Het was een vast beginsel van de Goten, dat de regeering nooit zou

overgaan van de lans op het spinrok. De naaste manlijke erfgenaam was

Amalasuntha's neef, Theudehad of Theodahad, zooals hij op zijn munten

heet (zie Plaat 9), ofschoon hij beter bekend is als Theodatus. Hij was

de zoon van Theoderik's zuster Amalafrida, die met den Vandalen-koning

Thrasamund gehuwd was. Hij studeerde ijverig Plato en had uitgestrekte

landgoederen in Toskane, waar hij was gehaat wegens zijn hebzucht;

en hij, van zijn kant, haatte Amalasuntha, omdat zij trachtte zijn

inhaligheid te beteugelen, en beschuldigde haar, dat zij door het

regentschap te behouden de wet schond. Hierin werd hij gesteund door

drie van de invloedrijkste Goten en langzamerhand werd Amalasuntha

zoo gehaat, dat zij de hulp inriep van den Oost-Romeinschen Keizer,

Justinianus. Hij gaf haar een prachtig paleis te Dyrracchium (Durazzo),

waarheen zij haar schatten begon te vervoeren; maar op het laatste

oogenblik, misschien (ofschoon men niet geneigd is dit van haar te

gelooven) omdat zij erin slaagde de drie vijandige edelen te laten

vermoorden, gaf zij haar vlucht op en bood aan de regeering met

haar neef te deelen. Het aanbod werd aangenomen en haar minister,

Cassiodorus, schreef een prachtigen brief aan Justinianus, waarin

hij hem meedeelde, dat "zooals het menschelijk lichaam, twee ooren,

twee oogen en twee handen had, evenzoo het Gotische Koninkrijk nu

twee vorsten had."

Deze regeering eindigde echter weldra. Theodahad's krachtig optreden

en de vijandige stemming der Gotische edelen hadden tengevolge,

dat Amalasuntha verbannen werd naar een klein eiland in het meer van

Bolsena, waar zij kort daarna in haar bad werd verdronken (535). De

moord werd misschien bedreven om den dood van de drie edelen te

wreken en zeker met medeweten van Theodahad. [89] Dit feit was,

ofschoon het niet het einde aanduidt van de Gotische overheersching,

toch de onmiddellijke aanleiding tot den Gotischen oorlog, die ten

gevolge had, dat de veroveraars verdreven werden en de Oost-Romeinsche

Keizer tijdelijk Italië in zijn bezit kreeg, zoodat Rome en Ravenna de

hoofdsteden van twee Byzantijnsche provincies werden. Gedurende die

jaren regeerde Justinianus ook over de provincies van Noord-Afrika,

over Sicilië en de andere eilanden in de Middellandsche Zee en over

Zuid-Spanje (het grootste gedeelte van deze landen was door zijn

generaals op de Vandalen heroverd); van de Perzen had hij voor een

groote som gelds den z.g.n. eeuwigen vrede gekocht, die een tijdlang

aan zijn provincies in het verre oosten, Asia Minor, Syrië en Egypte,

rust verzekerde.

III. De Gotische oorlog. (535-'53).

De Byzantijnsche verovering van Italië kan men in twee perioden

verdeelen; de eerste van Belisarius' aankomst tot de inneming van

Ravenna en zijn terugroeping in 540, de tweede van 540 tot den

slag op den Vesuvius, den dood van Theia en de verdrijving van de

Goten in 553. Deze twee perioden omvatten een groot gedeelte van

de lange regeering van Justinianus; opmerkingen over zijn persoon,

zijn wetgeving, over het hof te Constantinopel en over den oorlog

van Belisarius in Afrika zullen in de volgende hoofdstukken gevonden

worden. Hier zullen wij ons beperken tot gebeurtenissen, die nauw

samenhangen met Italië.

De moord op Amalasuntha werd door Justinianus tot een casus belli

gemaakt. Het is waarschijnlijk dat hij reeds lang over een aanval op

de Goten had gedacht en zijn politiek in verband met Amalasuntha had

duidelijk bewezen hoe sterk zijn sympathie was voor de Romeinsche,

anti-Gotische beweging in Italië. En nu was hij in staat handelend

op te treden, want zijn groote veldheer Belisarius [90] had, na zijn

roemrijken veldtocht in Perzië (530), de macht der Vandalen in Afrika

gebroken door de inneming van Carthago (533) en door het gevangennemen

van Koning Gelimer, die eenigen tijd eenzaam had rondgezworven,

maar zich ten slotte had overgegeven aan den overwinnaar en door

de straten van Constantinopel was meegevoerd bij den triomftocht,

die bovendien merkwaardig was door de aanwezigheid van den drie-maal

veroverden buit van den Tempel van Jeruzalem.

Om Noord-Italië te bedreigen en aldus de Gotische strijdmachten te

verdeelen zond Justinianus een leger naar Dalmatië, en Belisarius

stak in 535 met slechts ongeveer 7500 man van Afrika naar Sicilië

over. Hij vertrouwde vooral, zooals hij tot Procopius zeide, op zijn

boogschutters te paard, een soort van lichte ruiterij, die de Goten

niet kenden. Maar met zulk een klein aantal had hij nooit kunnen hopen

te overwinnen, indien hij niet had gerekend op de zeer belangrijke

hulp van het Italiaansche volk, dat dagelijks afkeeriger werd van de

Gotische heerschappij. Inderdaad, zoodra hij op Sicilië was geland,

openden alle steden, behalve Palermo, de poorten voor hem. In

Palermo was een sterke Gotische bezetting, maar de boogschutters

van Belisarius schoten van de hooge schepen hun pijlen in de stad en

Palermo capituleerde. In zeven maanden werd geheel Sicilië veroverd

en de onkrijgshaftige Plato-liefhebber Theodahad was zoo verschrikt

dat hij aanbood af te treden en, voor een groot pensioen, zich terug

te trekken. Het aanbod werd aangenomen, maar toen hij hoorde, dat

zijn troepen een klein voordeel in Dalmatië hadden behaald, kwam hij

op zijn voorstel terug. Terwijl hij nog aarzelde, stak Belisarius

zoo snel als vroeger de fulmina belli, Scipiadae, naar Afrika over,

onderdrukte een opstand en kwam weer terug in Sicilië; daarna stak

hij naar Rhegium over, dat Theodahad's schoonzoon hem overleverde;

andere steden openden ook haar poorten. Doch Napels bood weerstand;

weldra echter werd het genomen en geplunderd; een troep van ongeveer

600 man was door een ongebruikte aquaeduct de stad binnengedrongen.

Onder de Goten te Rome heerschte groote ontsteltenis, en ook

verontwaardiging over hun laffen Koning. Zij hielden een vergadering

in de Campagna en zetten hem af. Een dapper krijgsman, Vitiges

(of Witigis) werd in zijn plaats gekozen. Theodahad vluchtte naar

Ravenna, maar werd ingehaald en gedood. Vitiges haastte zich, om

andere redenen, ook naar Ravenna; hij liet in Rome een garnizoen van

4000 Goten achter. Van Ravenna zond hij gezanten naar de Franken,

en verzekerde zich door een groote som geld en door het afstaan van

Gallia Narbonensis (Languedoc) van hun onzijdigheid. Daarna riep

hij haastig alle Gotische strijdkrachten en hulptroepen op, die in

Provence en Noord-West-Italië waren. Maar voordat deze zich verzameld

hadden, was Belisarius Rome binnengerukt--zonder twijfel geholpen

door de geestdriftige medewerking van de Italianen en officieel

uitgenoodigd door Paus Silverius--en terwijl zijn manschappen de

stad binnentrokken door de Porta Asinaria, trokken de Goten eruit,

noordwaarts, door de Porta Flaminia. Hij ging dadelijk aan het werk

om de oude versterkingen van Aurelianus te herstellen en de stad

voor een belegering van levensmiddelen te voorzien. Toen stormde

Vitiges, die 150.000 krijgers had verzameld, op Rome af, waar nu een

Keizerlijk leger van 5000 man was--een klein aantal om versterkingen

van ongeveer achttien K.M. in omtrek te verdedigen. In een ontmoeting

buiten de muren wordt Belisarius door het groote aantal overweldigd

en komt bijna om, daar de Romeinen de poorten vóor hem dichtwerpen;

maar door een wanhopigen aanval slaat hij de Goten terug en komt weder

binnen Rome; hier wordt hij éen jaar en negen dagen belegerd (537-38).

De bijzonderheden van deze lange belegering behoeven niet verteld

te worden. Krijgslisten, oorlogswerktuigen, alarm, overrompeling,

bestorming, wanhopige uitvallen, Homerische tweegevechten, dat alles

komt voor in de levendige schildering van Procopius. Vitiges snijdt

de aquaeducten af, besmet de rivier met lijken, bemachtigt de haven,

brengt zijn verplaatsbare torens, katapulten en stormrammen bij de

muren en verovert bijna de Moles Hadriani (den Engelenburg); maar hij

wordt afgeslagen door een hagelbui van marmeren beelden en verliest

(volgens Procopius) 30.000 man; ofschoon zijn leger nog 150.000

man telt (waarschijnlijk ook door Procopius overdreven), is hij

niet in staat de aankomst van levensmiddelen en versterkingen uit

Constantinopel te verhinderen--1600 ruiters, voornamelijk Hunnen,

ook Isauriërs en andere barbaarsche hulptroepen. De belegering had

soms blijkbaar weinig uitwerking, want Procopius ging naar Napels om

versterkingen en proviand te halen en slaagde daarin. Ook de gemalin

van Belisarius, Antonina, kwam veilig en gemakkelijk in Rome en

werd weldra gevolgd door een prelaat, Vigilius, uit Constantinopel

gestuurd door de Keizerin Theodora; deze verzocht Belisarius hem tot

Paus te laten kiezen, hetgeen zonder moeite geschiedde door den armen,

ouden Silverius te beschuldigen van verstandhouding met de Goten.

Ten slotte stelden de Goten voorwaarden; zij herinnerden Belisarius

er aan, dat Theoderik naar Italië was gezonden om het te veroveren op

den tyran Odovacar, dat hij den Keizer altijd als zijn heer had erkend,

hem had geëerd en de wetten van het Keizerrijk had gehandhaafd. Waarom,

zoo vroegen zij, was Justinianus dan een oorlog tegen hen begonnen? Als

Belisarius Italië wilde verlaten, met al zijn buit, zouden zij tevreden

zijn. Toen dit aanbod werd geweigerd, beloofde Vitiges Sicilië en

Zuid-Italië af te staan en zelfs een schatting te betalen; maar wederom

ontving hij een weigerend antwoord. Eindelijk werd een wapenstilstand

van drie maanden gesloten; maar Belisarius maakte daar misbruik van,

legde nieuwe versterkingen aan, voorzag zich van levensmiddelen

en nieuwe troepen, en veroverde zelfs verschillende punten die de

Goten volgens de overeenkomst tijdelijk verlaten hadden. Bovendien

werd een bevelhebber, Johannes, door hem uitgezonden met een sterke

afdeeling om Picenum te verwoesten; deze slaagde erin de vesting

Rimini te overrompelen, zoodat de Goten, verontwaardigd over deze

feiten, Rome trachtten binnen te dringen. Maar zij werden afgeslagen,

staken plotseling hun legerplaats in brand, braken het beleg op en

trokken noordwaarts.

De strijdkrachten, die Belisarius uit Afrika had overgebracht

bedroegen slechts 7500 man, volgens Procopius, die, zooals vroeger

Polybius had gedaan, den overwinnaar van Carthago op zijn veldtochten

vergezelde. De geestdrift van de Italianen schijnt het getal zijner

troepen weinig vermeerderd te hebben en hij was niet in staat de

Goten te achtervolgen. Daarom wachtte hij, totdat er hulp zou komen

uit Constantinopel. Het grootste deel van deze versterkingen landde

in den herfst van 538, waarschijnlijk bij Ancona, Fano of Pesaro,

een weinig ten Zuiden van Rimini, dat door de keizerlijke troepen

onder Johannes was bezet. Ondertusschen had Belisarius 2000 man den

Flaminischen weg opgestuurd, die den beroemden tunnel [91] door den

Oost-rug van de Apennijnen hadden geforceerd, waarbij zij de Goten,

die den pas bezet hielden, hadden verslagen; zij bereikten Rimini,

en weldra volgde hijzelf en vereenigde zich met de nieuwe troepen.

Deze versterkingen werden aangevoerd door Narses, een handigen,

eerzuchtigen, vurigen, rusteloozen, kleinen man met ronden rug,

die aan het hof het vertrouwen van Justinianus had gewonnen

(niet van Theodora, wier gunsteling Belisarius was) en tot hooge

ambten was geklommen. Hij was reeds zestig jaar oud en had, toen

hij het bevel over deze expeditie kreeg, volstrekt geen militaire

ervaring, maar was bestemd om weldra zijn natuurlijke begaafdheid

van groot aanvoerder te toonen. Daar hij de ongunstige stemming

te Constantinopel ten opzichte van Belisarius kende, nam hij een

onafhankelijke en hooghartige houding aan, eischte gelijk gezag, en

werkte met minachting de verouderde tactiek van zijn jongeren collega,

den overwinnaar der Vandalen en den verdediger van Rome, tegen. En

zonder twijfel was Belisarius, ofschoon hij slechts vier en dertig

jaar oud was, een soldaat van de oude school, eenigszins stijf en

exclusief, terwijl Narses een bijzondere gave schijnt gehad te hebben

om menschen in zijn dienst te halen, zooals blijkt uit het groote

aantal Italianen en barbaren, die zich in de latere jaren van den

oorlog onder zijn vaandel schaarden. Bovendien was de raad van Narses,

zooals de uitslag bewees, juist, en dit verergerde waarschijnlijk

den twist. De vereenigde keizerlijke legers trokken, zooals Narses

had aangeraden, noordwaarts, terwijl zij het land schoonveegden; de

Goten weken, en ten slotte verzamelde Vitiges al zijn krijgslieden,

omstreeks 30.000 man, binnen de muren van Ravenna.

Ravenna was, zooals wij reeds zagen, toen Odovacar belegerd werd,

een lastig te veroveren stad, vooral zonder vloot, en daar een

gemeenschappelijk optreden onmogelijk was door de verdeeldheid van

aanvoerders en legers, werd het beleg niet ondernomen. Terwijl

aldus de tijd verbruikt werd met onbelangrijke operaties tegen

kleine steden, kwamen de Franken, gehoor gevend aan den oproep van

Vitiges, in Italië, vergezeld door duizenden Bourgondiërs. Milaan,

waar eene kleine bezetting van keizerlijken lag, moest capituleeren,

werd in brand gestoken en geslecht. [92] Dit werd door een nog grooter

inval gevolgd in 539. Een geweldige bende van 100.000 Franken, onder

hun Koning, Theudebert, kleinzoon van Clovis, trok de Alpen over,

in naam om de Goten te helpen, doch feitelijk om te plunderen. Zij

namen Ticinum (Pavia) en roeiden bijna de geheele bevolking uit. Maar

toen zij bemerkten, dat het geheele land verwoest was, en daar zij

bovendien aan dysenterie leden, veroorzaakt door het drinken van het

water uit den Po of den Ticinus, of uit dat moerassige land, waar nu,

midden in de rijstvelden Certosa staat, besloten zij plotseling terug

te gaan naar Gallië, en verdwenen.

In deze crisis riep Justinianus Narses terug. Misschien verlangde

hij zijn raad te vernemen aangaande de onbeschaamdheid van Chosroes,

den grooten Perzischen koning, die het hem moeilijk maakte ondanks den

"Eeuwigen Vrede". Misschien begon hij te begrijpen, dat het verdeelde

gezag in Italië noodlottig was. Belisarius kreeg aldus vrijheid van

handelen, en nadat hij Fiesole en Osimo (bij Ancona), veroverd had,

sloeg hij het beleg voor Ravenna, in de hoop, dat er schepen uit het

oosten zouden komen om de haven te blokkeeren. Justinianus echter

wilde vrede en onderhandelde met Vitiges, die rekende op de belofte

van Theudebert om met 500.000 man terug te komen. Maar Belisarius was

besloten Ravenna te nemen, en Vitiges, ontmoedigd door de desertie van

vele Goten en het verbranden van zijn koren-voorraad, hetgeen door den

bliksem of door verraad van zijn vrouw geschied was, stelde eindelijk

voor Belisarius als koning van Italië of zelfs als keizer van het

Westen te erkennen. Belisarius veinsde dit voorstel aan te nemen. De

poorten werden geopend en de Byzantijnen kwamen de stad binnen tusschen

de rijen van toeschouwers, die, verontwaardigd over het kleine aantal

en de onaanzienlijke gestalten van hun overwinnaars vergeleken bij hun

verdedigers, in verwenschingen uitbarstten; de vrouwen, zegt Procopius,

spuwden haar Gotische minnaars en mannen in het gezicht. Belisarius

had beloofd het leven en de bezittingen van de overwonnenen te sparen

en hij hield zijn woord; maar Vitiges en de voornaamste edelen werden

als gevangenen behandeld. Aldus kwam Ravenna, in 540, onder het gezag

van de Oost-Romeinsche Keizers. Het bleef in hun macht als hoofdstad

van het Byzantijnsche Exarchaat, gedurende ongeveer twee eeuwen,

totdat de Longobarden het in 752 innamen. Vier jaren later werd het

den Longobarden ontrukt door Pepijn, den koning der Franken.

Op dit oogenblik, toen Belisarius den oorlog had kunnen beëindigen,

indien hij door Justinianus voldoende was gesteund, werd hij plotseling

teruggeroepen naar Constantinopel. Hij keerde terug met grooten buit

en zijn gevangenen, Vitiges en vele Gotische edelen, om zijn triumf

op te luisteren, zooals hij zeven jaar vroeger den Vandaal Gelimer

en den buit van Carthago had meegebracht.

Met de terugroeping van Belisarius eindigt de eerste periode van

den Gotischen oorlog (535-540). In die vijf jaren waren de Goten,

behalve een paar geïsoleerde garnizoenen, uit het schiereiland

verdreven. Zij behielden nu nog de noordelijke streken van Italië,

Ligurië en gedeelten van Emilia en Venetia, terwijl zij Pavia,

Verona en eenige andere steden als steunpunten bezaten. Vele van hun

krijgers waren tot de keizerlijken overgegaan. Rome en Ravenna waren

provincie-steden geworden van het Byzantijnsche Keizerrijk. Maar nog

elf jaren van oorlog en verwoesting moesten er volgen, voordat de

Gotische heerschappij geheel verdwenen was.

De toestand van Italië aan het einde van dit eerste tijdperk was

zeer treurig, vooral in de noordelijke streken, die door Franken en

Bourgondiërs, door Goten en ook door Byzantijnen verwoest waren. De

bewoners van Toskane en Emilia trokken naar de bergen en leefden van

eikels, of verzamelden zich aan de kusten om visch te vangen. Vijftig

duizend kwamen om volgens Procopius, die vele verschrikkelijke

tooneelen aanschouwde en met Thucydideïsche levendigheid de

ongelukkige, uitgehongerde schepsels beschrijft, die met verdwaasde

oogen rondstaarden, wier uitstekende beenderen bedekt waren met een

huid als perkament, die van geel donkerrood en van rood zwart werd,

zoodat noch vogels noch andere dieren hun lijken wilden eten. Hij

verzekert ook dat cannibalisme veel voorkwam, zoo als in Spanje, toen

de Vandalen daar een inval deden, en hij vertelt van twee vrouwen,

die dicht bij Rimini reizigers gastvrijheid aanboden en er zeventien

in hun slaap doodden om hen op te eten, doch door den achttiende

werden ontdekt en gedood.

Toen Belisarius aankwam, bemerkte hij, dat hij niet meer in de

gunst stond aan het hof te Constantinopel. Een triumf werd hem

niet toegestaan. Hij werd gezonden naar het verre Oosten, waar de

onbedwingbare Perzische koning, Chosroes, het keizerlijk gebied was

binnen gedrongen en Antiochië had genomen en geplunderd. Daarna,

beschuldigd van verraad, werd hij teruggeroepen en geraakte nog

meer in ongenade. Zijn vrouw, Antonina, had hem door haar gedrag te

schande gemaakt en was een vertrouwde geworden van Keizerin Theodora,

wier vroegere schanddaden langzamerhand vergeten werden door de

vroomheid van haar latere jaren. De sympathie, die Theodora eerst

voor Belisarius had gevoeld, was overgegaan op zijn ontrouwe gemalin

en toen hij trachtte haar gevangen te zetten, werd zij bevrijd door

den invloed van de Keizerin, die elke gelegenheid aangreep om hem te

vernederen. [93]

Ondertusschen heerschte in Italië ontevredenheid en wanorde. Niet

alleen het volk, maar ook het keizerlijke leger, veronachtzaamd en

zonder soldij, begon weer naar het bestuur der Goten te verlangen,

terwijl onder de Goten het zelfvertrouwen werd vernieuwd door de

verkiezing van een leider, Baduila of Baduela, [94] gewoonlijk Totila

genoemd, onder wiens aanvoering de Gotische heerschappij in Italië

zou herleven en gedurende elf jaren zou stand houden.

Belisarius leefde in dagelijksche angst, dat hij vermoord

zou worden. Eenzaam en somber wandelde hij door de straten van

Constantinopel, gemeden door al zijn vrienden. Eindelijk, in 544,

stelde Justinianus, ongerust over Italië en misschien verschrikt

door de nadering van de pest, voor, dat Belisarius de leiding van den

oorlog tegen de Oost-Goten weer op zich zou nemen. Maar geen troepen

werden voor hem beschikbaar gesteld. Op eigen kosten wierf hij dus

4000 Illyriërs. Met dezen stak hij over naar Ravenna en slaagde er

in Bologna te nemen.

Ondertusschen had Totila een groot gedeelte van Zuid-Italië veroverd,

en, gekampeerd bij Tibur (Tivoli), bedreigde hij Rome, dat de

keizerlijke troepen onder Bessa bezet hielden, nam sterke punten aan

den Flaminischen weg en legde er garnizoenen, om den toegang naar

Rome van het noorden af te snijden. Een jaar lang moest Belisarius,

die Rome te hulp wilde snellen, in machtelooze wanhoop werkeloos

blijven; hij zond dringende verzoeken om hulp aan Justinianus en stak

zelfs over naar Durazzo om hun aankomst af te wachten. Maar toen zij

eindelijk kwamen, bleken zij ongeoefend en tuchteloos te zijn, en hun

bevelhebber--dezelfde Johannes, die vroeger de plannen van Belisarius

bijna even hardnekkig had gedwarsboomd als Narses zelf--drong er

op aan de Goten eerst uit Apulië en Calabrië te verdrijven, voordat

zij zouden trachten Rome te ontzetten, dat Totila nu was begonnen te

belegeren en dat Belisarius had besloten te bevrijden.

Zooals in het geval van Narses, bleek het ook nu noodzakelijk de

strijdkrachten te verdeelen. Johannes ontscheepte zijn troepen bij

Otranto, en, daar er slechts een paar verspreide benden Goten in

die streken waren, kon hij weldra aan Justinianus melden, dat hij

Zuid-Italië in zijn macht had, terwijl Belisarius naar den mond

van den Tiber zeilde. Hier bezette hij de haven (Portus Romanus);

Ostia zelf was in handen van Totila's Goten, die een ketting over de

rivier hadden gespannen om den toevoer van levensmiddelen naar Rome

te verhinderen. Een moedige poging van de Byzantijnen om den ketting

te doen springen en zich met booten en branders een weg te banen naar

de stad mislukte op het laatste oogenblik door de onhandigheid of het

verraad van Bessa, en zoo woedend waren het volk en de soldaten op

hun aanvoerder, die een massa geld schijnt verdiend te hebben door

voedsel aan de uithongerde burgers voor buitensporige prijzen te

verkoopen, dat de Porta Asinaria, nadat eenige Isaurische wachters

waren omgekocht, midden in den nacht voor de Goten werd geopend. Toen

zij binnenrukten (17 December, 546), trok de Byzantijnsche bezetting

en een groote menigte door andere poorten de stad uit, terwijl Bessa

gedwongen werd al zijn schandelijk gewonnen goud achter te laten.

Het is bijna niet te gelooven, maar Procopius verzekert ons, dat, toen

de Goten Rome binnentrokken, zij er nauwelijks 500 menschen vonden. De

meesten waren in de kerken gevlucht en na eenig bloedvergieten in den

roes van de overwinning, werden de barbaren zoo niet van plundering,

dan toch van moord op de smeekelingen door Totila weerhouden, die,

zooals ook bij andere gelegenheden, waardig en menschelijk [95] optrad.

Totila bleef langer in Rome dan Alarik, die er slechts zes dagen

vertoefd had. Terwijl hij daar was, zond hij naar Justinianus den

diaken Pelagius (later Paus), die met rustigen moed, bijna alleen,

den Gotischen Koning had afgewacht, zooals Paus Leo vroeger Attila

en Gaiserik had ontvangen. Door middel van Pelagius zond Totila een

brief aan den Keizer: "Ik heb eerbied voor U als voor mijn vader",

schreef hij, "en zal altijd uw trouwe bondgenoot zijn; maar indien

gij geen vrede wilt aannemen, zal ik Rome verwoesten, opdat het niet

weder een gevaar voor de Goten kan worden."

Justinianus antwoordde niet; derhalve begon Totila de muren van Rome

neer te halen. Hij had een derde gedeelte ervan afgebroken en misschien

nog vele andere gebouwen, toen hij plotseling ophield--wellicht omdat

Belisarius, die juist diezelfde muren had herbouwd, hem daarover een

roerenden brief schreef, of omdat hij hoopte Rome eens tot hoofdstad

van een "Gotica" te maken onder de bescherming van het Oost-Romeinsche

Rijk. Toen trok hij naar het Zuiden van Italië, terwijl hij als

gijzelaars de Romeinsche senatoren meenam, die--zooals die beroemde

senatoren van den ouden tijd, toen de Galliërs Rome innamen--de

aankomst van den barbaarschen overwinnaar hadden afgewacht, hoewel

misschien niet in zulk een waardige houding.

Na hetgeen wij gehoord hebben, moeten wij er ons misschien niet over

verbazen te lezen, dat, toen Totila en zijn Goten Rome ontruimden,

de groote stad, die in de dagen van Alarik's inval nog ongeveer

twee millioen inwoners had, gedurende zes weken volstrekt ledig

bleef--nergens in het geweldige labyrinth van oude en nieuwe gebouwen,

nergens in de ontelbare straten en open pleinen was een sterfelijk

wezen te zien. [96]

Belisarius en zijn Byzantijnen trokken de verlaten stad binnen, en

de Aureliaansche muren werden haastig hersteld; vele oude marmeren

beelden werden er ingebouwd, hetgeen men nog kan zien (zooals dat

tijdens Themistocles ook in Athene was geschied). Uit de omstreken

kwamen nu duizenden terug, die zich verborgen hadden; toen hij

dit vernam, keerde Totila terug; maar hij werd afgeslagen en sloeg

weder zijn legerplaats bij Tivoli op. Nu waren (547) zoowel Rome als

Ravenna in handen van de Keizerlijken en zij konden zich voorstellen,

dat de fortuin hun gunstig was; maar elk verzoek om versterkingen was

vruchteloos, want Justinianus was geheel en al verdiept geraakt in

godsdienstige quaesties [97] en hij verlangde blijkbaar niet alleen

beroemd te worden als burgerlijk wetgever, maar ook als de hoogste

wetgever voor de Kerk en als degene, die de godsdienstige eenheid had

hersteld door de overwinning van dat geloof, dat hij als het eenige

ware beschouwde.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 12 / 48 段