regeering, schijnt Gaiserik zich tamelijk rustig gehouden te
hebben. Hij was bezig zijn rijk te versterken en wachtte een
gelegenheid af om zijn veroverd gebied ook buiten Afrika te vergrooten,
terwijl zijn vloot de zee schoon veegde en zijn leger steeds verder
doordrong in de richting van Tripolis en de Groote Syrte.
In 455, het 27e van de 49 jaar zijner regeering, verzamelde Gaiserik
een vloot (wellicht uitgenoodigd door keizerin Eudoxia) en zette
een troep van zijn Vandalen en Mooren bij den mond van den Tiber aan
land [79]. Rome was zonder verdediging. Er waren geen georganiseerde
strijdkrachten en de geheele stad was in rep en roer. Toen Maximus,
de opvolger van den vermoorden Valentinianus, trachtte te vluchten,
werd hij gedood door het gepeupel; zijn lichaam werd in stukken gerukt
en in den Tiber geworpen; en toen drie dagen later de Vandalen en hun
Afrikaansche hulptroepen de poorten naderden, vonden zij geen wanhopige
bevolking, die besloten was haar haardsteden te verdedigen, en evenmin
een phalanx van geoefende soldaten, maar een aantal ongewapende
priesters aangevoerd door een eerwaardigen bisschop--denzelfden Leo,
die drie jaren tevoren den woesten Attila getrotseerd had bij den
oever van den Lacus Benacus. Men zegt dat Gaiserik eerbiedig heeft
geluisterd naar de waardige, onbeschroomde en welsprekende taal van
Leo en beloofd heeft de gebouwen van Rome te ontzien en de Romeinen,
wanneer zij geen weerstand boden, te sparen. Maar zulk een wonder als
in het geval van Attila gebeurde niet; geen bovennatuurlijke invloed
bewerkte, dat Gaiserik zijn Vandalen naar hun schepen terugriep en
naar Sicilië of Carthago voer; hij gaf toestemming om te plunderen
en in de volgende veertien dagen werden alle vervoerbare schatten van
Rome naar de schepen gesleept, die aan den mond van den Tiber lagen.
De Vandalen schijnen slechts weinig in Rome vernield te hebben,
maar bij de algemeene plundering zijn ook vele beroemde Grieksche
en Romeinsche kunstwerken verdwenen, die tegelijk met een geweldige
massa kostbare voorwerpen, juweelen, gouden, zilveren en bronzen
versierselen, geborduurde kleederen naar Carthago zijn vervoerd. Veel
van dezen buit ging naar Constantinopel, toen zeventig jaar later
Justianus' veldheer Belisarius, Carthago innam, en de vernietiging
daarvan moet men niet aan de Vandalen, maar aan de Fransche, Vlaamsche
en Venetiaansche kruisvaarders toeschrijven, die Constantinopel in 1204
plunderden. Misschien ontging de buit van den Joodschen tempel--hetgeen
velen wellicht het belangrijkste van de schatten zullen vinden--dit
lot. Ongeveer 400 jaar geleden had Titus dezen buit uit Jeruzalem
gebracht en afbeeldingen ervan kan men nog op zijn triomfboog te
Rome zien. De zeven-armige gouden kandelaar, de gouden tafel om de
brooden op te leggen, de zilveren trompetten en de talrijke gewijde
gouden vazen waren (volgens Josephus) in den Tempel van den Vrede te
Rome geplaatst en de Groote Voorhang van den Tempel en de heilige
Boeken van de Wet werden bewaard in het Paleis van de Caesars. Een
overlevering verzekert, dat deze schatten in den Tiber werden geworpen,
toen Maxentius bij den Pons Milvius verdronk. Waarschijnlijker is
evenwel dat zij naar Carthago zijn vervoerd en dat sommige ervan door
Belisarius naar Constantinopel werden gebracht. Hunne merkwaardige
lotgevallen waren daar nog niet ten einde, als wij Procopius mogen
gelooven, die verzekert, dat Justinianus door godsdienstige bezwaren
gedreven, de "utensilia (huisraad) van den Joodschen tempel" naar
Jeruzalem terugzond, waar zij in de schatkamer van een Christelijke
Kerk werden gezet. Als dit waar is, moeten wij vreezen, dat zij later
in handen van de Saracenen zijn gevallen en nu in de een of andere ver
afgelegen Arabische of Syrische moskee zijn. Niet minder belangrijk
is het feit, dat de Vandalen ook naar Carthago de helft--zoo niet
het geheel--van het zoogenaamde gouden dak van den Jupiter-tempel op
het Capitool medenamen, dat gemaakt was van vergulde bronzen pannen,
en zonder twijfel ook de vergulde beelden en quadrigae--welke beelden
Domitianus, naar men zegt, ongeveer dertig millioen gulden gekost
hadden.
Onder de duizenden Romeinsche gevangenen, die meest als slaven werden
verkocht, waren drie bijzonder belangrijke. "De keizerin Eudoxia",
zegt Gibbon, "ging haar vriend en bevrijder te gemoet, doch betreurde
weldra haar onvoorzichtigheid. Zij werd op ruwe wijze van haar
juweelen beroofd en met haar twee dochters, de eenige overgebleven
afstammelingen van den Grooten Theodosius, gedwongen den trotschen
Vandaal te volgen."
Men zal zich herinneren, dat de oudste van deze dochters, Eudocia,
met Hunnerik trouwde, die zijn vader Gaiserik in 477 opvolgde--want de
kleine kreupele stichter van het Vandalen-Rijk regeerde ongeveer zestig
jaar. De Keizerin zelf met haar jongste dochter, Placidia, werd ten
slotte (c. 463) naar Constantinopel gestuurd, waar de Keizer van het
Oosten haar vriendelijk ontving--een bewijs, dat men niet geloofde,
of niet wist, dat zij Gaiserik naar Rome had geroepen. Een tweede
bewijs zou kunnen zijn het feit, dat haar dochter Placidia de gemalin
was van Olybrius, die later (472) een paar weken Romeinsch Keizer was.
Een jaar na de inneming van Rome leed de vloot der Vandalen een
verpletterende nederlaag bij Sardinië tegen de Romeinsche onder
Ricimer, maar die ramp schijnt Gaiserik niet zeer getroffen te hebben,
want ongeveer twaalf jaar later (468) richtte een groote vloot, die
was uitgerust door de beide Keizerrijken, weinig tegen hem uit en vele
van de 1113 schepen, waaruit de Keizerlijke vloot bestond, werden
vernield door Gaiserik's branders. De zoon van Gaiserik, Hunnerik,
die met Eudocia was gehuwd, handhaafde de heerschappij van zijn
vader te land en ter zee en is bekend om zijn hevige vervolging van
de Katholieken--of misschien van de geestelijken van beide partijen,
want hij liet den Ariaanschen patriarch van Carthago op het forum
aldaar verbranden. Zooals later verteld zal worden, eindigde het
rijk van Gaiserik in 533, toen een opvolger van Hunnerik, Gelimer,
overwonnen werd door Belisarius, Justinianus' veldheer, die Carthago in
zulk een snel tempo innam, dat hij bij de inneming in staat was aan een
maaltijd deel te nemen, die bereid was voor den Koning der Vandalen.
Het volgende verhaal is belangwekkend in verband met de inneming van
Rome door Gaiserik. Er is een kerk te Rome, die druk bezocht wordt
wegens het prachtige standbeeld van Mozes--een van de figuren van het
reusachtige monument van Paus Julius II, dat Michelangelo nooit heeft
kunnen voltooien en wat hij gewoon was "de tragedie van mijn leven" te
noemen. Deze kerk heet thans S. Pietro ad Vincula. Zij was gebouwd door
Keizerin Eudoxia en heette oorspronkelijk Basilica Eudoxiana. Haar
tweede naam heeft op de volgende legende betrekking. "Eudocia,
de moeder van Keizerin Eudoxia" zegt Gregorovius in die Geschichte
der Stadt Rom, "bracht uit Jeruzalem den ketting van den Heiligen
Petrus (zie Handelingen XII); de eene helft hiervan zond zij naar
Constantinopel, de andere helft naar haar dochter in Rome. Daar was
reeds de ketting, waarmede de apostel geboeid was, voor hij gemarteld,
werd en toen Paus Leo (dezelfde, die Attila en Gaiserik trotseerde)
de twee kettingen dicht bij elkander hield, haakten zij zichzelf zoo
vast ineen, dat zij een enkele ketting vormden van 38 schakels. Dit
mirakel bewoog Eudoxia, die toen de gemalin van Valentinianus III was,
om deze kerk te bouwen, waar de kettingen [80] nog steeds bewaard en
vereerd worden."
De plundering van Rome door Gaiserik's opvolgers, zegt Gregorovius,
schijnt het spreekwoordelijke gebruik van "Vandalisme" wel te
rechtvaardigen, want een groot aantal burgers werden totaal geruïneerd
en duizenden tot slaaf gemaakt. Maar bijna alle schrijvers getuigen,
dat Gaiserik niet zulk een "Vandaal" is geweest. Hij hield zijn woord
ten opzichte van de vernieling van kerken, paleizen en oude monumenten.
Het Einde van Romulus Augustulus.
In de periode van 455 tot de onttroning van Romulus Augustulus zijn
er weinige gebeurtenissen van eenig belang, behalve Ricimer's reeds
vermelde overwinning op de vloot der Vandalen en zijn plundering
van Rome--de derde keer, dat het geplunderd werd in ongeveer
zestig jaar. De kronieken uit dien tijd bestaan bijna geheel uit
voortdurende onlusten, oproeren, onttroningen en verkiezingen; de
keizerlijke poppen van de militaire dictatoren Ricimer, Gundobald
en Orestes volgden elkaar, met kleine tusschenruimten, zoo snel op,
dat in twintig jaar niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het
purper aannamen. Het korte verslag in het Historisch Overzicht zal
dus wel voldoende zijn, en wij zullen hier slechts een levendige
beschrijving van den onttroonden Keizer uit Gibbon bijvoegen en iets
over het vroegere leven van Odovacar.
"Na den dood van Valentinianus waren in twintig jaren achtereenvolgens
negen Keizers verdwenen, en de zoon van Orestes, een jongeling,
slechts om zijn schoonheid beroemd, zou allerminst recht hebben
op de belangstelling van de nakomelingschap, indien niet zijn
regeering, die gekenmerkt werd door de vernietiging van het
West-Romeinsche Keizerrijk, een merkwaardig tijdperk afsloot in de
wereldgeschiedenis. De zoon van Orestes nam de namen van Romulus
en Augustus aan, en maakte die te schande. Het leven van dezen
ongevaarlijken jongeling werd gespaard door de edelmoedige genade
van Odoacer, die hem met zijn geheele familie uit zijn Keizerlijk
paleis wegzond, een jaarlijksch inkomen van 6000 goudstukken voor
hem vaststelde en hem het kasteel van Lucullus in Campanië als
verbanningsoord aanwees.
De heerlijke kust van de golf van Napels was vroeger bezaaid met
villa's en Sulla prees den meesterblik van zijn tegenstander Marius,
die zich had gevestigd op het hooge voorgebergte van Misenum, dat
aan alle kanten de zee en het land overziet, zoover als de horizont
reikt. De villa van Marius was na een paar jaren door Lucullus gekocht
en de prijs was van f 30.000 gestegen tot meer dan f 960.000. Het
werd door den nieuwen bezitter met Grieksche en Aziatische kunstwerken
versierd, en de huizen en parken van Lucullus verwierven een eervolle
plaats op de lijst van de Keizerlijke paleizen. Toen de Vandalen voor
de kusten gevaarlijk werden, werd de Lucullische villa langzamerhand
een sterke vesting, het afgelegen toevluchtsoord van den laatsten
Keizer van het Westen. Ongeveer twintig jaar na die groote omwenteling
werd het in een kerk en een klooster veranderd om de beenderen van
den Heiligen Severinus te ontvangen. Zij rustten veilig tusschen de
gebroken trofeeën van de overwinningen op de Cimbren en Armeniërs,
tot het begin van de tiende eeuw, toen de versterkingen, die een
gevaarlijk steunpunt konden geven aan de Saracenen, werden afgebroken
door het volk van Napels." (Gibbon c. XXXVI.)
Sommigen gelooven dat deze villa van Lucullus in Pizzofalcone stond,
wat nu een hoog gedeelte van Napels is. Maar op Kaap Misenum, die
de Baai van Pozzuoli (Puteoli) vormt, kan men nog overblijfselen
van een groote villa zien--zonder twijfel de villa van Lucullus,
waar Keizer Tiberius werd gesmoord, en waarschijnlijk ook die, waar
Romulus Augustulus stierf.
Van Odovacar's jeugd worden eenige bijzonderheden gegeven door Gibbon,
Villari en anderen--uit Jordanes en verschillende oude schrijvers,
o.a. een leerling en biograaf van den Heiligen Severinus. De
vader van Odovacar en van zijn broeder Onulf was waarschijnlijk de
Scirische of Herulische hoofdman Edeco, die door Attila gezonden was
naar Constantinopel als gezant met Orestes, den vader van Romulus
Augustulus. Na den dood van Attila, toen de Hunnen zich verspreidden,
leidde de jonge Odovacar een zwervend leven en is misschien de
zeeroover geweest van denzelfden naam, die een vloot van Saksische
piraten op de noordelijke zeeën aanvoerde. In ieder geval, het tooneel
van zijn vroegere avonturen schijnt het noorden geweest te zijn,
want wij vernemen, dat hij ongeveer 460 Noricum (Styria, Salzburg
enz.) doortrekt aan het hoofd van een bende barbaarsche soldaten,
die in Italië dienst wilden zoeken onder Ricimer. Noricum was nog
niet hersteld van de verwoestingen van Attila en verkeerde in een
toestand van anarchie. De eenige erkende autoriteit was de Heilige
Severinus, de kluizenaar, die van zijn cel uit de orde in het land
bewaard schijnt te hebben. De Heilige werd opgezocht door Odovacar,
die het lot, dat hem in Italië wachtte, wilde leeren kennen. Toen de
slanke, jonge krijgsman bukte om de lage deur door te gaan, werd hij
door den Heilige met deze woorden begroet: "Vade ad Italiam. Vade,
vilissimis nunc pellibus coopertus, sed multis cito plurima largiturus,
Ga naar Italië! Ga! Ofschoon gij nu in dit ruwe gewaad gekleed zijt,
zult gij weldra aan velen rijkdommen verschaffen." Niet lang daarna
streed Odovacar in Ricimer's leger onder de muren van Rome en schijnt
tot hoogen rang geklommen te zijn; hij was ook populair geworden, want
in 475 kozen zijn soldaten hem plechtig tot hun Koning door hem op een
schild omhoog te heffen (zooals zoo dikwijls gebeurde, wanneer het
leger een nieuwen keizer koos). Als Koning van barbaarsche krijgers
wierp hij zichzelf op tot heerscher over Italië. Hij matigde zich
dus niet de keizerlijke waardigheid en titel aan, maar schafte die af.
AANTEEKENINGEN BIJ DE MUNTEN [81]
Plaat 9.
Van c. 306 tot c. 565
1. Constantijn I. 2. Constantius II. 3. Julianus
(Apostata). 4. Jovianus. 5. Valentinianus
I. 6. Valens. 7. Gratianus. 8. Valentinianus II. 9. Theodosius de
Groote. 10. Honorius en Arcadius. 11. Galla Placidia. 12. Valentinianus
III. 13. Theodosius II. 14. Pulcheria. 15. Romulus Augustus
(-ulus). Het woord Conob of Comob, dat dikwijls op middeleeuwsche
munten voorkomt, beteekent Comitis Obryziacus, d.w.z. de Munt van
den Graaf. Deze Graaf, Comes sacrarum largitionum was zoo ongeveer
de Minister van Financiën.
16. Voorzijde van een bronzen munt van 22 nummi. Beeltenis van een
krijgsman met borstharnas en krijgsmantel, geleund op een speer;
misschien Gaiserik zelf. Oudere munten van Gaiserik hebben (zooals
dikwijls bij de barbaarsche heerschers het geval is) den beeldenaar
van den overleden of nog regeerenden Keizer, b.v. Honorius en
Valentinianus (zie no. 22). Geen der munten, die men aan Gaiserik
toeschrijft, dragen zijn naam. Hetgeen op sommige koperen munten
vroeger werd aangezien voor "Genserik", leest men nu als "Mense
Aug." (in de maand Augustus). Het woord Karthago en de paardekop,
het oude symbool van Carthago, bewijzen dat de munt werd geslagen na
de inneming van Carthago in 439. De oudste kroniekschrijvers spellen
zijn naam "Gaiserik", Procopius schrijft "Gizerichus".
17. Zilver. Keerzijde: Odovacar, zonder baard, doch met knevel;
borstharnas en krijgsmantel. Lees: Flod[ov]ac, d. i. Flavius Odovacar;
Flavius is de familienaam van Vespasianus, later aangenomen als
koninklijke titel door Constantius I en sommige van zijn opvolgers,
en ook door de koningen der Longobarden. Voorzijde: zijn monogram
met een krans en er onder RV (Ravenna). Hij sloeg eerst munten met
zijn eigen naam, nadat hij zijn residentie te Ravenna gevestigd had.
18. Goud. Voorzijde van een munt van 3 solidi (ongeveer 210 gram)
bij Sinigallia in 1894 gevonden. Vóór deze vondst bestond er geen munt
met Theoderik's beeldenaar. Gewoonlijk zetten dergelijke vorsten hun
naam of beeltenis niet op gouden munten; dit werd beschouwd als een
voorrecht van de Keizers. Het is een bijzonder kostbaar overblijfsel
van Romeinsch-Gotische kunst, dat, zooals men nog aan de keerzijde
kan zien, door een ouden bezitter als broche is gebruikt. Op deze munt
staat: Rex theodericus pius princ[eps] i[nvictus?] s[emper?]. Omgeven
door deze woorden, houdt Theoderik een globe in de hand, waarop een
Godin der overwinning staat met krans en palmtak. De bezitter van
deze munt is de heer F. Gnecchi, Milaan.
19. Brons. Athalarik in wapenrusting, met speer en ovaal schild. Lees:
DN (Dominus of Dominus noster) Atalaricus. In de tusschenruimten SC
(Senatusconsulto) en X (10 nummi). Waarschijnlijk uitgegeven door
Athalarik's moeder, Amalasuntha. De voorzijde vertoont een mooi
borstbeeld van "Rome"--misschien een bevestiging van de mededeeling
dat de koningin-moeder de schoone kunsten in Rome aanmoedigde.
20. Brons. Lees: dn. Theodahatus rex. Een keurig gemodeleerde
beeltenis. De nauwsluitende kroon is merkwaardig en ook het met
juweelen versierde gewaad. Het gezicht stemt overeen met onze
voorstelling van zijn karakter en is een type (misschien Vandaalsch),
geheel verschillend van Theoderik. Cassiodorus vertelt ons dat
Theodahad bevolen had zijn beeldenaar op zijn munten te slaan, "als een
herinnering aan onze regeering voor toekomstige eeuwen". Waarschijnlijk
te Rome gemunt, na zijn breuk met Justinianus (535-36).
21. Brons. Beeldenaar van Baduela (of Baduila), d. i. Totila. Lees:
... Duela rex; op de keerzijde: dn. Baduela (of -ila) rex. Geslagen
na 549 te Rome (of Pavia?).
22. Zilver. Lees: dn. Theia rex. De voorzijde vertoont den naam
en beeldenaar van den Oost-Romeinschen Keizer Anastasius († 518),
ofschoon deze munt natuurlijk van 552-53 is. Hetzelfde beeld werd
dikwijls nog lang na den dood van een Keizer gebruikt.
23. Brons. Lees: dn. Justinianus ppvag (waarschijnlijk verkeerd voor
ppaug d. i. Pius Princeps Augustus). Een van de vele bestaande
beeltenissen van Justinianus. Waarschijnlijk uitgegeven door
Theodahad of Witigis (Vitiges). Gemunt te Rome c. 536-38. Na 540 (toen
Belisarius Ravenna innam) werden er Keizerlijke Byzantijnsche munten
van Justinianus geslagen in Italië, doch waarschijnlijk niet eerder
dan na Theia's dood en den val van het Gotische Rijk (c. 553-55).
TWEEDE DEEL.
HISTORISCH OVERZICHT.
476-568.
De geschiedenis van de drie eeuwen (476-800), die verliepen tusschen de
vernietiging van het Keizerlijk gezag in Italië en het herstel daarvan
in den persoon van Karel den Groote kan men in twee perioden verdeelen,
van welke de eene ongeveer een eeuw (476-568) en de tweede iets langer
dan twee eeuwen (568-800) is. De eerste periode vormt nu het onderwerp
van ons verhaal. In dit tijdperk hebben wij eerst, ongeveer 16 1/2
jaar, de regeering van Odovacar, Ottowacker of Odoacer, die wij beter
den naam van zijn munten (Odovac of Odovacar) kunnen geven dan den
Latijnschen vorm "Odoacer"; daarna komt de heerschappij der Oost-Goten
(493-535), waaronder de belangrijke regeeringen vallen van Theoderik
den Groote, zijn zoon Athalarik (onder het regentschap van zijn moeder
Amalasuntha) en Theodatus of Theodahad; daarna de "Gotische oorlog"
met de lange veldtochten van Belisarius en Narses, waarvan het einde de
nederlaag en dood is van de koningin der Oost-Goten, Totila (Baduela)
en Theia (553), en dan, gedurende vijftien jaar (553-568) de vestiging
van de Byzantijnsche heerschappij in Italië, dat een tijdlang een
diocese wordt van den Oost-Romeinschen Keizer, Justinianus.
De tweede periode, die wij in het derde deel zullen behandelen,
begint met de Longobarden-heerschappij van twee eeuwen (568-774),
een lange reeks jaren, die, behalve door enkele zeer belangwekkende
persoonlijkheden en eenige vraagstukken over architectuur, bijna
even somber is als de tijd die volgde op den inval der Doriërs in
Griekenland. Ten slotte krijgen wij het verzoek om hulp van den
Paus aan den Koning der Franken, gevolgd door de tusschenkomst en
de heerschappij van de Franken en het zoogenaamde herstel van het
West-Romeinsche Keizerrijk door de daad van Paus Leo III, die een
gouden kroon op het hoofd van den Franken-koning, Karel den Groote,
zette, toen deze, zonder iets te vermoeden (volgens sommigen) oprees
van zijn gebeden voor de graftombe van den Heiligen Petrus te Rome.
I. Odovacar's regeering (476-'93).
Het verhaal werd afgebroken bij de onttroning van Romulus Augustulus
door Odovacar en op het einde van eerste Deel werd een schets gegeven
van het latere leven van den onttroonden Keizer en ook een beschrijving
van het vroegere leven van den barbaren-koning, die gedurende meer
dan zestien jaar (hij stierf 15 Augustus 493) op den troon zetelde,
ofschoon hij den titel of den diadeem van de Romeinsche Keizers
niet aannam.
In Ravenna had de jeugdige Romulus Augustulus geresideerd en daar
was hij gevangen genomen; daar vestigde ook Odovacar den zetel van
zijn regeering. Het rijk, waar zijn regeering werd erkend, omvatte
geheel Italië ten zuiden van de Alpen, en Rhaetia tusschen de Alpen
en Donau. Het grootste deel van Sicilië werd na den dood van Gaiserik
(477) ook aan hem onderdanig: maar de Vandalen behielden Lilybaeum
en andere gedeelten van het eiland, evenals Sardinië en Corsica,
terwijl aan gene zijde van de West-Alpen de Bourgondische Koningen
de streek van de Rhône en Saône bezaten, de West-Goten geheel Spanje
en het Zuiden van Gallië in hun macht hadden, en verder noordwaarts
de Alemannen en Franken heerschten.
Zoodra Odovacar zich sterk genoeg voelde, zond hij een gezantschap
naar den Keizer van het Oosten om zijn positie te bepalen en erkenning
te eischen. Dit gezantschap was gemachtigd te verklaren namens den
Romeinschen Senaat en en den vroegeren Keizer, Romulus Augustulus
(wiens handteekening Odovacar zich blijkbaar had verschaft), dat het
Romeinsche, of liever het Italiaansche volk besloten had, dat één
Keizer voldoende was voor beide deelen van het Keizerrijk; en uit
naam van Odovacar overhandigden zij Zeno de keizerlijke insignia--de
ornamenta Palatii--den purperen mantel, den diadeem, de globe en
schepter, met het verzoek, dat de Keizer den bestuurder van Italië
den titel van Patricius zou willen verleenen.
Zeno antwoordde, dat zijn voorgangers, Leo I en de Keizerin Verina,
twee Keizers voor de Romeinen hadden gekozen; den eene, Athemius
hadden zij gedood, den andere, Nepos, verbannen; maar Nepos leefde
nog en bestuurde zijn provincie Dalmatië. Derhalve moesten zij zich
tot hem wenden met hun verzoek. Zeno schreef persoonlijk aan Odovacar
en noemde hem "Patricius". [82]
Men zal zich herinneren dat de val van Orestes, den vader van Romulus
Augustulus, voornamelijk moet toegeschreven worden aan het feit,
dat hij zijn soldaten geweigerd had een derde deel van het land van
Italië te geven. Odovacar had den steun van het leger verworven door
de belofte dit verzoek om land toe te staan, en nu moest hij dat
doen. De bijzonderheden van dezen zeer belangrijken maatregel zijn
niet nauwkeurig bekend, maar men kan met zekerheid aannemen, dat vele
groot-grondbezitters verdreven en geruïneerd zijn en dat uitgestrekte,
vruchtbare landen verdeeld zijn onder veteranen, die den grond gingen
bebouwen. In andere gevallen stelden de nieuwe bezitters zich er mede
tevreden als landheeren op te treden en de oude bezitters als pachters
te gebruiken, terwijl zij waarschijnlijk den toestand der slaven
verbeterden, die zij, volgens de feudale gewoonte in het Noorden,
als leenmannen aannamen. Odovacar had, evenals Alarik en Athaulf en
de groote Theoderik, diepen eerbied voor de staatsregeling van het
Keizerrijk en was, naar het schijnt voor de uitvoering der wetten
en het innen der belastingen geheel en al afhankelijk van de oude
keizerlijke ambtenaren.