Keizerrijk, door zijn comites palatii (ambtenaren van het paleis) te
Salona gedood. Odovacar werd aldus bevrijd van den eenigen mededinger,
die aanspraak maakte op den troon van Italië. Hij had te Ravenna,
dat nog steeds een prachtige haven bezat, een sterke vloot verzameld,
om tegen de zeeroovers der Vandalen op te treden en om Sicilië te
veroveren. Na den dood van Nepos stak hij de Adriatische zee over
en annexeerde Dalmatië. Dit was natuurlijk een daad van openlijke
vijandschap tegen Zeno en een schending van de integriteit van het
Oost-Romeinsche Rijk; maar Zeno was niet in staat het te vergelden,
daar hij werd bezig gehouden door gevaarlijke godsdienstige woelingen,
die in het oosten, dat broeinest van sophistische leerstellingen, waren
ontstaan; de patriarch van Alexandria was door fanatieken gedood. Deze
conflicten in Constantinopel hadden een ernstig karakter aangenomen
door Zeno's welgemeende poging om de verbitterde tegenstanders te
verzoenen--de Monophysieten (die verzekerden dat de menschelijke
en goddelijke natuur van Christus in één vereenigd waren) en de
zgn. orthodoxe partij. Gesteund door den patriarch Acacius had
hij een brief uitgegeven, die bekend is onder den naam Henotikon
(d.i. een poging tot verzoening), maar deze werd, zooals het met
dergelijke pogingen meestal gaat, ontvangen met den heftigsten
tegenstand, vooral van den kant van den Paus en de Katholieken te
Rome, en een tijdlang verergerde dit slechts den ellendigen twist,
totdat de zgn. orthodoxe partij de overwinning behaalde. [83]
Ofschoon Odovacar een Ariaan was, stond hij in dezen twist aan den kant
van Paus Simplicius; maar toen de Paus in 483 stierf, beschouwde hij
het terecht als zijn taak de onlusten, die gewoonlijk bij de verkiezing
van een Paus plaats vonden, te voorkomen; hij liet door den Prefect
het college der kiezers (toen nog niet beperkt tot de Kardinalen)
bijeenroepen, en verklaarde, dat geen verkiezing van kracht zou zijn
zonder zijn sanctie; en het was zijn candidaat, Felix II, die gekozen
werd. Deze inmenging in Kerkelijke aangelegenheden wordt door sommige
schrijvers met droefheid en verontwaardiging vermeld. Wel hadden de
Keizers van het Oosten zich soms, niet alleen bij de verkiezing van
prelaten, maar ook in het omschrijven en verspreiden van leerstukken
gezag aangematigd; en te Rome had Honorius zelfs tusschen twee Pausen
een beslissing genomen. Maar Odovacar was een barbaar en een Ariaan
en zijn krachtige en voorspoedige politiek wordt gebrandmerkt als
het begin van de lange en rampzalige veeten tusschen de wereldlijke
aanspraken van de Kerk en de wettige macht van de Staat, terwijl
Odovacar toch, wanneer hij op waardige wijze was opgetreden, geweldige
slachtingen en wederzijdsche verbittering had kunnen voorkomen en
den naam van het Christendom vrij had kunnen houden van de smetten,
die de godsdienstige vervolgingen en de oorlogen, gevoerd in naam
van het Evangelie des vredes, er op geworpen hebben.
De waarheid is, dat op de ruïnen van het Keizerlijke Rome onder den
naam van Pauselijk gezag een nieuwe politieke macht oprees--in naam
geestelijk, maar inderdaad wereldlijk van aard en in haar idealen--die,
daar zij als bondgenoot het godsdienstige en zedelijke gevoel van den
mensch opeischte en gewapend was met alle wapenen, die het bijgeloof
verschaft, in staat was zich eeuwen lang tegen het hoogste burgerlijke
gezag staande te houden. Hierin verschilt het Christendom geheel en
al van den Islam, waar dadelijk het hoogste geestelijke en het hoogste
burgerlijke gezag in één persoon werden vereenigd; want, welke andere
slechte gevolgen een dergelijk systeem ook had, op deze wijze kon
een zuiver geestelijke invloed nooit ontaarden in een staatkundige
instelling, wier hoofddoel was het verwerven van wereldlijke macht
en die aldus in botsing kwam met het wettige, burgerlijke gezag.
Ondanks Odovacar's verstandige regeering, ondanks zijn pogingen om de
nadeelen van het groot-grondbezit (latifundia), waaraan Plinius de
Oudere den ondergang van Italië toeschrijft, te verhelpen, schijnt
de toestand in vele streken van zijn koninkrijk droevig geweest te
zijn. Zoo lezen wij in een brief van Paus Gelasius (492) dat in Toscane
en Aemilia en de andere provincies "nauwelijks één menschelijk wezen
bestaat"--hominum prope nullus exsistit. In Rome was ook de werkende
klasse--de stadswerklieden en de scholae van schilders, bouwlieden,
geneesheeren enz.--in een toestand van armoede en verwaarloozing
gekomen, waaruit zij later met moeite voor korten tijd door Theoderik
werd opgeheven.
Ongeveer 486 gebeurde, hetgeen blijkbaar de onmiddellijke oorzaak
werd van Odovacar's nederlaag. In Noricum was de heilige kluizenaar
Severinus (p. 102) gestorven en het land was weder tot anarchie
vervallen. De woeste Germaansche volksstam van de Rugiërs, die in het
tegenwoordige Moravië en Zuid-Bohemen woonde, greep, waarschijnlijk
aangespoord door Zeno, de gelegenheid aan om Zuidwaarts op te rukken
en het land te plunderen en te verwoesten. Odovacar trok de Alpen
over met een groot leger van barbaren en Italianen, versloeg de
Rugiërs in Noricum, achtervolgde hen over den Donau en nam hun koning
gevangen. Maar de zoon van den koning ontsnapte en vluchtte naar de
Oost-Goten, die toen in de streek tusschen Noricum en Dacië gevestigd
waren, het land van de Save en de Drave, dat zich noordwaarts tot
den Donau uitstrekt. De hoofdman van deze Oost-Goten was Theoderik
de Amaler, een man van ongeveer 32 jaar. Zeno, die Odovacar wilde
onderwerpen en de onbeschaamdheid van de Pausen beteugelen, zette
Theoderik aan tot een inval in Italië. De smeekbeden van den jongen
vorst der Rugiërs deden Theoderik besluiten Odovacar aan te vallen.
Dit deed hij, zooals het heette, volgens opdracht van den Keizer
in het Oosten. Hij had den titel "Patricius" [84] verworven en had
onder zijn bevel een keizerlijk generaal (magister militum) en andere
Keizerlijke ambtenaren (comites, comtes, counts, graven). Zijn doel,
dat hij niet verborgen hield, was den usurpator of "tyran" aan te
vallen en Italië voor het Keizerrijk te heroveren.
Gedurende den herfst, winter, en lente van 488-'89 trokken geweldige
benden van verschillende volkstammen, doch voornamelijk van Oost-Goten,
te zamen waarschijnlijk 200.000, met ongeveer 50.000 krijgslieden,
onder aanvoering van Theoderik de Alpen over; zij begonnen hun
marsch bij Aemona (Laibach) en namen denzelfden weg als Theodosius,
Alarik en Attila hadden genomen. Aan de rivier de Sontius (Isonzo)
bij Aquileia en daarna aan de Athesis (Adige) bij Verona werd slag
geleverd; Odovacar werd gedwongen terug te trekken, doch ook de Goten
leden zware verliezen, en Theoderik trok, in plaats van zuidwaarts
over de Apennijnen, naar Milaan en sloeg zijn kamp op bij Ticinum
(Pavia). Toen haastte Odovacar zich (volgens sommige schrijvers)
naar Rome, maar vond de poorten gesloten. Hetzij dit gebeurde of niet,
zeker is het, dat na de veldslagen in Noord-Italië de Romeinsche Senaat
en de geestelijken voorstellen deden aan Theoderik, want Odovacar
had in de laatste jaren groote verbittering verwekt door de Kerken
te plunderen om zijn troepen te betalen. Sommige schrijvers spreken
ook van het overloopen van Tufa, Odovacar's magister militum, naar
Theoderik; maar het schijnt, dat Tufa dit slechts geveinsd heeft en
erin geslaagd is een aantal Goten van Theoderik naar Odovacar's kamp
te brengen. In ieder geval zien wij dat Odovacar zich krachtig staande
houdt in Noord-Italië--hij bezet Milaan en met hulp van Bourgondiërs,
die hij heeft ontboden, dwingt hij Theoderik binnen de muren van
Ticinum te blijven, waar de geweldige massa's menschen veel te lijden
hebben van gebrek aan ruimte en voedsel.
Maar in deze moeilijke omstandigheden (490) kwamen de West-Goten uit
Gallië hun stamgenooten te hulp en Odovacar leed bij de Adda een
verpletterende nederlaag. Hij trok terug naar Ravenna, dat weldra
door Theoderik van de landzijde belegerd werd. Maar de haven gaf
vrijen toegang tot de zee, daar de Goten geen vloot hadden, en wegens
de moerassen en sterke wallen kon Ravenna niet gemakkelijk bestormd
worden. En aldus werd Theoderik, ofschoon hij overal elders in Italië
als heer werd erkend, drie jaar lang getrotseerd [85] door de stad,
die later de hoofdstad van zijn koninkrijk werd en nog steeds zoo
nauw aan zijn naam verbonden is.
Eindelijk, in het begin van 493 werd Odovacar gedwongen te
capituleeren, want de Goten hadden zich meester gemaakt van de
zeevesting Rimini en genoeg schepen verzameld om Ravenna ook te
blokkeeren. Wij weten niet veel van deze capitulatie, behalve
dat Odovacar's leven gewaarborgd werd. Toch werd deze voorwaarde
geschonden, want ongeveer drie weken later noodigde Theoderik zijn
gevangene uit tot een feestmaal in het Paleis van den Raad, dat
volgens een ouden schrijver in het Zuid-Oostelijke deel van Ravenna was
(waarschijnlijk het gebouw, dat nu nog het Paleis van Theoderik genoemd
wordt) en liet hem bij zijn aankomst dooden; of misschien volvoerde
hij de bloedige en verraderlijke daad zelf; éen kroniekschrijver toch
verzekert dit, en geeft bovendien de dramatische bijzonderheid, dat
Theoderik, toen zijn zwaard het lichaam van zijn slachtoffer van de
hals tot de lendenen in tweeën kliefde, zich omkeerde en grijnslachend
mompelde: "Het ellendige creatuur schijnt geen beenderen te hebben."
II. De Heerschappij der Oost-Goten (493-535).
Daar Theoderik het onderwerp zal vormen van latere hoofdstukken, zal
hier slechts een kort verslag gegeven worden van zijn lange regeering
van drie en dertig jaren.
Na den slag bij de Adda (490), zond hij bericht van de overwinning
naar Constantinopel en vroeg verlof om den titel van koning aan te
nemen; maar Zeno stierf in April 491, en daar zijn opvolger Anastasius
[86], geen antwoord zond, liet Theoderik zich door zijn manschappen
tot koning kiezen. Door deze handeling verbeurde hij natuurlijk de
insignia en het ambt van keizerlijk gevolmachtigde en bracht zichzelf
in dezelfde positie, in welke de "tyran" zich had bevonden. Maar
Anastasius vond het mettertijd raadzaam den fait accompli te erkennen
en den toestand aan te nemen, zooals die was. Toen derhalve ongeveer
zeven jaar later (498) een ander gezantschap aan het hof in het
Oosten kwam, werd hij vriendelijk ontvangen, en kreeg opdracht de
keizerlijke insignia, die de Romeinsche senaat namens Odovacar aan Zeno
had gezonden, aan Theoderik te overhandigen. Natuurlijk beteekende dit
niet, dat Anastasius Theoderik als Keizer van het Westen erkende. Wat
het beteekende en wat de positie van Theoderik was, zal later besproken
worden, wanneer wij zijn wetgeving en regeering beschrijven.
Langzamerhand versterkte en breidde Theoderik zijn macht uit. In 504
heerscht hij niet alleen over het geheele vroegere rijk van Odovacar,
namelijk Italië, Rhaetië en Dalmatië, maar heeft ook Noricum en
Pannonië onderworpen en een afstammeling van Attila geholpen een
tijdelijke herleving van het Hunnenrijk in het oude gebied van de
Oost-Goten, in Dacië, tot stand te brengen en het leger van den Keizer
van het Oosten te verslaan.
En evenmin aarzelde Theoderik--ofschoon hij met onverstoorbaren
ernst de meest onderdanige brieven [87] aan Anastasius schreef--een
inval te doen in het gebied, dat den Keizer toebehoorde, want hij
nam niet alleen Sirmium aan den Donau, maar drong zelfs Illyricum
binnen. Hierop zond Anastasius, hevig vertoornd, in 508 een vloot van
200 schepen uit om Tarente aan te vallen en de kusten van Zuid-Italië
te verwoesten--een dwaze représsaille die niets uitwerkte, dan
(zooals een schrijver uit dien tijd, Marcellino Conte, zegt) een
"schandelijke overwinning van Romeinen over Romeinen", daar toch
de bewoners van Apulië en Calabrië geenszins verantwoordelijk waren
voor de daden van Theoderik. Ook naar het Westen was het gebied van
Theoderik aanmerkelijk uitgebreid. Waarschijnlijk uit vrees, dat
Anastasius anderen tegen hem zou opzetten, zooals hij tegen Odovacar
opgezet was, sloot hij verbonden met de drie machtigste barbaarsche
volkeren; hij gaf zijn zuster Amalafrida aan Thrasamund, den Koning
der Vandalen [88], zijn dochter Theudegotha aan Alarik II, Koning
der West-Goten, en een andere dochter, Ostrogotha, aan Sigismund,
den zoon van den Bourgondischen Koning. Bovendien was hijzelf,
blijkbaar omstreeks 497, met Audefleda, de dochter van den machtigen
en strijdlustigen Koning der Franken, Chlodovech (Chlodwig, Ludwig,
Clovis) in het huwelijk getreden.
Wanneer wij den tijd van Karel den Groote beschrijven, zullen wij de
opkomst van dat rijk en de Franken schetsen. Het is voldoende hier
te vermelden, dat zij in de laatste jaren snel waren opgerukt uit
het tegenwoordige Nederland en België, onder Clovis zich verspreid
hadden in het noorden van Gallië, en de Bourgondiërs hadden
overwonnen. Maar toen Clovis er toe overging de West-Goten aan te
vallen, kwam Theoderik zijn stamgenooten te hulp en dwong Clovis,
zijn schoonvader, het beleg van Arles op te geven en zich terug te
trekken over de Loire (c. 509), na een nederlaag, waarin hij, volgens
Jordanes, 30.000 man verloor. Theoderik kreeg nu de hoogste macht
in het rijk der West-Goten, daar zijn schoonzoon, Alarik II, in den
slag was gedood. Hij stelde zichzelf tot voogd en regent aan over den
troonopvolger, zijn kleinzoon Amalarik en werd aldus heerscher over
het geheele gebied der West-Goten in Gallië en Spanje, terwijl hij als
Koning van Italië, Sicilië, Pannonië, Dalmatië erkend was en ook van
Provence, dat hij geannexeerd had. Gedurende ongeveer zestien jaren
(510-526) heerschte hij over een grooter gebied van het Westersche
Rijk, dan sommige van de latere Keizers en hij beschouwde zich als een
"Princeps Romanus" en men sprak hem, hoewel niet officieel, aan als
"Augustus", ofschoon hij op de meest nederige en onderdanige wijze
bleef schrijven aan den Keizer van het Oosten.
Maar de laatste jaren van den grooten Koning der Oost-Goten zouden
ongelukkig zijn. Oneenigheden over leerstellige vraagstukken, wier
rampzalige gevolgen wij reeds zoo dikwijls hebben beschreven, verwekten
een steeds heftiger vijandigheid tegen hem en dit deed in de diepten
van zijn barbaarsche natuur den heftigsten wrok ontstaan. Hij werd
nukkig, verbitterd en argwanend. Eerst had hij, evenals Odovacar,
ofschoon hij een Ariaan was, de partij van den Paus gekozen tegen de
ongelukkige poging van Keizer Zeno om de Katholieken en Monophysieten
te verzoenen. (Zeno's poging, Henotikon, was door de Kerk van Rome als
een werk van Satan gebrandmerkt, ofschoon het geteekend was door alle
bisschoppen van het Oosten.) Na Zeno's dood (491) werden deze twisten
nog heviger en wij zagen reeds dat Anastasius voor een bende fanatieken
in Constantinopel om zijn leven moest smeeken. Ondertusschen schijnt
Theoderik den juisten koers genomen te hebben en achtereenvolgens drie
Pausen tegen den Keizer van het Oosten handig te hebben uitgespeeld,
terwijl hij zich aldus, ofschoon hij zelf een Ariaan was, de gunst
van zijn Katholieke onderdanen verzekerde.
Maar een plotselinge verandering ontstond in deze verhoudingen toen
Anastatius in 518 stierf. Hij werd opgevolgd door Justinus--een
onontwikkelden, dapperen, eenvoudigen, dom-orthodoxen, Dardanischen
(Bulgaarschen) boer, die niet lang na zijn verkiezing sterk onder
den invloed geraakte van zijn veel begaafder, ook orthodoxen
neef, Justinianus, die later, zooals hijzelf meende, een hechte
steunpilaar werd van de in zijn oogen eenige ware Kerk. Aan het
hof te Constantinopel kreeg de ketterij van de Monophysieten en
andere leerstukken plotseling een slechten naam en werd een begin
gemaakt met vervolgingen. Te Rome bleef Paus Hormisdas, die niet
zoo inschikkelijk was als zijn voorgangers, nogal koel tegenover de
vriendelijkheden en Kerk-bouwenden ijver van den Ariaan Theoderik
en opende onderhandelingen met Justinus en diens heerschzuchtigen
neef, met de bedoeling om over de verdraagzaamheid jegens ketters
den banvloek uit te spreken. Weldra verbinden de Paus en de Keizer
zich tegen Theoderik en dit verbond wordt plechtig bekrachtigd
door een Concilie, gehouden te Constantinopel en bijgewoond door
afgevaardigden van den Paus; hier wordt het Katholicisme afgekondigd
als staatsgodsdienst, het Henotikon plechtig veroordeeld, en over
Acacius, die er aan medegewerkt heeft, de banvloek uitgesproken.
Omstreeks 523 kwam het bevel van Justinus, dat alle Ariaansche Kerken
aan de Katholieken moesten worden afgestaan. Theoderik antwoordde
daarop door de Katholieke Kerken te sluiten. Hij was uitermate
verbitterd. Het voornaamste doel van zijn regeering en wetgeving
gedurende dertig jaren was geweest de Goten en Romeinen tot één volk
samen te smelten en hijzelf had vele Romeinsche gewoonten aangenomen
en toonde een oprechte bewondering voor de wetten, de litteratuur en
de monumenten van het Romeinsche Keizerrijk. Maar zijn welgemeende,
doch soms tamelijk onhandige navolging van Romeinsche gewoonten, taal
en idealen wekte den lachlust van de geboren Italianen op, onder wie,
vooral onder de rijken, een sterke beweging opkwam ten gunste van
Nationalisme en Katholicisme, als een protest tegen den vreemden
Gotischen indringer, wiens heerschzuchtige soldaten zich het beste
deel van hun land hadden toegeëigend, als ook hun fraaiste kerken en
voornaamste ambtelijke waardigheden en voordeelen. Verbitterd door
deze steeds toenemende vijandigheid, schijnt Theoderik aan zijn
misschien wat oppervlakkige bewondering voor Romeinsche zaken een
einde te hebben gemaakt en aan die aangeboren neiging tot wreedheid
te hebben toegegeven, die hij toonde door den moord op Odovacar. Zijn
woede tegen de Katholieken werd aangewakkerd door den fanatieken
ijver van zijn schoonzoon, Eutharik, een fellen Ariaan, aan wien hij
zijn eenige dochter, de erfgename van zijn troon, Amalasuntha had
gegeven. Theoderik verloor meer en meer zijn populariteit; daden van
geweld werden eerst op rechtvaardige wijze onderdrukt--zoo moesten
b.v. de Katholieken te Ravenna de Joodsche Synagoge, die zij in brand
hadden gestoken, weer opbouwen--maar later door harde represailles. Te
Rome vooral werd de stemming tegen de barbaarsche ketters zoo venijnig,
dat de Goten order kregen aan geen burger het gebruik van eenig wapen
toe te staan--usque ad cultellum.
Dat er onder de zeer gemengde bevolking van Rome pro-Goten waren, is
natuurlijk niet te verwonderen. De geschiedenis van de beschuldiging,
die door zulk een "delator" (aanklager) tegen een patriciër, Albinus,
is ingebracht en den dood (524) van den philosoof Boëthius en zijn
schoonvader Symmachus, het hoofd van den Romeinschen Senaat, zullen
later vermeld worden. Het werpt een somber licht op de twee laatste
jaren van Theoderik's regeering en maakt een andere wreede daad van
hem minder onbegrijpelijk. Paus Hormisdas was gestorven ven (523),
en door een waardigen, doch onbuigzamen anti-Ariaanschen prelaat,
Johannes I opgevolgd. Verontwaardigd over de handeling van het
Concilie te Constantinopel en Justinus' order om de Ariaansche
Kerken in Italië te sluiten, wilde Theoderik een krachtig protest
naar den Keizer van het Oosten sturen. Hij liet Paus Johannes te
Ravenna komen en droeg hem met eenige senatoren en den Ariaanschen
Aartsbisschop van Ravenna, Ecclesius, op Justinus te vragen, dat bevel
in te trekken. Het gezantschap werd eervol aan de poort ontvangen
en in feestelijken optocht geleid naar Constantijn's Basilica van
Hagia Sophia, terwijl de Keizer bijzonderen eerbied bewees aan den
eersten Paus, die Constantinopel binnentrad. Maar Theoderik's verzoek
werd geweigerd of ontweken, en op den terugtocht werd de Paus, die
blijkbaar verdacht werd met den Keizer te heulen, in de gevangenis
geworpen, waar hij weldra stierf. "De dankbare Kerk", zegt Gregorovius,
"heeft hem geëerd met den nimbus van een martelaar." Om zijn plaats te
vervullen stelde Theoderik voor Felix te kiezen. De Romeinen beefden
en gehoorzaamden.
Wij hebben gezien, dat Odovacar de ongeregeldheden trachtte te
voorkomen, die gewoonlijk bij de verkiezing van een Paus plaats
vonden. Theoderik's aanmatiging van het recht van investituur, niet
alleen van bisschoppen, maar van den Stedehouder van Christus zelf,
was iets geheel anders, en daar ook Theoderik's opvolgers zich dit
recht hebben aangematigd, en ook Belisarius, die met de hulp van
Theodora pausen liet aftreden en kiezen, en zelfs Justinianus,
die--ondanks zijn Pragmatieke Sanctie--den weerspannigen Paus
Vigilius gevangen zette, en later ook verschillende vorsten van
het z.g.n. Heilige Roomsche Rijk, kan dit beschouwd worden als de
werkelijke fons et origo mali. Theoderik stierf in 526, ongeveer drie
maanden na den dood van Paus Johannes in de gevangenis. Fantastische
verhalen over den dood van den koning worden in ernst door Procopius
en Gregorius den Groote gedaan. Die zullen verteld worden in het
volgende hoofdstuk. De ware oorzaak van zijn dood was waarschijnlijk
een aanval van dysenterie, en een oude schrijver verzekert, dat deze
plaats vond juist op den dag, waarop het besluit van den koning,
dat de Katholieke Kerken aan de Arianen zouden worden overgegeven,
in werking zou treden--een merkwaardige overeenkomst met het verhaal
van den dood van Arius zelf (pag. 39). De kroniekschrijver Jordanes,
die de verloren geraakte "Geschiedenis" van Cassiodorus, den eersten
minister van Theoderik, heeft gebruikt, schrijft, dat de dood van den
koning zeer kalm en waardig was. Toen hij het einde voelde naderen,
liet hij zijn ministers en de bevelhebbers der Oost-Goten komen en
stelde hun als opvolger zijn kleinzoon Athalarik voor--want Eutharik,
zijn schoonzoon, was gestorven.
Athalarik was een jongen van tien jaar. Zijn moeder Amalasuntha werd
dus regentes; haar minister was Cassiodorus. Zij wordt beschreven als
een schoone en geleerde vrouw, bedreven in het Gotisch, Grieksch en
Latijn en bijzonder gesteld op de klassieke litteratuur; en wij krijgen
een gunstigen indruk van haar karakter door het feit, dat zij bewerkte,
dat de verbeurd verklaarde goederen van Boëthius en Symmachus aan hun
families werden teruggegeven. Doch haar Romeinsche neigingen hadden
haar ondergang ten gevolge. De Goten, die een dergelijke verwijfdheid
verachtten, eischten, dat de jonge Athalarik de studies, die zijn
moeder voor hem had gekozen, zou opgeven en een militaire opvoeding
zou krijgen; zij verklaarden, dat het een stelling van Theoderik
was, dat geen man onversaagd een vijand het hoofd kon bieden, die
gesidderd had voor de roede van een leermeester; en de zaak kwam tot
een uitbarsting, toen zij den jongen eens zagen huilen, omdat hij
een klap van zijn meester of zijn moeder had gekregen. De militaire
opvoeding evenwel schijnt hem gelegenheid te hebben gegeven te veel
aan zichzelf te denken, hetgeen zijn zwakke gezondheid knakte, en na
acht jaren stierf hij (534), voordat hij gekroond was.