Gedurende de volgende dertien jaren, de laatste van Valentinianus'

regeering, schijnt Gaiserik zich tamelijk rustig gehouden te

hebben. Hij was bezig zijn rijk te versterken en wachtte een

gelegenheid af om zijn veroverd gebied ook buiten Afrika te vergrooten,

terwijl zijn vloot de zee schoon veegde en zijn leger steeds verder

doordrong in de richting van Tripolis en de Groote Syrte.

In 455, het 27e van de 49 jaar zijner regeering, verzamelde Gaiserik

een vloot (wellicht uitgenoodigd door keizerin Eudoxia) en zette

een troep van zijn Vandalen en Mooren bij den mond van den Tiber aan

land [79]. Rome was zonder verdediging. Er waren geen georganiseerde

strijdkrachten en de geheele stad was in rep en roer. Toen Maximus,

de opvolger van den vermoorden Valentinianus, trachtte te vluchten,

werd hij gedood door het gepeupel; zijn lichaam werd in stukken gerukt

en in den Tiber geworpen; en toen drie dagen later de Vandalen en hun

Afrikaansche hulptroepen de poorten naderden, vonden zij geen wanhopige

bevolking, die besloten was haar haardsteden te verdedigen, en evenmin

een phalanx van geoefende soldaten, maar een aantal ongewapende

priesters aangevoerd door een eerwaardigen bisschop--denzelfden Leo,

die drie jaren tevoren den woesten Attila getrotseerd had bij den

oever van den Lacus Benacus. Men zegt dat Gaiserik eerbiedig heeft

geluisterd naar de waardige, onbeschroomde en welsprekende taal van

Leo en beloofd heeft de gebouwen van Rome te ontzien en de Romeinen,

wanneer zij geen weerstand boden, te sparen. Maar zulk een wonder als

in het geval van Attila gebeurde niet; geen bovennatuurlijke invloed

bewerkte, dat Gaiserik zijn Vandalen naar hun schepen terugriep en

naar Sicilië of Carthago voer; hij gaf toestemming om te plunderen

en in de volgende veertien dagen werden alle vervoerbare schatten van

Rome naar de schepen gesleept, die aan den mond van den Tiber lagen.

De Vandalen schijnen slechts weinig in Rome vernield te hebben,

maar bij de algemeene plundering zijn ook vele beroemde Grieksche

en Romeinsche kunstwerken verdwenen, die tegelijk met een geweldige

massa kostbare voorwerpen, juweelen, gouden, zilveren en bronzen

versierselen, geborduurde kleederen naar Carthago zijn vervoerd. Veel

van dezen buit ging naar Constantinopel, toen zeventig jaar later

Justianus' veldheer Belisarius, Carthago innam, en de vernietiging

daarvan moet men niet aan de Vandalen, maar aan de Fransche, Vlaamsche

en Venetiaansche kruisvaarders toeschrijven, die Constantinopel in 1204

plunderden. Misschien ontging de buit van den Joodschen tempel--hetgeen

velen wellicht het belangrijkste van de schatten zullen vinden--dit

lot. Ongeveer 400 jaar geleden had Titus dezen buit uit Jeruzalem

gebracht en afbeeldingen ervan kan men nog op zijn triomfboog te

Rome zien. De zeven-armige gouden kandelaar, de gouden tafel om de

brooden op te leggen, de zilveren trompetten en de talrijke gewijde

gouden vazen waren (volgens Josephus) in den Tempel van den Vrede te

Rome geplaatst en de Groote Voorhang van den Tempel en de heilige

Boeken van de Wet werden bewaard in het Paleis van de Caesars. Een

overlevering verzekert, dat deze schatten in den Tiber werden geworpen,

toen Maxentius bij den Pons Milvius verdronk. Waarschijnlijker is

evenwel dat zij naar Carthago zijn vervoerd en dat sommige ervan door

Belisarius naar Constantinopel werden gebracht. Hunne merkwaardige

lotgevallen waren daar nog niet ten einde, als wij Procopius mogen

gelooven, die verzekert, dat Justinianus door godsdienstige bezwaren

gedreven, de "utensilia (huisraad) van den Joodschen tempel" naar

Jeruzalem terugzond, waar zij in de schatkamer van een Christelijke

Kerk werden gezet. Als dit waar is, moeten wij vreezen, dat zij later

in handen van de Saracenen zijn gevallen en nu in de een of andere ver

afgelegen Arabische of Syrische moskee zijn. Niet minder belangrijk

is het feit, dat de Vandalen ook naar Carthago de helft--zoo niet

het geheel--van het zoogenaamde gouden dak van den Jupiter-tempel op

het Capitool medenamen, dat gemaakt was van vergulde bronzen pannen,

en zonder twijfel ook de vergulde beelden en quadrigae--welke beelden

Domitianus, naar men zegt, ongeveer dertig millioen gulden gekost

hadden.

Onder de duizenden Romeinsche gevangenen, die meest als slaven werden

verkocht, waren drie bijzonder belangrijke. "De keizerin Eudoxia",

zegt Gibbon, "ging haar vriend en bevrijder te gemoet, doch betreurde

weldra haar onvoorzichtigheid. Zij werd op ruwe wijze van haar

juweelen beroofd en met haar twee dochters, de eenige overgebleven

afstammelingen van den Grooten Theodosius, gedwongen den trotschen

Vandaal te volgen."

Men zal zich herinneren, dat de oudste van deze dochters, Eudocia,

met Hunnerik trouwde, die zijn vader Gaiserik in 477 opvolgde--want de

kleine kreupele stichter van het Vandalen-Rijk regeerde ongeveer zestig

jaar. De Keizerin zelf met haar jongste dochter, Placidia, werd ten

slotte (c. 463) naar Constantinopel gestuurd, waar de Keizer van het

Oosten haar vriendelijk ontving--een bewijs, dat men niet geloofde,

of niet wist, dat zij Gaiserik naar Rome had geroepen. Een tweede

bewijs zou kunnen zijn het feit, dat haar dochter Placidia de gemalin

was van Olybrius, die later (472) een paar weken Romeinsch Keizer was.

Een jaar na de inneming van Rome leed de vloot der Vandalen een

verpletterende nederlaag bij Sardinië tegen de Romeinsche onder

Ricimer, maar die ramp schijnt Gaiserik niet zeer getroffen te hebben,

want ongeveer twaalf jaar later (468) richtte een groote vloot, die

was uitgerust door de beide Keizerrijken, weinig tegen hem uit en vele

van de 1113 schepen, waaruit de Keizerlijke vloot bestond, werden

vernield door Gaiserik's branders. De zoon van Gaiserik, Hunnerik,

die met Eudocia was gehuwd, handhaafde de heerschappij van zijn

vader te land en ter zee en is bekend om zijn hevige vervolging van

de Katholieken--of misschien van de geestelijken van beide partijen,

want hij liet den Ariaanschen patriarch van Carthago op het forum

aldaar verbranden. Zooals later verteld zal worden, eindigde het

rijk van Gaiserik in 533, toen een opvolger van Hunnerik, Gelimer,

overwonnen werd door Belisarius, Justinianus' veldheer, die Carthago in

zulk een snel tempo innam, dat hij bij de inneming in staat was aan een

maaltijd deel te nemen, die bereid was voor den Koning der Vandalen.

Het volgende verhaal is belangwekkend in verband met de inneming van

Rome door Gaiserik. Er is een kerk te Rome, die druk bezocht wordt

wegens het prachtige standbeeld van Mozes--een van de figuren van het

reusachtige monument van Paus Julius II, dat Michelangelo nooit heeft

kunnen voltooien en wat hij gewoon was "de tragedie van mijn leven" te

noemen. Deze kerk heet thans S. Pietro ad Vincula. Zij was gebouwd door

Keizerin Eudoxia en heette oorspronkelijk Basilica Eudoxiana. Haar

tweede naam heeft op de volgende legende betrekking. "Eudocia,

de moeder van Keizerin Eudoxia" zegt Gregorovius in die Geschichte

der Stadt Rom, "bracht uit Jeruzalem den ketting van den Heiligen

Petrus (zie Handelingen XII); de eene helft hiervan zond zij naar

Constantinopel, de andere helft naar haar dochter in Rome. Daar was

reeds de ketting, waarmede de apostel geboeid was, voor hij gemarteld,

werd en toen Paus Leo (dezelfde, die Attila en Gaiserik trotseerde)

de twee kettingen dicht bij elkander hield, haakten zij zichzelf zoo

vast ineen, dat zij een enkele ketting vormden van 38 schakels. Dit

mirakel bewoog Eudoxia, die toen de gemalin van Valentinianus III was,

om deze kerk te bouwen, waar de kettingen [80] nog steeds bewaard en

vereerd worden."

De plundering van Rome door Gaiserik's opvolgers, zegt Gregorovius,

schijnt het spreekwoordelijke gebruik van "Vandalisme" wel te

rechtvaardigen, want een groot aantal burgers werden totaal geruïneerd

en duizenden tot slaaf gemaakt. Maar bijna alle schrijvers getuigen,

dat Gaiserik niet zulk een "Vandaal" is geweest. Hij hield zijn woord

ten opzichte van de vernieling van kerken, paleizen en oude monumenten.

Het Einde van Romulus Augustulus.

In de periode van 455 tot de onttroning van Romulus Augustulus zijn

er weinige gebeurtenissen van eenig belang, behalve Ricimer's reeds

vermelde overwinning op de vloot der Vandalen en zijn plundering

van Rome--de derde keer, dat het geplunderd werd in ongeveer

zestig jaar. De kronieken uit dien tijd bestaan bijna geheel uit

voortdurende onlusten, oproeren, onttroningen en verkiezingen; de

keizerlijke poppen van de militaire dictatoren Ricimer, Gundobald

en Orestes volgden elkaar, met kleine tusschenruimten, zoo snel op,

dat in twintig jaar niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het

purper aannamen. Het korte verslag in het Historisch Overzicht zal

dus wel voldoende zijn, en wij zullen hier slechts een levendige

beschrijving van den onttroonden Keizer uit Gibbon bijvoegen en iets

over het vroegere leven van Odovacar.

"Na den dood van Valentinianus waren in twintig jaren achtereenvolgens

negen Keizers verdwenen, en de zoon van Orestes, een jongeling,

slechts om zijn schoonheid beroemd, zou allerminst recht hebben

op de belangstelling van de nakomelingschap, indien niet zijn

regeering, die gekenmerkt werd door de vernietiging van het

West-Romeinsche Keizerrijk, een merkwaardig tijdperk afsloot in de

wereldgeschiedenis. De zoon van Orestes nam de namen van Romulus

en Augustus aan, en maakte die te schande. Het leven van dezen

ongevaarlijken jongeling werd gespaard door de edelmoedige genade

van Odoacer, die hem met zijn geheele familie uit zijn Keizerlijk

paleis wegzond, een jaarlijksch inkomen van 6000 goudstukken voor

hem vaststelde en hem het kasteel van Lucullus in Campanië als

verbanningsoord aanwees.

De heerlijke kust van de golf van Napels was vroeger bezaaid met

villa's en Sulla prees den meesterblik van zijn tegenstander Marius,

die zich had gevestigd op het hooge voorgebergte van Misenum, dat

aan alle kanten de zee en het land overziet, zoover als de horizont

reikt. De villa van Marius was na een paar jaren door Lucullus gekocht

en de prijs was van f 30.000 gestegen tot meer dan f 960.000. Het

werd door den nieuwen bezitter met Grieksche en Aziatische kunstwerken

versierd, en de huizen en parken van Lucullus verwierven een eervolle

plaats op de lijst van de Keizerlijke paleizen. Toen de Vandalen voor

de kusten gevaarlijk werden, werd de Lucullische villa langzamerhand

een sterke vesting, het afgelegen toevluchtsoord van den laatsten

Keizer van het Westen. Ongeveer twintig jaar na die groote omwenteling

werd het in een kerk en een klooster veranderd om de beenderen van

den Heiligen Severinus te ontvangen. Zij rustten veilig tusschen de

gebroken trofeeën van de overwinningen op de Cimbren en Armeniërs,

tot het begin van de tiende eeuw, toen de versterkingen, die een

gevaarlijk steunpunt konden geven aan de Saracenen, werden afgebroken

door het volk van Napels." (Gibbon c. XXXVI.)

Sommigen gelooven dat deze villa van Lucullus in Pizzofalcone stond,

wat nu een hoog gedeelte van Napels is. Maar op Kaap Misenum, die

de Baai van Pozzuoli (Puteoli) vormt, kan men nog overblijfselen

van een groote villa zien--zonder twijfel de villa van Lucullus,

waar Keizer Tiberius werd gesmoord, en waarschijnlijk ook die, waar

Romulus Augustulus stierf.

Van Odovacar's jeugd worden eenige bijzonderheden gegeven door Gibbon,

Villari en anderen--uit Jordanes en verschillende oude schrijvers,

o.a. een leerling en biograaf van den Heiligen Severinus. De

vader van Odovacar en van zijn broeder Onulf was waarschijnlijk de

Scirische of Herulische hoofdman Edeco, die door Attila gezonden was

naar Constantinopel als gezant met Orestes, den vader van Romulus

Augustulus. Na den dood van Attila, toen de Hunnen zich verspreidden,

leidde de jonge Odovacar een zwervend leven en is misschien de

zeeroover geweest van denzelfden naam, die een vloot van Saksische

piraten op de noordelijke zeeën aanvoerde. In ieder geval, het tooneel

van zijn vroegere avonturen schijnt het noorden geweest te zijn,

want wij vernemen, dat hij ongeveer 460 Noricum (Styria, Salzburg

enz.) doortrekt aan het hoofd van een bende barbaarsche soldaten,

die in Italië dienst wilden zoeken onder Ricimer. Noricum was nog

niet hersteld van de verwoestingen van Attila en verkeerde in een

toestand van anarchie. De eenige erkende autoriteit was de Heilige

Severinus, de kluizenaar, die van zijn cel uit de orde in het land

bewaard schijnt te hebben. De Heilige werd opgezocht door Odovacar,

die het lot, dat hem in Italië wachtte, wilde leeren kennen. Toen de

slanke, jonge krijgsman bukte om de lage deur door te gaan, werd hij

door den Heilige met deze woorden begroet: "Vade ad Italiam. Vade,

vilissimis nunc pellibus coopertus, sed multis cito plurima largiturus,

Ga naar Italië! Ga! Ofschoon gij nu in dit ruwe gewaad gekleed zijt,

zult gij weldra aan velen rijkdommen verschaffen." Niet lang daarna

streed Odovacar in Ricimer's leger onder de muren van Rome en schijnt

tot hoogen rang geklommen te zijn; hij was ook populair geworden, want

in 475 kozen zijn soldaten hem plechtig tot hun Koning door hem op een

schild omhoog te heffen (zooals zoo dikwijls gebeurde, wanneer het

leger een nieuwen keizer koos). Als Koning van barbaarsche krijgers

wierp hij zichzelf op tot heerscher over Italië. Hij matigde zich

dus niet de keizerlijke waardigheid en titel aan, maar schafte die af.

AANTEEKENINGEN BIJ DE MUNTEN [81]

Plaat 9.

Van c. 306 tot c. 565

1. Constantijn I. 2. Constantius II. 3. Julianus

(Apostata). 4. Jovianus. 5. Valentinianus

I. 6. Valens. 7. Gratianus. 8. Valentinianus II. 9. Theodosius de

Groote. 10. Honorius en Arcadius. 11. Galla Placidia. 12. Valentinianus

III. 13. Theodosius II. 14. Pulcheria. 15. Romulus Augustus

(-ulus). Het woord Conob of Comob, dat dikwijls op middeleeuwsche

munten voorkomt, beteekent Comitis Obryziacus, d.w.z. de Munt van

den Graaf. Deze Graaf, Comes sacrarum largitionum was zoo ongeveer

de Minister van Financiën.

16. Voorzijde van een bronzen munt van 22 nummi. Beeltenis van een

krijgsman met borstharnas en krijgsmantel, geleund op een speer;

misschien Gaiserik zelf. Oudere munten van Gaiserik hebben (zooals

dikwijls bij de barbaarsche heerschers het geval is) den beeldenaar

van den overleden of nog regeerenden Keizer, b.v. Honorius en

Valentinianus (zie no. 22). Geen der munten, die men aan Gaiserik

toeschrijft, dragen zijn naam. Hetgeen op sommige koperen munten

vroeger werd aangezien voor "Genserik", leest men nu als "Mense

Aug." (in de maand Augustus). Het woord Karthago en de paardekop,

het oude symbool van Carthago, bewijzen dat de munt werd geslagen na

de inneming van Carthago in 439. De oudste kroniekschrijvers spellen

zijn naam "Gaiserik", Procopius schrijft "Gizerichus".

17. Zilver. Keerzijde: Odovacar, zonder baard, doch met knevel;

borstharnas en krijgsmantel. Lees: Flod[ov]ac, d. i. Flavius Odovacar;

Flavius is de familienaam van Vespasianus, later aangenomen als

koninklijke titel door Constantius I en sommige van zijn opvolgers,

en ook door de koningen der Longobarden. Voorzijde: zijn monogram

met een krans en er onder RV (Ravenna). Hij sloeg eerst munten met

zijn eigen naam, nadat hij zijn residentie te Ravenna gevestigd had.

18. Goud. Voorzijde van een munt van 3 solidi (ongeveer 210 gram)

bij Sinigallia in 1894 gevonden. Vóór deze vondst bestond er geen munt

met Theoderik's beeldenaar. Gewoonlijk zetten dergelijke vorsten hun

naam of beeltenis niet op gouden munten; dit werd beschouwd als een

voorrecht van de Keizers. Het is een bijzonder kostbaar overblijfsel

van Romeinsch-Gotische kunst, dat, zooals men nog aan de keerzijde

kan zien, door een ouden bezitter als broche is gebruikt. Op deze munt

staat: Rex theodericus pius princ[eps] i[nvictus?] s[emper?]. Omgeven

door deze woorden, houdt Theoderik een globe in de hand, waarop een

Godin der overwinning staat met krans en palmtak. De bezitter van

deze munt is de heer F. Gnecchi, Milaan.

19. Brons. Athalarik in wapenrusting, met speer en ovaal schild. Lees:

DN (Dominus of Dominus noster) Atalaricus. In de tusschenruimten SC

(Senatusconsulto) en X (10 nummi). Waarschijnlijk uitgegeven door

Athalarik's moeder, Amalasuntha. De voorzijde vertoont een mooi

borstbeeld van "Rome"--misschien een bevestiging van de mededeeling

dat de koningin-moeder de schoone kunsten in Rome aanmoedigde.

20. Brons. Lees: dn. Theodahatus rex. Een keurig gemodeleerde

beeltenis. De nauwsluitende kroon is merkwaardig en ook het met

juweelen versierde gewaad. Het gezicht stemt overeen met onze

voorstelling van zijn karakter en is een type (misschien Vandaalsch),

geheel verschillend van Theoderik. Cassiodorus vertelt ons dat

Theodahad bevolen had zijn beeldenaar op zijn munten te slaan, "als een

herinnering aan onze regeering voor toekomstige eeuwen". Waarschijnlijk

te Rome gemunt, na zijn breuk met Justinianus (535-36).

21. Brons. Beeldenaar van Baduela (of Baduila), d. i. Totila. Lees:

... Duela rex; op de keerzijde: dn. Baduela (of -ila) rex. Geslagen

na 549 te Rome (of Pavia?).

22. Zilver. Lees: dn. Theia rex. De voorzijde vertoont den naam

en beeldenaar van den Oost-Romeinschen Keizer Anastasius († 518),

ofschoon deze munt natuurlijk van 552-53 is. Hetzelfde beeld werd

dikwijls nog lang na den dood van een Keizer gebruikt.

23. Brons. Lees: dn. Justinianus ppvag (waarschijnlijk verkeerd voor

ppaug d. i. Pius Princeps Augustus). Een van de vele bestaande

beeltenissen van Justinianus. Waarschijnlijk uitgegeven door

Theodahad of Witigis (Vitiges). Gemunt te Rome c. 536-38. Na 540 (toen

Belisarius Ravenna innam) werden er Keizerlijke Byzantijnsche munten

van Justinianus geslagen in Italië, doch waarschijnlijk niet eerder

dan na Theia's dood en den val van het Gotische Rijk (c. 553-55).

TWEEDE DEEL.

HISTORISCH OVERZICHT.

476-568.

De geschiedenis van de drie eeuwen (476-800), die verliepen tusschen de

vernietiging van het Keizerlijk gezag in Italië en het herstel daarvan

in den persoon van Karel den Groote kan men in twee perioden verdeelen,

van welke de eene ongeveer een eeuw (476-568) en de tweede iets langer

dan twee eeuwen (568-800) is. De eerste periode vormt nu het onderwerp

van ons verhaal. In dit tijdperk hebben wij eerst, ongeveer 16 1/2

jaar, de regeering van Odovacar, Ottowacker of Odoacer, die wij beter

den naam van zijn munten (Odovac of Odovacar) kunnen geven dan den

Latijnschen vorm "Odoacer"; daarna komt de heerschappij der Oost-Goten

(493-535), waaronder de belangrijke regeeringen vallen van Theoderik

den Groote, zijn zoon Athalarik (onder het regentschap van zijn moeder

Amalasuntha) en Theodatus of Theodahad; daarna de "Gotische oorlog"

met de lange veldtochten van Belisarius en Narses, waarvan het einde de

nederlaag en dood is van de koningin der Oost-Goten, Totila (Baduela)

en Theia (553), en dan, gedurende vijftien jaar (553-568) de vestiging

van de Byzantijnsche heerschappij in Italië, dat een tijdlang een

diocese wordt van den Oost-Romeinschen Keizer, Justinianus.

De tweede periode, die wij in het derde deel zullen behandelen,

begint met de Longobarden-heerschappij van twee eeuwen (568-774),

een lange reeks jaren, die, behalve door enkele zeer belangwekkende

persoonlijkheden en eenige vraagstukken over architectuur, bijna

even somber is als de tijd die volgde op den inval der Doriërs in

Griekenland. Ten slotte krijgen wij het verzoek om hulp van den

Paus aan den Koning der Franken, gevolgd door de tusschenkomst en

de heerschappij van de Franken en het zoogenaamde herstel van het

West-Romeinsche Keizerrijk door de daad van Paus Leo III, die een

gouden kroon op het hoofd van den Franken-koning, Karel den Groote,

zette, toen deze, zonder iets te vermoeden (volgens sommigen) oprees

van zijn gebeden voor de graftombe van den Heiligen Petrus te Rome.

I. Odovacar's regeering (476-'93).

Het verhaal werd afgebroken bij de onttroning van Romulus Augustulus

door Odovacar en op het einde van eerste Deel werd een schets gegeven

van het latere leven van den onttroonden Keizer en ook een beschrijving

van het vroegere leven van den barbaren-koning, die gedurende meer

dan zestien jaar (hij stierf 15 Augustus 493) op den troon zetelde,

ofschoon hij den titel of den diadeem van de Romeinsche Keizers

niet aannam.

In Ravenna had de jeugdige Romulus Augustulus geresideerd en daar

was hij gevangen genomen; daar vestigde ook Odovacar den zetel van

zijn regeering. Het rijk, waar zijn regeering werd erkend, omvatte

geheel Italië ten zuiden van de Alpen, en Rhaetia tusschen de Alpen

en Donau. Het grootste deel van Sicilië werd na den dood van Gaiserik

(477) ook aan hem onderdanig: maar de Vandalen behielden Lilybaeum

en andere gedeelten van het eiland, evenals Sardinië en Corsica,

terwijl aan gene zijde van de West-Alpen de Bourgondische Koningen

de streek van de Rhône en Saône bezaten, de West-Goten geheel Spanje

en het Zuiden van Gallië in hun macht hadden, en verder noordwaarts

de Alemannen en Franken heerschten.

Zoodra Odovacar zich sterk genoeg voelde, zond hij een gezantschap

naar den Keizer van het Oosten om zijn positie te bepalen en erkenning

te eischen. Dit gezantschap was gemachtigd te verklaren namens den

Romeinschen Senaat en en den vroegeren Keizer, Romulus Augustulus

(wiens handteekening Odovacar zich blijkbaar had verschaft), dat het

Romeinsche, of liever het Italiaansche volk besloten had, dat één

Keizer voldoende was voor beide deelen van het Keizerrijk; en uit

naam van Odovacar overhandigden zij Zeno de keizerlijke insignia--de

ornamenta Palatii--den purperen mantel, den diadeem, de globe en

schepter, met het verzoek, dat de Keizer den bestuurder van Italië

den titel van Patricius zou willen verleenen.

Zeno antwoordde, dat zijn voorgangers, Leo I en de Keizerin Verina,

twee Keizers voor de Romeinen hadden gekozen; den eene, Athemius

hadden zij gedood, den andere, Nepos, verbannen; maar Nepos leefde

nog en bestuurde zijn provincie Dalmatië. Derhalve moesten zij zich

tot hem wenden met hun verzoek. Zeno schreef persoonlijk aan Odovacar

en noemde hem "Patricius". [82]

Men zal zich herinneren dat de val van Orestes, den vader van Romulus

Augustulus, voornamelijk moet toegeschreven worden aan het feit,

dat hij zijn soldaten geweigerd had een derde deel van het land van

Italië te geven. Odovacar had den steun van het leger verworven door

de belofte dit verzoek om land toe te staan, en nu moest hij dat

doen. De bijzonderheden van dezen zeer belangrijken maatregel zijn

niet nauwkeurig bekend, maar men kan met zekerheid aannemen, dat vele

groot-grondbezitters verdreven en geruïneerd zijn en dat uitgestrekte,

vruchtbare landen verdeeld zijn onder veteranen, die den grond gingen

bebouwen. In andere gevallen stelden de nieuwe bezitters zich er mede

tevreden als landheeren op te treden en de oude bezitters als pachters

te gebruiken, terwijl zij waarschijnlijk den toestand der slaven

verbeterden, die zij, volgens de feudale gewoonte in het Noorden,

als leenmannen aannamen. Odovacar had, evenals Alarik en Athaulf en

de groote Theoderik, diepen eerbied voor de staatsregeling van het

Keizerrijk en was, naar het schijnt voor de uitvoering der wetten

en het innen der belastingen geheel en al afhankelijk van de oude

keizerlijke ambtenaren.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 10 / 48 段