als de groote Longobardische wetgever, maar in de eerste zes jaren van
zijn regeering onderscheidde hij zich door het Longobardische gebied
uit te breiden over Ligurië tot de Frankische grens bij Marseille,
terwijl hij Genua en kleinere steden, Levanto en Sestri, op de
Byzantijnen veroverde. In 642 bracht hij, volgens Paulus Diaconus,
den Romeinen en Ravennaten een zware nederlaag toe bij de rivier
Panaro met een verlies van 8000 man. Zonder twijfel moet men zijn
stoutmoedigheid en geluk toeschrijven aan de volgende gebeurtenissen,
waardoor de Keizer van het Oosten, Heraclius, verhinderd werd zich
veel met Italië te bemoeien.
In de eerste jaren van zijn regeering was Heraclius opgeschrikt door
het optreden van de Perzen, die in 615 Jeruzalem hadden genomen,
vanwaar zij het Kruis (of wat er van over was) meenamen, en die
zelfs een verbond met de Avaren van Hongarije hadden gesloten en
Constantinopel bedreigden, zoodat hij er over dacht de regeering
van het Keizerrijk naar Carthago te verplaatsen. Maar hij schijnt
plotseling een merkwaardige kracht en moed te hebben ontwikkeld en
het gelukte hem eindelijk de Avaren en ook de Perzen te verslaan en
hij ontnam hun niet alleen alle gevangenen, maar ook het buitgemaakte
Kruis, dat hij in triomf naar Constantinopel bracht en daarna weder
naar Jeruzalem.
Dit gebeurde in 628-629, juist toen een nieuwe geduchte macht in
het oosten begon op te komen; want in 629, zeven jaren na de Hegira
(vlucht) werd Mekka genomen en de Heilige Oorlog door den grooten
Arabischen profeet afgekondigd. Mohammed zelf stond slechts vier
jaar aan het hoofd van zijn legers. Hij stierf in 632; maar zijn
Kaliefen breidden hun veroveringen zoo snel uit, dat tusschen 634 en
640 Damascus, Antiochië, Jeruzalem, Mesopotamië en Egypte gevallen
waren en de Saracenen, zooals de muzelmannen door de Grieken en
Romeinen genoemd werden, weldra Europa bedreigden.
Het nieuwe gevaar, dat zoo plotseling niet alleen in het oosten maar
ook in het zuiden was opgekomen, dwong Heraclius aan middelen ter
verdediging te denken, want het was niet meer mogelijk den zetel van
de regeering naar Afrika over te brengen. Een nauwere staatkundige
band tusschen alle deelen van het Rijk was zijn eenige hoop en hij
begreep, zooals ook andere Keizers reeds begrepen hadden, dat de eenige
kans om staatkundige eenheid te bereiken berustte op godsdienstige
overeenstemming; en misschien heeft de gelukkige hierarchie van
de kaliefen zijn vertrouwen in den basileus kai hiereus (koning en
priester), de leer van de oostelijke Keizers, versterkt. [143] Hij
trachtte derhalve de katholieke en kettersche sekten in het oosten
te verzoenen (de laatste waren meer geneigd gemeene zaak te maken met
den Islam, dan de Drieëenheid en de "dubbele natuur" van Christus aan
te nemen), maar zijn Ecthesis of Verklaring van het Geloof werd in
Italië met verontwaardiging verworpen en, zooals Zeno en Justinianus
en vele anderen, ondervond hij, dat elke poging om sekten met elkaar
te verzoenen en godsdienstige overeenstemming te brengen den toestand
eer slechter dan beter maakte. Daarop schijnt hij door een nerveuze
moedeloosheid te zijn aangetast en stierf in 641. Ondertusschen had
de Longobardische koning zijn macht in Italië uitgebreid en zijn
beroemden Code opgesteld.
Rotharis' Code of Edict werd bekrachtigd in een groote vergadering
gehouden te Pavia in 643. Autharis had geregeerd door mondeling
overgeleverde wetten, maar dit is de eerste barbaarsche code,
die in Italië is geschreven. Het is een soort barbaarsch Latijn en
bestaat uit 388 paragrafen. [144] In den Proloog, die historisch
de meeste waarde heeft, daar hij de namen en betrekkingen van de
Longobardische koningen tot 640 ongeveer geeft, vertelt Rotharis ons,
dat het zijn plan was al de oude wetten van zijn volk te verzamelen
en te verbeteren, en het overtollige er van te schrappen (d'entro
delle leggi trasse il troppo e vano, zooals Dante's Justinianus
van zichzelf zegt). Ofschoon men hier en daar den invloed van het
Romeinsche recht kan herkennen, is het over het algemeen Longobardisch
van inhoud en vorm; maar het geeft een paar doorslaande bewijzen van
verlichting. Zoo zijn de oude faida of vendetta en het duel afgeschaft
en ook het verbranden van heksen. Doodstraf wordt zelden opgelegd
en geldboeten komen in plaats van persoonlijke wraak--een bepaling,
die zelfs in de Romeinsche wet onbekend is. De algemeene strekking
van de wetten is gericht tegen de grootgrondbezitters evenals onder
de Gotische heerschappij en ten gunste van de arme en arbeidende
klasse. In dit opzicht steekt Rotharis' wetgeving zeer gunstig af
bij den gelijktijdigen Byzantijnschen Code, die de latifundia en
ambtelijke afpersingen toeliet.
Na den dood van Rotharis in 652 volgde een donkere en onbelangrijke
periode van zestig jaren. Zijn zoon en opvolger Rodwald wordt na een
korte regeering gedood. Daarna is Aribert, een neef van Theodelinda,
gedurende acht jaar koning, en verdeelt het koninkrijk onder zijn beide
zonen, Bertharis en Godebert, die Milaan en Pavia tot hun residenties
kiezen. De broeders krijgen twist en de jongste roept de hulp in
van den machtigen hertog van Benevento, Grimwald, die te Pavia komt,
doch Godebert doodt, in plaats van hem te helpen. Bertharis vlucht
naar de Avaren en Grimwald wordt te Pavia gekroond (662), terwijl hij
aldus voor den eersten en laatsten keer het noordelijk gebied met het
tot dusverre onafhankelijke hertogdom in het verre zuiden vereenigt
onder een Longobardischen koning [145].
Maar dit hertogdom van Benevento, dat hij aan de zorg van zijn zoon
Romwald had overgelaten, werd juist op dat oogenblik gevaarlijk
bedreigd door de Byzantijnen; en om de oorzaak hiervan te begrijpen
moeten wij weder naar Rome terug. Hier hadden de voortdurende twisten
over leerstellige spitsvondigheden zulk een hoogte bereikt, dat de
Keizer, Constans II (642-68), ten slotte den Exarch beval Paus Martinus
naar Constantinopel te sturen, daar hij weigerde te berusten in een
keizerlijk edict, dat alle verdere discussie over de "dubbele natuur"
van Christus verbood, en zelfs een Concilie had bijeengeroepen, dat
het edict als sceleratissimum veroordeelde. Paus Martinus werd door
Constans smadelijk behandeld en eindelijk gedeporteerd naar de Krim,
waar hij, naar men zegt, van honger is gestorven. Zijn opvolgers
evenwel kwamen tot een schikking met den Keizer, die zeer verontrust
werd door de veroveringen der Saracenen. Deze ongeloovigen hadden
zijn vloot bij de kust van Klein-Azië verslagen en verwoestten nu
Sicilië. Er werd dus een leger verzameld om dat eiland te verdedigen
en in 662 vertrok Constans aan het hoofd van zijn strijdkrachten
van Constantinopel en landde bij Otranto, in de meening dat het
een gunstige gelegenheid was om de Longobarden van Zuid-Italië te
overvallen; daarop belegerde hij Grimwald's zoon in Benevento. Maar
Grimwald kwam hem snel ontzetten en versloeg de 20.000 Byzantijnen
en Romeinen. Aldus redde hij zijn zuidelijke bezittingen [146].
Grimwald sterft kort daarna en Bertharis komt terug en wordt tot koning
uitgeroepen. Van zijn regeering (671-88) weten wij zeer weinig. Zijn
zoon Cunibert wordt door een usurpator van den troon gestooten, maar
later verslaat hij dien in een grooten slag bij de Adda en regeert
twaalf jaar (688-700). Wanneer Cunibert sterft, volgt zijn zoon hem
op, want het erfrecht schijnt nu erkend te zijn, maar hij wordt, omdat
hij minderjarig is, onder het regentschap van een edelman, Ansprand,
gesteld. Weldra daagt er een andere pretendent op, Ragimbert, die
zijn eigen zoon, Aribert II op den troon plaatst. Nu moet Ansprand
vluchten naar Beieren, het vaderland van Theodelinda. Toen de
usurpator Aribert hoorde, dat hij plannen maakte om terug te keeren,
nam hij zijn vrouw en kinderen (behalve Liutprand, die ontsnapte
en bij zijn vader kwam) gevangen, en verminkte hen op afschuwelijke
manier, door hun de oogen en de tong te laten uitrukken. Maar de dag
der wrake brak aan. Ansprand daalde van de Alpen af met een Beiersch
leger en velen, die den bloeddorstigen en vromen [147] tyran haatten,
voegden zich bij hem. Aribert trachtte te vluchten, maar verdronk,
toen hij met een zware tasch met geld de Ticino wilde overzwemmen.
Daarop wordt Ansprand tot koning geproclameerd, maar hij sterft
in hetzelfde jaar (712) en laat zijn zoon Liutprand als opvolger
achter. De lange regeering van Liutprand (712-744) is misschien
merkwaardiger dan die van eenig ander Longobardisch koning,
gedeeltelijk wegens gebeurtenissen, die niet rechtstreeks in verband
stonden met het Longobardische hof, maar van gewicht waren voor Italië.
Deze gebeurtenissen, die van grooten invloed waren op de verhouding
van het oostelijk keizerrijk tot het Byzantijnsche Italië (als men
dat zoo noemen mag), hingen ten nauwste samen met godsdienstige,
of liever kerkelijke vraagstukken. Wij moeten daar een oogenblik
aandacht voor vragen.
Reeds hebben wij gezien, dat de eene Keizer na den andere zich opwierp
als een soort van tegen-paus, die Concilies bijeenriep, die niet alleen
verzoenende Henotica en Ectheses afkondigde, maar ook uitdagende
definities van de Drieëenheid en de Natuur van Christus; wij hebben
gezien, hoe zij de hoogepriesters van Rome afzetten, gevangen namen,
smadelijk en wreed behandelden. Doch nu werd de vijandigheid zoo hevig,
dat zij moest eindigen in een volslagen breuk tusschen het Oosten en
het Westen. De pausen, met geestdrift ondersteund door de Italianen,
begonnen zich steeds minder te bekommeren om de eischen van de Keizers
en dit verergerde de verhouding tusschen het Byzantijnsche hof en
zijn Italiaansche provincies. In 691 deed Keizer Justinianus II een
Concilie in zijn paleis bijeenkomen. Paus Sergius weigerde de besluiten
van dit Concilie te onderteekenen. De Keizer zond toen Zacharias,
zijn Protospatharius (hoofdman van zijn lijfwacht) naar Rome om den
Paus gevangen te nemen; maar de troepen te Ravenna sloegen aan het
muiten en marcheerden naar Rome; de Romeinen stonden op om hun Paus
te verdedigen en de Protospatharius moest zijn leven redden door zich
in de slaapkamer van den Paus, onder diens bed, te verbergen, totdat
de woede van het volk in zoo verre was bedaard, dat hij de stad kon
verlaten. Justinianus wreekte zich later over deze beleediging door een
woesten aanval op Ravenna. De stad werd geplunderd, de aartsbisschop
blind gemaakt [148] en naar de Krim verbannen.
Maar de opstand breidde zich uit en niettegenstaande een tijdelijke
verzoening tusschen den Keizer en den Paus (Constantinus I) en
een feestelijke ontmoeting van deze twee in Klein-Azië, hadden
er toch ernstige onlusten te Rome plaats, waar de Exarch zelf
gedood werd; en de meeste steden van het Exarchaat maakten gemeene
zaak met Ravenna in een opstand tegen het oostenlijke Keizerrijk;
dit was de eerste confederatie van steden in de geschiedenis van
middeleeuwsch Italië. Justinianus was reeds voor eenige jaren
(695-705) van zijn troon verjaagd en zijn wreedheden verwekten nu
een tweeden opstand. Hij werd vermoord door den usurpator Bardanes,
of Philippicus, die Ravenna en de Romeinen voor zich trachtte te
winnen door den blinden aartsbisschop terug te sturen en het hoofd van
Justinianus over te zenden, waar allen zooals men vertelt "met gretige
verbazing naar keken." Doch de gunst, die hij hiermede verwierf, was
van korten duur. Zijn kettersche neigingen en het zich aanmatigen
van priesterlijke functies veroorzaakten wederom de heftigste
vijandelijkheden in Rome. De beeltenis van Philippicus werd uit de
St. Pieter en uit andere kerken verbannen; zijn naam werd niet meer
bij de mis gehoord; munten met zijn beeldenaar en onderschrift werden
geweigerd. Tot zulk een hevige uitbarsting kwam het, dat Philippicus
werd onttroond en blind gemaakt, en ook zijn twee opvolgers werden
afgezet en gedwongen de tonsuur aan te nemen. Daarna, in 717, beklom
Leo III den troon, een dapper soldaat van oostersche afkomst, daardoor
bekend als Leo de Isauriër en nog beter bekend als Leo de Iconoclast.
Het volgende bedrijf van ons drama wordt voornamelijk gespeeld
door Liutprand, Keizer Leo en (tot 731) Paus Gregorius den Tweede,
den krachtigen tegenstander van den iconoclastischen keizer. De
belangrijkste gebeurtenissen zijn de staatkundige en kerkelijke
scheuring tusschen het Oosten en Westen en de daaruit voortkomende
toeneming van de Longobardische macht, welke de Pausen dwong de hulp
van de Franken in te roepen [149].
Wat den beeldenstrijd betreft, dient opgemerkt te worden, dat velen
in het oosten van het Keizerrijk, zonder twijfel onder invloed van
de Oostersche monotheïsten, b.v. van de Joden en de Mohammedanen,
die overtuigd waren van de gevaarlijke neiging van de menschelijke
natuur tot afgodendienst, ofschoon zij niet door ultra-puriteinsche
beweegredenen gedreven werden, toch niet in staat waren de houding
van de Roomsche Kerk ten opzichte van het gebruik van beelden te
begrijpen, een houding, die vooral moet toegeschreven worden aan de
nawerking van het oude heidendom.
Keizer Leo [150] nam, nadat hij de eerste negen jaren van zijn
regeering had gebruikt om de Saracenen krachtig terug te werpen en
gelukkige veldtochten tegen hen in Sicilië had volbracht, in 628 het
gewichtig besluit de Hercules-arbeid op zich te nemen om de Godshuizen
te zuiveren van idolatrie, want hij was besloten den oorlog te
verklaren aan de fetisch-vereering van beelden en schilderstukken. Zijn
eerste daad was het beroemde Edict, dat beval alle godsdienstige
beelden te vernielen of uit de kerken te verwijderen. Dit Edict
was des te hatelijker voor de Katholieke geestelijkheid, omdat er
een minachting achter verscholen was voor de Maria-vereering en het
plompe bijgeloof, dat samenhing met de relieken--om niet te spreken
van het kloosterleven en het gedwongen coelibaat.
In Constantinopel zelf en elders in het Keizerrijk ontstond een
hevige oppositie tegen het Edict; maar hier werd dit met geweld
onderdrukt, terwijl er in Italië daarentegen een plotselinge en
geweldige uitbarsting op volgde, die de Byzantijnsche macht ernstig
aangreep. Ravenna, Venetië en andere steden van het noordelijke
Exarchaat stonden op tegen hun stadhouders en kozen hun eigen duces;
en voortaan erkenden slechts een paar steden in het uiterste zuiden
van het schiereiland den Keizer en den Patriarch van het Oosten--een
toestand, die bleef bestaan tot de komst van de Noormannen.
Het verdere verloop van den strijd over de beelden is meer uit een
kerkelijk dan een historisch oogpunt van belang. Na den dood van Paus
Gregorius II in 731 was zijn opvolger Gregorius III eerst op de hand
van Leo; maar zijn Concilie was het niet met hem eens en sprak over
ieder, die niet voor den beeldendienst was, den ban uit. In 754 kwam
een Concilie van 338 bisschoppen te Constantinopel samen en verklaarde
zich eenstemmig tegen beelden. De vrome Irene, die haar eigen zoon
onttroonde en blind maakte, heeft de eer verworven den beeldendienst
in het oosten weer hersteld te hebben, want een Concilie [151] door
haar te Nicaea in 787 bijeengeroepen nam met algemeene stemmen aan dat
"de beeldendienst de Heilige Schrift, de Vaders en de Concilies van
de Kerk welgevallig is" en dat "gebeden moeten worden opgezonden tot
de beelden van de Heiligen en tot het Kruis."
Wij zullen nu terugkeeren tot Liutprand. Zijn regeering van twee en
dertig jaren, merkwaardig als de periode van den beslissenden opstand
tegen het keizerlijk gezag in Italië, was bovendien belangrijk, omdat,
terwijl Pausen en Keizers, Romeinen en Byzantijnen, zich afmatten door
godsdienstigen en staatkundigen strijd, de Longobardische koning snel
zijn gebied uitbreidde en versterkte door verovering en verstandige
wetgeving, en de ontwikkeling van een nieuwe bouwkunst begunstigde
door de gilden van de Comacijnsche bouwmeesters te beschermen, die vele
kerken voor hem oprichtten, zooals de prachtige basiliek van S. Pietro
te Tuscania (Toscanella) bij Viterbo, den Duomo en Battisterio van
Novara en verscheidene kerken te Genua en Pavia, b.v. de beroemde
Ciel d'oro, waar hij de beenderen van den H. Augustinus neerlegde,
die hij had gekocht van de Saracenen op Sardinië.
Liutprand voegde 153 wetten bij den code van Rotharis. Deze wetten
zijn belangrijk om haar barmhartigheid en Christelijke zachtheid. Zij
toonen een innigen afkeer voor de oude barbaarsche gewoonten van het
duel of het "Godsoordeel"; zij geven de vrouw rechten en verdedigen
de armen tegen onderdrukking.
De eerste veroveringen van Liutprand hadden het Longobardische
koninkrijk zuidwaarts [152] uitgebreid en ook over het grootste
gedeelte van Emilia en Pentapolis; ongeveer 730 schijnt hij Ravenna
genomen te hebben; want wij lezen, dat in 734, Paus Gregorius
III aan Orso, den derden Doge van Venetië, verzoekt Ravenna "voor
het Keizerrijk" te heroveren; en dit gebeurde, hetgeen bewijst,
hoe machtig en onafhankelijk Venetië reeds was geworden. Het toont
ook, hoe ongerust Paus Gregorius werd over den snellen groei van de
Longobardische macht. Zoo ongerust werd hij, dat hij een paar jaren
later (739) een opstand trachtte te ondersteunen van de zuidelijke
Longobardische hertogdommen Spoleto en Benevento. Daarop marcheerde
Koning Liutprand nog eens naar het Zuiden, versloeg Thrasamund, den
oproerigen hertog van Spoleto, die naar den Paus vluchtte, en trok
tegen Rome op.
Het gebeurde in deze crisis, toen Liutprand het land van het Romeinsche
hertogdom verwoestte tot aan de basiliek van den H. Petrus, die
toen buiten de muren stond, dat Gregorius den beroemden brief
schreef, waarmede het nog beroemder Weener handschrift, de Codex
Carolinus [153], begint, den eersten brief door hem geschreven
"Domino excellentissimo filio Carolo subregulo", aan Karel Martel,
den overwinnaar van de Saksen, Friezen en Beieren, den redder van
Christelijk Europa door zijn eeuwig-gedenkwaardige overwinning over
de Mooren en Arabieren bij Poitiers, den heerscher over alle Franken,
ofschoon in naam slechts Hertog van Austrasië en Magister Palatii
in Neustrië.
Deze brief van Gregorius III kwam ongelegen, want Karel had juist
de hulp van Liutprand ingeroepen tegen de Arabieren en Liutprand was
reeds noordwaarts getrokken om hem te helpen; maar toen hij zag, dat
de oorlog tegen de ongeloovigen geëindigd was, keerde hij terug en
begon wederom het gebied van de Kerk in het Romeinsche Hertogdom te
verwoesten. Toen schreef Gregorius nog eens een dringenden brief aan
Karel, waarin hij hem te hulp riep contra nefandissimos Longobardos en
er hem aan herinnerde dat hij hem, behalve andere prachtige geschenken,
de gouden sleutels had gezonden van de tombe van den H. Petrus cum
vinculis (d.i. die vijlsel bevatten van de ketenen van den Apostel). De
bedoeling van deze sleutels was zeker Karel te beduiden, dat men
op hem als verdediger van de tombe van den H. Petrus vertrouwde;
en een kroniekschrijver verzekert, dat Gregorius de stellige belofte
gaf van den keizer af te vallen (a partibus Imperatoris recedere) en
Karel als Romeinsch Consul te erkennen. Het lijkt vreemd, dat de Paus
zou toegegeven hebben, dat er nog eenige band met het Byzantijnsche
hof bestond, want het schijnt, dat te Rome het Byzantijnsche gezag
volstrekt niet meer erkend werd. Maar het verhaal kan toch waarheid
bevatten; Gregorius is misschien eenigszins de uitnoodiging van Paus
Leo III aan Karel den Groote vooruitgeloopen.
Gregorius ontving geen antwoord op zijn verzoek, want hij stierf
plotseling in November van dit jaar (741) en Karel was reeds een maand
eerder gestorven. Keizer Leo overleed ook in hetzelfde jaar. Liutprand
bleef dus alleen over van de vier belangrijke persoonlijkheden van
deze periode, maar hij overleefde hen slechts drie jaren. Doch deze
drie jaren vermeerderden zijn gebied en roem niet weinig. De nieuwe
Paus, Zacharias, werd zonder keizerlijke bekrachtiging gewijd--een
sterk bewijs van de onlangs verworven onafhankelijkheid; hij nam
jegens den Longobardischen koning een verzoenende houding aan
en er vond een plechtige ontmoeting plaats in de basiliek van den
H. Petrus te Viterbo, bij de grens van het Longobardische Toskane en
het Romeinsche Hertogdom. Hier werd een wapenstilstand van twintig
jaar geteekend. Liutprand sloot ook een verdrag met Stephanus, den
Hertog of Patricius van Rome, die nu feitelijk de president was van
de Romeinsche Commune. Hij bevestigde ook zijn souvereine rechten over
de nog oproerige zuidelijke hertogdommen door Trasamund af te zetten,
die de tonsuur moest aannemen, evenals zoovele gevallen potentaten in
die tijden, en hij plaatste nieuwe regeerders op de hertogelijke tronen
van Spoleto en Benevento. Wellicht is het te betreuren, dat Liutprand
nu geen gebruik heeft gemaakt van zijn positie en getracht heeft zijn
koninkrijk te grondvesten op de basis van een vereenigd Italië, zelfs
wanneer die vereeniging van tamelijk heterogene elementen voorloopig
had moeten geschieden door buitenlandsche krachten. Hoe het ook zij,
de poging is niet gedaan, misschien omdat het genie om keizerrijken
te bouwen in het Longobardische karakter niet aanwezig was, misschien
ook omdat de eerbied van Liutprand, als oprecht katholiek, voor het
geestelijk gezag en de wereldlijke bezittingen van de Kerk hem deed
aarzelen. Hoe sterk hij onder den invloed van dien eerbied stond,
bewijst het feit, dat hij na het verdrag van Viterbo vele steden en
sterkten, waarop de Paus als erfgenaam van de Byzantijnsche bezittingen
aanspraak maakte, teruggaf, zoowel in het noordelijke Exarchaat als
in het Romeinsche hertogdom, en dat hij twee jaren voor zijn dood op
aandringen van den Paus zijn plan om Ravenna aan te vallen opgaf.
In 744 stierf Liutprand en zijn zoon (of neef) Hildebrand volgde hem
op, maar werd weldra afgezet door Ratchis. Van Ratchis' regeering
weten wij bijna niets, behalve dat zij eindigde, toen hij zich naar
Monte Cassino terugtrok. Zijn broeder en opvolger Astulf (749-56)
veroorzaakte door zijn hevige, aggressieve, anti-pauselijke politiek
den eersten ernstigen inval van de Franken. In 752 nam hij Ravenna,
welk feit men beschouwt als het einde van het Byzantijnsche Exarchaat,
en ondanks den vrede van veertig jaren, dien hij geteekend had,
weigerde hij hardnekkig de Romeinsche en pauselijke steden en
landstreken op te geven, welke hij had veroverd, en fremens ut leo joeg
hij den Romeinen zulk een schrik aan met zijn bedreigingen, dat Paus
Stephanus, barrevoets en bestrooid met asch processies van smeekelingen
leidde naar de drie groote kerken van Rome, terwijl hij het geschonden
verdrag op een kruis voor zich uitdroeg. Eindelijk bracht de Paus,
wanhopig, een bezoek aan den Longobardischen koning te Pavia. Maar
alles was vergeefsch; hij vervolgde dus zijn reis en trok de Alpen
over om persoonlijk Pepijn, den koning der Franken, om hulp te vragen.
Pepijn de korte en zijn broeder Karloman bezaten een tijdlang de
hoogste macht na den dood van hun vader Karel Martel, maar zij heetten
slechts maires du palais van den laatsten koning der Merovingers,
den roi fainéant Childerik III. Karloman, die het wereldsche leven
moede was, had zich in 746 teruggetrokken naar een klooster, dat hij
zelf gesticht had op den berg Soracte bij Rome, en vandaar naar het
Benedictijner klooster van Monte Cassino. Daarop had Pepijn tot den
Paus Zacharias de vraag gericht of hij, die werkelijk het koninklijk
gezag uitoefende, niet meer recht had den koninklijken titel te voeren
dan een roi fainéant. Hierop gaf Zacharias het verlangde antwoord en
stuurde Bonifacius, den Engelschen zendeling in Germanië, die toen
Aartsbisschop van Mainz was, om Pepijn te kronen in het plechtige
conclave van Soissons (751).