van lage afkomst, als jongen zijn oom Justinus naar Constantinopel
vergezelde, hoe ten slotte Justinus tot keizer werd uitgeroepen en
den troon aan zijn neef naliet. Ongeveer tien jaren voordat hij den
keizerlijken diadeem ontving, werd Justinianus tot Consul benoemd door
zijn oom, die nu meer dan zeventig jaar oud was. Het was teekenend
voor het streven van den jongen man naar den volksgunst, dat deze
gebeurtenis gevierd werd door schitterende vertooningen, niet van
gladiatoren, want die waren reeds lang, zelfs te Rome, afgeschaft
en te Constantinopel nooit toegestaan, maar door even afschuwelijke
gevechten met wilde dieren. Toen eigende hij zich een groot aandeel
in de regeering toe, en in 527, toen hij, vijf en vijftig jaar oud,
tot Augustus werd uitgeroepen, gaf Justinus hem de teugels van de
regeering geheel in handen, en stierf kort daarna.
Eenige jaren voor zijn verkiezing tot Consul had Justinianus een
hartstochtelijke genegenheid opgevat voor een vrouw, Theodora, wier
loopbaan, zooals Procopius, of wie de auteur van de Anecdota moge zijn,
die beschrijft, een merkwaardig voorbeeld geeft van onbeschrijfelijke
zedeloosheid gepaard aan eigenschappen, die in staat bleken haar de
devote liefde te verzekeren van een goeden, hoewel zelfgenoegzamen,
man, en blijkbaar de berusting en onderworpenheid, zoo al niet den
eerbied van het volk, ofschoon van dat volk eerbied werd geeischt voor
een Keizerin, die vroeger als een losbandige tooneelspeelster gewoon
was geweest met ongeloofelijke schaamteloosheid haar persoon bloot
te stellen aan het gelach en de toejuichingen van een stampvol theater.
Als wij den schrijver van de Anecdota mogen gelooven, was Theodora de
dochter van een Cypriër, die buffet-houder was in den Byzantijnschen
Circus. Op tamelijk jeugdigen leeftijd vergezelde zij een hoogen
ambtenaar naar Egypte; wegens haar onzedelijkheid door hem verstooten,
bracht zij eenige jaren in het Oosten door en keerde ten slotte naar
Constantinopel terug, waar zij blijkbaar een meer ingetogen leven
begon, misschien met het doel zich een echtgenoot te verschaffen. Dit
doel bereikte zij, want Justinianus, die als Patricius, misschien
reeds Consul, de invloedrijkste man was in het Oostelijk Keizerrijk,
werd niet alleen doodelijk verliefd op haar, maar was zoo vast besloten
haar te huwen, dat hij na den dood van Justinus' gemalin, die door haar
opvoeding als eenvoudig Dardaansch meisje een zeer strenge rechter was,
zijn oom overreedde een wet te laten aannemen om zulke huwelijken
te erkennen; en weldra vierde hij bruiloft (c. 525). Bovendien,
toen hij als Keizer werd gekroond, liet hij niet alleen door den
patriarch een keizerlijken diadeem op haar hoofd zetten, maar liet
haar op den troon plaats nemen, als een gelijke en onafhankelijke
collega in de regeering; en de bestuurders van de provincies moesten
een eed van trouw afleggen aan Justinianus en Theodora. Bezield door
den hartelijken eerbied, dien hij gedurende de vier en twintig jaren
van zijn huwelijk niet verloochende, gaf hij zelfs de eer van vele
zijner wetten "aan zijn wijze raadsvrouw, zijn geëerbiedigde gemalin,
die hij als een geschenk van de Godheid had ontvangen".
Toch wordt zij, niet alleen door den auteur van de Anecdota, maar
door verschillende orthodoxe schrijvers, als een helsche demon
beschreven. Zij wordt van de gemeenste misdaden beschuldigd, van den
moord op haar eenigen zoon (die, in het Oosten achtergelaten, later
in Constantinopel zijn rechten wilde doen gelden) en op verscheidene
aanzienlijke personen, waarvan sommige, naar men zegt, zijn omgekomen
in haar geheime onderaardsche kerkers en folterkamers. Zij werd ook,
wat men veel erger vond, beschuldigd van kettersche neigingen en van
een zoo brutale onbeschaamdheid, dat zij zelfs den Paus tegensprak en
het hem soms zeer lastig maakte. Maar wij moeten er bijvoegen, dat zij
rijkelijk geld heeft geschonken voor liefdadige doeleinden, b.v. de
stichting van een groot toevluchtsoord voor Magdalena's. Kloosters
en hospitalen werden ruim door haar gesteund en vele kerken--o.a. de
S. Vitale te Ravenna en de S. Sofia te Constantinopel--hadden groote
verplichtingen aan haar. Bovendien, wat haar fouten ook mogen geweest
zijn, wij kunnen niet ontkennen, dat zij moed bezat, en dat haar moed
bij het beruchte Nika-oproer [130] haar heer van een laffe vlucht
en misschien van een schandelijken dood weerhield. Zij verzocht hem
te vluchten, als hij dat wenschte, maar weigerde het zelf te doen en
verklaarde liever als een Keizerin te willen sterven.
Theodora was, volgens de Anecdota, bleek en opvallend mooi, met
schitterende, doordringende oogen. Haar gestalte was niet groot,
maar zij was uitstekend geproportioneerd en haar bewegingen
waren buitengewoon bevallig. Merkwaardig is, dat zij op het
Ravenna-mozaïek boven al hare hofdames uitsteekt, zelfs boven de
aanwezige geestelijken.
Welken roem Justinianus ook moge verworven hebben, volgens zijn
tijdgenooten of volgens Dante, door de overwinningen van zijn legers in
Afrika en Italië--overwinningen, waarvan hem de eer toch niet toekomt,
daar zijn ondankbare verwaarloozing en nog ondankbaarder jaloezie
de gunstigste kansen voor zijn besten generaal bedierven--het staat
vast, dat hij door zijn wetten of liever door de codificatie van de
Romeinsche wet de dankbaarheid van het nageslacht verdient.
In den Paradiso (VII, 6) zegt Dante, dat zich boven het hoofd
van Justinianus een tweevoudig licht verheft nl. de roem van den
krijgsman en den wetgever. In den zesden canto geeft Justinianus aan
Dante een prachtige beschrijving van het zegevierend voortschrijden
van den Romeinschen Adelaar van de dagen van Aeneas tot Karel den
Grooten en spreekt aldus over zichzelf: "Ik was Caesar en ik ben
Justinianus (d. i. hier zonder aardschen titel), die van de wetten het
overtollige en nuttelooze heb afgenomen. En voordat ik mij tot dit
werk zette, geloofde ik, dat er in Christus slechts éen natuur was,
(dus hij was een Monophysiet), en met dat geloof was ik tevreden;
maar de gebenedijde Agapetus heeft mij met zijn woorden tot het ware
geloof gebracht. Zoodra ik mij tot de Kerk begaf, behaagde het God
mij te bezielen voor deze hooge taak en ik wijdde mij er geheel aan;
de wapenen droeg ik aan Belisarius op, die door de rechterhand van
God zoo duidelijk werd geholpen, dat het een teeken was, dat ik moest
rusten". Rusten deed hij zeker, wat den oorlog betrof, en hij was er
tevreden mee te oogsten, waar anderen zaaiden, maar zijn arbeid op
ander gebied verdient erkenning.
Het Corpus Juris, dat door zijn gevolmachtigden werd samengesteld,
wordt nog steeds beschouwd als de voornaamste bron voor Romeinsch
recht, zooals het in Europa wordt toegepast. Deze gevolmachtigden,
onder leiding van een zekeren Tribonianus, een Pamphylischen geleerde
met een literairen aanleg, zooals die van Pico Mirandola of Bacon,
stelden gedurende de jaren 530-33, den geweldigen Codex van de
keizerlijke Constitutiones (edicten, decreten enz.) in 12 boeken op,
de Pandectae ("al-bevatters"--een compendium van ongeveer 2000 deelen
van oude wetten en senatus-consulta van Rome, samengevat in 50 boeken
en een meer beknopt handboek, de Institutiones. Als aanvulling van deze
geweldige massa wetten, die binnen zes jaren wederom gepubliceerd
werden, vaardigde Justinianus in later jaren (535-65) zeer vele
Novellae (nieuwe wetten) uit, waardoor hij zijn Code vergrootte of
veranderde om zijn afpersingen of die van Theodora te wettigen; en
hierin verliet hij zich vooral op de medewerking van Tribonianus. De
drie hoofdwerken zijn geschreven in een merkwaardig Latijn van de
zilveren eeuw. De Novellae zijn voornamelijk in het Grieksch. Een copie
van het Pandecten-handschrift, die misschien dateert uit Justinianus'
regeering en zeker niet later ontstond dan in de zevende eeuw, is een
van de schatten van de Laurentiaansche Bibliotheek te Florence. Men
zegt, dat alle andere bestaande manuscripten van dat werk daarvan
afgeleid zijn. In 1137 werd het van Amalfi gehaald door de vloot van
de Pisanen en nadat Pisa door de Florentijnen in 1406 was genomen,
werd het naar Florence overgebracht. De prachtige band van dat
handschrift werd in 1783 gestolen door den Groothertog Leopold en
voor 30 goudstukken verkocht.
Volgens Dante begon Justinianus, terwijl hij bezig was met dit
wetgevend werk, zich vrij te maken van kettersche dwalingen en over te
hellen tot de orthodoxe Kerk. Het was Paus Agapetus, door wiens invloed
dit tot stand kwam; het gebeurde in 535, in hetzelfde jaar, waarin
het Oost-Gotische Italië door Justinianus' Byzantijnsche troepen van
het noorden en door Belisarius en zijn Afrikaansche veteranen van het
zuiden werd aangevallen. Weldra was de werkzame geest van den Keizer,
die steeds bezig was te formuleeren en zijn formulae aan de wereld
op te leggen, zoo geheel verdiept in dogmatische vraagstukken, dat
hij zich om niets meer bekommerde, noch om den treurigen toestand
van Italië, dat door oorlog, hongersnood en pest geteisterd werd,
noch om de grieven en ellende der Byzantijnsche provincies, die
uitgezogen werden door de ondragelijke belastingen, noodig om de
enorme uitgaven van den staat te dekken. De hooge wetgever, wiens
wetten van zoo weinig nut waren voor zijn eigen volk, was nu bezield
door de eerzucht om de hoogste Christelijke leeraar van zijn eeuw te
worden: "Onze voornaamste zorg", schrijft hij omstreeks dezen tijd,
"is gericht op de ware dogmata van het Geloof".
Daar hij met bijzonderen nadruk de theorie van het goddelijk
recht der monarchen op zichzelf toepaste, meende hij, dat zijn
macht hem rechtstreeks door den hemel was opgedragen en geenszins
door bemiddeling van het leger, den Senaat, of het volk, en als
vicarius van de Godheid voelde hij zich gemachtigd de besluiten van
Synoden en Pausen te negeeren en slechts het gezag te erkennen van
een algemeen Concilie, dat door hem zelf was bijeengeroepen. Een
dergelijke gedragslijn, krachtig nagevolgd door Belisarius, die
een Paus afzette, en door Narses, die onwillige bisschoppen naar
Constantinopel verscheepte, moest wel de heftigste oppositie uitlokken
van den kant der geestelijkheid.
De toestand werd erger, toen Justinianus ontdekte, dat een eeuw
vroeger drie bisschoppen in de besluiten van het Concilie van
Chalcedon (451) drie verklaringen heimelijk hadden ingevoegd, die
een duidelijk kettersche gezindheid verrieden. Hevig verontwaardigd,
matigde Justinianus zich het recht van excommunicatie aan en sprak in
naam van de Drieëenheid den banvloek uit over die drie clausules. Maar
noch orthodox noch heterodox toonde in deze aanmatiging van pauselijke
bliksems te willen berusten. Ten slotte ontbood de vertoornde Keizer
Paus Vigilius naar Constantinopel. Deze Paus was, na den dood van
den goeden ouden Agapetus en nadat zijn opvolger door Belisarius was
afgezet, op den Heiligen Stoel geplaatst door den invloed van Theodora,
die veel verwachtte van zijn neiging tot het Monophytisme, een vorm van
ketterij die door haar begunstigd werd; maar hij stelde haar teleur,
ondersteunde den ultra-orthodoxen ijver van haar bekeerden echtgenoot
en kondigde te Constantinopel, waar hij kort vóór, of na haar dood (1
Juli, 548) kwam, een veroordeeling af van de drie beruchte clausules.
Maar de storm, die deze daad bij de Katholieken in het Westen
veroorzaakte, dwong hem die afkondiging te herroepen en zich te
verzetten tegen de aanspraken van den Keizer op geestelijke macht. Het
gevolg was, dat hij op een eiland in de Zee van Marmora gevangen werd
gezet; eerst in het zesde jaar van zijn ballingschap (554) kreeg hij
verlof naar Italië terug te gaan, nadat hij nog eens den banvloek
over de kettersche clausules had uitgesproken. Doch hij bereikte
Italië niet, want hij stierf op zijn reis, te Syracuse. Zonder
twijfel hadden de onderwerping van Vigilius en de vriendelijke
gevoelens van Justinianus jegens den volgenden Paus--den "diaken"
Pelagius--een tijdlang een gunstigen invloed op de betrekkingen van
den Keizer tot de Roomsche Kerk en een gevolg hiervan was blijkbaar de
zgn. Pragmatieke Sanctie, een decreet, dat het burgerlijk en kerkelijk
gezag in Italië moest beschermen tegen de militaire macht en aan de
Kerk eenige belangrijke judicieele voorrechten gaf.
Deze ellendige godsdiensttwisten, die ons misschien onbelangrijk
lijken, waren van grooten invloed op de regeering van Justinianus. De
vijandigheid, die tusschen de verschillende Christelijke sekten
heerschte, was heviger dan de verbittering van de Kerk tegen het
Heidendom was geweest en men kon geen politieke eenheid verwachten
zonder overeenstemming in leerstellige vraagstukken. Dat Justinianus
naar een dergelijke eensgezindheid streefde, kan niet betwijfeld
worden, maar, evenals Zeno met zijn Henotikon, bereikte hij slechts
een verwijding van de kloven; en vooral de kloof tusschen het Oosten
en Westen werd verbreed, waardoor een paar geslachten later de heftige
en langdurige strijd over den beeldendienst ontstond. Bovendien had
Justinianus' religieuze manie een zeer belangrijken en misschien
verderfelijken invloed op Italië, want het deed hem de welvaart
en de verdediging van de onlangs veroverde diocese schandelijk
verwaarloozen en het was aldus een van de oorzaken, waardoor de weg
voor de Longobarden gebaand werd.
In zijn boek over de bouwwerken van Justinianus beschrijft en vermeldt
Procopius een groot aantal kerken, aquaeducten, hospitalen, bruggen
en andere gebouwen, die door den Keizer of onder zijn auspiciën zijn
opgericht, niet alleen in Constantinopel, maar ook in Klein-Azië,
Syrië, Palestina, Egypte en andere deelen van Afrika. Het boek
is blijkbaar niet lang na den dood van Theia en den terugkeer van
Procopius in Constantinopel geschreven, en voordat de Byzantijnsche
heerschappij in Italië weer hecht gevestigd was. Dit verklaart
waarschijnlijk het feit, dat er geen Italiaansche gebouwen in worden
vermeld.
In en rondom Constantinopel bouwde en herbouwde Justinianus ongeveer
vijf en twintig kerken, waarvan vele rijk versierd waren met marmeren
beelden en mozaïeken. De meesten waren waarschijnlijk in den nieuwen
Byzantijnschen stijl, die den ouden basiliek-stijl begon te verdringen
en van dezen was de voornaamste de groote kathedraal, gewijd aan de
Heilige Wijsheid (Hagia Sophia) van God en algemeen bekend als de
Sofia-kerk. [131]) Door Constantijn was een basiliek van denzelfden
naam op dezelfde plaats gebouwd. Die was verbrand bij het tumult,
dat door de verbanning van den patriarch Chrysostomus ontstond, en een
tweede gebouw, een basiliek met houten dak, was eveneens vernield bij
het Nika-oproer. De Sofia-kerk van Justinianus bestaat nog, d.w.z. het
gebouw zooals het door hem hersteld is na een aardbeving, waarbij
een groot deel van den ouden koepel was ingestort. Het plan van deze
prachtige kerk (thans een moskee) werd ontworpen door Anthemius van
Tralles, éen der vijf broeders, die allen even beroemd waren, ieder in
hun beroep. Haar luister, die door Turksch fanatisme gedeeltelijk is
verborgen of ontsierd, wordt zeer juist beschreven door Justinianus'
uitroep: "Ik heb U overtroffen, o Salomon!" Over den bouwstijl van
de Sofia-kerk zullen wij later nog spreken.
Onder de vele andere kerken door Justinianus in Constantinopel
opgericht was een nieuw gebouw in Byzantijnschen stijl op de plaats
van de oude Constantijnsche Kerk van de Heilige Apostelen. Het is
verdwenen, doch naar dit voorbeeld is de St. Marcus' kathedraal met
de vijf koepels te Venetië gebouwd, en dus is de herinnering daaraan
blijven bestaan. Aan Justinianus moet ook worden toegeschreven de
Byzantijnsche kerk van St. Sergius en St. Bacchus, die zooals de
S. Vitale te Ravenna, in het midden achthoekig is, met acht bogen,
waarop een groote koepel rust. Deze S. Vitale is ook een beroemde,
nog bestaande kerk, die in nauwe betrekking staat met den naam van
Justinianus. Zij is ouder dan de St. Sophia (waaraan men in 532 begon);
het is een Byzantijnsche kerk, en gelijkt zoozeer op de kerk van
St. Sergius en St. Bacchus, dat zeer waarschijnlijk het ontwerp voor
Theoderik's kerk te Ravenna en misschien zelfs de werklieden afkomstig
waren van Anthemius en een ander oosterschen architect; en toevallig
was de man, die de leiding had van den bouw van de S. Vitale [132]),
Aartsbisschop Ecclesius, juist een jaar, voordat men aan de kerk
begon, te Constantinopel; want Koning Theoderik zond in 525 gezanten
naar het oostersche hof, en onder dezen was, behalve Paus Johannes,
ook Ecclesius. Zijn houding te Constantinopel beviel den Ariaanschen
monarch blijkbaar beter dan die van den ongelukkigen Paus, want kort
na zijn terugkeer en waarschijnlijk vóor Theoderik's dood begon hij
deze prachtige Byzantijnsche kerk, die, trots vele herstellingen
toch nog iets van haar oorspronkelijken luister behouden heeft. Van
bijzondere schoonheid zijn de marmeren zuilen, met de fijnbewerkte
kapiteelen en onbeschrijfelijk rijk zijn de mozaïeken.
Sommige van deze mozaïeken zijn geplaatst tijdens het leven van
Ecclesius († 534), want hij wordt er op voorgesteld zonder nimbus. Dit
apsis-mozaïek, zooals de groep engelen in de S. Apollinare Nuovo,
onderscheidt zich sterk van de andere door zijn eenvoudige en
indrukwekkende grootheid, die wij ook in de oudere mozaïeken
te Ravenna en te Rome vinden. De andere kenmerken zich door den
pronkerigen opschik en onartistieke uitvoering, die men gewoonlijk
bij Byzantijnsche mozaïeken aantreft. Deze behooren tot de periode,
die volgt op de inneming van Ravenna (540) door Belisarius, en waren
zonder twijfel bekostigd door Justinianus en Theodora, die ruim hadden
ingeschreven voor de versiering van de S. Vitale. Het is dus zeer
belangrijk, dat onder deze latere mozaïeken de portretten van den
Keizer en de Keizerin voorkomen en uit den nimbus, waarmede beiden
zijn versierd mogen wij misschien afleiden, dat de mozaïeken voltooid
zijn na 548, toen Theodora stierf, of zelfs na Justinianus' dood in
565. Justinianus wordt afgebeeld met een gouden bakje vol juweelen of
geld, dat hij de kerk aanbiedt; hij is vergezeld van den Aartsbisschop
Maximianus, die het gebouw in 547 heeft gewijd. Theodora [133], omgeven
door haar hofdames, brengt als haar offer een grooten beker en is op
het punt de kerkdeur binnen te gaan, waarbij de doopvont staat.
Nog éen kerk, S. Apollinare in Classe moet hier in verband met
Justinianus vermeld worden, want het is zeer waarschijnlijk dat
hij persoonlijk belang had bij de voltooiing van die kerk, daar zij
tusschen 535 en 538 gebouwd is door den opvolger van Ecclesius en,
evenals de S. Vitale, door Maximianus gewijd is. De stad en de haven
van Classe zijn, zooals wij reeds verteld hebben, geheel verdwenen
en deze groote basiliek van S. Apollinare staat nu, evenals de oude
Grieksche tempels te Paestum, bijna geheel verlaten; misschien is er
geen indrukwekkender gebouw in de wereld. Uitwendig bezit het geen
schoonheid die met een Griekschen tempel of noordelijke kathedraal
kan vergeleken worden, ofschoon men den ouden klokketoren, die in
zwijgende waardigheid tusschen de met waterlelies bedekte poelen en de
drassige velden van het eenzame moerasland zich verheft, niet licht
zal vergeten; maar inwendig is deze basiliek een van de heerlijkste
en prachtigste, die bestaan.
DERDE DEEL.
HISTORISCH OVERZICHT.
568-800.
Ons verhaal is afgebroken bij den dood van Narses, die waarschijnlijk
in 567 plaats vond, een paar maanden voor den inval van de Longobarden;
nu volgt, gedurende twee eeuwen ongeveer, de heerschappij van de
Longobarden, een tamelijk donkere en droevige periode, waarin vele
zaden, die later bloemen en vruchten voortbrachten, zich in den
grond ontwikkelden, maar die voor ons niet veel aantrekkelijks heeft,
behalve eenige belangrijke persoonlijkheden, voorboden van de komende
lente van de Italiaansche kunst.
De bronnen van onze kennis zijn verscheidene; van groot belang zijn
de geschriften van Paus Gregorius den Groote, het Edict van Koning
Rotharis (Roterik) met een voorrede, waarin vele feiten vermeld worden,
die een duisteren tijd eenigermate belichten (tot 640 ongeveer);
tegelijk met de handschriften van die voorrede is een belangwekkenden
Origo Langobardorum van omstreeks 607 gevonden, die de eenigszins
legendarische oudste geschiedenis van de Longobarden geeft; ten slotte
hebben de Historia Langobardorum van Paul Warnefrid, algemeen bekend
als Paulus Diaconus, een Longobard, die een tijdlang leefde aan het hof
van Karel den Groote en zich ten slotte terugtrok in het Benedictijner
klooster van Monte Cassino, waar hij waarschijnlijk omstreeks 800
stierf. Zijn Historia geeft een zeer duidelijke beschrijving van den
ellentoestand van Italië tijdens den Longobarden-inval en een reeks van
levendige portretten van de Longobardische koningen tot de regeering
van Liutprand, met vele invoegsels, in den trant van Herodotus. Het
werk is onvoltooid, misschien, omdat hijzelf een Longobard was en
toch veel aan den Frankischen koning te danken had, zoodat hij het
lastig vond de verovering van Italië door de Franken te beschrijven.
Volgens Paulus Diaconus kwamen de Langobardi of Longobardi
("Langbaarden"), evenals de Goten, van Scandinavië, waarheen hun
voorouders waarschijnlijk uit de binnenlanden van Azië getrokken
waren. Zij worden vermeld door een Latijnschen schrijver, Velleius
Paterculus, die ten tijde van Augustus in Germanië onder Tiberius
gediend had. Hij noemt hun woestheid erger dan die der Germanen
en vertelt dat zij aan de Beneden-Elbe wonen. Ongeveer 178 namen
zij deel aan de zuidwaartsche beweging van verschillende stammen,
die door Marcus Aurelius gestuit werd. Dan hooren wij drie eeuwen
niets van hen, maar zij zullen wel onder de bondgenooten van Attila
geweest zijn en blijkbaar trokken zij ongeveer 508 zuidwaarts van
de Elbe en vestigden zich aan den noordelijken oever van den Donau,
na de Herulen te hebben overwonnen. Vier en veertig jaar later (552)
gedroegen zich de Longobardische hulptroepen van Narses zoo woest,
dat hij hen moest omkoopen om naar hun land terug te gaan. De koning
van deze hulptroepen was Audoin, wiens zoon Alboin thans onze aandacht
vraagt.
Tegenover de Longobarden in het land der Rugiërs (de streek langs
den noordelijken oever van den Donau, tusschen Regensburg en Weenen)
woonden de Gepiden, die uit het Westen, uit Dacië schijnen, gekomen te
zijn en het land, dat Theoderik en zijn Oost-Goten hadden verlaten,
Pannonië enz. hadden bezet. Deze Gepiden waren in 554 zoo lastig
voor het Romeinsche Rijk, dat door Justinianus, volgens de gewone
politiek van het Byzantijnsche hof, de Longobarden werden omgekocht
om hen aan te vallen. Op den eersten veldtocht doodde de jonge Alboin
den zoon van den koning der Gepiden, Torismund, maar de oorlog werd
voortgezet en eerst toen de Longobarden voor een deel van hun vee en
veel land en buit een verbond met de Avaren, dien woesten stam van
Turksche afkomst, waardoor Justinianus zoo verschrikt was, hadden
gekocht, verpletterden zij hun vijand in een grooten slag. De Gepiden
schijnen ongeveer uitgeroeid te zijn, want men hoort niet meer van
hen en hun koning Cunimund onderging hetzelfde lot als zijn broeder
Torismund door de hand van Alboin, die nu koning van de Longobarden
was. Zijn hoofd werd afgeslagen en Alboin liet van den schedel een
drinkbeker maken. Zijn dochter Rosamund werd gevangen genomen en
gedwongen Alboin te trouwen, die vroeger naar haar hand had gedongen,
maar met minachting door haar vader was afgewezen.