volgehouden, dat Boëthius een heiden was en dat de verschillende werken
tegen de Arianen en andere ketters, die aan hem worden toegeschreven,
onecht zijn. Zeker lijkt het vreemd, dat hij in zijn hoofdwerk geen
melding maakt van het Christendom. En toch werd hij vroeger altijd
als een Christen beschouwd en als een Christelijke martelaar, en niet
alleen werd zijn lichaam begraven in "Cieldauro" naast den grooten
Kerkvader, maar zijn "heilige ziel" wordt geplaatst in het Paradijs
[118] door den grooten Italiaanschen dichter, wiens poëem een spiegel
is van het geloof der Middeleeuwen en die, zooals Carlyle zegt,
dat geloof voor altijd rythmisch zichtbaar heeft gemaakt.
Hoe sterk dit boek van Boëthius tot vroegere geslachten sprak, blijkt
wel uit het feit, dat bijna ieder groot schrijver van de Middeleeuwen
het vermeldt, het aanhaalt of het navolgt.
De naam Cassiodorus [119] is reeds dikwijls genoemd. Hij was omstreeks
480 geboren. Door aanbeveling van zijn vader, die een hoog ambtenaar
was, kwam hij als jong man in dienst van Theoderik. Gedurende
verscheidene jaren was hij Secretaris en Minister van Staat bij den
Gotischen Koning en later bij Athalarik, Amalasuntha, Theodahad en
zelfs bij Vitiges. Maar hij was nu ongeveer zestig jaar oud en zijn
langdurige ervaring had hem ervan overtuigd, dat het plan, hetwelk
hij met Theoderik had gekoesterd, om het Gotische en Italiaansche volk
samen te smelten, onuitvoerbaar was. Daarom trok hij zich terug van het
openbare leven en stichtte (c. 539), nabij zijn geboortestad Squillace,
in Calabrië, een kluis en een klooster--dit laatste eenigszins naar
het voorbeeld van het wereldberoemde klooster van Monte Cassino,
dat St. Benedictus reeds tien jaren bestuurde. Hier bracht hij de
rest van zijn lang leven door met contemplatie en geestelijken
arbeid. Waarschijnlijk leefde hij tot den inval der Longobarden
in 568, volgens sommigen tot 575. Men zegt dat hij, 93 jaar oud,
een opvoedkundige verhandeling heeft geschreven voor zijn monniken;
in de dertig daaraan voorafgaande jaren heeft hij zijn groot werk,
de Historia Getarum, en verschillende Bijbelsche commentaren en
andere theologische werken, samengesteld, en een Kerkgeschiedenis
uitgegeven, die, door zijn leerling Epiphanius uit Grieksche schrijvers
gecompileerd, eeuwenlang een populair tekstboek is gebleven.
De brieven, die Cassiodorus in opdracht van Theoderik en andere
Oost-Gotische koningen geschreven heeft, zijn zeer belangrijk en
soms vermakelijk, maar zijn bloemrijke en pompeuze stijl is dikwijls
vervelend.
De Historia Getarum, in twaalf boeken, is geschreven om de voorouders
van Theoderik te verheerlijken. Cassiodorus geloofde ten onrechte,
dat de Goten tot hetzelfde ras behoorden als de Thracische Getae. Hij
beschouwde Zalmoxis [120], den God van de Getae, als stamvader van de
Amali en de Amazonen als oude Gotische heldinnen. Deze Historia is
niet meer over, maar wij bezitten er een uittreksel van, geschreven
door Jordanes, die, naar men zeide, tot de koninklijke familie van
de Amali behoorde. Hij schijnt dat omstreeks het jaar 551 te hebben
gemaakt, dus lang voor den dood van Cassiodorus te Constantinopel, en
als wij Jordanes zelf mogen gelooven, was zijn arbeid een merkwaardige
krachtproef van het geheugen, of het moet een voortbrengsel zijn van
een zeer vruchtbare verbeelding, want hij vertelt ons, dat hij het
oorspronkelijke werk (twaalf deelen!) niet langer dan drie dagen in
handen heeft gehad. Jordanes toont natuurlijk in zijn Getica groote
bewondering voor zijn Gotisch volk, maar deelt in de geestdrift van
Cassiodorus en zijn koninklijken meester voor Romeinsche beschaving
en in de hoop om een fusie van de twee volkeren te zien.
Litterair staat het werk [121] van Procopius veel hooger dan de
Getica. Men kan bemerken, dat het in later tijd is geschreven en de
navolging van anderen is onmiskenbaar. Wanneer men een beschrijving
leest van een slag of de ellende van een beleg of pest, kan men zich
dikwijls voorstellen een bladzijde te lezen uit den Peloponnesischen
Oorlog of een uitstekend academisch opstel in Thucydideïsch proza
met een zweem van Herodoteïsche naïveteit. Men is soms werkelijk
geneigd te gelooven, dat de schrijver in zijn litterairen ijver
den stijl hooger stelt dan de feiten. Maar behalve zijn geleerde
eigenaardigheden bevat het werk van Procopius vele oorspronkelijke
gedachten; bovendien is het als kroniek onschatbaar, want het is
bijna het eenige verhaal van de veldtochten van Belisarius en Narses,
dat wij van een tijdgenoot bezitten.
Procopius was geboren te Caesarea, in Palestina. Als jongeling kwam hij
te Constantinopel onder de regeering van Anastasius. Hij schijnt weldra
bekend te zijn geworden, want ongeveer 528 werd hij door Justinianus
uitgekozen om Belisarius op zijn Perzischen veldtocht te vergezellen,
waarschijnlijk als secretaris en politieke raadgever. Zooals Polybius
Scipio naar Afrika begeleidde en de verwoesting van Carthago bijwoonde,
zoo volgde Procopius Belisarius naar Afrika en was tegenwoordig bij
de inneming van Carthago. Na de vernietiging van de Vandaalsche
heerschappij in Afrika bleef hij bij den Byzantijnschen veldheer
in Italië en bewees hem belangrijke diensten tijdens het beleg van
Rome en bij andere gelegenheden. Zijn Gotische Oorlog eindigt met
den dood van Theia. De laatste zin herinnert sterk aan Thucydides:
"Aldus eindigde het 18e jaar van den Gotischen Oorlog, die beschreven
is door Procopius."
Spoedig hierna keerde hij naar Constantinopel terug, waar zijn
held Belisarius in tamelijk ongunstige omstandigheden verkeerde, en
vergezelde hem op zijn veldtocht tegen de Avaren in 559. Een jaar
of twee later werd hij stads-prefect. Men weet niet, wanneer hij
gestorven is.
Waarschijnlijk bezorgde zijn eenigszins vleiend verslag van Belisarius'
veldtochten hem en zijn boek een koele ontvangst aan het hof van
Justinianus. Misschien heeft hij, om den Keizer gunstig te stemmen,
de Aedificiis Justiniani geschreven, een zeer belangrijk werk, over
de gebouwen die onder Justinianus opgericht zijn. Een ander boek,
dat waarschijnlijk door hem is geschreven, is de Anecdota, dat door
zijn Latijnsche vertaler Historia Arcana (geheime geschiedenis) wordt
genoemd. Het beweert onthullingen te geven over schandelijke toestanden
aan het keizerlijk hof en stort een stroom van bittere satiren uit over
Justinianus en zijn gemalin Theodora, het vroegere circus-meisje. Als
dit boek van Procopius is, heeft hij het waarschijnlijk later
geschreven, toen zelfs zijn de Aedificiis geen gunstige uitwerking had,
of toen zijn verontwaardiging over de behandeling van Belisarius ten
top was gestegen. De satire werd uitgegeven na Justianius' dood in 565.
Wij zullen hier een uittreksel laten volgen van Procopius' beschrijving
van de pest, die Constantinopel omstreeks 544 teisterde, gedurende
twintig jaren [122] met eenige onderbrekingen terugkeerde, en Gallië
(zooals Gregorius van Tours vertelt) en waarschijnlijk Brittannië
bezocht. De nauwkeurige navolging van Thucydides is merkwaardig.
Hij begint te zeggen, dat "menschen met een aanmatigend verstand"
mogen beproeven de oorzaak op te sporen van dergelijke dingen,
die als de bliksem op het menschelijk ras neerstorten, maar dat God
alleen weet, vanwaar zij komen. Geen omstandigheid of land of klimaat
of jaargetijde of volk had invloed op de baan van de pest; zij ging
haar weg, verwoestte of spaarde, zooals zij wilde. "Laat dus ieder,
hetzij wijze of astroloog, over het onderwerp spreken volgens zijn
inzichten, maar ik zal vertellen, in welk land de pest het eerst is
verschenen en beschrijven, hoe zij de menschen doodde". Procopius
geloofde dat zij het eerst verscheen in Egypte en haar weg in twee
jaren door Palestina naar Constantinopel vond, waar hij zelf toen was
(543-44). Eerst verbeelden de menschen zich allerlei spookgestalten
te zien en door deze gewond te worden; dadelijk daarna worden zij
door de pest aangetast. Zij beproeven die door gebeden te verbannen,
maar vallen in de kerken dood. Anderen sluiten zich op in hun huizen
uit angst, dat zij door de demonen zullen worden opgeroepen. Het
eerste symptoom was plotselinge koorts, ofschoon het lichaam bij
aanraking niet heet was (zooals ook Thucydides zegt). Binnen een paar
dagen vormde zich in de lies of den oksel een gezwel, dat de lijders
in doodstrijd over den grond deed rollen of hen in de zee of in de
bronnen dreef. Bij ontleding werden in die klierachtige gezwellen
afschuwelijke bloedzweren gevonden. Bovendien was het heele lichaam
bedekt met zwarte puistjes zoo groot als linzen. Wanneer het gezwel
barstte, volgde er soms herstel, maar vele overlevenden werden door
paralysis, vooral van de tong, aangetast. "Toen nu alle graven vol
waren, en alle menschen, die gebruikt werden om de dooden in het
open veld te begraven, verdwenen waren, beklommen zij, die voor de
begrafenis van de lijken moesten zorg dragen, daar zij niet in staat
waren gelijken tred te houden met het aantal van hen, die stierven,
de torens van een gedeelte der stadsmuur, namen de daken er af en
wierpen de lijken door elkaar in de torens; en toen zij die allen,
om zoo te zeggen, tot den rand volgepropt hadden, legden zij de daken
er weer op. En de afgrijselijke stank, die vandaar de stad bereikte,
verergerde de ellende van de bewoners, vooral wanneer de wind van
die kant woei."
HOOFDSTUK III.
ST. BENEDICTUS.
Wij hebben gezien, hoe Cassiodorus, nadat hij ongeveer dertig jaren
verscheidene vorsten als raadsman en vertrouwde gediend had, zich
aan de wereld onttrok en het laatste gedeelte van zijn leven in een
klooster op de afgelegen, zuidelijke kust van Calabrië doorbracht. Dit
is een van de vele gevallen, waardoor de sterke aantrekking bewezen
wordt, die in deze vroegere tijden van de Kerk door het kloosterleven
werd uitgeoefend.
Men zal zich herinneren, dat de wilde buitensporigheden van de
Egyptische en Oostersche kluizenaars, in Italië een beweging
veroorzaakten, die, getemperd door den niet zoo prikkelbaren aard
van de Westersche en Noordsche rassen, een uitgebreiden groei van
het kloosterleven tengevolge had. Begunstigd door de Kerk, die
gewonnen was door de argumenten van Anastasius en had ingezien,
dat het verstandig was van de nieuwe religieuze geestdrift partij
te trekken, verspreidde het monasticisme zich met groote snelheid
tot de uiterste grenzen van het Westersche Rijk, en zelfs buiten
die grenzen, in Ierland en Wales, waar eenige bekende kloosters
de centra van het zendingswerk en intellectueel leven vormden,
totdat de Engelsche Kerk bijna geheel uitgeroeid werd door de
heidensche Angelen. In Italië waren er in alle standen velen, die
verlangden naar de heerlijke eenzaamheid en rustige contemplatie,
die vermoeid waren door de eindelooze verschrikkingen en gevaren van
den oorlog en de eindelooze godsdiensttwisten, die geen voldoening
vonden voor hun hooger gevoel van geloof, hoop en naastenliefde in
de vormelijke onderwerping aan een Kerk, die niets anders scheen te
eischen dan een bijgeloovigen eerbied voor zekere diepzinnige, dikwijls
onbegrijpelijke uitspraken en voor de wonderdadige krachten van oude
beenderen en dergelijke fetischen. Alle vormen van het monnikwezen
berusten op verkeerd geleide instincten, wier vrije uitoefening in
het gewone leven door het Christendom rijkelijk wordt bevorderd. De
meest onnatuurlijke van deze vormen was zeker het tragische en tevens
belachelijke verschijnsel van het oostersche kluizenaarsleven. Het
westersche kloosterwezen had meer zin en wanneer wij in aanmerking
nemen de staatkundige, kerkelijke en maatschappelijke toestanden van
dien tijd en de bijna algeheele afwezigheid van eenigen uitweg voor
religieuze, intellectueele en philanthropische geestdrift, kunnen
wij het zich onttrekken aan zulk een onbevredigende wereld niet
afkeuren, vooral, wanneer de idealen van eenzaamheid en eigen redding
gepaard gaan met die van godsdienstige broederschap en hard werken
(hetzij handenarbeid of geestelijk werk), en nog minder, wanneer
later zelfverloochenende hulpvaardigheid in de ellende van anderen,
St. Franciscus en zijn eerste volgelingen inspireert.
Cassiodorus stichtte een kluis voor eenzamen en een
kloostergemeenschap, wier leden hun tijd wijdden aan
godsdienstoefeningen, contemplatie en intellectueel werk. In
de Benedictijner-kloosters werd handenarbeid als noodzakelijker
beschouwd dan intellectueele arbeid, doch overigens is het groote
verschil, dat er tusschen Benedictus en Cassiodorus als stichters
bestaat, niet terstond duidelijk. Maar Benedictus was niet alleen de
oprichter van kloosters; hij was de stichter van de eerste groote
monnikenorde van het westersche Christendom en is de "patriarch"
van vier andere belangrijke Benedictijner Orden. [123] Of de
oprichting van monnikenorden, welke in hetzelfde jaar plaats vond,
waarin Justinianus de laatste philosophen uit Athene verdreef, een
zegen voor het menschdom was of niet, behoeft hier niet besproken
worden. Dat het, zoowel ten goede als ten kwade, op de evolutie
van de Europeesche beschaving van grooten invloed is geweest, is
ontwijfelbaar en dit verleent een bijzondere waarde aan de feiten,
die samenhangen met de stichting van de Orde, die zoo snel bijna alle
groepen van monniken in West-Europa in haar organisatie opnam [124] en
die, als wij de vroege, half georganiseerde Augustijnen uitzonderen,
gedurende zeven eeuwen,--dus tot den tijd van St. Franciscus en
St. Dominicus--de eenige Orde van het westersche Christendom was.
Het leven van St. Benedictus is uitvoerig en met vele fantastische
toevoegsels verteld door Gregorius den Groote, die volgens sommigen
juist op den dag geboren is, waarop de heilige stierf (21 Maart,
543). Benedictus was in 480 te Norcia, een kleine stad in de
Umbrische bergen ten Westen van Spoleto, geboren. Toen hij ongeveer
vijftien jaar was ging hij om te studeeren naar Rome, dat toen onder
Odovacar stond; maar het leven, dat zijn mede-studenten leidden,
werd hem zoo ondragelijk, dat hij zich terugtrok in de eenzaamheid
van de Apennijnen, dicht bij de bronnen van den Arno. Zijn voedster
volgde hem daarheen; haar overdreven zorg voor het veraangenamen van
zijn leven, de lastige bewondering van het landvolk voor zijn heilig
wezen en zijn vroeg ontwikkelde gave van wonderdadigheid dwongen hem
te vluchten. Hij zocht een schuilplaats in een hol of kloof in de
rotsen bij Subiaco aan den Boven-Anio--ongeveer 23 K.M. ten zuiden
van Vicovaro, het Varia van Horatius, dat niet ver van zijn Sabijnsch
landgoed in de Digentia vallei ligt.
Bij Subiaco leefde hij een tijd als kluizenaar; zijn voedsel werd hem
verschaft door een monnik en later door schaapherders, die het aan een
touw in zijn grot lieten zakken. Maar soms moest hij zijn schuilplaats
verlaten, wanneer het ten minste in deze periode was, dat hij gewoon
was zich te straffen voor zijn verliefde gedachten aan een Romeinsche
schoone door zich naakt in een doornboschje te rollen, dat sinds dien
tijd rozen droeg, de rechtstreeksche voorouders, zegt men, van die,
welke nu aan den bezoeker van den kloostertuin getoond worden. [125]
Ten slotte bewoog het heilige leven van Benedictus de monniken van
Vicovaro hem tot hun abt te kiezen. Maar zijn Regel bleek te streng
voor hun losbandige gemeenschap. Zij trachtten hem te vergiftigen;
toen hij echter den hem aangeboden beker zegende, viel deze uit de
hand van den moordenaar, een gebeurtenis, die op vele Benedictijner
schilderstukken wordt voorgesteld. Daarna trok hij zich met vele
discipelen terug naar de "Heilige Grot", die wat hooger op den heuvel
ligt dan zijn eerste hol [126]; hij bewerkte, dat in de omstreken
twaalf kloosters werden gebouwd; daartoe behoorde ook het klooster,
dat later aan zijn zuster Scholastica gewijd is; in de 11e en 13e eeuw
is er veel bijgebouwd en het is nu een der schoonste merkwaardigheden
van Subiaco. In dit gebouw werd in 1465 de eerste Italiaansche drukpers
opgesteld. Benedictus schijnt meer den nadruk gelegd te hebben op het
ontwijken van het kwaad dan op het weerstand bieden daaraan. Eenige
geestelijken, die afgunstig waren op zijn succes, huurden vrouwen
om de zeden van zijn monniken te bederven en zijn aardsch Paradijs
te verstoren. In een plotselinge vlaag van walging verliet hij
zijn twaalf kloosters en ging wederom een rustiger schuilplaats
zoeken. Op zijn tocht bereikte hij Cassinum, ongeveer halfweg Rome
en Napels. Boven de stad, die aan den Rapido, een zijrivier van
den Liris ligt, verheft zich de Monte Cassino, een kale kalksteenen
bergrug, ongeveer 1700 voet hoog. Hier stond nog een tempel en een
heilig bosch met standbeelden en altaren gewijd aan Apollo en Venus;
het landvolk bracht nog offers aan deze goden--of demonen. Benedictus
preekte het Christendom voor dit "bedrogen volk" en haalde hen over den
tempel en de altaren af te breken en het bosch om te hakken; op die
plaats bouwde hij een kapel voor Johannes den Dooper en Martinus van
Tours. Daarna stichtte hij (529) nog hooger op den berg een klooster,
dat gedurende meer dan dertien eeuwen als het voornaamste van het
westersche Christendom geëerd werd en dat in het Donkere Tijdperk
van de Europeesche Geschiedenis het voornaamste toevluchtsoord was
voor oude kunst en wetenschap en binnen zijn muren veiligheid bood
aan menigen vorst, krijgsman en geleerde, die de wereld moede was.
Van Monte Cassino heeft men het gezicht over de heerlijke vallei van
den Liris bekend uit Horatius--
Non rura, quae Liris quieta
Mordet aqua, taciturnus amnis.
In het westen ligt Aquinum, de geboorteplaats van Juvenalis en den
doctor Angelicus; naar het noorden krijgt men een kijkje over de
zee en het land van Minturnae, Caieta en Sinuessa, namen, die de
herinnering wekken aan Horatius en Vergilius, en aan de dagen, toen
Rome over de wereld heerschte. En dan denkt men aan het lange Donkere
Tijdperk, dat op den val van Rome volgde en men tracht zich voor te
stellen hoe van deze zelfde muren, door Benedictus gebouwd, menschen
neerzagen op de verwoestende benden van ontelbare indringers--Goten,
Byzantijnen, Longobarden, Saracenen, Noormannen, Duitschers, Franschen
en Spanjaarden--op elkaar volgend in een bijna onafgebroken reeks,
gedurende ongeveer duizend jaar.
Deze plaats en de komst van Benedictus zijn beschreven door Dante
of liever door den heilige zelf; want Dante ontmoet hem in de sfeer
van Saturnus, onder de contemplatieve zielen; deze, op sterren
gelijkend, gaan de groote gouden ladder, die, als de Jacobsladder,
van de aarde naar den hoogsten hemel reikt, op en af. "Die berg",
zegt St. Benedictus, "op welks zijde Cassino ligt, werd van oudsher
bezocht door het bedrogen, slecht gezinde volk; en ik ben het, die
het eerst hier den naam naar boven droeg van Hem die de waarheid aan
ons op aarde bracht; en zoo groote genade van God straalde over mij,
dat ik de naburige steden van dien vervloekten dienst aftrok, die
eens de wereld verleidde". Dan klaagt Benedictus over de ontaarding
van zijn Orde en spreekt met lof en sympathie over St. Romualdus
van Ravenna, den stichter (c. 1000) van de gereformeerde of Witte
Benedictijnen, de Camaldolesi. [127] Romualdus herstelde en verscherpte
den oorspronkelijken "Nieuwen Regel" van Benedictus; de 73 artikelen,
die berustten op de leeringen van St. Paulus en gedeeltelijk ontleend
waren aan den Oosterschen Regel van St. Macarius, schreven gemeenschap
van goederen, volstrekte gehoorzaamheid, volkomen gelijkheid en
handenarbeid voor, loochenden elk verschil van stand of ras, en
verboden het nietsdoen (otiositas) als een vijand van de ziel,
volgens het beginsel dat laborare est orare.
Tegen het einde van zijn leven voegde zich bij St. Benedictus zijn
zuster, St. Scholastica, die zich op eenigen afstand van het klooster,
in een kluis vestigde. Op de Benedictijner schilderstukken vindt
men haar afgebeeld, biddend, dat haar broeder, die haar bezocht en
wilde teruggaan, zou worden tegengehouden--een gebed, dat vervuld
werd door de plotselinge uitbarsting van een hevigen storm. Andere
schilderijen stellen Benedictus voor, terwijl hij naar een vogel kijkt,
die hemelwaarts vliegt; de vogel stelt de ziel van zijn zuster voor,
die twee dagen na het zoo even vermelde bezoek stierf.
Ongeveer 542 bezocht de Gotische koning Baduila (Totila)
St. Benedictus. Men zegt dat de heilige hem heeft herkend, ofschoon hij
zich vermomd had, hem streng heeft berispt wegens zijn verwoestingen,
en hem zijn dood heeft voorspeld, die echter eerst tien jaar later
plaats vond. Kort daarna, in Maart 543, stierf Benedictus zelf. Zijn
stoffelijk overschot, evenals dat van zijn zuster, ligt onder
het hoogaltaar van de kloosterkerk van Monte Cassino. Deze kerk
(herbouwd in de 17e eeuw) heeft bijna niets, wat ouder is dan de
elfde eeuw, uit welken tijd, naar men meent, de bronzen deur, een
Byzantijnsch werk, is. Op het plein van de kerk staan oude zuilen;
er is wel beweerd dat dit zuilen waren van den tempel van Apollo of
Venus (zie p. 167). Het klooster is meermalen afgebroken. In 589,
slechts zestig jaren na de stichting, werd het verwoest door de
Longobarden. Toen vluchtten de monniken naar Rome en bleven daar 130
jaar. In 883 werd de plaats genomen en verbrand door de Saracenen en
de monniken ontsnapten naar Capua en Teano; maar reeds in 886 was hun
abdij (Badia) herbouwd. Evenals andere kloosters in Italië, is ook
dit geseculariseerd (1866) en een nationaal monument geworden. Toch
bevat het nog een seminarium en wordt bewoond door ongeveer veertig
monniken. De librije, vroeger wereldberoemd, bezit nog menig kostbaar
manuscript. In den tijd van Dante schijnt die zeer veronachtzaamd te
zijn, zooals men kan zien uit een verhaal [128], dat Benvenuto, de
Dante-commentator geeft van een bezoek, dat Boccaccio aan die librije
had gebracht; hij vond "de bewaarplaats van zoo groote schatten zonder
eenige deur of andere afsluiting, gras voor de vensters, en alle boeken
en planken vol stof. Uit sommige boeken waren heele bladen gescheurd,
van anderen de randen afgeknipt. Bedroefd en weenend ging hij heen;
in het klooster kwam hij een monnik tegen en vroeg hem, waarom die
kostbare boeken zoo verminkt waren. Deze antwoordde, dat eenige
monniken, om een paar dukaten te verdienen, er bladen uitscheurden
om psalmboekjes voor jongens te maken; en van de randen maakten zij
breviaria, die zij aan vrouwen verkochten. Pijnig dus, o, geleerde,
uw hersenen om boeken te schrijven!"
HOOFDSTUK IV.
JUSTINIANUS.
Gedurende de eerste acht jaren van zijn regeering had Justinianus
bijna geen rechtstreeksch verband met Italië en ofschoon na 535
ongeveer dertig jaren lang de geschiedenis van het ongelukkige land
voornamelijk werd gemaakt door de wanhopige worsteling van Goten tegen
Byzantijnen en door een korte Byzantijnsche overheersching, zijn toch
de annalen van het Byzantijnsche hof volstrekt niet zoo belangrijk
voor een schrijver over Italië, als voor iemand die het bestaan van
het zgn. Romeinsche Keizerrijk [129] nagaat, van den val van Rome in
476 tot het theoretisch verdwijnen van den echten keizerlijken titel,
doordat een vrouw dien te Constantinopel wederrechtelijk aannam, en
het herleven van dien titel in den persoon van Karel den Groote--of
voor iemand, die de lotgevallen volgt van de zgn. Byzantijnsche
Keizers tot de inneming van Constantinopel door de Turken.
Het zal dus voldoende zijn, als wij een kort verslag geven van
Justinianus' persoonlijkheid en omgeving, en vooral van zijn invloed
op de wetgeving en de bouwkunst.