De inval van de Longobarden in Italië had verschillende oorzaken. Een

van deze was zonder twijfel de druk op hen uitgeoefend door de woeste

Avaren, die zelf waarschijnlijk westwaarts werden gedrongen door

andere stammen uit het oosten; een andere oorzaak was misschien de

uitnoodiging van Narses; nog een andere, dat Italië door zijn bekenden

rijkdom en vruchtbaarheid de indringers tot zich trok, vooral daar het

in dezen tijd bijna weerloos was. De Byzantijnen hadden hun macht niet

voldoende bevestigd. Het was hun, evenmin als de Oost-Goten, gelukt

de gunst of berusting van het Italiaansche volk te winnen. Narses

had de geestelijkheid en den adel zoo verbitterd door zijn militair

despotisme, en het volk door zijn uitpersingen dat, zooals de

Romeinsche gezanten aan Justinus hadden verklaard, Italië verwoest

door de lange oorlogen, ontvolkt door hongersnood en pest, volkomen

onmachtig zich te verdedigen, bereid was zich onder Gotische of elke

andere heerschappij te stellen, daar die waarschijnlijk dragelijker

zou zijn dan die van Narses en het Oostelijke Keizerrijk. Narses

had toen zijn ontslag gekregen, maar ofschoon zijn opvolger Longinus

getracht had eenige verbetering te brengen, was hem dat mislukt. Hij

maakte geen plan voor een systematische verdediging, maar sloot zich

op in Ravenna. De verstrooide overblijfselen van het Gotische leger

sloten zich zonder twijfel bij den nieuwen barbaarschen indringer

aan en in ongeveer achttien maanden werden vele van de voornaamste

steden van Noord-Italië overgegeven aan of veroverd door de horden

[134] van Longobarden, Gepiden, Sueven, Saksen, Bulgaren en Beieren,

die met hun vrouwen, kinderen, vee en al hun roerende bezittingen

Alboin waren gevolgd over den welbekenden pas van de Julische Alpen,

die zoo dikwijls door binnendringende benden was gebruikt.

Pavia bood hardnekkigen weerstand en werd drie jaren lang belegerd. Het

was in dien tijd sterker en belangrijker dan Milaan, dat nog niet

hersteld was na den inval van de Franken, en het werd nu hoofdstad van

het Longobardische Koninkrijk. Dit rijk omvatte in Noord-Italië de

twee provincies Neustria en Austria, hetgeen ongeveer hetzelfde was

als het tegenwoordige Lombardije, Piemont, Emilia en Noord-Venetia,

met de volgende steden: Verona, Vicenza, Mantua, Trento, Bergamo,

Brescia, Milaan, Pavia, Turijn, Parma, Modena, Aquileia, Treviso. In

het noorden, westen en oosten werd dit gebied begrensd door de

Alpen, maar naar het zuiden breidde Alboin zijn veroveringen uit

over de Apennijnen en tot de streek van Urbino en den Furlo-pas

(de bekende Petra intercisa), welk strategisch punt hij bezette. En

zoo weinig weerstand werd er in Midden-Italië geboden, dat benden van

barbaren verder zuidwaarts marcheerden, het geheele binnenland en een

belangrijk deel van de kust veroverden, behalve de versterkte havens,

die toegankelijk waren voor de Byzantijnsche vloot. Twee van hun

aanvoerders wierpen zich als hertogen (duces) van dit veroverde gebied

op; de een koos Spoleto en de ander Benevento tot residentie. Deze

twee Longobardische hertogdommen, die later veel moeilijkheden

veroorzaakten, schijnen eerst in naam aan Alboin onderworpen geweest

te zijn, maar weldra werden zij feitelijk onafhankelijk.

De steden en landstreken van Italië, die de Byzantijnsche heerschappij

nog erkenden en in naam het Exarchaat [135] vormden, waren de volgende:

Ravenna en het omliggende gebied met de steden Padua, Bologna etc;

het hertogdom Venetia, d.w.z. Venetië en eenige aangrenzende eilanden

en gebied op het vasteland; een deel van Istrië; de "Pentapolis"

met de steden Rimini, Ancona etc; Genua en de Ligurische Riviera;

Rome en zijn "hertogdom"; Napels en zijn gebied, waartoe Cumae en

Amalfi behoorden; de "hak en teen" van Italië; Sicilië en Sardinië.

De verovering door de Longobarden was dus allerminst

volledig. Gedurende een eeuw was de heerschappij over Italië verdeeld

tusschen twee volkeren van geheel verschillend karakter, een feit dat

op zich zelf reeds een scheuring veróorzaakte; en deze scheuring in de

nationaliteit werd verergerd, totdat zij onherstelbaar werd door de

inwendige oneenigheden en de zwakheid van hen, die aanspraak maakten

op de heerschappij; want, aangezien oproer en anarchie voortdurend

het Longobarden-rijk teisterden, en de Byzantijnen steeds wanhopig

worstelden om hun gezag te handhaven tegen de snel toenemende macht

van de Pausen en de begeerte naar vrijheid, die in Italië wakker werd,

maakten in alle deelen van het land de steden zich langzamerhand min

of meer onafhankelijk of begonnen zich tot kleine staten te vereenigen,

waardoor ontelbare staatkundige verwikkelingen ontstonden.

Kort na de inneming van Pavia (572) werd Alboin vermoord. De

geschiedenis van zijn dood lijkt op het Gyges-verhaal van Herodotus

en schijnt een echo gevonden te hebben in de legende van de "Schoone

Rosamonde." Men zegt, dat hij zijn vrouw bij een feestmaal uitgenoodigd

of gedwongen heeft te drinken uit den beker, die gemaakt was van

den schedel van haar vader Cunimund. Rosamund wreekte zich door

haar minnaar, een edelman, Helmechis geheeten, den wapendrager van

den koning, over te halen hem te vermoorden, of volgens anderen, een

moordenaar voor die daad te huren. Alboin, in zijn slaap overvallen,

trachtte tevergeefs zijn zwaard te trekken, dat door zijn vrouw aan

de scheede was vastgebonden, en nadat hij zich eenigen tijd met een

stoel had verdedigd werd hij overweldigd en gedood. [136] Helmechis

en Rosamund trachtten met den steun van het Gepidische leger de

koninklijke heerschappij te bemachtigen, maar moesten wijken voor de

verontwaardigde Longobarden en de hulp inroepen van den Byzantijnschen

stadhouder van Ravenna, Longinus. Deze stuurde schepen de Po en de

Adige op en aldus ontvluchtten zij te zamen met Alboin's dochter

Albsuinda. Te Ravenna werden zij eervol ontvangen. Toen besloot

Rosamund, bemerkend dat Longinus verrukt was van haar schoonheid,

zich vrij te maken van Helmechis; maar nadat hij iets van den

wijn gedronken had, dien zij hem in zijn badkamer had gebracht,

ontdekte hij, dat er vergift in was en dwong haar het overige van den

doodelijken drank zelf te drinken. Misschien zijn de bijzonderheden

van dit dramatisch verhaal verzinsels, ontstaan door een poging van

de Koningin om Byzantijnschen invloed te laten gelden of zelfs door

een samenzwering om de Byzantijnsche suprematie te herstellen. Maar de

waarheid is soms even vreemd als de verdichting en de toestanden bij

de Longobarden waren in dien tijd, ondanks hun Christelijken godsdienst

(of beter Arianisme) zoodanig, dat men het verhaal wel kan gelooven.

Hoe het ook zij, twisten en samenzweringen kwamen blijkbaar

herhaaldelijk voor, want de volgende koning, Clefi of Kleph, werd

na een regeering van achttien maanden vermoord en daar de hertogen

het niet eens konden worden, werd er niemand in zijn plaats gekozen,

maar de volgende tien jaren bestuurden de hertogen, die waarschijnlijk

zes en dertig in aantal [137] waren, ieder hun eigen hertogdom zonder

een leenheer te erkennen; als wij Paulus Diaconus mogen gelooven,

regeerden de meesten zeer wreed, daar zij de rijke grondbezitters

verdreven en soms zelfs doodden, een derde van de inkomsten eischten,

de Katholieke kerken plunderden en de geestelijkheid vervolgden.

In het noorden waren de Longobarden reeds meermalen aangevallen en

verslagen door de Franken, die de grenslanden bij de Alpen (Savoye,

Zwitserland, Provence enz.) bezet hielden, vanwaar zij gemakkelijk op

Milaan en in de Po-vlakte konden neerstrijken, zooals zij ten tijde

van de Goten hadden gedaan. Deze Franken waren de eenige hoop voor

Italië, want de Byzantijnsche macht was snel [138] aan het afnemen

en een beroep van de Romeinen op den Keizer in het Oosten (Tiberius)

had slechts den raad ten gevolge gehad te trachten de Longobarden om te

koopen of de Franken over te halen om hen aan te vallen. Zonder twijfel

was dit plan vroeger besproken, voordat Tiberius dezen wanhopigen

raad gaf en het verrast ons niet, dat ongeveer een jaar later (581)

Paus Pelagius II aan den bisschop van Auxerre schrijft, de Franken er

toch op te wijzen, dat zij als orthodoxen Katholieken verplicht waren,

Rome en geheel Italië te bevrijden van dat goddelooze Longobardische

volk. Nog meer werkten waarschijnlijk vijftig duizend goudstukken

uit, die naar de Franken gestuurd werden door Keizer Mauricius,

die bij den dood van Tiberius door het gepeupel gekozen was, maar de

keizerlijke macht toch wel waardig bleek te zijn. De Franken schijnen

op deze uitnoodigingen gereageerd te hebben, maar zij werden zoo in

beslag genomen door burgertwisten, dat zij na een of twee woedende

aanvallen zich lieten omkoopen, ditmaal door de Longobarden. Zoo werd

de Frankische verovering van Italië, die reeds mogelijk en dreigend

scheen, voorloopig uitgesteld.

Maar het verbond met de Franken had de hoop en den moed van de

Byzantijnen in Italië hernieuwd en het dringend verzoek om hulp,

dat Paus Pelagius weder deed door middel van zijn gezant of Nuntius

(apocrisarius) Gregorius (den Groote), bewerkte de verkiezing van een

nieuwen en ondernemenden Exarch, Smaragdus (Smaraldo), die weldra kwam

met een aanzienlijke strijdmacht. De Longobarden daarentegen, die geen

Koning hadden, waren tot flinke samenwerking niet in staat, totdat

ten slotte de hertogen, die de oorzaak van hun eigen zwakte inzagen,

een vergadering te Pavia (585) hielden en Autharis (Autherik), den

zoon van Clefi, als hun souverein aannamen, terwijl zij gedeelten

van hun inkomsten afstonden om de monarchie te begiftigen. De

worsteling tusschen de Longobarden en Byzantijnen werd nu heviger,

vooral in het noorden en oosten, waar twee belangrijke gebeurtenissen

plaats grepen: de Isola Comacina, een klein rotsachtig eiland in het

meer van Como, dat zeer interessant is met het oog op den oorsprong

van de Longobardische architectuur en dat toen een sterke voorpost

van de Byzantijnen was, werd door de Longobarden genomen; Smaragdus

daarentegen heroverde in 588 de stad en de haven van Classe, waarover

wij ons nauwelijks behoeven te verbazen, daar de Byzantijnen meesters

van de zee waren. Inderdaad moet men er zich veeleer over verwonderen,

dat de Longobarden die plaats negen jaren lang behouden hebben, terwijl

zij toch ingesloten waren tusschen de zee en de bolwerken van Ravenna.

Deze oorlog werd een tijdlang onderbroken door een groote overwinning

van Autharis op de Franken, die, weder door de Byzantijnen omgekocht,

door den Splügen-pas de landstreek rondom het Como-meer binnendrongen;

volgens Paulus Diaconus had er nooit zulk een slachting onder de

Franken plaats gehad. In de tamelijk rustige pauze, die op dezen

slag (589) volgde, dong de Longobardische koning naar de hand

van een Beiersche prinses, Theudelinde, daar hij zich gaarne een

bondgenoot wilde verwerven. De geschiedenis van dit aanzoek en nog

veel meer over Koningin Theudelinde of Theodelinda, zooals de Romeinen

zeiden, zal later verhaald worden. [139] Dat huwelijk verbitterde

den Frankischen koning, Childebert zoozeer, dat hij wederom Italië

binnenrukte. Doch opnieuw werden de Franken gedwongen terug te trekken

wegens burgertwisten in hun land en de terugtocht werd verhaast door

een geweldige overstrooming van de Italiaansche laaglanden en vooral

ook door de pest, die met groote kwaadaardigheid uitbrak.

Paus Pelagius was een van de duizenden slachtoffers van die pest

in 590. Hij werd opgevolgd door Gregorius. Wij hebben reeds van hem

gehoord als gezant van den Paus te Constantinopel. In dit jaar 590

stierf ook Koning Autharis. Hij was waarschijnlijk een van de beste

Longobardische vorsten, ofschoon sommige onduidelijke uitdrukkingen

van Paulus Diaconus er op schijnen te wijzen, dat onder zijn regeering

de Italianen nog meer werden verdrukt dan onder de hertogen, zelfs tot

slaaf werden gemaakt en onder de Longobarden werden verdeeld. Maar dit

is in strijd met andere plaatsen, waar hij spreekt over den toestand

van het land in dien tijd. "Men hoorde van geen gewelddaden," zegt

hij "noch van eenige revolutionaire samenzwering; niemand onderdrukte

een ander op onrechtvaardige wijze, niemand plunderde; er waren geen

dieven, geen roovers; ieder ging zijn weg, waarheen hij wilde, zonder

vrees of angst."

Dat de Longobarden barbaren waren, die niet zoo artistiek waren

aangelegd als de Goten, is duidelijk; zij schijnen niet dat gevoel voor

de zuidelijke kunst en litteratuur gehad te hebben, dat zoo merkwaardig

is bij Theoderik, Amalasuntha. en ook bij Theodahad; maar zij waren

blijkbaar niet zoo wreed. Geen der Longobardische vorsten, zelfs Alboin

niet, kan beschuldigd worden van de woeste wreedheid, die Theoderik

en Theodahad aan den dag hebben gelegd. Het wilde uiterlijk van de

oorspronkelijke Longobarden, hun linnen kleederen met bonte strepen,

hun aan de achterzijde geschoren hoofden, de ruige haren, die over

hun gezicht hingen en hun lange baarden werden met nieuwsgierigheid en

schrik door hun naaste afstammelingen aanschouwd. In het zomerpaleis

van Theoderik, te Monza, dat Koningin Theodelinda liet herstellen

en met fresco's versieren, waren deze barbaarsche stamvaders van

het ras afgebeeld; zonder twijfel wekten zij groote verwondering

en afschuw, reeds lang voor de dagen van Paulus Diaconus, die

met eenige ontsteltenis de portretten van zijn voorvaderen zag

en beschreef. Maar ondanks dit ruwe uiterlijk en hun woestheid in

den oorlog, waardoor zelfs Narses gedwongen werd zich van hen, als

bondgenooten, te ontdoen, was er in hen een zachtheid, edelmoedigheid

en ridderlijkheid verborgen, die dikwijls hun gevangenen en onderdanen

verraste. Deze eigenschappen komen duidelijk uit in de Longobardische

wetten van Rotharis en worden juist aangegeven in het grafschrift

van een Longobardischen krijger, dat Faulus Diaconus aanhaalt:

Terribilis visu facies; sed mente benignus

Longaque robusto pectore barba fuit.

De meer humane, ridderlijke en gevoelige trekken in het Longobardische

karakter maakten ongetwijfeld die samen-smelting met de overwonnen

Italianen mogelijk, die onmogelijk was gebleken in het geval

met de Goten. De geleidelijke fusie van het Longobardische

met het Italiaansche ras bracht in den loop der tijden de

nieuw-Italiaansche kunst voort, die zich het eerst openbaarde in de

Longobardisch-Romaansche architectuur en later in de Toskaansche

beeldhouw- en schilderkunst--ofschoon alle drie uitwendig andere

invloeden hebben ondergaan. Daarentegen verdween door de gedeeltelijke

verovering en het gebrekkig georganiseerde bestuur der Longobarden

zeer zeker de eenheid in het Italiaansche volkskarakter. Of die

verdeeling gunstig was voor de kunst, is een vraag, die gemakkelijker

is te stellen dan te beantwoorden, maar dat het den risorgimento van

Italië voor vele eeuwen uitstelde, is onbetwistbaar.

Men zal zich herinneren, dat Alarik's opvolger, Athaulf, zijn plan om

een Gotisch Rijk te stichten opgaf, omdat hij overtuigd was geworden,

dat de Goten niet in staat waren zichzelf te besturen en dat de

eenige mogelijkheid om de orde te verzekeren lag in hun eerbied voor

de oude Romeinsche staatsinstellingen. Ook Theoderik en zijn dochter

Amalasuntha, moesten, niettegenstaande hun hevig verlangen om een

Vereenigd Italië te stichten, toegeven, dat Gotische invloeden hun

te sterk waren. De Longobarden brachten het evenmin tot stand, doch

tengevolge van andere oorzaken. Zij waren Italië niet binnengedrongen

op verzoek van den Oost-Romeinschen Keizer, zooals Theoderik, en

evenmin koesterden zij zulk een eerbied voor het Keizerrijk. In

hoeverre zij Romeinsche wetten en Romeinsche ambtenaren afgeschaft

hebben, kan men niet gemakkelijk aantoonen; maar het is zeker dat zij

in vele opzichten hun eigen regeeringsstelsel hebben ingevoerd. Nu

berustte dit stelsel alleen op mondeling overgeleverde wetten en

paste beter bij hun vroeger nomaden-leven dan bij de omstandigheden,

waarin zij nu verkeerden als heerschers in een land, dat gedurende vele

eeuwen het centrum van Europeesche beschaving was geweest, terwijl

zij vergelijkenderwijze de minderen in aantal waren. Bovendien was

de contrôle, die de Longobardische koning over zijn krijgslieden

uitoefende zeer verslapt, daar zijn onderdanen over bijna geheel

Italië verspreid waren en er een groot aantal hertogdommen waren

ontstaan, van welke sommige weldra onafhankelijk werden onder het

bestuur van vorsten, die erfelijke dynastiën stichtten. Ook had de

koning, ofschoon hij in geval van oorlog de hoogste macht bezat,

toch geen erfelijke rechten--een feit dat veel bloedvergieten en

verwarring veroorzaakte--en ofschoon zijn gezag aan de hertogelijke

hoven vertegenwoordigd werd door ambtenaren (gastaldi) die de

financiën moesten controleeren, oorlogsbelasting innen en toezicht

houden op militaire zaken, werden deze meer en meer tegengewerkt door

de particuliere raadslieden en gouverneurs van hertogen (gasiadi en

sculdasci). Deze decentralisatie was de oorzaak, dat het Longobardische

koninkrijk geen stevig aaneengesloten staat werd. Maar juist deze

onmacht om te heerschen leidde tot de fusie met de verschillende

Italiaansche volkeren en ofschoon het de vorming van een Italiaansche

natie uitstelde, is het toch zonder twijfel een zegen geweest.

Na den dood van Autharis in 590 verzochten de hertogen Theodelinda,

wier karakter en intellect indruk hadden gemaakt, een echtgenoot uit

hun midden te kiezen. Nadat zij consilium cum prudentibus had gehouden,

zooals Paulus Diaconus zegt, koos zij Agilulf, hertog van Turijn,

die in de kerk van S. Ambrogio te Milaan gekroond werd. Zij regeerden

vijf en twintig jaar. Deze regeering is om verschillende redenen

belangwekkend. Agilulf wordt door sommige schrijvers beschouwd als de

eerste Longobardische koning, die, zeer zeker onder invloed van zijn

verstandige koningin, getracht heeft een stevigen en gecentraliseerden

regeeringsvorm in te voeren. Bovendien is deze periode voor dengene,

die de Italiaansche kunst bestudeert, van bijzonder belang; Gregorius

de Groote is een indrukwekkende persoonlijkheid en zijn verhouding

tot den Longobardischen koning en koningin maakt het onderwerp nog

belangrijker. Wij zullen deze periode dus later uitvoeriger behandelen.

Agilulf vond drie geduchte vijanden tegenover zich, de Franken,

Byzantijnen en Romeinen, die hem gemakkelijk hadden kunnen

overweldigen, indien zij eensgezind waren geweest. Doch de Franken

waren oneenig, want hun koninkrijk, Neustrië en Austrasië, werd bewoond

door de zeer verschillende Salische en Ripuarische Franken en was bij

den dood van Clothar (558) en nog eens bij den dood van Childebert

(596) onder eenige erfgenamen verdeeld. De Byzantijnsche macht was

gehaat bij het Italiaansche volk en werd bovendien belemmerd door

de moeilijkheden in het Verre Oosten, waar de machtige dynastie van

de Perzische Sassaniden reeds ongeveer vier eeuwen het Keizerrijk

trotseerde en bleef trotseeren, totdat Perzië in 651 door de

Mohammedanen werd veroverd. De derde tegenstander van de Longobarden

was het "hertogdom" Rome, dat in naam nog onder den Byzantijnschen

stadhouder stond [140], maar inderdaad vrijwel onafhankelijk was

en zich vrijwillig gesteld had onder het gezag van den Paus, die

zoo krachtig mogelijk zijn burger-lijken en geestelijken invloed

tegen de Longobarden, die vreemdelingen en Arianen, aanwendde. Maar

Agilulf, geleid door de raadgevingen van zijn gemalin, slaagde er in

de Franken tevreden te stellen, die het hem een tijdlang niet meer

lastig maakten, en zich staande te houden tegen de Byzantijnen,

terwijl Theodelinda zelf ten slotte de warme vriendschap won van

den krachtigsten tegenstander van haar gemaal, Paus Gregorius, die

bekoord werd door het vooruitzicht de kettersche Longobarden door

haar invloed tot het Katholicisme te bekeeren.

Maar, voordat dit alles gebeurde, had Agilulf eenige jaren van zwaren

strijd. Eerst moest hij de ongehoorzame hertogen van Orta, Treviso en

Bergamo tuchtigen. De laatste van dezen, Gaidulf, had zich versterkt

op de Isola Comacina, een vesting in het meer van Como, die een paar

jaren te voren door Autharis op de Byzantijnen was veroverd. Agilulf

bemachtigde het eiland, waar hij aanzienlijke schatten vond, joeg

Gaidulf naar Bergamo en nam hem gevangen, maar spaarde zijn leven en

won aldus zijn vriendschap. Daarna maakte hij zich gereed den al te

onafhankelijken hertog van Benevento te onderwerpen. De Longobardische

hertogen van Benevento en Spoleto waren niet alleen tegen hun Koning

opgestaan, maar traden zoo dreigend tegen Rome op, dat Gregorius, die,

zooals hijzelf zegt, niet meer wist of hij een geestelijke herder

was of een wereldlijke vorst, na een vruchteloos beroep op Ravenna,

een verdrag teekende met de gens nefandissima Longobardorum, zooals

hij hen gewoonlijk noemde.

Hierop besloot Agilulf Rome aan te vallen en marcheerde in het voorjaar

naar het zuiden. Te Rome ontstond zulk een ontsteltenis, dat Gregorius

zijn preeken over Ezechiel afbrak en het zwaard aangordde. Maar,

hetzij de Romeinen, aangevuurd door hun krijgshaftigen Paus te hevigen

tegenstand boden, hetzij de malaria van de Campagna te veel offers

vroeg, Agilulf trok terug naar het noorden, na het land verwoest te

hebben; een paar jaren lang werd Italië noch door de Longobarden, noch

door de Byzantijnen meer geteisterd, want in het oosten ontstonden

ernstige onlusten, door de dreigende Avaren en door den dood van den

Keizer Mauricius die door den usurpator Phocas was vermoord.

In de latere jaren van Paus Gregorius' leven werd de verhouding

tusschen hem en den Longobardischen koning zeer hartelijk, vooral door

toedoen van Theodelinda, die als Beiersche prinses in de Katholieke

leer was opgevoed en een sterken invloed had op haar gemaal. Of Agilulf

werkelijk het Arianisme heeft afgezworen, is onzeker, maar hij stond

toe, dat zijn zoon Adelwald gedoopt werd (603) als Katholiek, zooals

wij vernemen uit Gregorius' briefwisseling met de Koningin over zijn

klein petekind. Dit begunstigde de uitbreiding van het Katholicisme

onder de Longobarden ten zeerste. Doch het duurde nog eenigen tijd,

voordat zij geheel en al afstand deden van hun ketterschen vorm van

Christelijken godsdienst.

Sinds 600 werd Gregorius hevig door jicht geplaagd en in 604 is hij

daaraan gestorven.

Het schijnt dat de populariteit, die Agilulf en Theodelinda door

hun krachtige en verstandige regeering en het aanmoedigen van kunst

en ontwikkeling gewonnen hadden, hun het voorrecht van erfelijke

souvereiniteit verschaft heeft, want in datzelfde jaar 604 werd

hun zoon, die nauwelijks twee jaar oud was, tot troonopvolger

uitgeroepen. Dit gebeurde te Milaan, in de tegenwoordigheid van den

gezant van Theudebert II, den Koning der Franken, wiens minderjarige

dochter tevens plechtig met den kleinen Adelwald verloofd werd. Na

deze gebeurtenis hooren wij weinig van Agilulf's regeering en behalve,

dat het noord-westelijk Longobardisch gebied een tijdlang geteisterd

werd door groote horden van Avaren, een Tartaarschen stam [141],

schijnen de laatste tien jaren van zijn leven rustig voorbij te zijn

gegaan, daar er officieel vrede bestond tusschen de Longobarden en het

Exarchaat; en gedurende deze periode en nog meer in de volgende tien

jaren was Theodelinda bezig eenige van hare vele kerken te bouwen,

haar paleis te versieren, en kunstenaars, Katholieke prelaten en

andere beroemde mannen aan haar hof te verbinden.

Na Agilulf's dood volgde Adelwald, nu twaalf jaar oud, een vurig

Katholiek, hem op onder het regentschap van zijn moeder. Van

de gebeurtenissen tijdens zijn regeering (615-25) weten wij zeer

weinig. Door toedoen van Ariaansche edelen brak een oproer uit, dat

hem dwong te vluchten naar Ravenna, en Ariwald, een Ariaan, werd op

den troon geplaatst. Theodelinda bleef misschien een tijdlang bij

haar zoon, maar het schijnt dat zij teruggekeerd is en als gast

aan het Longobardische hof heeft geleefd; want de nieuwe koning

trad in het huwelijk met haar dochter Gundeberga. Zij stierf in 628,

Ariwald in 636, en Gundeberga moest, evenals haar moeder, een anderen

gemaal kiezen. Zij koos Rotharis (Rotherik of Roderik), den hertog van

Brescia--een keuze, die voor het algemeen welzijn gunstiger bleek dan

voor haar persoonlijk geluk, want haar gemaal was, evenals haar eerste

echtgenoot, Ariaan en zoo weinig verdraagzaam jegens haar Katholieke

neigingen, dat hij haar gedurende vijf jaren streng gevangen hield in

zijn paleis te Pavia, waaruit zij werd bevrijd door tusschenkomst van

Clovis (Chlodwig II), den Frankischen koning. Zij wijdde het overige

van haar leven aan goede werken en volgde Theodelinda's voorbeeld

door de basiliek van S. Giovanni [142] te Pavia te herbouwen, waar

zij haar beide echtgenooten liet begraven.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 17 / 48 段