Men zal zich herinneren, dat Justinianus, een boer uit Dardanië

van lage afkomst, als jongen zijn oom Justinus naar Constantinopel

vergezelde, hoe ten slotte Justinus tot keizer werd uitgeroepen en

den troon aan zijn neef naliet. Ongeveer tien jaren voordat hij den

keizerlijken diadeem ontving, werd Justinianus tot Consul benoemd door

zijn oom, die nu meer dan zeventig jaar oud was. Het was teekenend

voor het streven van den jongen man naar den volksgunst, dat deze

gebeurtenis gevierd werd door schitterende vertooningen, niet van

gladiatoren, want die waren reeds lang, zelfs te Rome, afgeschaft

en te Constantinopel nooit toegestaan, maar door even afschuwelijke

gevechten met wilde dieren. Toen eigende hij zich een groot aandeel

in de regeering toe, en in 527, toen hij, vijf en vijftig jaar oud,

tot Augustus werd uitgeroepen, gaf Justinus hem de teugels van de

regeering geheel in handen, en stierf kort daarna.

Eenige jaren voor zijn verkiezing tot Consul had Justinianus een

hartstochtelijke genegenheid opgevat voor een vrouw, Theodora, wier

loopbaan, zooals Procopius, of wie de auteur van de Anecdota moge zijn,

die beschrijft, een merkwaardig voorbeeld geeft van onbeschrijfelijke

zedeloosheid gepaard aan eigenschappen, die in staat bleken haar de

devote liefde te verzekeren van een goeden, hoewel zelfgenoegzamen,

man, en blijkbaar de berusting en onderworpenheid, zoo al niet den

eerbied van het volk, ofschoon van dat volk eerbied werd geeischt voor

een Keizerin, die vroeger als een losbandige tooneelspeelster gewoon

was geweest met ongeloofelijke schaamteloosheid haar persoon bloot

te stellen aan het gelach en de toejuichingen van een stampvol theater.

Als wij den schrijver van de Anecdota mogen gelooven, was Theodora de

dochter van een Cypriër, die buffet-houder was in den Byzantijnschen

Circus. Op tamelijk jeugdigen leeftijd vergezelde zij een hoogen

ambtenaar naar Egypte; wegens haar onzedelijkheid door hem verstooten,

bracht zij eenige jaren in het Oosten door en keerde ten slotte naar

Constantinopel terug, waar zij blijkbaar een meer ingetogen leven

begon, misschien met het doel zich een echtgenoot te verschaffen. Dit

doel bereikte zij, want Justinianus, die als Patricius, misschien

reeds Consul, de invloedrijkste man was in het Oostelijk Keizerrijk,

werd niet alleen doodelijk verliefd op haar, maar was zoo vast besloten

haar te huwen, dat hij na den dood van Justinus' gemalin, die door haar

opvoeding als eenvoudig Dardaansch meisje een zeer strenge rechter was,

zijn oom overreedde een wet te laten aannemen om zulke huwelijken

te erkennen; en weldra vierde hij bruiloft (c. 525). Bovendien,

toen hij als Keizer werd gekroond, liet hij niet alleen door den

patriarch een keizerlijken diadeem op haar hoofd zetten, maar liet

haar op den troon plaats nemen, als een gelijke en onafhankelijke

collega in de regeering; en de bestuurders van de provincies moesten

een eed van trouw afleggen aan Justinianus en Theodora. Bezield door

den hartelijken eerbied, dien hij gedurende de vier en twintig jaren

van zijn huwelijk niet verloochende, gaf hij zelfs de eer van vele

zijner wetten "aan zijn wijze raadsvrouw, zijn geëerbiedigde gemalin,

die hij als een geschenk van de Godheid had ontvangen".

Toch wordt zij, niet alleen door den auteur van de Anecdota, maar

door verschillende orthodoxe schrijvers, als een helsche demon

beschreven. Zij wordt van de gemeenste misdaden beschuldigd, van den

moord op haar eenigen zoon (die, in het Oosten achtergelaten, later

in Constantinopel zijn rechten wilde doen gelden) en op verscheidene

aanzienlijke personen, waarvan sommige, naar men zegt, zijn omgekomen

in haar geheime onderaardsche kerkers en folterkamers. Zij werd ook,

wat men veel erger vond, beschuldigd van kettersche neigingen en van

een zoo brutale onbeschaamdheid, dat zij zelfs den Paus tegensprak en

het hem soms zeer lastig maakte. Maar wij moeten er bijvoegen, dat zij

rijkelijk geld heeft geschonken voor liefdadige doeleinden, b.v. de

stichting van een groot toevluchtsoord voor Magdalena's. Kloosters

en hospitalen werden ruim door haar gesteund en vele kerken--o.a. de

S. Vitale te Ravenna en de S. Sofia te Constantinopel--hadden groote

verplichtingen aan haar. Bovendien, wat haar fouten ook mogen geweest

zijn, wij kunnen niet ontkennen, dat zij moed bezat, en dat haar moed

bij het beruchte Nika-oproer [130] haar heer van een laffe vlucht

en misschien van een schandelijken dood weerhield. Zij verzocht hem

te vluchten, als hij dat wenschte, maar weigerde het zelf te doen en

verklaarde liever als een Keizerin te willen sterven.

Theodora was, volgens de Anecdota, bleek en opvallend mooi, met

schitterende, doordringende oogen. Haar gestalte was niet groot,

maar zij was uitstekend geproportioneerd en haar bewegingen

waren buitengewoon bevallig. Merkwaardig is, dat zij op het

Ravenna-mozaïek boven al hare hofdames uitsteekt, zelfs boven de

aanwezige geestelijken.

Welken roem Justinianus ook moge verworven hebben, volgens zijn

tijdgenooten of volgens Dante, door de overwinningen van zijn legers in

Afrika en Italië--overwinningen, waarvan hem de eer toch niet toekomt,

daar zijn ondankbare verwaarloozing en nog ondankbaarder jaloezie

de gunstigste kansen voor zijn besten generaal bedierven--het staat

vast, dat hij door zijn wetten of liever door de codificatie van de

Romeinsche wet de dankbaarheid van het nageslacht verdient.

In den Paradiso (VII, 6) zegt Dante, dat zich boven het hoofd

van Justinianus een tweevoudig licht verheft nl. de roem van den

krijgsman en den wetgever. In den zesden canto geeft Justinianus aan

Dante een prachtige beschrijving van het zegevierend voortschrijden

van den Romeinschen Adelaar van de dagen van Aeneas tot Karel den

Grooten en spreekt aldus over zichzelf: "Ik was Caesar en ik ben

Justinianus (d. i. hier zonder aardschen titel), die van de wetten het

overtollige en nuttelooze heb afgenomen. En voordat ik mij tot dit

werk zette, geloofde ik, dat er in Christus slechts éen natuur was,

(dus hij was een Monophysiet), en met dat geloof was ik tevreden;

maar de gebenedijde Agapetus heeft mij met zijn woorden tot het ware

geloof gebracht. Zoodra ik mij tot de Kerk begaf, behaagde het God

mij te bezielen voor deze hooge taak en ik wijdde mij er geheel aan;

de wapenen droeg ik aan Belisarius op, die door de rechterhand van

God zoo duidelijk werd geholpen, dat het een teeken was, dat ik moest

rusten". Rusten deed hij zeker, wat den oorlog betrof, en hij was er

tevreden mee te oogsten, waar anderen zaaiden, maar zijn arbeid op

ander gebied verdient erkenning.

Het Corpus Juris, dat door zijn gevolmachtigden werd samengesteld,

wordt nog steeds beschouwd als de voornaamste bron voor Romeinsch

recht, zooals het in Europa wordt toegepast. Deze gevolmachtigden,

onder leiding van een zekeren Tribonianus, een Pamphylischen geleerde

met een literairen aanleg, zooals die van Pico Mirandola of Bacon,

stelden gedurende de jaren 530-33, den geweldigen Codex van de

keizerlijke Constitutiones (edicten, decreten enz.) in 12 boeken op,

de Pandectae ("al-bevatters"--een compendium van ongeveer 2000 deelen

van oude wetten en senatus-consulta van Rome, samengevat in 50 boeken

en een meer beknopt handboek, de Institutiones. Als aanvulling van deze

geweldige massa wetten, die binnen zes jaren wederom gepubliceerd

werden, vaardigde Justinianus in later jaren (535-65) zeer vele

Novellae (nieuwe wetten) uit, waardoor hij zijn Code vergrootte of

veranderde om zijn afpersingen of die van Theodora te wettigen; en

hierin verliet hij zich vooral op de medewerking van Tribonianus. De

drie hoofdwerken zijn geschreven in een merkwaardig Latijn van de

zilveren eeuw. De Novellae zijn voornamelijk in het Grieksch. Een copie

van het Pandecten-handschrift, die misschien dateert uit Justinianus'

regeering en zeker niet later ontstond dan in de zevende eeuw, is een

van de schatten van de Laurentiaansche Bibliotheek te Florence. Men

zegt, dat alle andere bestaande manuscripten van dat werk daarvan

afgeleid zijn. In 1137 werd het van Amalfi gehaald door de vloot van

de Pisanen en nadat Pisa door de Florentijnen in 1406 was genomen,

werd het naar Florence overgebracht. De prachtige band van dat

handschrift werd in 1783 gestolen door den Groothertog Leopold en

voor 30 goudstukken verkocht.

Volgens Dante begon Justinianus, terwijl hij bezig was met dit

wetgevend werk, zich vrij te maken van kettersche dwalingen en over te

hellen tot de orthodoxe Kerk. Het was Paus Agapetus, door wiens invloed

dit tot stand kwam; het gebeurde in 535, in hetzelfde jaar, waarin

het Oost-Gotische Italië door Justinianus' Byzantijnsche troepen van

het noorden en door Belisarius en zijn Afrikaansche veteranen van het

zuiden werd aangevallen. Weldra was de werkzame geest van den Keizer,

die steeds bezig was te formuleeren en zijn formulae aan de wereld

op te leggen, zoo geheel verdiept in dogmatische vraagstukken, dat

hij zich om niets meer bekommerde, noch om den treurigen toestand

van Italië, dat door oorlog, hongersnood en pest geteisterd werd,

noch om de grieven en ellende der Byzantijnsche provincies, die

uitgezogen werden door de ondragelijke belastingen, noodig om de

enorme uitgaven van den staat te dekken. De hooge wetgever, wiens

wetten van zoo weinig nut waren voor zijn eigen volk, was nu bezield

door de eerzucht om de hoogste Christelijke leeraar van zijn eeuw te

worden: "Onze voornaamste zorg", schrijft hij omstreeks dezen tijd,

"is gericht op de ware dogmata van het Geloof".

Daar hij met bijzonderen nadruk de theorie van het goddelijk

recht der monarchen op zichzelf toepaste, meende hij, dat zijn

macht hem rechtstreeks door den hemel was opgedragen en geenszins

door bemiddeling van het leger, den Senaat, of het volk, en als

vicarius van de Godheid voelde hij zich gemachtigd de besluiten van

Synoden en Pausen te negeeren en slechts het gezag te erkennen van

een algemeen Concilie, dat door hem zelf was bijeengeroepen. Een

dergelijke gedragslijn, krachtig nagevolgd door Belisarius, die

een Paus afzette, en door Narses, die onwillige bisschoppen naar

Constantinopel verscheepte, moest wel de heftigste oppositie uitlokken

van den kant der geestelijkheid.

De toestand werd erger, toen Justinianus ontdekte, dat een eeuw

vroeger drie bisschoppen in de besluiten van het Concilie van

Chalcedon (451) drie verklaringen heimelijk hadden ingevoegd, die

een duidelijk kettersche gezindheid verrieden. Hevig verontwaardigd,

matigde Justinianus zich het recht van excommunicatie aan en sprak in

naam van de Drieëenheid den banvloek uit over die drie clausules. Maar

noch orthodox noch heterodox toonde in deze aanmatiging van pauselijke

bliksems te willen berusten. Ten slotte ontbood de vertoornde Keizer

Paus Vigilius naar Constantinopel. Deze Paus was, na den dood van

den goeden ouden Agapetus en nadat zijn opvolger door Belisarius was

afgezet, op den Heiligen Stoel geplaatst door den invloed van Theodora,

die veel verwachtte van zijn neiging tot het Monophytisme, een vorm van

ketterij die door haar begunstigd werd; maar hij stelde haar teleur,

ondersteunde den ultra-orthodoxen ijver van haar bekeerden echtgenoot

en kondigde te Constantinopel, waar hij kort vóór, of na haar dood (1

Juli, 548) kwam, een veroordeeling af van de drie beruchte clausules.

Maar de storm, die deze daad bij de Katholieken in het Westen

veroorzaakte, dwong hem die afkondiging te herroepen en zich te

verzetten tegen de aanspraken van den Keizer op geestelijke macht. Het

gevolg was, dat hij op een eiland in de Zee van Marmora gevangen werd

gezet; eerst in het zesde jaar van zijn ballingschap (554) kreeg hij

verlof naar Italië terug te gaan, nadat hij nog eens den banvloek

over de kettersche clausules had uitgesproken. Doch hij bereikte

Italië niet, want hij stierf op zijn reis, te Syracuse. Zonder

twijfel hadden de onderwerping van Vigilius en de vriendelijke

gevoelens van Justinianus jegens den volgenden Paus--den "diaken"

Pelagius--een tijdlang een gunstigen invloed op de betrekkingen van

den Keizer tot de Roomsche Kerk en een gevolg hiervan was blijkbaar de

zgn. Pragmatieke Sanctie, een decreet, dat het burgerlijk en kerkelijk

gezag in Italië moest beschermen tegen de militaire macht en aan de

Kerk eenige belangrijke judicieele voorrechten gaf.

Deze ellendige godsdiensttwisten, die ons misschien onbelangrijk

lijken, waren van grooten invloed op de regeering van Justinianus. De

vijandigheid, die tusschen de verschillende Christelijke sekten

heerschte, was heviger dan de verbittering van de Kerk tegen het

Heidendom was geweest en men kon geen politieke eenheid verwachten

zonder overeenstemming in leerstellige vraagstukken. Dat Justinianus

naar een dergelijke eensgezindheid streefde, kan niet betwijfeld

worden, maar, evenals Zeno met zijn Henotikon, bereikte hij slechts

een verwijding van de kloven; en vooral de kloof tusschen het Oosten

en Westen werd verbreed, waardoor een paar geslachten later de heftige

en langdurige strijd over den beeldendienst ontstond. Bovendien had

Justinianus' religieuze manie een zeer belangrijken en misschien

verderfelijken invloed op Italië, want het deed hem de welvaart

en de verdediging van de onlangs veroverde diocese schandelijk

verwaarloozen en het was aldus een van de oorzaken, waardoor de weg

voor de Longobarden gebaand werd.

In zijn boek over de bouwwerken van Justinianus beschrijft en vermeldt

Procopius een groot aantal kerken, aquaeducten, hospitalen, bruggen

en andere gebouwen, die door den Keizer of onder zijn auspiciën zijn

opgericht, niet alleen in Constantinopel, maar ook in Klein-Azië,

Syrië, Palestina, Egypte en andere deelen van Afrika. Het boek

is blijkbaar niet lang na den dood van Theia en den terugkeer van

Procopius in Constantinopel geschreven, en voordat de Byzantijnsche

heerschappij in Italië weer hecht gevestigd was. Dit verklaart

waarschijnlijk het feit, dat er geen Italiaansche gebouwen in worden

vermeld.

In en rondom Constantinopel bouwde en herbouwde Justinianus ongeveer

vijf en twintig kerken, waarvan vele rijk versierd waren met marmeren

beelden en mozaïeken. De meesten waren waarschijnlijk in den nieuwen

Byzantijnschen stijl, die den ouden basiliek-stijl begon te verdringen

en van dezen was de voornaamste de groote kathedraal, gewijd aan de

Heilige Wijsheid (Hagia Sophia) van God en algemeen bekend als de

Sofia-kerk. [131]) Door Constantijn was een basiliek van denzelfden

naam op dezelfde plaats gebouwd. Die was verbrand bij het tumult,

dat door de verbanning van den patriarch Chrysostomus ontstond, en een

tweede gebouw, een basiliek met houten dak, was eveneens vernield bij

het Nika-oproer. De Sofia-kerk van Justinianus bestaat nog, d.w.z. het

gebouw zooals het door hem hersteld is na een aardbeving, waarbij

een groot deel van den ouden koepel was ingestort. Het plan van deze

prachtige kerk (thans een moskee) werd ontworpen door Anthemius van

Tralles, éen der vijf broeders, die allen even beroemd waren, ieder in

hun beroep. Haar luister, die door Turksch fanatisme gedeeltelijk is

verborgen of ontsierd, wordt zeer juist beschreven door Justinianus'

uitroep: "Ik heb U overtroffen, o Salomon!" Over den bouwstijl van

de Sofia-kerk zullen wij later nog spreken.

Onder de vele andere kerken door Justinianus in Constantinopel

opgericht was een nieuw gebouw in Byzantijnschen stijl op de plaats

van de oude Constantijnsche Kerk van de Heilige Apostelen. Het is

verdwenen, doch naar dit voorbeeld is de St. Marcus' kathedraal met

de vijf koepels te Venetië gebouwd, en dus is de herinnering daaraan

blijven bestaan. Aan Justinianus moet ook worden toegeschreven de

Byzantijnsche kerk van St. Sergius en St. Bacchus, die zooals de

S. Vitale te Ravenna, in het midden achthoekig is, met acht bogen,

waarop een groote koepel rust. Deze S. Vitale is ook een beroemde,

nog bestaande kerk, die in nauwe betrekking staat met den naam van

Justinianus. Zij is ouder dan de St. Sophia (waaraan men in 532 begon);

het is een Byzantijnsche kerk, en gelijkt zoozeer op de kerk van

St. Sergius en St. Bacchus, dat zeer waarschijnlijk het ontwerp voor

Theoderik's kerk te Ravenna en misschien zelfs de werklieden afkomstig

waren van Anthemius en een ander oosterschen architect; en toevallig

was de man, die de leiding had van den bouw van de S. Vitale [132]),

Aartsbisschop Ecclesius, juist een jaar, voordat men aan de kerk

begon, te Constantinopel; want Koning Theoderik zond in 525 gezanten

naar het oostersche hof, en onder dezen was, behalve Paus Johannes,

ook Ecclesius. Zijn houding te Constantinopel beviel den Ariaanschen

monarch blijkbaar beter dan die van den ongelukkigen Paus, want kort

na zijn terugkeer en waarschijnlijk vóor Theoderik's dood begon hij

deze prachtige Byzantijnsche kerk, die, trots vele herstellingen

toch nog iets van haar oorspronkelijken luister behouden heeft. Van

bijzondere schoonheid zijn de marmeren zuilen, met de fijnbewerkte

kapiteelen en onbeschrijfelijk rijk zijn de mozaïeken.

Sommige van deze mozaïeken zijn geplaatst tijdens het leven van

Ecclesius († 534), want hij wordt er op voorgesteld zonder nimbus. Dit

apsis-mozaïek, zooals de groep engelen in de S. Apollinare Nuovo,

onderscheidt zich sterk van de andere door zijn eenvoudige en

indrukwekkende grootheid, die wij ook in de oudere mozaïeken

te Ravenna en te Rome vinden. De andere kenmerken zich door den

pronkerigen opschik en onartistieke uitvoering, die men gewoonlijk

bij Byzantijnsche mozaïeken aantreft. Deze behooren tot de periode,

die volgt op de inneming van Ravenna (540) door Belisarius, en waren

zonder twijfel bekostigd door Justinianus en Theodora, die ruim hadden

ingeschreven voor de versiering van de S. Vitale. Het is dus zeer

belangrijk, dat onder deze latere mozaïeken de portretten van den

Keizer en de Keizerin voorkomen en uit den nimbus, waarmede beiden

zijn versierd mogen wij misschien afleiden, dat de mozaïeken voltooid

zijn na 548, toen Theodora stierf, of zelfs na Justinianus' dood in

565. Justinianus wordt afgebeeld met een gouden bakje vol juweelen of

geld, dat hij de kerk aanbiedt; hij is vergezeld van den Aartsbisschop

Maximianus, die het gebouw in 547 heeft gewijd. Theodora [133], omgeven

door haar hofdames, brengt als haar offer een grooten beker en is op

het punt de kerkdeur binnen te gaan, waarbij de doopvont staat.

Nog éen kerk, S. Apollinare in Classe moet hier in verband met

Justinianus vermeld worden, want het is zeer waarschijnlijk dat

hij persoonlijk belang had bij de voltooiing van die kerk, daar zij

tusschen 535 en 538 gebouwd is door den opvolger van Ecclesius en,

evenals de S. Vitale, door Maximianus gewijd is. De stad en de haven

van Classe zijn, zooals wij reeds verteld hebben, geheel verdwenen

en deze groote basiliek van S. Apollinare staat nu, evenals de oude

Grieksche tempels te Paestum, bijna geheel verlaten; misschien is er

geen indrukwekkender gebouw in de wereld. Uitwendig bezit het geen

schoonheid die met een Griekschen tempel of noordelijke kathedraal

kan vergeleken worden, ofschoon men den ouden klokketoren, die in

zwijgende waardigheid tusschen de met waterlelies bedekte poelen en de

drassige velden van het eenzame moerasland zich verheft, niet licht

zal vergeten; maar inwendig is deze basiliek een van de heerlijkste

en prachtigste, die bestaan.

DERDE DEEL.

HISTORISCH OVERZICHT.

568-800.

Ons verhaal is afgebroken bij den dood van Narses, die waarschijnlijk

in 567 plaats vond, een paar maanden voor den inval van de Longobarden;

nu volgt, gedurende twee eeuwen ongeveer, de heerschappij van de

Longobarden, een tamelijk donkere en droevige periode, waarin vele

zaden, die later bloemen en vruchten voortbrachten, zich in den

grond ontwikkelden, maar die voor ons niet veel aantrekkelijks heeft,

behalve eenige belangrijke persoonlijkheden, voorboden van de komende

lente van de Italiaansche kunst.

De bronnen van onze kennis zijn verscheidene; van groot belang zijn

de geschriften van Paus Gregorius den Groote, het Edict van Koning

Rotharis (Roterik) met een voorrede, waarin vele feiten vermeld worden,

die een duisteren tijd eenigermate belichten (tot 640 ongeveer);

tegelijk met de handschriften van die voorrede is een belangwekkenden

Origo Langobardorum van omstreeks 607 gevonden, die de eenigszins

legendarische oudste geschiedenis van de Longobarden geeft; ten slotte

hebben de Historia Langobardorum van Paul Warnefrid, algemeen bekend

als Paulus Diaconus, een Longobard, die een tijdlang leefde aan het hof

van Karel den Groote en zich ten slotte terugtrok in het Benedictijner

klooster van Monte Cassino, waar hij waarschijnlijk omstreeks 800

stierf. Zijn Historia geeft een zeer duidelijke beschrijving van den

ellentoestand van Italië tijdens den Longobarden-inval en een reeks van

levendige portretten van de Longobardische koningen tot de regeering

van Liutprand, met vele invoegsels, in den trant van Herodotus. Het

werk is onvoltooid, misschien, omdat hijzelf een Longobard was en

toch veel aan den Frankischen koning te danken had, zoodat hij het

lastig vond de verovering van Italië door de Franken te beschrijven.

Volgens Paulus Diaconus kwamen de Langobardi of Longobardi

("Langbaarden"), evenals de Goten, van Scandinavië, waarheen hun

voorouders waarschijnlijk uit de binnenlanden van Azië getrokken

waren. Zij worden vermeld door een Latijnschen schrijver, Velleius

Paterculus, die ten tijde van Augustus in Germanië onder Tiberius

gediend had. Hij noemt hun woestheid erger dan die der Germanen

en vertelt dat zij aan de Beneden-Elbe wonen. Ongeveer 178 namen

zij deel aan de zuidwaartsche beweging van verschillende stammen,

die door Marcus Aurelius gestuit werd. Dan hooren wij drie eeuwen

niets van hen, maar zij zullen wel onder de bondgenooten van Attila

geweest zijn en blijkbaar trokken zij ongeveer 508 zuidwaarts van

de Elbe en vestigden zich aan den noordelijken oever van den Donau,

na de Herulen te hebben overwonnen. Vier en veertig jaar later (552)

gedroegen zich de Longobardische hulptroepen van Narses zoo woest,

dat hij hen moest omkoopen om naar hun land terug te gaan. De koning

van deze hulptroepen was Audoin, wiens zoon Alboin thans onze aandacht

vraagt.

Tegenover de Longobarden in het land der Rugiërs (de streek langs

den noordelijken oever van den Donau, tusschen Regensburg en Weenen)

woonden de Gepiden, die uit het Westen, uit Dacië schijnen, gekomen te

zijn en het land, dat Theoderik en zijn Oost-Goten hadden verlaten,

Pannonië enz. hadden bezet. Deze Gepiden waren in 554 zoo lastig

voor het Romeinsche Rijk, dat door Justinianus, volgens de gewone

politiek van het Byzantijnsche hof, de Longobarden werden omgekocht

om hen aan te vallen. Op den eersten veldtocht doodde de jonge Alboin

den zoon van den koning der Gepiden, Torismund, maar de oorlog werd

voortgezet en eerst toen de Longobarden voor een deel van hun vee en

veel land en buit een verbond met de Avaren, dien woesten stam van

Turksche afkomst, waardoor Justinianus zoo verschrikt was, hadden

gekocht, verpletterden zij hun vijand in een grooten slag. De Gepiden

schijnen ongeveer uitgeroeid te zijn, want men hoort niet meer van

hen en hun koning Cunimund onderging hetzelfde lot als zijn broeder

Torismund door de hand van Alboin, die nu koning van de Longobarden

was. Zijn hoofd werd afgeslagen en Alboin liet van den schedel een

drinkbeker maken. Zijn dochter Rosamund werd gevangen genomen en

gedwongen Alboin te trouwen, die vroeger naar haar hand had gedongen,

maar met minachting door haar vader was afgewezen.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 16 / 48 段