Zijn belangrijkst edict (Edictum Theoderici) bestond uit 154

artikelen. Zij berustten op de Romeinsche wetten, verzacht door het

Christelijk gevoel. Schijnbaar behielden de Italianen hun wettige

rechten en werden beveiligd tegen onwettige handelingen van de Goten,

die onder het militaire bestuur van de graven stonden: maar deze

tweeledige wetgeving veroorzaakte natuurlijk sterke wrijving tusschen

het militaire en civiele gezag en de overheerschende trotsche barbaren

stoorden zich niet aan billijkheid, terwijl bovendien de Italianen

het recht niet hadden wapenen te dragen, behalve als huurlingen in

het Gotische leger; zij werden beschouwd als geschikte winkeliers,

handwerkslieden, kunstenaars en geneesheeren, en werden ook veel

gebruikt om belastingen van hun landgenooten te innen. Het land was

voor een groot gedeelte aan de Gotische soldaten gegeven, die de

veteranen van Odovacar van hun landgoederen verdreven.

Theoderik's poging om een fusie van de beide volken te bewerken

verwekte dus hevige vijandigheid en verbittering. Dit bracht

hem langzamerhand meer tot absolute tyrannie. Ten slotte voegde

godsdienstig fanatisme zich bij den rassenhaat en bleek hij,

geprikkeld door den tegenstand, zijn aangeboren wreedheid niet te

kunnen beteugelen. Hiermede komen wij tot de laatste ongelukkige jaren

van zijn regeering, tot den dood van Boëthius en Symmachus en tot het

einde van Theoderik zelf, dat ongeveer twee jaren later plaats vond.

Het afgrijzen, dat in veler geest door de sombere en wreede

persoonlijkheid van den Ketterschen barbaren-koning in zijn laatste

jaren werd opgewekt, was zonder twijfel de oorsprong van de talrijke

akelige verhalen over zijn dood. [111] Procopius vertelt het volgende,

wat bijna zoo ijselijk is als het feestmaal in Macbeth. Het gebeurde

kort na den dood van Paus Johannes, Boëthius (die op afschuwelijke

wijze was geworgd) en Symmachus, den schoonvader van Boëthius en

het hoofd van den Romeinschen Senaat, dien Theoderik zonder eenig

onderzoek had laten terechtstellen. Er werd een feestmaal gehouden

in het paleis te Ravenna en een schotel met een grooten visch werd

voor den Koning gezet. Zijn uitpuilende oogen en open bek (zooals die

van een geworgden man) verschrikten Theoderik zoo geweldig, dat hij

sidderend van zijn zetel opstond, de gasten ontsteld achterliet en

zich te bed legde; een hevige koortsaanval en dysenterie veroorzaakten

weldra zijn dood. Volgens een ander verhaal, dat zelfs Paus Gregorius

de Groote in ernst vertelt, werd aan een inner van belastingen,

die het eiland Lipari aandeed, door een kluizenaar gemeld, dat

Theoderik gestorven was. "Dat is onmogelijk", riep de ontvanger uit,

"ik heb hem kort geleden in goede gezondheid verlaten." "Maar ik

zag hem zooeven", hernam de kluizenaar. "Hij werd door demonen in

boeien naar Paus Johannes en Symmachus gesleept om daarna in onzen

vulkaan geworpen te worden." Een derde verhaal, dat in lateren tijd

te Ravenna in omloop was, vermeldde dat Theoderik, om de vervulling

van een voorspelling, dat hij door den bliksem gedood zou worden,

te voorkomen, zijn mausoleum liet voorzien van een dak uit één

geweldig steenblok en daar altijd bij onweer zijn toevlucht zocht;

maar de bliksem doorboorde de geweldige massa en doodde hem, terwijl

het blok juist tot aan het middelpunt gespleten werd, zooals men nu

nog kan zien!

Het Mausoleum van Theoderik, door hemzelf gebouwd, bestaat uit een

zwaren tienzijdigen onderbouw met bogen, waarop een ronde bovenbouw

zich verheft, vroeger omgeven door een zuilenrij en nog gedekt door

den reusachtigen monoliet, die een lagen koepel vormt, zes en dertig

voet in diameter, en waarschijnlijk ongeveer tien duizend centenaars

weegt. De vreemde uitwassen aan den geweldigen steen hebben misschien

gediend voor de touwen, waaraan kolossale kranen hem opgeheschen

hebben. De bovenbouw, die oorspronkelijk de kapel van het Mausoleum

was, werd als Katholieke Kerk (Sta. Maria delle Rotonda) gewijd

na de inneming van Ravenna door Belisarius (540) [112]. Sommigen

gelooven, dat de urn of sarkophaag van Theoderik op vier kleine

zuilen op den top van het dak stond; anderen, dat daar een ledige

urn of cenotaphium stond, maar dat de sarcophaag met het stoffelijke

overschot zich in den onderbouw bevond. Hoe het ook zij, de beenderen

van den Ariaanschen Koning schijnen verbrand, verstrooid, of gestolen

te zijn en begraven door monniken, die er belang bij hadden het verhaal

van den vulkaan op Lipari te bewijzen. Het zonderlingst van alles is,

dat hetgeen men beschouwde als het geraamte van Theoderik (vroeger

door monniken gestolen) in 1854 weer gevonden is en daarna weder is

verdwenen (blijkbaar door vijanden gestolen) tegelijk met een gouden

sieraad (Villari zegt een gouden borstharnas) dat, merkwaardig genoeg,

de monniken zich niet toegeëigend hadden. Van deze verhalen zegt de

Gotische Jordanes niets en hij vertelt ook niet, dat Theoderik eenige

wroeging of berouw voelde. Hij beschrijft, hoe hij op zijn sterfbed

door zijn familie en Gotische edelen was omringd, hoe hij zijn hand

legde op het hoofd van den kleinen Athalarik, dien hij, evenals zijn

moeder Amalasuntha, in hun genegenheid aanbeval, terwijl hij hen ook

aanspoorde het Romeinsche volk en den Romeinschen Senaat te ontzien

en de vriendschap en gunst van den Keizer in het oosten boven alles,

behalve de liefde tot God, te stellen.

De paleizen, kerken en andere gebouwen door Theoderik opgericht

waren blijkbaar zeer talrijk. Hij bouwde of herbouwde aquaeducten

te Rome (de Aqua Claudia en andere), te Terracina, Spoleto, Parma,

Trient en Ravenna (de Trajana); amphitheaters en thermae op andere

plaatsen; stadsmuren te Rome en Verona; basilieken te Ravenna, Rome,

Capua, Napels, Spoleto (waar de prachtige overblijfselen van de oude

S. Agostino del Crocifisso zeker Oost-Gotisch zijn) en ook in zijn

geliefd Verona en Pavia; paleizen te Rome, waar hij gedeelten van de

Domus van de Caesars herbouwde, te Terracina, te Monza, waar later

Koningin Theodelinda, volgens Paulus Diaconus, het zomerpaleis van

Theoderik liet herstellen; te Pavia, waar Agnellus, de kroniekschrijver

van Ravenna, op het gewelf van het Tribunaal in het groote paleis

een mozaïek zag, dat Theoderik op zijn strijdros voorstelde; te

Verona, waar, op de plaats van de tegenwoordige Castella San Pietro,

men misschien overblijfselen kan zien van een paleis van Theoderik,

dat is afgebeeld op een oud zegel van Verona; ten slotte bestaat te

Ravenna nog een gebouw bekend als Theoderik's paleis. Het is dicht

bij zijn prachtige basiliek, en men zou geneigd zijn te denken, dat

het een deel van de koninklijke gebouwen is geweest, maar Ricci en

andere deskundigen plaatsen het in een lateren tijd en meenen, dat

het groote paleis van Theoderik dichter bij de stadsmuren stond,

waar nu de openbare tuinen zijn, bij S. Apollinare Nuovo, omdat

daar ook fundamenten zijn opgegraven. Agnellus vertelt, dat het

paleis uitzag op zee (die toen echter veel dichter bij de stad was)

en omgeven was door mooie tuinen en versierd met prachtige mozaïeken

en beelden; en hij beschrijft een mozaïek van Theoderik te paard,

eenigzins gelijkend op hetgeen hij te Pavia zag. Dit paleis werd

door Belisarius (540) en door de Longobarden geplunderd, maar vele

marmeren beelden en andere kunstwerken bleven ongeschonden, totdat

Karel de Groote die naar Aken bracht om zijn paleis te versieren en

de kathedraal, die hij bouwde naar het voorbeeld van S. Vitale.

Behalve zijn Mausoleum en de overblijfselen van zijn paleis bezit

Ravenna van Theoderik nog in uitstekenden toestand, een zeer schoon

gebouw met prachtig decoratief--de basiliek, nu S. Apollinare Nuovo

geheeten, die hij bouwde in verbinding met zijn paleis. Toen hij,

in 493, de stad, die zoo lang door Odovacar was verdedigd, innam,

stonden er waarschijnlijk reeds de kerken, die in verband met Galla

Placidia zijn genoemd (p. 80). Deze kerken waren alle katholieke,

en Theoderik schijnt zich eerst tevreden gesteld te hebben met het

in bezit nemen van de kerk van S. Teodoro [114]; hij veranderde het

Romeinsche bad in een baptisterium, dat nu nog de Battistero degli

Ariani heet. Later beantwoordde hij Justinus' bevel om de Ariaansche

kerken te sluiten door alle Katholieke kerken te sluiten of voor den

Ariaanschen dienst te veranderen, en het zgn. Ariaansche kruis kon men

waarschijnlijk in alle kerken te Ravenna zien. [115] Zijn basiliek was

de kerk, die hij in verbinding met zijn paleis bouwde, waarvoor hij

vele prachtige marmeren zuilen van Rome liet aanvoeren. Zij werd gewijd

aan Jezus Christus en behield dien naam, totdat zij werd "gereinigd"

voor den Katholieken dienst door Aartsbisschop Agnellus (c. 560). Toen

kreeg die kerk den naam van Sanctus Martinus in Caelo aureo (met dien

"gouden hemel" wordt ook hier het vergulde dak bedoeld). Ongeveer 800

werd zij weder gewijd als S. Apollinare, en van de andere basiliek

van dien naam, die gebouwd werd op de plaats, waar de heilige [116]

was gemarteld, even buiten de havenstad van Ravenna (de toenmalige

"Classis"), onderscheiden door de bijvoeging Nuovo of Dentro

("Binnen").

Behalve de schoone, Romeinsche marmeren zuilen, met kapiteelen

van wit marmer met fijn lofwerk in Byzantijnschen stijl, waarop

de Byzantijnsche "pulvino" rust (een soort van tweede kapiteel),

bezit de basiliek bijzondere waarde en aantrekkelijkheid door haar

schitterende en hoogst belangrijke mozaïeken, waarmede beide zijden

van het schip zijn versierd. Boven de vensters aan de eene zijde

zijn dertien wonderen van Christus en aan andere zijde dertien

voorstellingen van Zijn Lijden afgebeeld; de afwezigheid van de

Kruisiging is kenschetsend voor de vroeg-Christelijke kunst, die er

voor terugdeinsde den doodstrijd van den Verlosser in beeld te brengen.

Tusschen de vensters zijn figuren van profeten en heiligen, waaronder

sommige zeer plechtige. Al deze mozaïeken dateeren uit den tijd

van Theoderik, en toonen vooral door hun verschillende houdingen,

hun prachtig geteekende en geschaduwde gewaden, hun fijne kleuren,

de kenmerken van de Romeinsche, in tegenstelling met de Byzantijnsche

school. Nog grootscher zijn de mozaïeken, die aan beide zijden van het

schip de ruimte tusschen de toppen van de bogen en de bovenvensters

vullen. Aan den eenen kant troont Christus tusschen vier engelen; vijf

en twintig martelaren naderen, en aan het einde van deze processie

staat het paleis van Theoderik. Aan den anderen kant troont de Maagd

met het Kind tusschen vier engelen; de drie Wijzen komen naderbij

gevolgd door vier en twintig maagden en iets verder ziet men de

stad met haar muren en de haven van Classe. Nu schijnt het wel zeker

(zooals later zal blijken), dat de processies van maagden en martelaren

van lateren datum zijn dan de overige mozaïeken en dat zij, toen

de kerk werd "gereinigd" voor den Katholieken dienst, aangebracht

zijn in de plaats van de oorspronkelijke mozaïeken van Theoderik,

die waarschijnlijk den koning te paard voorstelden en verschillende

optochten van Gotische edelen en krijgslieden. Op de afbeelding van

het paleis zijn nu de ruimten van de bogen gevuld door gordijnen,

die de figuren van den Koning (in het midden) en van zijn hovelingen

moeten verbergen, iets wat niet geheel bereikt is, want hier en daar

kan men een menschelijke gedaante gedeeltelijk nog herkennen.

Nog een feit is in dit verband van belang. Op den achtergrond van

het paleis en ook van de muren van Classe zijn talrijke gebouwen

geschilderd. Waarschijnlijk hebben wij hier ruwe omtrekken van de

oude Ursiaansche kathedraal en het aangrenzend baptisterium (dat nog

bestaat) en van de oorspronkelijke S. Giovanni Evangelista, gebouwd

door Galla Placidia, of van S. Teodoro, herbouwd door Theoderik,

en van den Battistero degli Ariani. Merkwaardig genoeg vindt men

geen aanwijzing van eenigen campanile, zooals die nu bestaan. Er

is ook geen aanduiding van de twee prachtige kerken te Ravenna, de

S. Vitale en S. Apollinare in Classe, die opgericht, of voltooid zijn

in de latere periode van den Gotischen oorlog of van de Byzantijnsche

overheersching (c. 535-550).

HOOFDSTUK II.

DE SCHRIJVERS.

De schrijvers van dezen tijd zijn deels Christelijke, zelfs Kerkvaders,

deels heidensche schrijvers, en meestal partijdig, zoodat het dikwijls

onmogelijk is hun feiten of waardeering van karakters te aanvaarden. De

schrijvers, die de gebeurtenissen beleefd hebben, wekken natuurlijk

de meeste belangstelling en men zou kunnen denken, dat deze de

nauwkeurigste bijzonderheden vertellen; maar juist zij werden het

meest door persoonlijke en politieke invloeden beheerscht. En zij,

die de geschiedenis schreven van vroegere tijden, waren gewoon vele

legenden te weven tusschen hun verhalen en ook zelf te fantaseeren,

zooals Agnellus van Ravenna, die, wanneer de feiten hem in den

steek lieten, op God en de gebeden van de broeders vertrouwde om

zijn verbeelding te bezielen, opdat er geen lacuna zou zijn in zijn

Levens der Pausen. Voor de eerste 30 jaren van de vierde eeuw hebben

wij Lactantius en Eusebius, bisschop van Caesarea, die ons o.a. een

"Leven van Constantijn" geeft. Hij verklaart openhartig, dat hij de

feiten heeft verhaald of verzwegen overeenkomstig de belangen van

den godsdienst. Dan hebben wij Keizer Julianus en zijn bewonderaar

Libanius, den redenaar en leermeester van Basilius (329-'79)

en Chrysostomus (347-407), Grieksche Kerkvaders, tijdgenooten van

den Heiligen Hieronymus, den Latijnschen Kerkvader, aan wien wij de

Vulgata danken, en den Heiligen Gregorius van Nazianzus, den hevigen

bestrijder van den afvalligen Keizer. Daarop volgt de dichter Ausonius

(c. 350), leermeester van Gratianus, en Ammianus Marcellinus, een

andere bewonderaar van Julianus, die zijn belangrijk werk begint vóór

de troonsbestijging van dien Keizer en doorgaat tot de verdwijning

van Valens (378). Hoewel te Antiochië in Syrië geboren, was hij de

laatste van de Romeinsche onderdanen die een profane geschiedenis in

het Latijn schreef. Daarna komt Zosimus, een heidensche Griek, een

vurige tegenstander van Theodosius den Katholiek. Zijn verhaal loopt

nog over een tamelijk lange periode na dezen Keizer. Een deel van het

volgende tijdperk wordt beschreven in de Brieven van St. Ambrosius,

de Confessiones en De Civitate Dei en andere werken van St. Augustinus

(354-431) en de geschriften van zijn leerling Orosius. Ook Jordanes

en Procopius worden nu bruikbaar, daar zij ons inlichtingen geven

over Alarik, Galla Placidia, de Vandalen en de periode tusschen

de plundering van Rome door Gaiserik en de onttroning van Romulus

Augustulus in 476. Voor Attila hebben wij veel te danken aan Priscus'

Excerpta etc. (zie pag. 84). Ten slotte moeten wij nog Sidonius

van Lyon, gehuwd met de dochter van Avitus, vermelden; hij schreef

lofredenen op hem en andere poppen-Keizers. Door zijn geschriften

verwierf hij den bisschopszetel van Clermont, maar voor ons zijn zij

van weinig waarde.

Na den val van het West-Romeinsche Rijk in 476 verdwijnt de Latijnsche

litteratuur een tijdlang; maar onder bescherming van Theoderik herleeft

zij schitterend in de beroemde "De Consolatione Philosophiae" van

Boëthius en de werken van Cassiodorus, vooral de Geschiedenis van

de Goten, of liever het uitstekende uittreksel, dat de Oost-Gotische

Jordanes hiervan heeft gemaakt. Een ander zeer bekend schrijver van

deze periode is de Griek Procopius, die Belisarius op zijn Perzische,

Afrikaansche en Italiaansche veldtochten vergezelde en een verhaal

schreef van den Gotischen Oorlog tot den dood van Theia.

Anicius Manlius Severinus Boëthius, wiens naam van een voorname

afkomst getuigt, werd ongeveer 470 geboren. In zijn jeugd studeerde

hij te Athene en stelde zich goed op de hoogte van de Grieksche

letterkunde. In 510 was hij consul, zooals zijn vader was geweest,

en later magister officiorum. Zijn geleerdheid, zijn rijkdom, en

zijn hoog ambt verschaften hem grooten invloed. Wij vernemen, dat

zijn paleis versierd was met ivoor en marmer, en er zijn nog brieven

over (blijkbaar door Cassiodorus geschreven), waarin Theoderik hem

vriendelijk om raad vraagt over munten, muziekinstrumenten, klokken,

die loopen door middel van stroomend water, zonnewijzers e.a.,

die hij wil zenden aan den Bourgondischen Koning en waarmede hij

de barbaren hoopt te verbazen en te leeren "zichzelve niet met ons

gelijk te stellen." In 522 werden zijn beide zonen, wier moeder de

dochter was van Symmachus, een der voornaamste senatoren, consuls,

ofschoon zij voor dat ambt tamelijk jong waren. Men zou het leven van

Boëthius dus gelukkig kunnen noemen, wanneer wij niet de waarheid

van Solon's woorden moesten erkennen, dat wij "op het einde moeten

letten" en niet gedwongen waren de uitspraak van Boëthius te gedenken:

"De grootste smart in elken tegenspoed is gelukkig geweest te zijn."

Men zal zich herinneren, dat tegen het einde van zijn regeering

Theoderik zeer verbitterd was door de vijandigheid, waarmede zijn goed

bedoelde pogingen waren ontvangen, vooral in Rome, waar een sterke

anti-Gotische stemming heerschte. Zonder twijfel stonden sommige van

deze patriotten in verbinding met Constantinopel en het ontbrak niet

aan menschen, die voorname Romeinen verdacht wilden maken. Een Gotisch

partijganger, een zekere Cyprianus, diende een aanklacht in tegen den

senator Albinus. Daarop haastte Boëthius zich naar Theoderik in zijn

paleis te Verona. "Als Albinus schuldig is, dan ben ik schuldig--en is

de geheele senaat schuldig", riep hij uit. Doch Theoderik legde deze

moedige woorden niet juist uit en beschuldigde hem, zooals Boëthius

zelf ons vertelt, dat hij in zekere brieven de hoop had uitgedrukt, dat

Rome zijn vrijheid mocht herwinnen (libertatem sperasse Romanam). Hij

werd naar Pavia gezonden en daar gevangen gezet. De senaat, bevreesd

geworden, verklaarde hem schuldig. Het is niet bekend, welke straf

eerst tegen hem geëischt werd. Hij schreef een verdediging, doch

deze is niet, zooals de Apologia van Socrates, bewaard gebleven. Men

weet niet zeker, waar hij gevangen gezeten heeft. Sommigen noemen

een kasteel ("Rocca") bij Pavia, anderen een gebouw bij de vroegere

kerk van S. Zeno, weer anderen het baptisterium van de toenmalige

kathedraal--misschien S. Zeno, die, zooals de meeste van Pavia's

voormalige 165 kerken, verdwenen is.

Gedurende verscheidene maanden van verschrikkelijke spanning hield

hij zich bezig met het schrijven van zijn Apologia en de Consolatione

Philosophiae. Ten slotte besloot Theoderik, misschien verbitterd

door de ontdekking van een complot en woedend over de sympathie, die

de Romeinen en vooral de vader van zijn vrouw, Symmachus, voor den

veroordeelden senator toonden, Boëthius te laten dooden. Het vonnis

werd met onmenschelijke barbaarschheid uitgevoerd. Een koord werd

om zijn hoofd gebonden en zoo strak gespannen, dat zijn oogen uit

hun kassen puilden; daarna werd hij met knuppels doodgeslagen. Dit

gebeurde, zegt men, in den Agro Calvenzano, aan den weg tusschen

Milaan en Pavia, en waarschijnlijk werd hij daar begraven, want

ongeveer 1000 liet Keizer Otto III zijn stoffelijk overschot naar de

S. Pietro in Ciel d'oro te Pavia brengen, waar men gedurende meer

dan acht eeuwen zijn tombe niet ver van die van S. Augustinus kon

zien. Zij schijnt verdwenen te zijn, toen de S. Pietro veranderd en

een tijdlang verlaten werd (1844-'75), want in de gerestaureerde kerk

is hij niet meer te zien. (vgl. plaat 13 en 52. Dante, Par. X, 127.)

Een paar maanden na den dood van Boëthius werd zijn schoonvader

Symmachus aangeklaagd, en geboeid naar Ravenna gebracht, waar hij,

zonder vorm van proces, waarschijnlijk onder martelingen, ter dood

werd gebracht.

Aldus vaagde, niettegenstaande zijn edicten en uitingen van bewondering

voor de Romeinsche wetten, het wreede militaire despotisme van

den Gotischen Koning alle billijkheid weg; want de schrijvers zijn

het allen eens over de valsche beschuldiging van Boëthius. Het is

bekend, dat hij voor Albinus en zichzelf een beroep deed op de wetten

en verzocht in het openbaar verhoord te worden; en dat Symmachus

hetzelfde deed, daarvan kunnen wij overtuigd zijn. Athaulf schijnt

wel gelijk te hebben gehad, toen hij zeide, dat de Goten niet in

staat waren zichzelf te regeeren.

Het werk van Boëthius is een van de meest oprechte en gevoelvolle

boeken, die ooit geschreven zijn en staat zelfs in vele opzichten

boven de Apologia van Socrates of de Phaedo. De uiterlijke vorm is

eenigszins dramatisch. Philosophia, een voorname jonkvrouw, verschijnt

bij Boëthius in den kerker, waar hij met hulp van de Muzen verzen heeft

geschreven en zwijgend nadenkt over hetgeen hij geschreven heeft. Zij

stuurt de bekoorlijke dochters van Mnemosyne eenigszins ontstemd weg en

ondervraagt hem. Hij beschrijft zijn ellende en verdedigt zijn gedrag:

hij wil een verslag van zijn onrechtvaardige behandeling nalaten; hij

klaagt Fortuna aan en beroept zich, evenals Job, op God. Philosophia

troost hem, en, ofschoon zij de Muzen heeft weggezonden, gaat zij

soms tot den poëtischen vorm over. Zij verzoekt hem dan zijn geloof

te belijden en hierover houden zij een langen dialoog in proza en

poëzie; de verzen, vol van schoone gedachten, zijn Horatiaansch van

taal en vorm, en geven bovendien nog wel zes en twintig variaties van

Anacreontische, Sapphische en Asclepiadeïsche versmaten. Philosophia

vindt dat Boëthius zichzelf niet kent (een toespeling op het Delphische

"Ken u zelven") en spoort hem aan zich niet te bekommeren om de wufte

Fortuna. "Ach", roept hij uit, "dat zijn mooie woorden, maar ellende is

werkelijkheid." Dan herinnert zij hem aan zijn vroeger geluk--aan zijn

vrouw, zijn zonen, zijn aanzien, zijn rijkdom. Hierop antwoordt hij:

"De grootste smart in elken tegenspoed is gelukkig geweest te zijn",

een gevoelsuiting, die weerklank gevonden heeft bij vele schrijvers

en door Dante in onsterfelijke verzen is vereeuwigd. [117] Maar

Philosophia wijst er hem op, dat hij nog steeds de liefde van zijn

gezin bezit en nog meer, dat hem gelukkig moet maken, en vaart uit

tegen eerzucht en roem. Hij antwoordt, dat niet de gewone eerzucht

hem tot het deelnemen aan de staatszaken dreef, maar de wensch om zijn

krachten te gebruiken ten voordeele van zijn medemensenen. Zij keurt

dat goed, maar weidt weer uit over de hooge macht van de Liefde en

zingt de lof van haar, die het heelal in harmonie vereenigd houdt:

"gelukkig zou het menschenras zijn, indien dezelfde liefde, die

den hemel bestuurt, ook de menschen bestuurde, want er bestaat geen

hoogere wet dan die, welke de liefde zichzelf stelt:

Quis legem dat amantibus?

Maior lex amor est sibi.

Daarop vraagt hij haar het wezen van het ware geluk te vertellen. Dit

doet zij door het valsche geluk te beschrijven en hem te verzoeken

zich het tegendeel voor te stellen--het geluk dat bestaat in de

verachting van alle aardsche dingen en in de beschouwing van God als

het summum bonum. Dit leidt tot een uitvoerige discussie (steeds

in verzen en proza) over het wezen van God, van de ziel, van de

dieren en de planten. Daarna brengt Boëthius de oude moeilijkheid

van het bestaan van het slechte ter sprake en wanneer dit, zoo goed

als men kan verwachten, opgelost is, gaat hij over tot het mysterie

van den menschelijken vrijen wil en de voorwetenschap van God, tot

de praedestinatie en het toeval, gebed, gedachte, gevoel, wilskracht

en andere diepzinnige vraagstukken. Philosophia tracht niet al deze

problemen op te lossen, maar houdt vol, dat hoop en gebed geen ijdele

begoocheling zijn en dat zij, indien zij oprecht zijn, wel degelijk

kracht bezitten. Zoo eindigt de Consolatio van Boëthius; daarna wordt

er gezwegen, maar Philosophia blijft bij hem, totdat alles voorbij is.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 14 / 48 段