door een hevige uitbarsting van de pest, die reeds vele jaren vroeger
Europa had geteisterd. Paus Pelagius was een van de vele duizenden
slachtoffers te Rome. Als zijn opvolger werd met algemeene stemmen
Gregorius gekozen. Deze was geboren in 540, toen Belisarius Ravenna
innam of een weinig later, toen Baduela de Gotische heerschappij
in Italië weer deed herleven. De juiste datum is niet bekend,
maar sommigen zeggen, dat het dezelfde dag (21 Maart, 543) was,
waarop de groote Heilige stierf, dien hij bijzonder vereerde en wiens
leven hij heeft beschreven, St. Benedictus. Zijn familie was van den
senatorenstand en zeer vermogend. Zijn ouders, vurige Katholieken,
lieten hem theologie en philosophie studeeren [166], maar hij schijnt,
evenals St. Ambrosius, een politieken loopbaan gekozen te hebben, want
als jong man was hij reeds Prefect of Praetor van Rome. Doch weldra
kreeg zijn religieuze neiging de overhand, en hij gebruikte een groot
deel van zijn vermogen om zes kloosters op Sicilië te stichten en een
zevende te Rome, terwijl hij voor dat doel zijn voorvaderlijk paleis
[167] op den Coelischen Heuvel afstond, waar nu de kerk van S. Gregorio
Magno staat. Hier leefde hij eenige jaren zeer sober, en werd, toen hij
ongeveer 36 jaar oud was, diaken, waarschijnlijk daartoe bewogen door
Paus Benedictus I, die hem de wijding gaf. Sinds dien tijd schijnt
hij veel belangstelling te hebben gehad in zendingswerk; en zijn
geestdrift werd geprikkeld of misschien zelfs het eerst opgewekt door
die schoon-lokkige Engelsche jongelingen, die als slaven werden ten
toon gesteld, wier schoonheid hem volgens Beda den uitroep ontlokte:
"Non Angli, sed Angeli".
Beda, die een van Gregorius' oudste biografen is, verzekert ook, dat
hij een zendings-expeditie ondernomen heeft om de Angel-saksers te
bekeeren; maar na een reis van drie dagen gaf hij zijn voornemen op
en keerde naar Rome terug. Dit gebeurde op aandrang van zijn vrienden
of naar aanleiding van het volgende voorval, indien het waar is; en
waarom zou het niet waar zijn? Men heeft reden om het te gelooven; want
ondanks zijn vastberaden en flink karakter was Gregorius kinderlijk
bijgeloovig [168]. Gedurende de middagrust sprong een sprinkhaan
op den vermoeiden zendeling, die het vriendelijk diertje met zijn
Latijnschen naam, locusta, aansprak en daarna zoo getroffen was door
de overeenstemming met de woorden "loco sta!" ("blijf op uw plaats
staan"), dat hij het voorteeken aannam. Na zijn terugkeer werd hij door
Paus Pelagius gekozen als zijn nuntius of secretaris (apocrisarius)
te Constantinopel, en bij den dood van den Paus in 590 werd hij, daar
hij juist in dien tijd te Rome was, aangewezen om hem op te volgen. De
verkiezing van een Paus moest in die tijden nog bekrachtigd worden door
den Oost-Romeinschen Keizer en men zegt, dat Gregorius hem dringend
geschreven heeft zijn toestemming te weigeren; maar de brief werd
onderschept en een vlucht mislukte, zoodat Gregorius ten slotte toegaf
en dadelijk, nog voordat de keizerlijke bekrachtiging was aangekomen,
zijn krachtig karakter toonde door plechtige processies te houden om
den toorn van den Hemel af te wenden en een einde te maken aan de pest.
Er was bevolen, dat alle prelaten, priesters, monniken, nonnen, en een
groote menigte burgers, met zwarte sluiers en kappen en verdeeld naar
de vier wijken van de stad, hun hoofdkerken zouden bezoeken, die alle
zwart gedrapeerd waren en dan zouden opgaan naar de basiliek van de
Moeder Gods (S. Maria Maggiore). De straten waren vol van eindelooze
processies van smeekelingen, die brandende kaarsen en fakkels droegen,
treurzangen en Kyrie Eleisons zongen, terwijl nu en dan een zwarte
gedaante, getroffen door de doodelijke pest, ter aarde stortte.
Toen nu de grootste processie de St. Pieter naderde en Gregorius zelf
juist het midden van de brug bereikt had, verscheen er in de lucht,
zwevend boven het mausoleum van Hadrianus, de gedaante van een engel
met een vlammend zwaard; en men zag, dat hij het zwaard in de scheede
stak, om te beduiden, dat de pest tot stilstand was gebracht. Men
hoorde hemelsche stemmen het Regina coeli zingen en Paus Gregorius
antwoordde door het Ora pro nobis aan te heffen. Hierom kreeg de Moles
Hadriani den naam Engelenburg (Castel Sant' Angelo). Het is onzeker,
wanneer er het eerst een standbeeld van den engel is opgericht. Men
zegt, dat Paus Bonifacius IV, de opvolger van Gregorius, een kapel
heeft gebouwd boven op de Moles en die genoemd heeft "S. Angelus
inter Nubes." Een marmeren beeld, dat ongeveer 1550 door Montelupo is
gemaakt, werd waarschijnlijk in 1740 vervangen door de tegenwoordige
bronzen figuur, het werk van een Vlaamschen kunstenaar.
Gedurende het eerste gedeelte van zijn pontificaat was Paus Gregorius
een zeer hevige en openlijke vijand van de Longobarden. In zijn
brieven worden de Italiaansche steden steeds aangespoord den barbaren
en ketters weerstand te bieden en dringt hij er zelfs op aan, dat de
geestelijken de wapenen zullen opnemen. Niet minder ijverig was hij in
het verdedigen van de Italianen tegen de Byzantijnsche verdrukking,
zooals wij kunnen zien in zijn brieven aan Keizerin Constantina,
waarin hij den ellendigen toestand van het volk op Sicilië en Sardinië
(waar de heidensche beeldendienst blijkbaar nog steeds bestond) en
de schaamtelooze afpersingen en onrechtvaardige handelingen van de
Byzantijnsche ambtenaren beschrijft. Doch de voornaamste reden tot
zorg gaven hem de Longobarden. Men zal zich herinneren, hoe Agilulf,
die door Theodelinda in hetzelfde jaar, waarin Gregorius Paus werd,
tot haar koninklijken gemaal was gekozen, in 593 naar het Zuiden
marcheerde en het Romeinsche gebied verwoestte, hoe Gregorius zijn
publieke voordrachten over Ezechiël afbrak en al zijn energie gebruikte
om de stadsmuren weer op te bouwen en strijdkrachten te organiseeren,
zoodat hij ten slotte niet meer wist "of hij een geestelijke was of
een wereldlijk vorst." Aldus wordt hij door zijn vurig patriotisme en
zijn krachtige werkzaamheid erkend als het civiele hoofd van Rome;
hij leidt de onderhandelingen en verbreekt of sluit verdragen met
Longobardische koningen en hertogen en Byzantijnsche Exarchen.
Zijn vaderlandsliefde werd geëvenaard door zijn godsdienstijver. Niet
slechts had hij als Christen zulk een afschuw van het heidendom, dat
men hem verdacht van de vernietiging van vele oude monumenten en veel
literatuur, maar als katholiek had hij misschien nog meer afkeer van
alle vormen van ketterij. De bekeering van de heidensche Angel-saksen
was een van zijn vroegste idealen en in 596, toen hij nog slechts zes
jaren paus was, zond hij zendelingen onder leiding van St. Augustinus
den jongere naar koningin Bertha, de Frankische katholieke gemalin van
Ethelbert, koning van Kent [169]. In een brief aan den Bisschop van
Alexandrië beschrijft Gregorius deze onderneming aldus: "Daar het volk
van de Angelen, dat in den meest afgelegen hoek van de wereld leeft,
nog steeds hardnekkig volhardt in de vereering van blokken en steenen,
kwam de gedachte bij mij op hun een monnik te sturen om onder hen,
als God het zoo wilde, te preeken; en toen met mijn goedkeuring de
bisschoppen van Germanië dezen gewijd hadden, hielpen zij hem om
dat volk daar aan het einde van de wereld te bereiken." Dan vertelt
hij van mirakelen, die de wonderen van de Apostelen evenaren, en van
de bekeering van de 10.000 Angelen. Ofschoon men het uitroeien van
de oude Engelsche Kerk moet betreuren, kan men toch niet ontkennen,
dat de zending van Gregorius de beschaving van de Romeinsche wereld
weder in Brittannië heeft gebracht, hetgeen volgens onze meening een
weldaad was.
Een ander zendingswerk, dat door zijn gunstigen afloop Gregorius
groote vreugde bracht, was de bekeering van de Longobarden, d.w.z. hun
bekeering van Arianisme tot orthodox Katholicisme. Evenals Bertha
en Ethelbert, was ook de Longobardische koningin een goed katholiek,
daar zij een Beiersche prinses was, en door toedoen van Theodelinda
was Gregorius aan het eind van zijn leven op goeden voet met den
Longobardischen koning en in staat een invloed uit te oefenen, die
ten slotte bewerkte, dat het geheele Longobardische volk gereinigd
werd van de Ariaansche besmetting. Agilulf bleef waarschijnlijk een
ketter tot zijn dood, ofschoon Paulus Diaconus het ontkent. Misschien
was de koning geen zeloot en wilde hij liever jegens beide partijen
verdraagzaam zijn. In ieder geval, toen zijn opvolger, de kleine
Adelwald, werd geboren (602) stond hij toe, dat deze als Katholiek
gedoopt zou worden. De brieven, die Paus Gregorius bij deze gelegenheid
aan Koningin Theodelinda schreef zijn op zichzelf zeer belangrijk en
verdienen bovendien hierom onze belangstelling, omdat ten minste éen
van de geschenken, die hij aan zijn klein petekind zond, herkend kan
worden op het oude relief, dat men nog kan zien boven den ingang van
de kathedraal van S. Giovanni te Monza, die oorspronkelijk gebouwd
is door Theodelinda [170].
"De brief, dien gij mij uit de omgeving van Genua stuurt" schrijft
Gregorius, "maakt mij deelgenoot in uw vreugde door mij ervan
te verwittigen, dat U door de genade van den Almachtigen God een
zoontje is geboren en ook, dat hij, hetgeen u tot eer strekt, bij de
Katholieke kerk is ingeschreven ... Ik bid, dat God u moge bewaren en
mijn kleine Adelwald moge opgroeien in Zijn liefde." Nadat hij daarna
heeft verteld, hoe pijnlijk hij door de jicht geplaagd wordt, voegt
hij erbij, dat hij aan den kleinen Adelwald zendt "eenige relieken,
nl. een kruis met een stukje hout van het Heilige Kruis van den
Heiland, en een afschrift van het Heilige Evangelie in een Perzisch
étui. En aan mijn kleine dochter, zijn zuster, stuur ik drie ringen,
twee van hyacint en een van onyx ...."
Ongeveer een jaar later (14 Maart, 604) maakte de jicht, waaraan
hij vier jaren lang steeds meer geleden had, een einde aan zijn
leven. Die plaag was misschien de male di fianco, dien hij gekozen
had, in plaats van twee dagen in het Purgatorium, als een straf voor
de gebeden, waarmede hij Trajanus had doen herrijzen om hem te doopen,
zoodat de heidensche Keizer, in strijd met de wetten van het noodlot,
in den hemel was toegelaten. [171]
Hodgkin zegt in zijn Italy and her Invaders, dat Gregorius grooter is
als Romein dan als Heilige. Zeker is er veel in zijn karakter, zooals
het uit zijn leven en geschriften blijkt, dat onze bewondering en
sympathie heeft, maar er zijn trekken, die geen van beide opwekken. Een
van deze is zijn neiging tot plomp bijgeloof, en een ander zijn blinde
onverdraagzaamheid jegens klassieke literatuur en kunst. "Men neemt
algemeen aan", zegt Gibbon, "dat Gregorius de tempels bestormde en
de beelden van de stad verminkte, dat op bevel van dien barbaar de
Palatijnsche bibliotheek in asch is gelegd en dat in het bijzonder
het werk van Livius het doel van zijn fanatieke aanvallen was. De
geschriften van Gregorius zelf toonen zijn onverzoenlijken afkeer
van de monumenten van het klassieke genie en hij kritiseert hevig de
profane kennis van een bisschop, die de Latijnsche dichters bestudeerde
en in één adem de lofzangen op Jupiter en die op Christus uitsprak." Er
is, zooals Gibbon toegeeft, geen stellig bewijs, dat hij werkelijk de
vandalismen bedreven heeft, waarvan hij beschuldigd wordt, maar hij was
blijkbaar trotsch op zijn onbekendheid met het Grieksch en ofschoon
hij niet het barbaarsche Latijn schreef, dat een beetje later door
Leo III, Stephanus III en anderen uit dien tijd gebruikt werd, [172]
had hij toch een fanatieken afkeer van het heidensche classicisme,
zooals blijkt uit zijn toornig schrijven aan den Gallischen bisschop,
waarop Gibbon doelt (in uno ore cunt Jovis laudibus Christi laudes
non se capere) en uit zijn verzekering, dat "het zeer ongepast is,
dat de woorden van het hemelsch orakel zouden onderworpen zijn aan
de wetten van den grammaticus Donatus".
Een vreemd en lastig te verklaren feit moet nog vermeld worden,
ofschoon men het gaarne zou willen verzwijgen. In 602 werd Keizer
Mauricius te Constantinopel onttroond door een overweldiger,
Phocas [173], die met monsterachtige onmenschelijkheid zijn
slachtoffer vermoordde, nadat hij zijn kinderen voor zijn oogen
geslacht had. Gregorius, die een tijdlang, toen hij nuntius van Paus
Pelagius was, aan het hof te Constantinopel geleefd had, was zeer
bevriend geweest met den Keizer en zijn familie; maar toen Phocas zich
beschermend tot Gregorius richtte, schreef de Paus, in plaats van hem
verontwaardigd van zich te stooten, een slaafschen en vleienden brief
(die nog bestaat), waarin hij zijn vermoorden vriend verzaakte en zich
verheugde in de verwachtingen, die hij koesterde van dat monster ten
opzichte van de kerk.
Zijn werken zijn talrijk: Epistolae, Dialogi, Homiliae, Libri
Morales, Cura pastoralis enz. en ook praktische handboeken, die
aanwijzingen geven voor den dienst in de Kerk. De Roomsche Kerk volgt
nog steeds bij de mis voornamelijk het voorschrift van Gregorius, dat
verschilt van den regel van St. Ambrosius, die te Milaan in gebruik
is. Gregorius voegde ook vier toonschalen bij de vier authentieke
schalen van St. Ambrosius. De muziek, die gebaseerd is op deze acht
toonladders is bekend als het Gregoriaansche koraalgezang. Een van
de prachtigste motieven van Wagner's Parsifal, het Graal-motief is
rechtstreeks genomen van een Gregoriaanschen toonschaal.
Als theoloog schijnt hij niet altijd onfeilbaar geweest te zijn,
indien wij mogen gelooven, wat Beatrice aan Dante vertelde, toen
zij in het Paradijs hem de cirkels en de hierarchiën der engelen
verklaarde. Gregorius, zeide zij, durfde op dit punt af te wijken van
Dionysius den Areopagiet, maar "zoodra hij zijn oogen in den hemel
opende, lachte hij over zichzelf"--
...... sì toste come gli occhi aperse
In questo cielo, di sè medesmo rise.
HOOFDSTUK II.
BOUWKUNST EN MOZAÏEKWERK.
300-800.
In dit hoofdstuk zullen eerst eenige eigenaardigheden van de
verschillende bouwstijlen behandeld worden, die in sommige deelen van
Italië gedurende de periode, die wij doorloopen hebben overheerschend
waren en daarna zal er iets over de mozaïeken bijgevoegd worden. Het
groote verschil van meening, dat onder de schrijvers bestaat
over den oorsprong, classificatie, chronologie en benaming van de
bouwstijlen--vooral over het gebruik van zulke woorden als "Romeinsch",
"Byzantijnsch", "Romaansch", "Longobardisch", enz.--maakt het bijna
onmogelijk eenige mededeeling te doen zonder zich aan kritiek bloot
te stellen. Misschien is het onder dergelijke omstandigheden het best
de termen te gebruiken, die de rechtstreeksche indrukken, gewijzigd
door de meeningen van anderen, ons langzamerhand hebben geleerd als
de verstandigste en doelmatigste. [174] Vagliami 'l lungo studio e
'l grande amore.
Men kan aannemen, dat de klassieke Romeinsche kunst, ofschoon haar
geest nog vele jaren bleef leven en men geen nauwkeurigen datum kan
geven voor haar verdwijnen, is uitgestorven tusschen den tijd van de
Antonini en dien van Constantijn den Groote (c. 160-300). Misschien
wordt de beste illustratie van het bijna ongeloofelijke verschil
tusschen deze twee tijdperken ten opzichte van de kunst gegeven door
den triomfboog van Constantijn (zie fig. 2). De boog dateert, hetzij
hij door Constantijn hersteld is of niet, zeker uit den tijd van de
Antonini, misschien van Trajanus (c. 110) en is een mooi voorbeeld
van laat-klassieke bouwkunst; maar een blik op de reliëfs--die van
Trajanus en de Antonini naast die van Constantijn--zal beter dan
woorden aantoonen, niet alleen wat de beeldhouwers van Constantijn's
tijd beteekenden, maar ook hoe de Romeinen alle gevoel voor kunst
moesten verloren hebben, wanneer zij zonder zichzelf te minachten èn
naar deze èn naar gene afbeeldingen konden kijken.
Maar zelfs in den tijd van Constantijn vertoont de bouwkunst soms nog
de oude klassieke bevalligheid en adel, zooals wij zien in de villa van
Diocletianus te Spalato en in de S. Costanza te Rome, en deze klassieke
bezieling bleef vele jaren bestaan en verscheen zoo nu en dan als een
geest van het verleden, zooals b.v. in de twee beroemde Mausoleums, van
Galla Placidia en van Theoderik, edele en werkelijk Romeinsche [175]
gebouwen, ofschoon het eerste kruisvormig en van een koepel voorzien
is en het tweede eveneens onder invloed van de Oostersche architectuur
staat. Maar deze geest van het verleden was gedoemd te verdwijnen en
een nieuw beginsel zou een nieuwen stijl bezielen. Laten wij, om dit
te bewijzen, het vraagstuk van den boog en het gewelf behandelen.
Het eigenaardig verschil, dat de Romeinsche bouwkunst van de
Grieksche onderscheidt, is voornamelijk gelegen in de toepassing
van den boogvorm, niet alleen bij tempels, maar ook bij de groote
bouwwerken van algemeen nut, aquaeducten, bruggen, reusachtige
amphitheaters en badhuizen. Het eigenlijke verschil tusschen de
twee stijlen kan men zich het best denken, wanneer men zich het
Parthenon en daarna de bekende aquaeduct, den Pont du Gard voor oogen
stelt. Groote aquaeducten en groote bruggen waren, als bouwwerken,
den Grieken onbekend, ofschoon zij hun Enneakrounoi en schipbruggen,
zooals die van Xerxes, hadden. Werken van dien omvang en met die
bedoelingen zijn onuitvoerbaar in een stijl, welks leidend beginsel
een horizontaal systeem was van architraaf, fries en kroonlijst
gedragen door zuilen. Het is waar, dat het gewelf reeds gevonden
wordt in de Grieksche bouwkunst (b.v. in de oude grafkamers te
Mycenae) en de aetos of de driehoekige gevel een neiging vertoont
tot het principe van wederzijdschen steun. Maar toen de Romeinen
den boogvorm aannamen, en ook het gewelf, de apsis en den koepel
[176], ontstonden er geheel nieuwe mogelijkheden; de oude Grieksche
bouworde verloor zijn constructieve functie en werd meer dienstbaar
gemaakt aan de versiering; want in de groote Romeinsche gebouwen,
zooals de amphitheaters, werden de zuilen dikwijls voor colonnades
gebruikt, de een boven den ander, een bouworde, die ongetwijfeld
artistiek onjuist maar soms toch zeer indrukwekkend is, indien de
verhoudingen goed zijn. De Romeinsche boog had geen zuilen noodig;
het was oorspronkelijk niet anders dan een boog uitgehouwen in een
dikken muur, en de horizontale bovenbouw van den ouden stijl werd
gebogen en dikwijls als een nutteloos overblijfsel aangegeven door
een versiering langs den boog, die soms zelfs van de basis van den
eenen pijler naar den ander liep.
Hier begon zich nu het nieuwe principe te toonen. Wij hebben gewezen
op de villa van Diocletianus te Spalato en de S. Costanza te Rome als
overblijfselen van de klassieke kunst, en dit is juist, wat betreft
den edelen vorm en verhouding; maar zij kunnen nog beter dienen als
voorbeelden van den ouden bouwvorm bezield door een nieuwen geest;
want te midden van de droevige ontaarding van de klassieke sculptuur
en architectuur en de algemeene plundering van antieke monumenten
voor de oprichting of versiering van nieuwer gebouwen, een wijze van
handelen, die met de meest gevoellooze barbaarschheid plaats vond,
begon men toch in te zien, dat in de bouwkunst (zooals misschien
in alles) schoonheid en nut innig samenhangen, ofschoon men dien
samenhang niet altijd duidelijk kan aanwijzen. In dit geval was
het de zuil, die wederom iets te doen kreeg. In Diocletianus' villa
(c. 300) vinden wij zuilen, die werkelijk bogen dragen, zooals bij
den "Dom van de Rots" (de kerk van het Heilige Graf), die misschien
door Constantijn te Jeruzalem gebouwd is, terwijl bij het Romeinsche
Mausoleum van Constantijn's dochter (later de kerk van S. Costanza)
een zware bovenbouw van muur en koepel gedragen wordt door bogen,
die rusten op korte, horizontale stukken, elk liggende op twee zuilen,
zooals men op de schets kan zien. Dit is misschien het eerste bekende
voorbeeld van vrije zuilen, die het geheele gewicht van een grooten
bovenbouw dragen, zooals dat ook in de oude Christelijke basilieken
is; een tweede belangrijk punt is het feit, dat het korte gekoppelde
kapiteel een duidelijke aankondiging is van het tweede kapiteel of
pulvino van een anderen stijl, den Byzantijnschen, die weldra in
het oostelijke Rijk en in sommige deelen van Italië overheerschend
zou worden. Laten wij nu deze twee nieuwe bouwstijlen, dien van
de Christelijke basilieken en dien van de Byzantijnsche gebouwen
behandelen.
Basilieken.
De oorsprong van de Christelijke basiliek is onbekend. Het woord
beteekent in het Grieksch een koninklijk gebouw. In het oude Rome
werd het gebruikt voor een zaal om rechtszittingen of vergaderingen
te houden; de grootste was de Basilica van Constantijn (eindelijk
gebouwd door zijn mededinger Maxentius), wier geweldige ruïne bekend
is aan ieder, die Rome heeft bezocht. Beroemd is ook de Basilica
te Trier, die oorspronkelijk een rechtzaal of een hal was. Maar de
theorie, dat ooit een dergelijk openbaar gebouw aan de Christenen
zou zijn afgestaan, of dat zij of de architecten van Constantijn de
eerste kerken zouden gebouwd hebben naar het voorbeeld van dergelijke
gebouwen, wordt over het algemeen niet meer aanvaard, en het gewone
Romeinsche huis met zijn atrium en zuilengangen, of een schola wordt
nu als het prototype beschouwd; en de naam wordt verklaard als het
"Huis des Konings" d.w.z., "Huis des Heeren", wat ook het woord "kerk"
(kyriakon) beteekent.
Niet lang geleden werd een kleine Christelijke kerk van basiliekvorm,
de S. Maria Antiqua, aan het licht gebracht te midden van de
geweldige ruïnen aan de noordzijde van den Palatinus. Men gelooft,
dat het oorspronkelijk de bibliotheek van den Tempel van Augustus
is geweest en het is zeer wel mogelijk, dat het een van de eerste
kerken in Rome was en als voorbeeld voor de oudste Christelijke
basilieken heeft gediend. Men kan duidelijk zien hoe de zuilenrijen
en de aula veranderd zijn in schip en apsis. De muren zijn versierd
met Byzantijnsche frescos uit lateren tijd, die snel verkleuren.
Een oude Christelijke basiliek is gewoonlijk een langwerpig rechthoekig
gebouw, in de lengte in drie of vijf ruimten verdeeld door zuilenrijen,
die houten daken dragen, terwijl het dak van het midden-gedeelte,
het schip, zooveel hooger is dan de andere daken, dat de wanden
bovenaan van ramen voorzien en door mozaïeken of frescos versierd
kunnen worden. Het schip eindigt in een halfrond koor gedekt door
een halven koepel of apsis, en aan de andere zijde van het gebouw is
een vestibule of zuilengang of een atrium, waarvan wij nog een mooi
voorbeeld hebben in de S. Ambrogio te Milaan [177].
Zelfs in zeer oude basilieken vinden wij het beginsel van een transept
(kruisvleugel), zooals b.v. in de drie grootste oude basilieken van
Rome, de S. Pietro, S. Paolo (fuori le mura) en S. Maria Maggiore
[178]. In de oudste basilieken werd ongetwijfeld de horizontale
bouworde aangewend, maar de nieuwe stijl, die den zuil met den boog
combineerde, schijnt vroeg in zwang te zijn gekomen. In de Maria
Maggiore hebben wij de architraaf, in de S. Paolo en S. Clemente de
archivolte en in de S. Pietro (de oude basiliek) rustten op de zuilen
van het schip architraven, terwijl de buitenste zuilen van den zijbeuk
bogen droegen.
Het is niet zeker of er Christelijke basilieken of in het algemeen
kerken, die zich niet onder den grond bevonden, vóór den "Kerkvrede"
(313) bestaan hebben. Van den tijd van Constantijn [179] tot de dagen
van Theoderik en de komst van de Longobarden (ongeveer 250 jaar)
was de basiliek-stijl overheerschend in Rome, waar ongeveer twintig
kerken [180] nog in mindere of meerdere mate de sporen van klassieke
tempels of basilieken vertoonen, daar de zuilen of fundamenten dikwijls
van oude tempels of basilieken zijn. De prachtigste van dezen is de
S. Maria Maggiore (gesticht c. 352) en een zeer belangrijk voorbeeld is
de S. Clemente (gesticht c. 320), terwijl de heerlijke S. Paolo fuori
die voor den noodlottigen brand van 1823 de grootste was van de nog
bestaande oude basilieken, nu onder de reconstructies gerekend moet
worden. Wanneer men bedenkt, dat Rome zoo lang onder Byzantijnsche
heerschappij heeft gestaan lijkt het vreemd, dat het nauwelijks
eenig ander spoor van Byzantijnsche bouwkunst bezit, vooral daar de
Byzantijnsche invloed op de Romeinsche mozaïeken later (d.w.z. nadat
de strijd over den beeldendienst de kunstenaars uit het oosten naar
Rome had gebracht) zeer waarneembaar is.