II de Alpen overtrok om de hulp van Koning Pepijn in te roepen,
kwam de jonge prins Karel (de latere Karel de Groote) hem tegemoet
en begeleidde hem, totdat de koning zelf kwam aanrijden om zijn
gast te ontvangen. Dadelijk, nog voordat zij het paleis bereikten,
beloofde Pepijn onder eede "dat hij het Exarchaat en alle andere
plaatsen en rechten aan de Republiek van Rome zou teruggeven" of, met
andere woorden, aan den Kerkelijken Staat. Hij dringt er dan op aan,
dat Stephanus den winter in de Abdij van St. Dionysius (St. Denis)
zal doorbrengen; hij schrijft dreigbrieven aan den Longobardischen
koning Astulf, maar vergeefs; hij vernieuwt zijn belofte aan den
Paus in plechtige vergaderingen; en Paus Stephanus, van zijn kant,
kroont in de kerk van St. Denis niet alleen Pepijn zelf, maar ook
zijn gemalin Bertharid (Berthe au grand pied) en hun beide zonen,
Karel en Karloman, een daad, die beschouwd wordt als de pauselijke
sanctie van Pepijn's dynastie, daar hij zelf reeds gekroond was als
koning der Franken door St. Bonifacius. Het was werkelijk eenigszins
een herleving van het Romeinsche Keizerrijk, want bij de kroning
schonk Stephanus, als vertegenwoordiger van Rome, aan den Frankischen
koning den hoogsten titel, Patricius, die door de Keizers slechts
aan eminente leden van het keizerlijk huis was gegeven, of gevoerd
was door vorsten als Odovacar en Theoderik.
Pepijn vervulde zijn belofte. Kort na zijn tweede kroning trok hij
aan het hoofd van een groot leger, vergezeld van den Paus en een
groote cavalcade van prelaten, den Mont Cenis over, dreef Astulf
naar Pavia terug en dwong hem de belofte af Ravenna en andere
steden van het vroegere Exarchaat terug te geven en wel, zooals
hij uitdrukkelijk bepaalde, aan den H. Petrus d.w.z. aan den Paus,
en niet aan den Oost-Romeinschen Keizer. Maar nauwelijks was Pepijn
uit Italië getrokken, of Astulf weigerde, als gewoonlijk, zijn woord
te houden. Hij marcheerde zuidwaarts, verwoestte het Romeinsche en
kerkelijke gebied en dreigde Rome te plunderen, als de Paus niet
aan hem werd uitgeleverd. Paus Stephanus, in uiterste wanhoop,
zendt Pepijn een brief, niet van hemzelf, maar van niemand minder
dan den H. Petrus, die verklaart dat de Heilige Maagd, de Hemel
en alle Heiligen en Martelaars zijn verzoek ondersteunen en dat,
indien Pepijn zich daaraan niet stoort, hij, Petrus, krachtens het
gezag van de Drieëenheid en zijn Heilig Ambt, hem, Pepijn, uit het
koninkrijk Gods en het eeuwige leven verbant. Derhalve trekt Pepijn
nog eens den Mont Cenis over, neemt Pavia in (756) en dwingt Astulf,
die zijn belegering van Rome snel had opgebroken, zijn veroveringen
in het Exarchaat en de Pentapolis [154] op te geven; daarna stuurt
hij de sleutels van al deze steden naar den Paus.
In ditzelfde jaar stierf Astulf. Zijn broeder Ratchis, die afstand
had gedaan en zich teruggetrokken had naar den Monte Cassino, trad
nu weder op, in de hoop tot koning verkozen te worden; maar de Paus
haalde hem over naar zijn klooster terug te keeren, en ondersteunde
de verkiezing van Desiderius, den hertog van Toskane, die kwistig was
met zijn beloften om den Paus te helpen in zijn aanspraken op al het
oorspronkelijke gebied van het Exarchaat en de Pentapolis, beloften
die, als gewoonlijk, onvervuld bleven; want de nieuwe Longobardische
Koning deed van niets afstand behalve van Faenza en Ferrara.
Maar de landhonger van de Pausen werd niet verzadigd door zoo'n
hapje. Stephanus' broeder, Paulus, was hem als Paus opgevolgd en
de aanspraken van den Paus, die steeds meer gebied vroeg (want de
aanspraken van "den H. Petrus" hadden nu die van "de Heilige Roomsche
Republiek" totaal verduisterd) begonnen bij den Romeinschen adel veel
vijandschap te verwekken, een opmerkenswaardig feit, daar dit, veel
meer dan eenige twist tusschen den Paus en Oost-Romeinschen Keizer het
werkelijke begin was van de veete tusschen de Gibellijnen en Welfen
[155].
In de volgende twaalf jaren worden er verdragen gesloten en geschonden
door de vijf heerschers, wier slaaf Italië is, maar de toestand blijft
over 't algemeen, zooals die was. In 767 sterft Paus Paulus en in het
volgend jaar Koning Pepijn. Hij laat het Frankische koninkrijk na aan
zijn twee zonen, Karel en Karloman, die door hun hevige twisten groote
onlusten stichten en de bestaande oneenigheden zelfs in de steden
van Italië nog scherper maken. Maar na drie jaren sterft Karloman
en zijn weduwe vlucht met haar kinderen naar het hof van Desiderius
te Pavia. Zoo wordt Karel in 771 alleenheerscher over het Frankische
rijk van Neustrië en Austrasië en alles, wat daarbij behoorde.
Voordat wij de onderwerping van de Longobarden door Karel vertellen,
is het noodig een blik te werpen op Rome na den dood van Paus Paulus
in 767, om ons een begrip te vormen van de bijna ongeloofelijke
wreedheid, met welke de aristocratische en kerkelijke partijen den
strijd hebben gevoerd. Paus Paulus lag op zijn sterfbed, maar leefde
toch nog, toen de Hertog van Nepi, een klein stadje in het Romeinsche
hertogdom, haastig tegen Rome optrok en zijn broeder Constantinus op
den pauselijken troon zette. Daar Constantinus een leek was, moest hij
bevestigd worden als geestelijke, diaken, priester en daarna gewijd
als bisschop en Paus, alles op denzelfden dag. Een jaar later werd een
priester, Philippus, door de Longobardische partij op den voorgrond
geschoven. Hij werd in het Lateraan gewijd en besteeg den pauselijken
troon in de St. Pieter, waar hij aan de menigte zijn pauselijken zegen
gaf. Maar de volgende maand (Augustus 768) werd door een combinatie van
geestelijken, van het leger en het volk een derde Paus, Stephanus III,
een vriend van wijlen Paus Paulus, gekozen. "Deze nieuwe verkiezing",
zegt Villari, "bracht de woede van het volk niet tot bedaren, want,
voordat de nieuwe Paus gewijd werd, besloot de overwinnende partij
wraak te nemen op Constantinus en zijn aanhangers. Sommigen werden
de oogen en tong uitgerukt. De razende menigte stormde daarna naar
het huis, waar de ex-Paus opgesloten was. Zij overstelpten hem met
beleedigingen, zetten hem te paard op een vrouwen-zadel en brachten
hem naar een klooster. Vandaar werd hij naar de Lateraan-basiliek
gevoerd, waar de verzamelde bisschoppen hem plechtig afzetten, door
hem zijn pallium en verdere pauselijke kleederen uit te trekken. Kort
daarna sleurden zijn vijanden hem uit het klooster, staken hem de
oogen uit en lieten hem halfdood op straat liggen". Een priester,
die de voornaamste bewerker was geweest van de verkiezing van Paus
Philippus en bescherming had gezocht in het Pantheon (S. Maria ad
Martyres) werd van het heilige beeld, waaraan hij zich vastgeklemd
had, losgescheurd, naar het Lateraan gesleept, en blind gemaakt op
dezelfde wijze; hij stierf aan de gevolgen.
Maar wij moeten tot Karel terugkeeren. Door den dood van zijn broeder
was hij alleenheerscher der Franken geworden. Niet lang voordat dit
gebeurde had zijn moeder Bertharid (Berthe) hem overgehaald om zich
te verbinden met den Longobardischen koning Desiderius en zelfs diens
dochter Desiderata tot gemalin te nemen. Toen Paus Stephanus III van
dit huwelijk hoorde, was hij zeer ontsteld. Zijn brief aan Karel,
dien deze zelf bij zijn collectie van pauselijke brieven voegde
en dien men nog in Weenen kan inzien, is in zeer heftige termen
geschreven. Hij noemt elken band tusschen het edele Frankische en
het zondige Longobardische ras "diabolisch" en voegt er bij, dat
hij zijn brief gelegd heeft op de tombe van den H. Petrus en dat hij
hem nu met tranen in de oogen wegstuurt. En toch--zoo wisselvallig
waren de gebeurtenissen in deze jaren--in hetzelfde jaar (771),
dat Karel alleen koning werd (want dit gebeurde pas in December),
had Stephanus plechtige samenkomsten gehouden met Desiderius, die met
een sterke lijfgarde naar Rome was gekomen, schijnbaar als pelgrim,
doch in werkelijkheid om den Paus te bevrijden van zekere woelige
edelen en geestelijken, welk doel werd bereikt, daar de leiders
van de vijandige partij werden gevat en blind gemaakt. Doch in een
paar maanden veranderde Stephanus' gezindheid, want toen hij hoorde,
dat Karel met den Longobardischen koning gebroken had,--hij had hem
doodelijk beleedigd door Desiderata terug te sturen--brak ook hij
met Desiderius en trachtte de gunst van den Frankischen vorst te
winnen. Maar de dood maakte een einde aan zijn intriges (Februari 772).
Paus Stephanus werd opgevolgd door Hadrianus I, een man met een
sterk karakter. Zijn regeering van drie en twintig jaren was zeer
belangrijk. Een van zijn eerste daden was een gezantschap te zenden
om te protesteeren tegen het gedrag van Desiderius, die, woedend over
de beleedigingen hem door Karel aangedaan en ongetwijfeld daartoe
aangezet door de weduwe van Karloman, Faenza en Ferrara had ingenomen
en Ravenna bedreigde. Hadrianus' gezantschap richtte niets uit en
weldra was de Longobardische koning op marsch naar Rome.
Toen riep de Paus dringend om hulp en Karel haastte zich hem
te ontzetten. Hij trok met twee legers naar Italië. Eén leger,
onder bevel van zijn oom, een zoon van Karel Martel, nam zijn weg
door den pas van Jupiter Poeninus (Monte Giove, Mont Joux of Groote
St. Bernard), het andere voerde hijzelf over den Mont Cenis; een hevige
strijd werd gevoerd (Juni 773) in de bergpassen, waar de Longobarden
sterke versperringen hadden aangelegd. Desiderius werd naar Pavia
teruggeslagen, waar hij door het eene Frankische leger nauw werd
ingesloten, terwijl het andere Turijn, Milaan, Verona [156] en andere
steden veroverde. Nadat Karel Pavia zes maanden vergeefs belegerd had,
besloot hij het Paaschfeest van 774 in Rome te gaan vieren. Dit eerste
bezoek van hem aan Rome, dat van belang is wegens de bevestiging van
Pepijn's Donatie, zal in een volgend hoofdstuk worden beschreven. In
Juni verliet hij Rome en keerde weer naar Pavia terug, dat zich
weldra overgaf. [157] Desiderius werd met zijn vrouw en dochter naar
Frankrijk gezonden. Hij werd gedwongen de tonsuur aan te nemen en
stierf in vergetelheid. Zoo eindigde de Longobardische heerschappij.
Karel, die nu ongeveer 32 jaar oud was, beheerschte het geheele
Frankische gebied ten noorden van de Alpen en het Longobardische
rijk in Italië [158] tot de rivier de Garigliano (Liris). Hij voelde
zich reeds gerechtigd den titel Rex Francorum et Longobardorum te
voeren behalve dien van Patricius Romanorum, den titel van zijn
vader Pepijn. Maar zijn rijk zou zich nog geweldig uitbreiden. Hij
was bestemd te regeeren over geheel Westelijk Europa; en zijn
veroveringsoorlogen begonnen ook terstond. Hij verliet Pavia,
haastte zich ook noordwaarts en begon dadelijk den eerste van de elf
veldtochten, waarin hij in de volgende elf jaar met groote inspanning
en veel bloedvergieten de Oost- en Westfaalsche Saksen onderwierp,
woeste en verbitterde vijanden van het Christendom, aangevoerd door
hun beroemd opperhoofd, Widukind. [159] Op zijn eersten veldtocht
(775) bracht hij deze Saksische heidenen een gevoelige nederlaag toe,
maar nauwelijks was de vrede weer hersteld, of er kwam uit Italië
bericht, dat een Longobardisch hertog een complot smeedde om zichzelf
tot koning der Longobarden op te werpen en dat Adelchis, de zoon
van den ongelukkigen Desiderius, met een vloot van Constantinopel
was overgestoken om den opstand te steunen. Als een bliksemstraal
schoot Karel neer van de Alpen en verpletterde de rebellen met een
onverwachte woestheid, die men waarschijnlijk aan zijn opgekropte
verontwaardiging moet toeschrijven. Dan trok hij even snel naar het
noorden terug. Hier strafte hij de Saksen nogmaals. Een paar maanden
later is hij in Spanje, strijdt tegen de Saracenen, neemt Pampluna en
nadert Saragossa. Daarna wordt hij weder teruggeroepen (778), trekt
naar het noorden terug en op zuidelijke hellingen van de Pyreneeën, bij
Roncesvalles, wordt zijn geheele achterhoede, volgens sommigen 30.000
man, en vele paladijnen neergehouwen door de Basken (Vascones), een
voorval, dat beroemd is geworden door de legenden, die samenhangen met
Orlando en gebruikt zijn door de dichters van de Gestes de Charlemagne
en de Chanson de Roland, en later weder door Boiardo en Pulci en
Ariosto; maar, wanneer Milton [160] dacht, dat Karel vernietigd was in
de dolorosa rotta van Roncesvalles, vergiste hij zich deerlijk, want,
ofschoon hij, zooals Dante zegt "zijn heilige onderneming verloor"
(perdè la sante gesta) om de Saracenen uit Spanje te verdrijven,
had hij toch binnen een paar maanden de steeds weerspannige Saksen
gegeeseld en was weder in Italië, waarheen hem Paus Hadrianus geroepen
had; want Zijne Heiligheid werd op nieuw zeer lastig gevallen door
de in naam onderworpen, maar feitelijk onafhankelijke Longobardische
Hertogen van Spoleto en Benevento, die slechts weinig aandacht schonken
aan territoriale aanspraken van het Pausdom of aan Donaties van Pepijn
en Constantinus. Nadat Karel de Kerstdagen te Pavia had doorgebracht,
bezocht hij Rome weder, waar hij het Paaschfeest van 781 vierde en
zijn vierjarigen zoon Karloman nog eens liet doopen door Hadrianus
en kronen als "Koning van Italië" en zijn tweejarigen Louis (Ludwig)
als Koning van Aquitania; het gewicht van deze plechtigheden ligt in
het feit, dat Karel hiermede formeel het recht van den Paus erkende
om koningen te benoemen en aldus het zaad strooide van de toekomstige
twisten over de Investituur.
De gebeurtenissen van de volgende jaren zijn van weinig belang. Nog
eens roept Paus Hadrianus, in het nauw gebracht door den Hertog van
Benevento, Karel naar Rome, wederom bezoekt Karel Italië en viert
Kerstmis te Florence en Paschen te Rome (787). Daarna ontstaat er
een voorbijgaande opwinding door de landing van Adelchis, zoon van
Desiderius, in Zuid-Italië, gesteund door Byzantijnsche troepen;
maar zij worden door de Franken en hun Longobardische hulptroepen
weggejaagd naar Sicilië en wij hooren niets meer van Adelchis.
Wat de bouwkunst betreft is het volgende van groote beteekenis; Karel
gaf een bewijs van zijn openlijke erkenning der pauselijke rechten
door hem verlof te vragen "zekere marmeren beelden en mozaïeken" uit
Ravenna te halen om zijn paleis en zijn kathedraal te Aken daarmede
te versieren. Deze kathedraal, waarin hij begraven is, was gebouwd
volgens het plan van de S. Vitale en de verwijdering van "zekere
marmeren beelden en mozaïeken" beduidde ongetwijfeld de algeheele
berooving van eenige der prachtigste kerken te Ravenna en ook van de
paleizen van Theoderik en de Exarchen.
Tusschen 790 en 795 vernemen wij, dat Karel oorlog voert met de
Avaren en natuurlijk met de Saksen en dat zijn onwettige zoon Pepijn
een opstand leidt in Friuli, maar ten slotte in een klooster sterft;
wij hooren ook van een synode te Frankfurt, waar de koning werkzaam
aan deelneemt, en van een grafschrift van 38 versregels door hem
gemaakt op Paus Hadrianus, die in 795 stierf en door den beroemden
Leo III werd opgevolgd.
De nieuwe Paus toonde dadelijk, welke lijn hij in de politiek zou
volgen. Hij zond Karel het vaandel van de stad Rome en de gouden
sleutels van de St. Pieter, waardoor hij hem als Patricius en
Verdediger van de Kerk [161] erkende en bij de dateering van zijn
Bullen ging hij niet uit van de troonsbestijging van den Keizer,
maar van den "Koning der Franken en Longobarden"; aldus verbrak
hij den laatsten band met de Oost-Romeinsche heerschappij. Karel
beantwoordde deze beleefdheden door Zijne Heiligheid te verzekeren,
dat hij de Kerk zou verdedigen tegen buitenlandsche vijanden en
binnenlandsche ketterij en smeekte, dat hij hem zooals Mozes [162],
met opgeheven handen, bij zijn ondernemingen zou helpen.
Kort hierna vond er een coup d'état plaats te Constantinopel, die, in
theorie althans, een einde maakte aan het Oost-Romeinsche Keizerrijk,
als men ten minste mag zeggen, dat zulk een imperium ooit bestaan
heeft. [163] De ongelukkige Constantinus VI werd onttroond en van het
gezicht beroofd door zijn moeder Irene, die den keizerlijken diadeem
aannam; vijf jaren lang hield zij een schitterend hof en reed in een
vergulden wagen, getrokken door melk-witte paarden, door de straten
van de hoofdstad, omgeven door een slaafschen stoet edelen, terwijl
haar blinde zoon tastend zijn weg zocht in de tuinen van het paleis,
verwaarloosd, veracht of vergeten.
En nu gebeurde te Rome, wat het rechtstreeksch gevolg was van
de herleving van het Romeinsche Imperium in de persoon van Karel
den Groote. De Romeinsche aristocratie, zoowel de leeken als de
geestelijken, aangemoedigd door de volslagen breuk met het Oostelijk
Rijk, hoopte misschien een republikeinsche of oligarchische autonomie
te stichten, zooals in Venetië, Napels en andere steden in opkomst
was; zij spanden samen met de partijgenooten van den vorigen Paus,
Hadrianus, en vielen Leo aan, terwijl hij een processie door de straten
leidde. Hij werd van zijn paard geworpen; oogen en tong werden hem
uitgerukt. Deze werden hem echter volgens een schrijver van den Liber
Pontificalis op miraculeuze wijze teruggegeven. Zijn vrienden verbergen
hem in een klooster. Daaruit ontsnapt hij door middel van een touw,
evenals de H. Paulus [164], bereikt Spoleto en stuurt een dringende
smeekbede aan Karel. Maar de koning wordt geheel in beslag genomen
door een opstand van de Saksen en verzoekt Leo hem te Paderborn,
tusschen Keulen en Hannover, te bezoeken; hij zendt den jeugdigen
Pepijn (den wettigen Pepijn, koning van Italië) en andere edelen om
hem te escorteeren. Te Paderborn wordt Leo met grooten eer ingehaald;
Karel en zijn krijgslieden knielen om zijn zegen te ontvangen.
Doch weldra kwamen er uit Rome zeer ernstige beschuldigingen. Men
verzekerde, dat de koning, indien hij de zaak slechts nauwkeurig
onderzocht, het wel noodzakelijk zou achten Leo af te zetten. Ten
slotte besloot Karel, aangespoord door zijn Engelschen raadsman,
Alcwin, die hem zeide, dat hij meer aandacht moest schenken aan het
hoofd dan aan de voeten van het Rijk, de Saksen voorloopig aan hun
eigen plannen over te laten en Rome te bezoeken. Maar toen hij zag,
dat dit onmogelijk was--want ook Bretagne en de Saracenen maakten het
hem lastig--, zond hij Paus Leo daarheen, vergezeld van prelaten en
ambtenaren en gaf bevel, dat de zaak openlijk onderzocht zou worden. De
Paus maakt een triumftocht door Italië en wordt (November 799) buiten
Rome, bij den Pons Milvius, door een groote menigte geestelijken,
senatoren, edelen, afgevaardigden van het leger, het volk en de gilden
(scholae) ontvangen. Hij houdt de Mis in de St. Pieter en geeft zijn
zegen aan de menigte; een paar dagen later worden zijn beschuldigers
in een plechtige rechtszitting, gehouden in de Feestzaal (Triclinium)
van het Lateraan, die hijzelf had laten bouwen, veroordeeld wegens
laster en naar Frankrijk gezonden om door Karel gevonnist te worden.
Maar Karel was van plan zelf te Rome de zaak te beslissen en in den
herfst van 800 trok hij daarheen, nadat hij zijn vijanden eindelijk
overwonnen had. Te Mentana, ongeveer 20 K.M. van de stad, kwam Leo met
een groote menigte hem te gemoet, en op den eersten December hield hij
een plechtig conclave in de basiliek van de St. Pieter, gekleed als
Patricius in toga en chlamys en omgeven door zijn paladijnen, edelen,
en alle prelaten en aristocraten van Rome. Van deze rechtszitting is
geen gelijktijdig verslag overgebleven, maar wij weten, dat op den
23en December, nadat alle bewijzen waren gehoord, Paus Leo den kansel
besteeg en met de hand op de Evangeliën zijn onschuld betuigde--een
tooneel, dat op een van Raffael's beroemde fresco's is voorgesteld. De
aanklagers werden ter dood veroordeeld; maar door tusschenkomst
van Leo werd het vonnis veranderd in levenslange verbanning naar
Frankrijk. Op denzelfden dag kwamen er, zegt Villari, twee gezanten
van den Patriarch van Jeruzalem, die aan Karel de sleutels van die
stad en van de kerk van het Heilige Graf overhandigde.
Op Kerstdag werd een plechtige Mis gehouden door den Paus in de
St. Pieter; na den dienst gingen de Paus en Karel naar de tombe van
den Heilige om te bidden en ten aanschouwe van alle aanwezigen,
knielden zij voor het hoogaltaar, waar de confessio (de toegang,
voorzien van een hek) naar beneden voerde, naar het graf van den
apostel. Toen Karel na het gebed oprees, plaatste Paus Leo een gouden
kroon of diadeem op zijn hoofd; tegelijkertijd liet de menigte, die
in de groote basilica dicht opeengedrongen stond, luide de volgende
woorden hooren: "Carolo, piissimo Augusto, a Deo coronato, magno,
pacifico Imperatori, vita et victoria!" Toen zalfde Paus Leo Karel
en zijn zoon Pepijn, bekleedde den nieuw-gekroonden Keizer met den
purperen mantel en gaf hem, door te knielen, of volgens anderen,
door hem te kussen, zijn gehoorzaamheid of vereering te kennen.
Men kan vragen, wat den Paus bewoog, een Keizer, die hijzelf, zooals
men zou kunnen beweren, gekozen had, te aanbidden. Zonder twijfel
kende hij aan het idool, dat zijn eigen handen hadden gemaakt,
een zekere goddelijke heiligheid toe en aanbad hij in Karel den
door God Uitverkorene; maar, welke ook zijn theoriën mogen geweest,
het is volkomen begrijpelijk, dat hij, die Karel groote dankbaarheid
schuldig was voor zijn redding uit een zeer gevaarlijken toestand,
gaarne in hem zijn wereldlijken heer erkende, ofschoon hij blijkbaar
den Paus beschouwde als den eenigen uitvoerder van den Goddelijken
Wil en met hooger gezag bekleed dan de Keizer.
Maar was de Paus bij deze gelegenheid de bemiddelaar van de keuze
des Hemels? Was Karel door den Paus uitverkoren, terwijl deze
voor den Hemel handelde of voor zichzelf? En was zijn kroning als
Keizer gelegitimeerd door deze willekeurige en eenigszins theatrale
handeling van Paus Leo of was het geen uiting van recht, maar van
macht en door Karel zelf tevoren beraamd? Of was dit het gevolg van
de wel-overdachte keuze of bekrachtiging van den Romeinschen Senaat
en het Romeinsche volk?
Eginard (Einhart), de secretaris en biograaf van Karel den Groote
verzekert (waarschijnlijk heeft Karel zelf hem dit meegedeeld), dat
de koning volkomen verrast was, daar hij geenerlei vermoeden had van
de dramatische vertooning, die de Paus had voorbereid. Alles wijst
er echter op, dat het plan tevoren overlegd was, waarschijnlijk te
Paderborn en dat Karel naar Rome kwam met het opzettelijk doel de
pauselijke en openbare bekrachtiging te ontvangen van een titel,
dien hij reeds als den zijne beschouwde [165].
Gregorovius vertelt ons dat "een plechtig decreet van de hooge
vergadering van alle Romeinsche prelaten, geestelijken, edelen en
het volk aan de kroning voorafging." Het schijnt werkelijk, alsof
de toejuichingen bij de kroning van buiten geleerd en gerepeteerd
waren. Zeker is het duidelijk dat, wat ook Karel en Paus Leo mogen
gedacht hebben, het Romeinsche volk, of misschien moeten wij zeggen
het Italiaansche volk, zich voorstelde dat zij den Frankischen vorst
tot hun Imperator en Augustus hadden gekozen--een werkelijk Romeinschen
Keizer, die te Rome was gekroond.
HOOFDSTUK I.
GREGORIUS DE GROOTE.