Daar Belisarius de hoop op hulp van Constantinopel had opgegeven en ook

van de troepen van Johannes, die hardnekkig al zijn kracht gebruikte

voor een guerilla in het zuiden, geen steun verwachtte, verliet hij

Rome en zeilde naar de kusten van Zuid-Italië, waar hij een geheel

jaar met vruchtelooze expedities zoek bracht, totdat hij eindelijk naar

Constantinopel teruggeroepen werd. Hier kwam hij in 549 met ontzaglijke

rijkdommen aan, maar zijn goede naam was geschandvlekt en zijn

geestkracht gebroken door zijn laatsten ongelukkigen veldtocht. Hij

was toen ongeveer 44 jaar oud. Nog zestien jaar overleefde hij zijn

terugroeping, maar, daar Italië hem niet meer zag, moet zijn later

leven hier met een paar woorden afgehandeld worden.

Tien jaren leefde hij teruggetrokken te Constantinopel, in weelde

en geëerbiedigd, maar zonder officieele waardeering. In 559 evenwel

bedreigden de Hunnen--of liever de Avaren, die het land, dat eens

den Hunnen toebehoorde, hadden veroverd en nu, evenals vroeger de

Hunnen, onbeschaamde boodschappen stuurden om een hooge schatting te

eischen--Constantinopel zoo ernstig, dat Justinianus er aan dacht

zijn hoofdstad te verlaten. In deze paniek riep hij Belisarius,

wiens zelfvertrouwen herleefd schijnt te zijn, want hij deed een

schitterenden aanval op de woeste indringers en verpletterde hen;

daarop werd hij plotseling door Justinianus teruggeroepen, die

door zijn seniele angst en argwanende jaloezie drie jaar later

(563) er toe gedreven werd tegen den ouden krijgsman, aan wien

hij zooveel verplichtingen had, beschuldigingen van verraad aan

te nemen. Belisarius werd van al zijn bezittingen beroofd en onder

nauwkeurig toezicht gesteld. Een paar maanden later kwam zijn onschuld

aan het licht en werd hij in zijn eer hersteld. In het begin van 565

stierf hij, negen maanden voor den dood van Justinianus. Het verhaal,

dat hij als een oude blinde bedelaar bij de deur van een kerk zat met

een bordje "Date obolum Belisario" ("Geeft Belisarius een stuiver"),

schijnt in de elfde of twaalfde eeuw ontstaan te zijn.

Maar wij moeten terugkeeren tot het jaar 549 en tot Italië, waar

Totila en zijn Goten zich wederom meester maakten van het geheele

land. Wederom veroveren zij de haven van den Tiber en belegeren Rome;

wederom zijn de uitgehongerde Romeinsche burgers zoo woedend op hun

Byzantijnsche aanvoerders, die zij ervan beschuldigen voorraden

van levensmiddelen te bewaren om die voor buitensporige prijzen

te verkoopen, dat zij een van hen dooden en de Isaurische wachters

overhalen een poort voor den vijand te openen. Taranto in het zuiden,

Rimini in het noorden, en vele andere steden gaven zich nu aan de

Goten over, die zelfs naar Sicilië overstaken en het geheele eiland

afliepen. Zij verzamelden ook een vloot en waagden het Ancona te

blokkeeren, maar Johannes, die na de terugroeping van Belisarius zijn

vrij nuttelooze guerrilla had voortgezet, vereenigde zijn schepen met

die der Byzantijnen te Ravenna en bracht de ongeoefende vloot van

de barbaren zulk een nederlaag toe, dat Totila wederom Justinianus

vrede aanbood, terwijl hij hem beloofde Sicilië en Dalmatië voor

het Keizerrijk te heroveren. Maar Justinianus had Narses reeds (551)

het opperbevel in den oorlog tegen de Goten opgedragen.

Narses was reeds 73 jaar oud, maar bezat, naar het schijnt nog

zijn oude geestkracht en zelfvertrouwen. Zijn groote rijkdom en

overredingskracht stelde hem in staat een geweldig leger te verzamelen,

dat bestond uit Avaren, Gepiden, Herulen, Perzen en andere barbaren,

waaronder 2500 wilden, die hij, omdat zij zoo woest en onhandelbaar

bleken, een weinig later moest omkoopen om weer naar het noorden

terug te gaan. Dit waren de Longobarden of Lombarden, waarover wij

later veel zullen hooren. Zij werden aangevoerd door hun hoofdman

Audoin, den vader van den beroemden Alboin. Narses werd gesteund

door een vloot; hij trok de monden van de rivieren door middel van

schipbruggen over en kwam aldus bij Ravenna. Toen marcheerde hij

zuidwaarts om de Furlo-pas met zijn tunnel (p. 127 n.), die door

den vijand sterk bezet was, te vermijden, daarna dicht langs de kust

en over den Apennijnen bij Sentinum en de "graven van de Galliërs"

(die gevallen waren in den grooten slag tegen de Romeinen, acht en een

halve eeuw geleden); vervolgens wachtte hij in de vlakte van Tadino of

Tagina de aankomst van Totila uit Rome af en leverde slag op den dag,

die hem door de Heilige Maagd (onder wier heilige bescherming hij

geloofde te staan) was geopenbaard [98]. De Goten werden verslagen,

en Totila getroffen door een speer werd door zijn mannen naar een hut

gedragen, eenige kilometers van het slagveld verwijderd, en stierf

daar. Deze overwinning had ten gevolge, dat vele steden zich overgaven

en dat Rome, waar slechts een kleine Gotische bezetting lag, die een

tijdlang heldhaftig de Moles Hadriani verdedigde, genomen werd. Toen

werden wederom de sleutels van de oude hoofdstad van het Romeinsche

Keizerrijk naar Constantinopel gezonden; gedurende Justinianus'

regeering werd Rome, zooals Procopius ons vertelt, vijf maal genomen

en hernomen.

Woedend over hun nederlaag en den dood van hun Koning, slachtten de

Goten in het zuiden 500 jongelingen, die Totila als gijzelaars, en vele

van de senatoren, die hij als krijgsgevangenen had meegenomen. Na

dien tijd bestond de Romeinsche senaat niet meer. Ondertusschen

werd in het noorden een nieuw Gotisch leger verzameld. Theia, een

dapper bevelhebber van Totila, had Verona tot zijn hoofdkwartier

gemaakt en hield nog Pavia en andere belangrijke punten bezet; hij

werd te Pavia tot Koning gekozen. Voordat hij trachtte zuidwaarts te

trekken, vond hij het noodig zich de onzijdigheid van de Franken te

verzekeren, die zich vasten voet hadden verschaft in de streek van

de meren en zelfs in gedeelten van Venetia. Toen dit geregeld was,

trok Theia de Apennijnen over. Zijn doel was zich te vereenigen met

zijn broeder Aligern, die zich geducht had versterkt in Cumae--die

stad bij het meer Avernus, de woonplaats van de Sibylle, misschien

meer dan 1000 jaar v. Chr. gesticht door de Grieken, van wier wallen

men nu nog overblijfselen kan zien. De Gotische Koning ontweek handig

de keizerlijke strijdkrachten en bereikte de golf van Napels, waar

hij zijn legerplaats opsloeg, niet ver van Pompeji, bij den mond

van den Draco (Sarno). Gedurende twee maanden lagen de legers van

Theia en Narses, door de diepe rivier gescheiden, tegenover elkaar

en waagden het geen van beiden over te steken om aan te vallen. Maar

de aanvoerder van de Gotische vloot, verschrikt door de nadering van

vijandelijke schepen, gaf zich aan de Byzantijnen over, en Theia,

die nu geen levensmiddelen meer kon ontvangen, was gedwongen zich

terug te trekken naar de hellingen van den Vesuvius. Door den honger

geteisterd besloot hij af te dalen en alles in een ontmoeting te

wagen. De Goten lieten hun paarden achter en naderden in dichte

slagorde, Theia vooraan. "Toen de Romeinen dit zagen," zegt Procopius

[99], "begrepen zij, dat het gemakkelijk zou zijn hun slaglinie te

verbreken, indien Theia terug gedreven werd; zij, die moed genoeg

hadden--en dat waren er velen--vereenigden zich om hem aan te vallen,

deels met werpspiesen, deels van dichtbij. Maar hij beschermde zich

met zijn schild en ving de speren op; vervolgens, plotseling naar

voren springend, versloeg hij menig vijand. En wanneer hij zag, dat

zijn schild vol werpspiesen was, gaf hij het aan zijn schilddrager

en nam een ander; zoo streed hij een derde deel van den dag, totdat

hij eindelijk, toen er weder twaalf speren in zijn schild staken, het

niet gemakkelijk kon oplichten en zijn aanvallers niet kon afslaan; hij

plantte het stevig voor zich, deelde met zijn rechter doodelijke slagen

uit, pareerde met de linkerhand en riep luide om den schilddrager. Toen

de man hem een ander schild bracht, verwisselde hij snel; maar een

oogenblik gaf hij zijn zijde bloot; hij werd getroffen door een

werpspies en onmiddellijk gedood. De Romeinen staken zijn hoofd op

een piek en droegen het rond, ten aanschouwe van beide legers". [100]

IV. De Byzantijnsche Overheersching.

Nadat hun Koning gevallen was, vochten de Goten nog twee dagen met

wanhopigen moed, maar eindelijk gaven zij zich over op voorwaarde, dat

zij of in Italië als onderdanen van den Keizer zouden blijven of zouden

wegtrekken buiten de grenzen van het Keizerrijk. Vele trokken de Alpen

weer over en vermengden zich met andere Germaansche volksstammen. Een

duizendtal trok weg, voordat het verdrag was geteekend, baande zich

een doortocht naar Pavia en verbonden zich daar waarschijnlijk met de

Franken. Eenige verspreide bezettingen hielden het nog een tijdlang

uit. Theia's broeder Aligern verdedigde Cumae dapper, langer dan

een jaar, totdat "de Romeinen de grot van de Sibylle uitholden tot

een geweldige mijn, de muur van de stad deden instorten en aldus de

belegerden tot overgave dwongen." (Gibbon, die Agathias citeert.)

Maar Lucca werd nog hardnekkiger verdedigd. Het was nog steeds niet

ingenomen, toen een nieuwe vloed van barbaren zich over geheel Italië

stortte. Geweldige horden van Franken en Alemannen, met ongeveer

75.000 krijgslieden, kwamen van het noorden onder aanvoering van

twee broeders, Alemannen, Butelin (Buccelin) en Leutar (Lotharius),

blijkbaar gevolmachtigd door den onkrijgshaftigen, doch machtigen

Frankischen Koning Theudebald, die veilig in zijn paleis te Metz

bleef. Nadat hij Lucanië, Campanië en Bruttië geplunderd had, trok

Leutar snel terug naar het noorden. Zijn leger werd gedecimeerd door

de pest, waaraan hijzelf stierf. Butelin werd door Narses aangevallen

bij den Volturnus in Calabrië. Hij werd gedood; zijn leger werd

verslagen en verstrooid; en vóór het einde van 455 was bijna elk

spoor van deze overweldiging, die ons doet denken aan den inval der

Kimmeriërs tijdens Koning Gyges van Lydië, verdwenen, en kunnen wij

voorloopig de groote Frankische natie vergeten.

Na de nederlaag bij den Volturnus en het verdwijnen van de barbaarsche

indringers trok Narses Rome binnen met zijn gevangenen en buit. Bij

Conza in Campanië werd nog steeds een versterkt kamp door 7000 Goten

verdedigd. Deze gaven zich nu over en werden als gevangenen naar

Constantinopel gestuurd, waarschijnlijk om in het keizerlijk leger te

worden opgenomen, en wij kunnen aannemen, dat met deze gebeurtenis

de Byzantijnsche heerschappij in Italië volkomen gevestigd is. De

veertien jaar, die hierop volgen, tot de komst van de Longobarden in

568, bieden niet veel bijzonders, en wij weten betrekkelijk weinig van

de geschiedenis van Italië in deze periode, behalve dat door oorlog

en pest en hongersnood het volk in groote ellende werd gebracht en

dat het Byzantijnsche bestuur, door zijn zware belastingen, die noodig

waren voor een groot staand leger en de hofhouding van een onderkoning,

den toestand nog erger maakte dan die onder de Goten was geweest. En

dit zegt veel, want, ofschoon het bestuur van Theoderik en Totila in

vele opzichten te bewonderen was, bestond er toch weinig hoop voor

de welvaart van het land, omdat er geen echte versmelting van het

heerschende en het onderworpen ras tot stand was gekomen; hoe oprecht

Theoderik's streven ook was, zulk een vereeniging was onmogelijk,

niet alleen wegens het essentieele verschil tusschen het Romeinsche

en Noorsche karakter en temperament (veel grooter dan tusschen de

Noormannen en de Angelsaksen), maar ook, omdat de Goten nooit, om

zoo te zeggen, kinderen van den Italiaanschen bodem zijn geworden,

doch altijd een militaire kaste zijn gebleven--een geluks-leger,

zooals Villari hen terecht noemt.

Veertien jaren lang na den dood van Theia in den slag bij den Vesuvius

was Narses de militaire dictator van Italië. Gedurende de eerste

helft van deze periode resideerde hij voornamelijk te Ravenna; maar

hij bezat niet den titel van Exarch, die later aan de gouverneurs van

die stad werd gegeven; zijn officieele titels waren "Patricius" en

"Magister militum". Zijn bestuur schijnt buitengewoon streng geweest

te zijn, en ondanks Justinianus' beroemde Pragmatieke Sanctie (554),

waarbij burgerlijk en geestelijk gezag in Italië vrij werd gesteld

van militaire inmenging, was het land feitelijk in staat van beleg;

de belastingen voor het leger werden ondragelijk, militaire beambten

speelden den baas over de burgerlijke rechters, groot-grondbezitters

van militairen rang onderdrukten den werkmansstand, en prelaten

werden gevangen gezet of naar Constantinopel gezonden, beschuldigd van

insubordinatie tegen het burgerlijk gezag [101]. Het is begrijpelijk,

dat onder dergelijke omstandigheden de landbouw werd verwaarloosd,

openbare gebouwen in puin vielen, hongersnood en pest in het land

heerschten.

In 560 ging Narses weder naar Rome en vestigde zich in het paleis

van de Caesars op den Palatinus. Ongeveer in dezen tijd kwamen de

Avaren dreigend opzetten en voordat Justinianus en Belisarius in

565 stierven, ontstond er nog meer beweging onder de noordelijke

volkeren. De Slaven, zoowel als verschillende Mongoolsche en

Tartaarsche volksstammen kwamen van Azië west-waarts aandringen en

joegen hen op, die (zooals de Longobarden) zich onlangs in Midden-

en Noord-Europa gevestigd hadden. Na den dood van Justinianus kondigde

zijn neef, Justinus II een politiek van vrede en militaire beperking

af; maar de vermindering van de subsidie, die zijn oom aan de Avaren

beloofd had, toonde hem het gevaar van dergelijke bezuinigingen,

en zijn ontsteltenis nam toe bij de aankomst van een gezantschap van

Romeinsche aanzienlijken, die verklaarden dat de Italianen weldra de

hulp van de Goten of andere barbaren zouden inroepen, liever dan nog

zich langer te onderwerpen aan het despotisme van Narses. Justinus'

angst verminderde waarschijnlijk niet door de opmerking van zijn

gemalin, Sophia, dat zij, indien zij haar gang mocht gaan, den ouden

eunuch wel gauw zou leeren, dat wol spinnen bij de meisjes de beste

bezigheid voor hem was. "Ik zal een strik voor haar spinnen, dien zij

nooit losmaken zal," antwoordde Narses, toen, tegelijk met de woorden

van de Keizerin, de gezanten hem het bevel van Justinus om terug te

komen brachten; en zijn verontwaardiging schijnt verergerd te zijn,

toen een officier, Longinus, benoemd werd om hem te vervangen als

gouverneur van Ravenna. Hij weigerde aan het bevel van den Keizer

gevolg te geven, en in 567 trok hij naar Napels, daar hij liever de

gevaren van ongehoorzaamheid wilde trotseeren, dan de vernederingen

ondergaan, die hem in Constantinopel wachtten.

De "strik", dien Narses dreigde te spinnen, was misschien de inval

van de Longobarden in Italië, die het volgend jaar plaats greep. Hoe

het ook zij, de geschiedschrijver van de Longobarden, Paulus Diaconus

vertelt ons, dat de oude overwinnaar van de Goten algemeen verdacht

werd, door woede en verontwaardiging gedreven, gezanten [102] te hebben

gestuurd aan de Longobarden om hen uit te noodigen Italië binnen te

dringen, zooals Bonifacius vroeger de Vandalen had uitgenoodigd naar

Afrika over te steken, en Eudoxia misschien Gaiserik had verzocht Rome

aan te vallen. Evenals Bonifacius, had ook Narses te laat berouw van

zijn daad. Hij ging op verzoek van Paus Johannes III, die hem in Napels

bezocht, naar Rome terug om den veldtocht tegen de Longobardische

horden, die reeds van plan waren de Alpen over te trekken, voor te

bereiden. Maar voordat de storm losbarstte, stierf hij, in het jaar

567 of 568--tenzij wij sommige oude schrijvers [103] moeten gelooven,

die verzekeren, dat hij in Rome nog vijf of zes jaren na den inval

der Longobarden leefde en dat hij in hetzelfde jaar stierf als Paus

Johannes, nl. 573.

HOOFDSTUK I.

THEODERIK.

Theoderik [104] behoorde tot het koninklijke geslacht van Amala

[105], dat, volgens Jordanes, beweerde af te stammen van Capt,

een van de voorvaderen, halfgoden of Anses--blijkbaar de "Asen"

van de Skandinavische Mythologie, het "bovenmenschelijke" geslacht,

dat Asgard, de gaarde der Asen, in de Gouden Eeuw bewoonde. Hij was,

zeide men, een rechtstreeksche afstammeling, in de tiende generatie,

van Hermanrik, den stichter van het groote Gotische Rijk. Toen hij

acht jaar was, werd hij door zijn vader Theodemir als gijzelaar naar

Constantinopel gezonden, waar hij tien jaar bleef--een feit, dat

zijn sympathie voor Romeinsche en Byzantijnsche beschaving volkomen

verklaart. Theodemir stierf in 474 en zijn eenige wettige erfgenaam was

naar Italië en Gallië gegaan om zijn geluk als krijgsman te beproeven;

derhalve volgde Theoderik, ofschoon hij geen zoon was van een wettige

vrouw, zijn vader als vorst der Oost-Goten op.

De opmerking is reeds gemaakt, dat in oude Germaansche sagen de

beroemde Oost-Gotische koning verward is met den West-Gotischen

Theoderik, die in den grooten slag op de Catalaunische vlakte gevallen

is, strijdende aan de zijde van Aëtius en de Romeinen tegen Attila--een

feit, dat drie jaar voor de geboorte van Theoderik den Groote

plaats vond (451). In deze oude Germaansche mythen wordt Theoderik

Dietrich van Bern (Verona) genoemd en zijn voornaamste hoofdman is

Hildebrand. In het Hildebrandslied, een van de oudste sagen, valt

Theoderik in Italië Odovacar aan, maar wordt overwonnen en vlucht

met Hildebrand naar het hof van Attila, met wiens hulp hij Odovacar

eindelijk verslaat in een geweldigen slag, de "Rabenschlacht," of den

slag voor Ravenna. Hier hebben wij groote verwarringen van tijd en

plaats. En in het oude Germaansche heldendicht, het Nibelungenlied, dat

in levendigheid van voorstelling en eenvoudige wijze van uitdrukking

kan vergeleken worden met Homerus, heerscht nog grooter verwarring,

want Dietrich treedt daarin niet alleen met Etzel (Attila) op, maar

ook met Siegfried, den drakendooder van de Skandinavische Edda-mythen,

een "bovenmenschelijken" held uit duistere, voor-historische tijden

[106]. In de sagen van Siegfried en Dietrich heeft de dichter van het

Nibelungenlied gevoegd de verschrikkelijke slachting der Bourgondiërs

door de Romeinen onder Aëtius en de Hunnen onder Attila, die in 437

plaats vond. Gunther, de Koning der Nibelungen--zooals de Bourgondiërs

werden genoemd, nadat zij den beroemden schat van de Nibelungen

hadden bemachtigd,--is blijkbaar de Bourgondische Koning Gundocar,

die bij dit bloedbad omkwam; maar het tooneel van de gebeurtenis is

van Bourgondië in Gallië overgebracht naar Etzelnburg, de legerplaats

en het paleis van Attila aan den Donau.

Er bestaat ook een Germaansche sage over Dietrich's geheimzinnige

verdwijning en dood. Dit is belangrijk in verband met de Italiaansche

legende over hetzelfde onderwerp; wij komen daar weldra op terug.

Ondanks de tien jaren, die Theoderik te Constantinopel op den meest

ontvankelijken leeftijd heeft doorgebracht, ondanks zijn zeventien

nog bestaande brieven (ongetwijfeld verbeterd en verfraaid door zijn

minister, Cassiodorus) en ondanks vele andere bewijzen van zijn

bewondering voor klassieke kunst en litteratuur, hebben sommigen

geloofd, dat Theoderik zoo onontwikkeld was, dat hij niet in staat

was zijn eigen naam te schrijven. De eerste vier letters van zijn

naam waren in een gouden plaatje uitgesneden en de koning trok zijn

pen over het papier door de openingen. Doch het is ook wel mogelijk,

dat dit alleen door hem gebruikt werd om stukken te onderteekenen

met zijn tamelijk ingewikkeld monogram, dat men op sommige van zijn

munten vindt [107]. Een metalen plaatje met openingen, waar men inkt

of verf in kan smeren is zeker een gewoon middel om snel woorden of

figuren op hout, linnen of papier te plaatsen.

Zooals wij reeds hebben gezien, was het doel van Theoderik's streven

de Goten en Italianen tot één volk te versmelten. Hij trachtte vooral

den invloed van de klassieke kunst en litteratuur op zijn Goten

te versterken. In Rome werden de scholen, waar kunst, rhetoriek,

geneeskunde en recht onderwezen werden ruim door hem gesteund, zooals

ook door zijn dochter Amalasuntha, die hem zelfs in geleerdheid en

"Romeinsche" voorliefde overtrof.

Litteraire studie werd mode, gedeeltelijk door de bescherming

van de Romeinsch-voelende Goten, gedeeltelijk ook zeer zeker als

een protest tegen den ongeletterden barbaar en zijn onbeschaamde

overheersching. Vergilius werd op het forum voorgedragen, klassieke

poëzie en proza werden nagevolgd, en bij religieuze en politieke

werkzaamheden werd veel zoogenaamd klassiek Latijn gebruikt. De brieven

en andere geschriften van Theoderik's voornaamsten staatssecretaris,

Cassiodorus, en van den senator en philosoof Boëthius kan men wegens

hun keurig Latijn vergelijken met de werken van Plinius en Seneca,

misschien zelfs met die van Cicero. De monumenten in Rome en andere

steden werden beschermd door de instelling van een bijzondere politie

en nachtwacht, waardoor de Gotische koning het vandalisme van den

"Romein"--een scheldnaam, zooals vroeger "barbaar" of "Graeculus

esuriens"--trachtte te beteugelen; want de oude bewoners van Rome

en andere Italiaansche steden waren er aan verslaafd de koppen en

armen van bronzen standbeelden [108] af te rukken en bronzen platen

weg te halen ter wille van het metaal. Wij vernemen, dat Theoderik

een groote som goudstukken uitloofde voor het vinden van een bronzen

beeld dat te Como was gestolen.

En het was niet alleen door het beschermen van de monumenten van

de vroegere beschaving dat Theoderik de beide volken trachtte op te

heffen; hij begunstigde ook den landbouw, richtte een postverkeer in,

regelde de visscherij, stichtte ijzerfabrieken in Italië, opende een

goudmijn in de Abruzzen en draineerde uitgestrekte gedeelten van de

Pontijnsche moerassen.

Wat zijn wetgeving betrof, was Theoderik misschien niet zoo verstandig

als de koning der West-Goten, Athaulf, die verklaard had, dat voor

de Goten geen vaste staatsregeling kon bestaan, behalve een, die

berustte op de wetten en instellingen van het Keizerrijk. Het is waar,

dat Theoderik het beginsel verkondigde, dat "in Constantinopel wetten

werden gemaakt en in Italië slechts edicten" en hij schijnt volkomen

berust te hebben in het feit, dat hij, ofschoon hij de keizerlijke

insignia van Anastasius ontvangen had, toch geen Keizer was en door

het hof in het oosten zelfs niet als een erfelijk koning [109] was

erkend, doch slechts als "tyran"; toch vaardigde hij edicten uit, die

alle eigenschappen hadden van Gotische wetten voor zijn koninkrijk en

ofschoon hij de namen van de oude Romeinsche ambtenaren behield en (in

den beginne) grooten eerbied betoonde voor den Romeinschen Senaat, en

zijn verre provincies in Gallië en Sicilië toevertrouwde aan Romeinsche

prefecten, berustte zijn macht toch alleen op zijn leger van Goten

[110] en in waarheid regeerde hij door zijn Gotische militaire graven

(comites) en zijn particulieren raad van Gotische edelen; want de

Senaat was niet anders dan een deftige, machtelooze vergadering

van Romeinsche patriciërs--zulk een beeld op den voorsteven, als de

Atheensche Areopagus werd in den tijd van Philippus van Macedonië.

De munten van Theoderik geven een aanwijzing voor zijn verhouding

tot het keizerrijk. Gibbon verzekert, dat zijn beeldenaar op zijn

munten is gegraveerd en haalt dit feit aan als een bewijs, dat hij

onder den titel van koning zich de volledige rechten van een keizer

toekende. Villari daarentegen verklaart, dat slechts de keizer munten

kon slaan met zijn eigen beeldenaar en volgens hem moeten wij aannemen,

dat Theoderik zich dat voorrecht nooit heeft aangematigd. De waarheid

schijnt te zijn, dat Theoderik soms zelfs op gouden munten zijn beeld

liet slaan en zich aldus een bijzonder keizerlijk voorrecht aanmatigde,

want er is éen zoodanige gouden munt gevonden in 1894 (zie p. 104).

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 13 / 48 段