Rotharis regeerde zestien jaren (636-52). Hij is voornamelijk beroemd

als de groote Longobardische wetgever, maar in de eerste zes jaren van

zijn regeering onderscheidde hij zich door het Longobardische gebied

uit te breiden over Ligurië tot de Frankische grens bij Marseille,

terwijl hij Genua en kleinere steden, Levanto en Sestri, op de

Byzantijnen veroverde. In 642 bracht hij, volgens Paulus Diaconus,

den Romeinen en Ravennaten een zware nederlaag toe bij de rivier

Panaro met een verlies van 8000 man. Zonder twijfel moet men zijn

stoutmoedigheid en geluk toeschrijven aan de volgende gebeurtenissen,

waardoor de Keizer van het Oosten, Heraclius, verhinderd werd zich

veel met Italië te bemoeien.

In de eerste jaren van zijn regeering was Heraclius opgeschrikt door

het optreden van de Perzen, die in 615 Jeruzalem hadden genomen,

vanwaar zij het Kruis (of wat er van over was) meenamen, en die

zelfs een verbond met de Avaren van Hongarije hadden gesloten en

Constantinopel bedreigden, zoodat hij er over dacht de regeering

van het Keizerrijk naar Carthago te verplaatsen. Maar hij schijnt

plotseling een merkwaardige kracht en moed te hebben ontwikkeld en

het gelukte hem eindelijk de Avaren en ook de Perzen te verslaan en

hij ontnam hun niet alleen alle gevangenen, maar ook het buitgemaakte

Kruis, dat hij in triomf naar Constantinopel bracht en daarna weder

naar Jeruzalem.

Dit gebeurde in 628-629, juist toen een nieuwe geduchte macht in

het oosten begon op te komen; want in 629, zeven jaren na de Hegira

(vlucht) werd Mekka genomen en de Heilige Oorlog door den grooten

Arabischen profeet afgekondigd. Mohammed zelf stond slechts vier

jaar aan het hoofd van zijn legers. Hij stierf in 632; maar zijn

Kaliefen breidden hun veroveringen zoo snel uit, dat tusschen 634 en

640 Damascus, Antiochië, Jeruzalem, Mesopotamië en Egypte gevallen

waren en de Saracenen, zooals de muzelmannen door de Grieken en

Romeinen genoemd werden, weldra Europa bedreigden.

Het nieuwe gevaar, dat zoo plotseling niet alleen in het oosten maar

ook in het zuiden was opgekomen, dwong Heraclius aan middelen ter

verdediging te denken, want het was niet meer mogelijk den zetel van

de regeering naar Afrika over te brengen. Een nauwere staatkundige

band tusschen alle deelen van het Rijk was zijn eenige hoop en hij

begreep, zooals ook andere Keizers reeds begrepen hadden, dat de eenige

kans om staatkundige eenheid te bereiken berustte op godsdienstige

overeenstemming; en misschien heeft de gelukkige hierarchie van

de kaliefen zijn vertrouwen in den basileus kai hiereus (koning en

priester), de leer van de oostelijke Keizers, versterkt. [143] Hij

trachtte derhalve de katholieke en kettersche sekten in het oosten

te verzoenen (de laatste waren meer geneigd gemeene zaak te maken met

den Islam, dan de Drieëenheid en de "dubbele natuur" van Christus aan

te nemen), maar zijn Ecthesis of Verklaring van het Geloof werd in

Italië met verontwaardiging verworpen en, zooals Zeno en Justinianus

en vele anderen, ondervond hij, dat elke poging om sekten met elkaar

te verzoenen en godsdienstige overeenstemming te brengen den toestand

eer slechter dan beter maakte. Daarop schijnt hij door een nerveuze

moedeloosheid te zijn aangetast en stierf in 641. Ondertusschen had

de Longobardische koning zijn macht in Italië uitgebreid en zijn

beroemden Code opgesteld.

Rotharis' Code of Edict werd bekrachtigd in een groote vergadering

gehouden te Pavia in 643. Autharis had geregeerd door mondeling

overgeleverde wetten, maar dit is de eerste barbaarsche code,

die in Italië is geschreven. Het is een soort barbaarsch Latijn en

bestaat uit 388 paragrafen. [144] In den Proloog, die historisch

de meeste waarde heeft, daar hij de namen en betrekkingen van de

Longobardische koningen tot 640 ongeveer geeft, vertelt Rotharis ons,

dat het zijn plan was al de oude wetten van zijn volk te verzamelen

en te verbeteren, en het overtollige er van te schrappen (d'entro

delle leggi trasse il troppo e vano, zooals Dante's Justinianus

van zichzelf zegt). Ofschoon men hier en daar den invloed van het

Romeinsche recht kan herkennen, is het over het algemeen Longobardisch

van inhoud en vorm; maar het geeft een paar doorslaande bewijzen van

verlichting. Zoo zijn de oude faida of vendetta en het duel afgeschaft

en ook het verbranden van heksen. Doodstraf wordt zelden opgelegd

en geldboeten komen in plaats van persoonlijke wraak--een bepaling,

die zelfs in de Romeinsche wet onbekend is. De algemeene strekking

van de wetten is gericht tegen de grootgrondbezitters evenals onder

de Gotische heerschappij en ten gunste van de arme en arbeidende

klasse. In dit opzicht steekt Rotharis' wetgeving zeer gunstig af

bij den gelijktijdigen Byzantijnschen Code, die de latifundia en

ambtelijke afpersingen toeliet.

Na den dood van Rotharis in 652 volgde een donkere en onbelangrijke

periode van zestig jaren. Zijn zoon en opvolger Rodwald wordt na een

korte regeering gedood. Daarna is Aribert, een neef van Theodelinda,

gedurende acht jaar koning, en verdeelt het koninkrijk onder zijn beide

zonen, Bertharis en Godebert, die Milaan en Pavia tot hun residenties

kiezen. De broeders krijgen twist en de jongste roept de hulp in

van den machtigen hertog van Benevento, Grimwald, die te Pavia komt,

doch Godebert doodt, in plaats van hem te helpen. Bertharis vlucht

naar de Avaren en Grimwald wordt te Pavia gekroond (662), terwijl hij

aldus voor den eersten en laatsten keer het noordelijk gebied met het

tot dusverre onafhankelijke hertogdom in het verre zuiden vereenigt

onder een Longobardischen koning [145].

Maar dit hertogdom van Benevento, dat hij aan de zorg van zijn zoon

Romwald had overgelaten, werd juist op dat oogenblik gevaarlijk

bedreigd door de Byzantijnen; en om de oorzaak hiervan te begrijpen

moeten wij weder naar Rome terug. Hier hadden de voortdurende twisten

over leerstellige spitsvondigheden zulk een hoogte bereikt, dat de

Keizer, Constans II (642-68), ten slotte den Exarch beval Paus Martinus

naar Constantinopel te sturen, daar hij weigerde te berusten in een

keizerlijk edict, dat alle verdere discussie over de "dubbele natuur"

van Christus verbood, en zelfs een Concilie had bijeengeroepen, dat

het edict als sceleratissimum veroordeelde. Paus Martinus werd door

Constans smadelijk behandeld en eindelijk gedeporteerd naar de Krim,

waar hij, naar men zegt, van honger is gestorven. Zijn opvolgers

evenwel kwamen tot een schikking met den Keizer, die zeer verontrust

werd door de veroveringen der Saracenen. Deze ongeloovigen hadden

zijn vloot bij de kust van Klein-Azië verslagen en verwoestten nu

Sicilië. Er werd dus een leger verzameld om dat eiland te verdedigen

en in 662 vertrok Constans aan het hoofd van zijn strijdkrachten

van Constantinopel en landde bij Otranto, in de meening dat het

een gunstige gelegenheid was om de Longobarden van Zuid-Italië te

overvallen; daarop belegerde hij Grimwald's zoon in Benevento. Maar

Grimwald kwam hem snel ontzetten en versloeg de 20.000 Byzantijnen

en Romeinen. Aldus redde hij zijn zuidelijke bezittingen [146].

Grimwald sterft kort daarna en Bertharis komt terug en wordt tot koning

uitgeroepen. Van zijn regeering (671-88) weten wij zeer weinig. Zijn

zoon Cunibert wordt door een usurpator van den troon gestooten, maar

later verslaat hij dien in een grooten slag bij de Adda en regeert

twaalf jaar (688-700). Wanneer Cunibert sterft, volgt zijn zoon hem

op, want het erfrecht schijnt nu erkend te zijn, maar hij wordt, omdat

hij minderjarig is, onder het regentschap van een edelman, Ansprand,

gesteld. Weldra daagt er een andere pretendent op, Ragimbert, die

zijn eigen zoon, Aribert II op den troon plaatst. Nu moet Ansprand

vluchten naar Beieren, het vaderland van Theodelinda. Toen de

usurpator Aribert hoorde, dat hij plannen maakte om terug te keeren,

nam hij zijn vrouw en kinderen (behalve Liutprand, die ontsnapte

en bij zijn vader kwam) gevangen, en verminkte hen op afschuwelijke

manier, door hun de oogen en de tong te laten uitrukken. Maar de dag

der wrake brak aan. Ansprand daalde van de Alpen af met een Beiersch

leger en velen, die den bloeddorstigen en vromen [147] tyran haatten,

voegden zich bij hem. Aribert trachtte te vluchten, maar verdronk,

toen hij met een zware tasch met geld de Ticino wilde overzwemmen.

Daarop wordt Ansprand tot koning geproclameerd, maar hij sterft

in hetzelfde jaar (712) en laat zijn zoon Liutprand als opvolger

achter. De lange regeering van Liutprand (712-744) is misschien

merkwaardiger dan die van eenig ander Longobardisch koning,

gedeeltelijk wegens gebeurtenissen, die niet rechtstreeks in verband

stonden met het Longobardische hof, maar van gewicht waren voor Italië.

Deze gebeurtenissen, die van grooten invloed waren op de verhouding

van het oostelijk keizerrijk tot het Byzantijnsche Italië (als men

dat zoo noemen mag), hingen ten nauwste samen met godsdienstige,

of liever kerkelijke vraagstukken. Wij moeten daar een oogenblik

aandacht voor vragen.

Reeds hebben wij gezien, dat de eene Keizer na den andere zich opwierp

als een soort van tegen-paus, die Concilies bijeenriep, die niet alleen

verzoenende Henotica en Ectheses afkondigde, maar ook uitdagende

definities van de Drieëenheid en de Natuur van Christus; wij hebben

gezien, hoe zij de hoogepriesters van Rome afzetten, gevangen namen,

smadelijk en wreed behandelden. Doch nu werd de vijandigheid zoo hevig,

dat zij moest eindigen in een volslagen breuk tusschen het Oosten en

het Westen. De pausen, met geestdrift ondersteund door de Italianen,

begonnen zich steeds minder te bekommeren om de eischen van de Keizers

en dit verergerde de verhouding tusschen het Byzantijnsche hof en

zijn Italiaansche provincies. In 691 deed Keizer Justinianus II een

Concilie in zijn paleis bijeenkomen. Paus Sergius weigerde de besluiten

van dit Concilie te onderteekenen. De Keizer zond toen Zacharias,

zijn Protospatharius (hoofdman van zijn lijfwacht) naar Rome om den

Paus gevangen te nemen; maar de troepen te Ravenna sloegen aan het

muiten en marcheerden naar Rome; de Romeinen stonden op om hun Paus

te verdedigen en de Protospatharius moest zijn leven redden door zich

in de slaapkamer van den Paus, onder diens bed, te verbergen, totdat

de woede van het volk in zoo verre was bedaard, dat hij de stad kon

verlaten. Justinianus wreekte zich later over deze beleediging door een

woesten aanval op Ravenna. De stad werd geplunderd, de aartsbisschop

blind gemaakt [148] en naar de Krim verbannen.

Maar de opstand breidde zich uit en niettegenstaande een tijdelijke

verzoening tusschen den Keizer en den Paus (Constantinus I) en

een feestelijke ontmoeting van deze twee in Klein-Azië, hadden

er toch ernstige onlusten te Rome plaats, waar de Exarch zelf

gedood werd; en de meeste steden van het Exarchaat maakten gemeene

zaak met Ravenna in een opstand tegen het oostenlijke Keizerrijk;

dit was de eerste confederatie van steden in de geschiedenis van

middeleeuwsch Italië. Justinianus was reeds voor eenige jaren

(695-705) van zijn troon verjaagd en zijn wreedheden verwekten nu

een tweeden opstand. Hij werd vermoord door den usurpator Bardanes,

of Philippicus, die Ravenna en de Romeinen voor zich trachtte te

winnen door den blinden aartsbisschop terug te sturen en het hoofd van

Justinianus over te zenden, waar allen zooals men vertelt "met gretige

verbazing naar keken." Doch de gunst, die hij hiermede verwierf, was

van korten duur. Zijn kettersche neigingen en het zich aanmatigen

van priesterlijke functies veroorzaakten wederom de heftigste

vijandelijkheden in Rome. De beeltenis van Philippicus werd uit de

St. Pieter en uit andere kerken verbannen; zijn naam werd niet meer

bij de mis gehoord; munten met zijn beeldenaar en onderschrift werden

geweigerd. Tot zulk een hevige uitbarsting kwam het, dat Philippicus

werd onttroond en blind gemaakt, en ook zijn twee opvolgers werden

afgezet en gedwongen de tonsuur aan te nemen. Daarna, in 717, beklom

Leo III den troon, een dapper soldaat van oostersche afkomst, daardoor

bekend als Leo de Isauriër en nog beter bekend als Leo de Iconoclast.

Het volgende bedrijf van ons drama wordt voornamelijk gespeeld

door Liutprand, Keizer Leo en (tot 731) Paus Gregorius den Tweede,

den krachtigen tegenstander van den iconoclastischen keizer. De

belangrijkste gebeurtenissen zijn de staatkundige en kerkelijke

scheuring tusschen het Oosten en Westen en de daaruit voortkomende

toeneming van de Longobardische macht, welke de Pausen dwong de hulp

van de Franken in te roepen [149].

Wat den beeldenstrijd betreft, dient opgemerkt te worden, dat velen

in het oosten van het Keizerrijk, zonder twijfel onder invloed van

de Oostersche monotheïsten, b.v. van de Joden en de Mohammedanen,

die overtuigd waren van de gevaarlijke neiging van de menschelijke

natuur tot afgodendienst, ofschoon zij niet door ultra-puriteinsche

beweegredenen gedreven werden, toch niet in staat waren de houding

van de Roomsche Kerk ten opzichte van het gebruik van beelden te

begrijpen, een houding, die vooral moet toegeschreven worden aan de

nawerking van het oude heidendom.

Keizer Leo [150] nam, nadat hij de eerste negen jaren van zijn

regeering had gebruikt om de Saracenen krachtig terug te werpen en

gelukkige veldtochten tegen hen in Sicilië had volbracht, in 628 het

gewichtig besluit de Hercules-arbeid op zich te nemen om de Godshuizen

te zuiveren van idolatrie, want hij was besloten den oorlog te

verklaren aan de fetisch-vereering van beelden en schilderstukken. Zijn

eerste daad was het beroemde Edict, dat beval alle godsdienstige

beelden te vernielen of uit de kerken te verwijderen. Dit Edict

was des te hatelijker voor de Katholieke geestelijkheid, omdat er

een minachting achter verscholen was voor de Maria-vereering en het

plompe bijgeloof, dat samenhing met de relieken--om niet te spreken

van het kloosterleven en het gedwongen coelibaat.

In Constantinopel zelf en elders in het Keizerrijk ontstond een

hevige oppositie tegen het Edict; maar hier werd dit met geweld

onderdrukt, terwijl er in Italië daarentegen een plotselinge en

geweldige uitbarsting op volgde, die de Byzantijnsche macht ernstig

aangreep. Ravenna, Venetië en andere steden van het noordelijke

Exarchaat stonden op tegen hun stadhouders en kozen hun eigen duces;

en voortaan erkenden slechts een paar steden in het uiterste zuiden

van het schiereiland den Keizer en den Patriarch van het Oosten--een

toestand, die bleef bestaan tot de komst van de Noormannen.

Het verdere verloop van den strijd over de beelden is meer uit een

kerkelijk dan een historisch oogpunt van belang. Na den dood van Paus

Gregorius II in 731 was zijn opvolger Gregorius III eerst op de hand

van Leo; maar zijn Concilie was het niet met hem eens en sprak over

ieder, die niet voor den beeldendienst was, den ban uit. In 754 kwam

een Concilie van 338 bisschoppen te Constantinopel samen en verklaarde

zich eenstemmig tegen beelden. De vrome Irene, die haar eigen zoon

onttroonde en blind maakte, heeft de eer verworven den beeldendienst

in het oosten weer hersteld te hebben, want een Concilie [151] door

haar te Nicaea in 787 bijeengeroepen nam met algemeene stemmen aan dat

"de beeldendienst de Heilige Schrift, de Vaders en de Concilies van

de Kerk welgevallig is" en dat "gebeden moeten worden opgezonden tot

de beelden van de Heiligen en tot het Kruis."

Wij zullen nu terugkeeren tot Liutprand. Zijn regeering van twee en

dertig jaren, merkwaardig als de periode van den beslissenden opstand

tegen het keizerlijk gezag in Italië, was bovendien belangrijk, omdat,

terwijl Pausen en Keizers, Romeinen en Byzantijnen, zich afmatten door

godsdienstigen en staatkundigen strijd, de Longobardische koning snel

zijn gebied uitbreidde en versterkte door verovering en verstandige

wetgeving, en de ontwikkeling van een nieuwe bouwkunst begunstigde

door de gilden van de Comacijnsche bouwmeesters te beschermen, die vele

kerken voor hem oprichtten, zooals de prachtige basiliek van S. Pietro

te Tuscania (Toscanella) bij Viterbo, den Duomo en Battisterio van

Novara en verscheidene kerken te Genua en Pavia, b.v. de beroemde

Ciel d'oro, waar hij de beenderen van den H. Augustinus neerlegde,

die hij had gekocht van de Saracenen op Sardinië.

Liutprand voegde 153 wetten bij den code van Rotharis. Deze wetten

zijn belangrijk om haar barmhartigheid en Christelijke zachtheid. Zij

toonen een innigen afkeer voor de oude barbaarsche gewoonten van het

duel of het "Godsoordeel"; zij geven de vrouw rechten en verdedigen

de armen tegen onderdrukking.

De eerste veroveringen van Liutprand hadden het Longobardische

koninkrijk zuidwaarts [152] uitgebreid en ook over het grootste

gedeelte van Emilia en Pentapolis; ongeveer 730 schijnt hij Ravenna

genomen te hebben; want wij lezen, dat in 734, Paus Gregorius

III aan Orso, den derden Doge van Venetië, verzoekt Ravenna "voor

het Keizerrijk" te heroveren; en dit gebeurde, hetgeen bewijst,

hoe machtig en onafhankelijk Venetië reeds was geworden. Het toont

ook, hoe ongerust Paus Gregorius werd over den snellen groei van de

Longobardische macht. Zoo ongerust werd hij, dat hij een paar jaren

later (739) een opstand trachtte te ondersteunen van de zuidelijke

Longobardische hertogdommen Spoleto en Benevento. Daarop marcheerde

Koning Liutprand nog eens naar het Zuiden, versloeg Thrasamund, den

oproerigen hertog van Spoleto, die naar den Paus vluchtte, en trok

tegen Rome op.

Het gebeurde in deze crisis, toen Liutprand het land van het Romeinsche

hertogdom verwoestte tot aan de basiliek van den H. Petrus, die

toen buiten de muren stond, dat Gregorius den beroemden brief

schreef, waarmede het nog beroemder Weener handschrift, de Codex

Carolinus [153], begint, den eersten brief door hem geschreven

"Domino excellentissimo filio Carolo subregulo", aan Karel Martel,

den overwinnaar van de Saksen, Friezen en Beieren, den redder van

Christelijk Europa door zijn eeuwig-gedenkwaardige overwinning over

de Mooren en Arabieren bij Poitiers, den heerscher over alle Franken,

ofschoon in naam slechts Hertog van Austrasië en Magister Palatii

in Neustrië.

Deze brief van Gregorius III kwam ongelegen, want Karel had juist

de hulp van Liutprand ingeroepen tegen de Arabieren en Liutprand was

reeds noordwaarts getrokken om hem te helpen; maar toen hij zag, dat

de oorlog tegen de ongeloovigen geëindigd was, keerde hij terug en

begon wederom het gebied van de Kerk in het Romeinsche Hertogdom te

verwoesten. Toen schreef Gregorius nog eens een dringenden brief aan

Karel, waarin hij hem te hulp riep contra nefandissimos Longobardos en

er hem aan herinnerde dat hij hem, behalve andere prachtige geschenken,

de gouden sleutels had gezonden van de tombe van den H. Petrus cum

vinculis (d.i. die vijlsel bevatten van de ketenen van den Apostel). De

bedoeling van deze sleutels was zeker Karel te beduiden, dat men

op hem als verdediger van de tombe van den H. Petrus vertrouwde;

en een kroniekschrijver verzekert, dat Gregorius de stellige belofte

gaf van den keizer af te vallen (a partibus Imperatoris recedere) en

Karel als Romeinsch Consul te erkennen. Het lijkt vreemd, dat de Paus

zou toegegeven hebben, dat er nog eenige band met het Byzantijnsche

hof bestond, want het schijnt, dat te Rome het Byzantijnsche gezag

volstrekt niet meer erkend werd. Maar het verhaal kan toch waarheid

bevatten; Gregorius is misschien eenigszins de uitnoodiging van Paus

Leo III aan Karel den Groote vooruitgeloopen.

Gregorius ontving geen antwoord op zijn verzoek, want hij stierf

plotseling in November van dit jaar (741) en Karel was reeds een maand

eerder gestorven. Keizer Leo overleed ook in hetzelfde jaar. Liutprand

bleef dus alleen over van de vier belangrijke persoonlijkheden van

deze periode, maar hij overleefde hen slechts drie jaren. Doch deze

drie jaren vermeerderden zijn gebied en roem niet weinig. De nieuwe

Paus, Zacharias, werd zonder keizerlijke bekrachtiging gewijd--een

sterk bewijs van de onlangs verworven onafhankelijkheid; hij nam

jegens den Longobardischen koning een verzoenende houding aan

en er vond een plechtige ontmoeting plaats in de basiliek van den

H. Petrus te Viterbo, bij de grens van het Longobardische Toskane en

het Romeinsche Hertogdom. Hier werd een wapenstilstand van twintig

jaar geteekend. Liutprand sloot ook een verdrag met Stephanus, den

Hertog of Patricius van Rome, die nu feitelijk de president was van

de Romeinsche Commune. Hij bevestigde ook zijn souvereine rechten over

de nog oproerige zuidelijke hertogdommen door Trasamund af te zetten,

die de tonsuur moest aannemen, evenals zoovele gevallen potentaten in

die tijden, en hij plaatste nieuwe regeerders op de hertogelijke tronen

van Spoleto en Benevento. Wellicht is het te betreuren, dat Liutprand

nu geen gebruik heeft gemaakt van zijn positie en getracht heeft zijn

koninkrijk te grondvesten op de basis van een vereenigd Italië, zelfs

wanneer die vereeniging van tamelijk heterogene elementen voorloopig

had moeten geschieden door buitenlandsche krachten. Hoe het ook zij,

de poging is niet gedaan, misschien omdat het genie om keizerrijken

te bouwen in het Longobardische karakter niet aanwezig was, misschien

ook omdat de eerbied van Liutprand, als oprecht katholiek, voor het

geestelijk gezag en de wereldlijke bezittingen van de Kerk hem deed

aarzelen. Hoe sterk hij onder den invloed van dien eerbied stond,

bewijst het feit, dat hij na het verdrag van Viterbo vele steden en

sterkten, waarop de Paus als erfgenaam van de Byzantijnsche bezittingen

aanspraak maakte, teruggaf, zoowel in het noordelijke Exarchaat als

in het Romeinsche hertogdom, en dat hij twee jaren voor zijn dood op

aandringen van den Paus zijn plan om Ravenna aan te vallen opgaf.

In 744 stierf Liutprand en zijn zoon (of neef) Hildebrand volgde hem

op, maar werd weldra afgezet door Ratchis. Van Ratchis' regeering

weten wij bijna niets, behalve dat zij eindigde, toen hij zich naar

Monte Cassino terugtrok. Zijn broeder en opvolger Astulf (749-56)

veroorzaakte door zijn hevige, aggressieve, anti-pauselijke politiek

den eersten ernstigen inval van de Franken. In 752 nam hij Ravenna,

welk feit men beschouwt als het einde van het Byzantijnsche Exarchaat,

en ondanks den vrede van veertig jaren, dien hij geteekend had,

weigerde hij hardnekkig de Romeinsche en pauselijke steden en

landstreken op te geven, welke hij had veroverd, en fremens ut leo joeg

hij den Romeinen zulk een schrik aan met zijn bedreigingen, dat Paus

Stephanus, barrevoets en bestrooid met asch processies van smeekelingen

leidde naar de drie groote kerken van Rome, terwijl hij het geschonden

verdrag op een kruis voor zich uitdroeg. Eindelijk bracht de Paus,

wanhopig, een bezoek aan den Longobardischen koning te Pavia. Maar

alles was vergeefsch; hij vervolgde dus zijn reis en trok de Alpen

over om persoonlijk Pepijn, den koning der Franken, om hulp te vragen.

Pepijn de korte en zijn broeder Karloman bezaten een tijdlang de

hoogste macht na den dood van hun vader Karel Martel, maar zij heetten

slechts maires du palais van den laatsten koning der Merovingers,

den roi fainéant Childerik III. Karloman, die het wereldsche leven

moede was, had zich in 746 teruggetrokken naar een klooster, dat hij

zelf gesticht had op den berg Soracte bij Rome, en vandaar naar het

Benedictijner klooster van Monte Cassino. Daarop had Pepijn tot den

Paus Zacharias de vraag gericht of hij, die werkelijk het koninklijk

gezag uitoefende, niet meer recht had den koninklijken titel te voeren

dan een roi fainéant. Hierop gaf Zacharias het verlangde antwoord en

stuurde Bonifacius, den Engelschen zendeling in Germanië, die toen

Aartsbisschop van Mainz was, om Pepijn te kronen in het plechtige

conclave van Soissons (751).

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 18 / 48 段