mozaïeken in de oude basiliek van S. Maria Maggiore (fig. 5),

die een treffend bewijs geven van een overgangsphase, waarin de

Christelijke gedachte zich nog hulde in heidensche vormen, want het

duurde lang, voordat het Christendom alles afschafte, wat het had

overgenomen van de klassieke decoratieve kunst, en ook van de klassieke

mythologie en symboliek [184]. De hier bedoelde mozaïeken bevinden

zich op de muren van het schip en zijn van 350 ongeveer, misschien

een eeuw ouder dan de wondere voorstellingen uit het leven van de

Maagd op den apsis-boog. Het zijn tafereelen uit het Oude Testament,

Bijbelsche figuren in heidensche gedaanten, Israëlietische krijgslieden

voorgesteld door Romeinsche legioenensoldaten, de engelen door

Romeinsche Victoriae, heiligen en patriarchen door Romeinsche goden.

Het laatste Romeinsche mozaïek van groote waardigheid en schoonheid,

in ouden stijl, kan men zien in de apsis van S.S. Cosma e Damiano. Het

is van c. 530. In het midden staat de majestueuze figuur van den

Zaligmaker op een glanzende wolk, omringd door den H. Petrus, den

H. Paulus en de twee martelaren. Op den voorgrond zijn de vier rivieren

van het Paradijs, het Lam en Schapen. Merkwaardig is het gelaat van

Christus, dat in de oude kunst (b.v. in sommige Ravenna-mozaïeken)

gewoonlijk jong en baardeloos is, maar in de S. Pudenziana hebben wij,

misschien voor het eerst, den baard, het lange haar en de oudere en

ernstiger uitdrukking opgemerkt, en hier is dat nog meer ontwikkeld

en bijna gelijk aan de voorstelling van de latere Italiaansche kunst.

Na de komst van de Longobarden kreeg de Byzantijnsche stijl de

overhand te Rome, waar een tijdlang een nauwere aansluiting met het

oostelijke Keizerrijk werd gezocht als een middel om de Longobardische

invasie te keeren. Maar tegen het midden van de achtste eeuw was Rome

feitelijk weer onafhankelijk en kwamen de Romeinsche kunstenaars

in de gunst. Doch de kunst was zeer gedaald, ofschoon de Scholae

de traditie van den edelen stijl nog eenigszins schijnen bewaard

te hebben. Een goed voorbeeld daarvan is het Triclinium-mozaïek

van Paus Leo III, waarvan een gedeelte gegeven is op p. 216. Hier

vinden wij wel een eerwaardige Christus-figuur, met vollen baard,

en eerwaardige Apostelen; ook de zittende H. Petrus is plechtig,

maar in de knielende figuren van Leo en Karel ligt niet weinig

middeleeuwsche groteske deftigheid.

De prachtige Ravenna-mozaïeken dateeren uit de periode c. 440-560. De

oudste zijn in het mausoleum van Galla Placidia (zie p. 79); zij zijn

in zuiver Romeinschen stijl en bijzonder mooi door hun donkerblauwen

achtergrond.

Merkwaardig is het mozaïek, waarop Christus als jonge herder,

baardeloos, doch met lang haar, gezeten te midden van Zijn kudde,

is afgebeeld. Ongeveer tien jaar ouder zijn de mozaïeken van het

Baptisterium (fig. 10), een Romeinsch badhuis, dat Bisschop Neon

omstreeks 450 "bekeerd" heeft. In het midden van den koepel ziet men

den Doop, een fijne schildering op gouden grond; daar rondom bewegen

zich de Apostelen, op een helderblauwen achtergrond. De mozaïeken

van het Santo Spirito Baptisterium, een Romeinsch badhuis veranderd

voor Theoderik's Arianen, toont hetzelfde motief, maar de Apostelen

zijn eerwaardiger, en Christus is een jongeling.

Theoderik's basiliek van Jezus Christus, later S. Apollinare Nuovo

geheeten, is reeds vroeger (p. 151) beschreven, en wij hebben

aangetoond, dat sommige mozaïeken van den Oost-Gotischen Koning

vervangen zijn door de processies van maagden en martelaars, die nu

de muren van het schip versieren (fig. 12). Deze veranderingen, die

waarschijnlijk hebben plaats gevonden na de inneming van Ravenna door

Belisarius (540) toonen ons duidelijk den overgang van den Romeinschen

naar den Byzantijnsche stijl. Prachtig zijn de figuren van de heiligen

en profeten in hun kalme en indrukwekkende waardigheid, als ook de

twee groepen van engelen, te midden van welke Christus en de Maagd

gezeten zijn, en de verscheidenheid van houding en uitdrukking is

even merkwaardig als de kunstvaardigheid, waarmede de menschelijke

vorm en kleeding met lijnen zijn aangegeven en in fijne kleuren zijn

gebracht [185], terwijl bij de martelaars en de maagden alle liefde

voor den vorm is onderworpen aan het verlangen om decoratief effect te

bereiken. De figuren volgen op elkaar zonder eenige verscheidenheid,

alsof zij met denzelfden stempel geslagen zijn [186]. De plooien van de

witte gewaden worden aangeduid door lange, stijve, hoekige lijnen, die

dikwijls de lichaamsvormen geheel verkeerd weergeven. De handen zijn

allen volkomen gelijk, de voeten plomp, de hoofden slecht geteekend,

de gezichten hebben slechts vier of vijf kleurschakeeringen.

Ook in de S. Vitale behoeft men slechts zijn blikken te wenden van de

mozaïeken van Justinianus (fig. 17) met hun schitterende pracht van

juweelen, diademen en hofkleedij naar de oudere mozaïeken van de apsis,

waar de Zaligmaker in kalme schoonheid en waardigheid op den wereldbol

troont te midden van de in het wit gekleede engelen, om plotseling

te gevoelen, dat men in een hooger sfeer gevoerd wordt. Het laatste

van deze Ravenna-mozaïeken, in de S. Apollinare in Classe, stelt een

apocalyptisch visioen van de Transfiguratie voor. In het midden staat

een Kruis, niet als symbool van boetedoening door smartelijk lijden

en bloedigen doodstrijd, maar van overwinning en vreugde. Bij het

Kruis ziet men de drie apostelen op den berg Tabor, aangeduid door

schapen; daarna rijen van andere schapen, en bloeiende weilanden,

waar zich de groote figuur van S. Apollinare verheft. Dit mozaïek is

dikwijls hersteld, maar het is zeer edel van conceptie en verdient

een plaats onder de schoonste van de Romeinsche school.

Grootschheid en kleurenpracht, die de Byzantijnsche mozaïeken

kenmerken, kunnen natuurlijk worden aangewend voor werkelijk

artistieke en niet zuiver decoratieve doeleinden (zooals bij de

latere Venetiaansche schilders), maar wanneer de liefde voor de

waarheid ontbreekt, moet dit uitloopen op ijdel vertoon en leidt het

slechts tot mechanische productie en zinnelooze herhaling. Tijdens

Justinianus' regeering begon de vroeg-Byzantijnsche stijl in

de mozaïeken zijn invloed uit te oefenen op Italië, dat door de

herovering in een ellendigen toestand was gebracht, en waarschijnlijk

was daar, behalve in eenige gilden (scholae te Rome), alle kunstzin

verdwenen. Maar deze Byzantijnsche invloed heeft, behalve te Ravenna

en in eenige kerken te Rome (b.v. S. Agnese fuori) zeer weinig sporen

achtergelaten. De Longobardische oorlogen en overheersching zullen

wel de oorzaak zijn van het verdwijnen van vele kunstschatten, die

door de kroniekschrijvers worden vermeld, en toen (c. 730) het edict

van Keizer Leo over den beeldenstorm vele Byzantijnsche kunstenaars

naar Italië dreef, was blijkbaar de kunst van muur-mozaïek in Rome

ongeveer uitgestorven. Hier vinden wij na 800 zeer weinig mozaïekwerken

en zij vertoonen een achteruitgang, die steeds grooter wordt. Maar

in sommige Italiaansche steden, die langer onder Byzantijnsche

heerschappij bleven, behield de Oostersche invloed niet alleen in

de mozaïek-kunst, maar ook in het metaalwerk (brons, zilver, goud

en email) zijn kracht. Te Venetië, dat de voornaamste haven werd

voor den Oosterschen handel, ontstond een krachtige herleving van

het Byzantijnsche mozaïek, vooral in verband met den herbouw van de

St. Marcus in Byzantijnschen stijl na den brand van 976. De oudste van

de vele en prachtige mozaïeken van die kerk zijn van deze periode, en

na de inneming van Constantinopel door de Latijnen in 1204 veroorzaakte

de nieuwe stroom van Byzantijnsche kunstenaars wederom een herleving,

waarvan de gevolgen zich over meer dan drie eeuwen, tot de dagen van

Tintoretto uitbreidden. Met het oog op deze Venetiaansche mozaïeken

moet men niet vergeten, dat, ofschoon de stoot door de Byzantijnsche

kunst gegeven is, de stijl toch door het Italiaansche genie zeer

is veredeld.

Ook in Zuid-Italië en Sicilië was gedurende de periode 1000-1200

(den tijd van de Noormannen) blijkbaar een belangrijke school van

Byzantijnsche kunstenaars, want wij vinden prachtige Byzantijnsche

mozaïeken in de groote kerken en paleizen van Normandische en

Saraceensche architectuur (b.v. in Salerno, Palermo, Cefalù,

Monreale etc).

De invloed van de Byzantijnsche schilderkunst op Italië zal later

besproken worden. Hier moet slechts opgemerkt worden, dat vele van deze

Byzantijnen bekwame handwerkslieden waren zonder eenig kunstgevoel,

doch van groote technische vaardigheid en een gemakkelijkheid en

vlugheid van productie, die een ontaarde kunst te gronde richt. De

oogst van beelden was enorm, vooral nadat de Oostersche Kerk

weer teruggekeerd was tot den orthodoxen beeldendienst [187]. De

Christelijke wereld werd overstroomd met wonderdadige beelden en

figuren--Madonna's en Heiligen, met oranje of steenroode gezichten,

dikwijls overgaande tot cadaver-groen, tegen een gouden achtergrond en

met vergulde en pronkerige opschik. Het volkomen machinale karakter

van dit werk wordt juist aangegeven door de volgende verklaring

van een der sprekers op het bekende tweede Concilie van Nicaea,

bijeengeroepen door de vrome Keizerin Irene, die haar eigen zoon

liet blind maken: "Het is niet het plan van den schilder", zegt deze

beelden-advokaat, "dat het schilderij voortbrengt, maar de wet en de

traditie thesmothesia kai paradosis van de Katholieke Kerk. Het zijn

niet de schilders, maar de Heilige Vaders, die ontwerpen en bevelen".

Romeinsch-Longobardische Bouwkunst (Vroeg-Romaansch)

Evenals in de geschiedenis van het oude Griekenland, hebben wij ook in

de geschiedenis van Italië, tijdens de Longobardische overheersching

(c. 568-774), een Donker Tijdperk; en dit Donkere Tijdperk strekt

zich nog verder uit, al is het niet zoo hopeloos duister als de

drie eeuwen, die op de Dorische volksverhuizing volgden. In Italië,

evenals in Griekenland, was het gevolg van de verovering door een

noordelijk volk een lange en doodsche periode, die gevolgd werd

door een schitterend opleven van de kunst, hetgeen misschien te

danken is aan de vermenging van de frissche manlijke, zij het ook

wat barbaarsche kracht van het Noorden met de zuidelijke, eenigszins

verwijfde gevoeligheid voor schoonheid van vorm en kleur.

Wij hebben gezien, hoe de latere, ontaarde klassiek Romeinsche

architectuur nieuw leven en nieuwe vormen ontwikkelde door het

aanvaarden van dergelijke vondsten als de boog-dragende zuil, den

koepel en den pendentief. Maar wij hebben ook gezien, hoe in de drie

eeuwen (300-600), waarin, de basiliek-stijl en de Byzantijnsche

vormen van de Romeinsche bouwkunst hun hoogtepunt bereikten, de

oude bezielende geest van de inheemsche [188] kunst voortleefde,

elk oogenblik gereed om andere vormen aan te nemen, wanneer de

vereischte voorwaarden zich voordeden; want er is reden om aan te

nemen, dat te Rome, in al de onstuimige jaren van barbaarsche en

Byzantijnsche invallen, ondanks alle belegeringen, hongersnood en pest,

niettegenstaande een tijdlang alle inwoners de stad verlaten hadden,

toch de gilden in stand zijn gebleven, die zekere kunsten en handwerken

van geslacht op geslacht hebben overgeleverd. Wij hooren van "scholen"

in Rome, zooals de schola Graeca, door Paus Hadrianus I in 782

gesticht en de scholae Francorum, scholae Saxonum en dergelijke. Het

is onbekend, of dit godsdienstige of kunstenaars-vereenigingen waren,

zooals nu ook in Rome bestaan, voor buitenlandsche studenten, of dat

het gilden waren van kooplieden, geleerden, toonkunstenaars enz.,

waarvan de kroniekschrijvers vermelden, dat zij in de 7e en 8e eeuw

te Rome bestonden en die er waarschijnlijk reeds vroeger waren. Dat

er gilden van architecten bestonden, kunnen wij afleiden uit het feit,

dat er hier en daar prachtige voorbeelden van architectuur en sculptuur

bestaan, die zeker noch Byzantijnsch noch Longobardisch zijn en die

schijnen te dateeren uit den tijd, dien wij het Donkere Tijdperk hebben

genoemd, toen in Italië, te oordeelen naar alle andere overblijfselen,

de kunst zeer diep gezonken was. Men kan niet ontkennen, dat die

"specimina" zeldzaam zijn en van twijfelachtige afkomst en tijd; maar

zij wekken toch het vermoeden, dat dank zij de gilden het geslacht

van de inheemsche kunstenaars niet geheel uitgestorven was; en het

lijkt niet onwaarschijnlijk, dat handwerkslieden van deze gilden

hun weg vonden naar de Gotische en Byzantijnsche hoven te Ravenna,

naar de steden van Zuid-Italië en het noordelijk Exarchaat, en ook

naar de eilanden van Venetië, daar in al die plaatsen sporen van hen

schijnen te bestaan. [189]

Doch met groote zekerheid kunnen wij het werk van Romeinsche

handwerkslieden aanwijzen in Noord-Italië gedurende de heerschappij

der Longobarden, eerst aan het hof van Agilulf en Theodelinda,

die talrijke mooie kerken bouwden, en later in vele deelen van het

Longobardische koninkrijk.

De Longobarden waren oorspronkelijk een woest volk,--zoo woest,

dat Narses zijn Longobardische bondgenooten naar huis moest sturen

wegens hun barbaarschheden,--en in de eerste vijf jaren van hun

Italiaansche overheersching, tijdens de regeering van Alboin en Clefi

en de daarop volgende anarchie (575-85) zal de beschaving onder deze

gens nefandissima et sceleratissima wel erg geleden hebben. Maar de

nakomelingen van deze noordelijke barbaren begonnen reeds ten tijde

van Agilulf en Theodelinda (590) met verbazing de afbeeldingen van hun

woeste voorvaderen te beschouwen, en geestdrift te gevoelen voor de

kunst en beschaving van het land, dat zij hadden veroverd. Te Pavia,

Cremona, Bergamo, Perledo, en andere plaatsen in het Como-district

richtte Theodelinda kerken en kasteelen op, en te Monza herbouwde zij

het zomerpaleis van Theoderik, versierde het met frescos en verbond

daaraan een schoone basilica, waarin zich 70 ampullae met heilige olie,

een schatkamer en een merkwaardige lunette bevond (zie hoofdst. I).

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 21 / 48 段