van Attila's persoon en karakter belangwekkend zijn. Het is vertaald
uit het Latijn van Jordanes, die een compendium van de verloren
Gotische Geschiedenis van Cassiodorus schreef en Cassiodorus kreeg
waarschijnlijk zijn gegevens van Priscus, die den Hunnen-koning bezocht
en een verslag maakte van zijn bezoek. "Attila" zegt Jordanes, "was
een man geboren om landen te verwoesten en schrik te verspreiden over
de wereld; hij veroorzaakte een paniek door het ontzagwekkende gerucht,
dat voor hem uitging. Hij schreed met trotschen stap, rondkijkend naar
alle kanten, alsof hij zijn hoogmoed en macht door de bewegingen van
zijn lichaam wilde toonen; hij was een minnaar van den oorlog, maar
gematigd in zijn levenswijs; buitengewoon streng in de vergadering,
vriendelijk voor smeekelingen, voor altijd de beschermer van hem, aan
wien hij eenmaal zijn vertrouwen had geschonken, kort van gestalte,
met breeden borst, groot hoofd, kleine oogen, een dunnen baard met
grijze haren er tusschen, stompen neus, bleeke gelaatskleur--alle
kenmerken van zijn ras."
Van de vele gezantschappen, die tusschen Attila en Theodosius gewisseld
zijn, is er een van buitengewoon belang voor ons, omdat wij een
volledig verslag van dit bezoek der Romeinen aan de residentie van
den Hunnen-koning hebben; in het Nibelungenlied heet deze Etzelnburg
d.w.z. burcht van Attila, die misschien ergens tusschen den Donau en
de Theiss lag. Attila had twee gezanten naar Constantinopel gezonden,
Edeco en Orestes (zie p.p. 15 en 16) om vluchtelingen op te eischen,
en door den tolk [72] werd hun uit naam van een ambtenaar van het hof
een plan voorgelegd om Attila te vermoorden. Zij namen het voorstel
aan en ontvingen een zware beurs met goud, maar besloten den aanslag
aan hun koning mede te deelen. Op hun terugkeer vergezelde hen,
maar natuurlijk onbekend met het complot, Maximinus, een aanzienlijke
hoveling, en zijn vriend Priscus, wiens dagboek, hoewel fragmentarisch,
nog over is. Zij vonden de streek in het Noorden overal verwoest door
Attila's invallen. Sardica (Sofia) en Naissus (Nissa, geboorteplaats
van Constantijn den Groote) waren geslecht en verlaten; slechts een
troep zieke menschen kroop tusschen de ruïnes rond. Zij trokken de
heuvelige streken van het tegenwoordige Servië door en vonden overal
het stoffelijk overschot van menschen; zij staken den Donau over in
kano's van uitgeholde boomen en bereikten de legerplaats van Attila.
Maar Attila was woedend omdat hij slechts zeventien deserteurs
terugzag. Hij eischte, dat het gezantschap verder noordwaarts zou
gaan--ongeveer 375 K.M.--naar zijn vesting en zijn paleis. Derhalve
volgden zij de gidsen en bereikten het eindelijk, na lange omwegen,
door eindelooze bosschen en over ontelbare rivieren. Attila's paleis
was van hout opgetrokken en omringd door torens en palissaden, binnen
welke zijn talrijke vrouwen haar afzonderlijke woningen hadden. Het
eenige steenen gebouw in het kamp was een badhuis, gebouwd door een
Romeinsch architect. De gezanten werden ontvangen in de feestzaal van
het paleis. Attila en zijn zoon zaten met twee voorname barbaren op een
verhooging, terwijl de gasten aan kleine tafels zaten--de keizerlijke
gezanten hadden in rangorde voor de officieele personen der Goten en
andere barbaren moeten wijken. Wijn werd aan allen in gouden bekers
aangeboden en verschillende spijzen op zilveren schalen, maar op de
koninklijke tafel stonden slechts houten bekers en borden, en alleen
vleesch werd opgediend, want "Attila proefde nooit de weelde van brood"
(Gibbon). Hij versierde zijn wapens en tuig van zijn paard ook niet
met kostbaar metaal of edelgesteenten, zooals zijn voorname krijgers;
hij onderscheidde zich met trots van de anderen door de kleeding en
de gewoonten van zijn nomaden-voorvaderen. Toen het verraderlijk
plan tegen zijn leven onthuld werd, gedroeg hij zich waardig en
edelmoedig; hij nam de verzekering van de keizerlijke gezanten, dat
zij geheel onschuldig waren, aan, en zond hen ongedeerd terug. Ja
zelfs, toen Theodosius andere gezanten zond om Attila's toorn af te
wenden, drong deze er niet langer op aan de schuldige hovelingen te
straffen. Integendeel, hij liet zelfs Romeinsche gevangen vrij en
stond grondgebied ten zuiden van den Donau af.
In 450, het jaar waarin Galla Placidia stierf, werd Theodosius van
zijn paard geworpen en gedood. Marcianus, die hem als gemaal van
Pulcheria opvolgde, had een geheel ander karakter. Een van zijn eerste
daden was, met goedvinden van Pulcheria, den hoveling Chrysaphios,
die het complot tegen Attila had gesmeed, ter dood te brengen. Maar
deze daad van gerechtigheid, waarvan misschien de oorzaak te vinden
is in het edelmoedig gedrag van den koning, beteekende allerminst
een laffe onderwerping; want toen Attila weder schatting eischte, was
dit volgens Priscus Marcianus' antwoord: "Als hij zich rustig hield,
zou hij hem rijkelijk beschenken, maar als hij met oorlog dreigde,
zou hij hem met mannen en wapenen weerstaan."
Attila dreigde, hoogmoedig en onbeschaamd--maar aarzelde; en terwijl
hij aarzelde, of hij Constantinopel of Ravenna zou aanvallen, bereikten
hem berichten van het verre Westen en het Noorden, die zijn richting
bepaalden.
Een nieuwe barbaarsche macht was opgetreden--die van de Franken,
een lang, vlasblond, blauwoogig ras, dat zich had gevestigd aan den
Beneden-Rijn, de Maas, en in het land van de Belgae. Na den dood
van hun koning Clodion kregen zijn twee zonen twist. De een riep
Attila te hulp; de ander Meroveus (misschien Merowig, die zijn naam
gaf aan de Merovingers) zocht hulp bij Aëtius. Attila besloot de
gelegenheid aan te grijpen om een inval in Gallië te doen. Mogelijk
rekende hij ook op de medewerking van de West-Goten, wier koninkrijk in
Zuid-Gallië en Spanje bestuurd werd door Theoderik (wellicht den zoon
van Alarik). Maar de West-Goten waren in dien tijd hevig verbitterd
op Gaiserik, den koning der Vandalen in Afrika, die de bruid van
zijn zoon, Theoderik's dochter, naar Toulouse terug had gestuurd
met afgesneden neus en ooren; hij had haar beschuldigd hem te willen
vergiftigen. Theoderik hoopte daarom de hulp van Aëtius te verwerven
tegen den Vandalen-koning; deze wendde zich natuurlijk tot Attila en
vroeg hem Theoderik en Aëtius aan te vallen, terwijl hij hem beloofde
troepen in Zuid-Gallië aan land te zetten. Attila met zijn Hunnen
en Oost-Goten vereenigden zich dus met de Franken aan den Neckar, en
vertrouwend op de medewerking van de Vandalen, trok hij den Rijn over
bij Speyer en verwoestte de Gallische provincies. Metz en Reims werden
geplunderd. Troyes werd door zijn bisschop, St. Lupus, gered, die een
dergelijke vreemden invloed op Attila schijnt uitgeoefend te hebben
als later Paus Leo [73]. De Heilige Genoveva trad ter bescherming
van Parijs (Lutetia) op, zooals later Jeanne d'Arc voor Orléans zou
optreden en keerde den stroom van barbaren. Orléans werd belegerd,
en de muren stortten reeds voor den stormram in, toen als antwoord,
naar men zegt, op de gebeden van den bisschop Anianus, het vereenigde
leger van Aëtius en Theoderik opdaagde.
Attila trok terug tot dicht bij Troyes en daar, op de Catalaunische
vlakten (bij Châlons) tusschen de Seine en de Marne, werd een
slag geleverd, die waarschijnlijk geheel West-Europa redde van
een Hunnen-overheersching en van de omverwerping, misschien van
de vernietiging van Romeinsche beschaving en Christendom. De slag
is beschreven door Jordanes in zijn uittreksel van de Gotische
Geschiedenis van Cassiodorus (c. 500) en Cassiodorus had zonder
twijfel veteranen gesproken, die aan de eene of aan de andere zijde
gestreden hadden. "De slag was zoo woest, zoo uitgestrekt, zoo bloedig,
zoo hardnekkig, dat men uit de geheele oudheid iets dergelijks niet
kon aanhalen."
Het aantal dooden, zegt deze schrijver, was 162.000, ongerekend
15.000 Franken en Gepiden die bij een voorafgaande ontmoeting waren
gesneuveld. Dit getal is misschien overdreven, doch het staat vast,
dat de strijd lang en bloedig was. Men vertelt, dat Attila een
brandstapel van houten zadels en andere stukken der uitrustingen had
opgericht met de bedoeling om zich (en waarschijnlijk anderen) als een
brandoffer aan de goden te offeren in geval van een nederlaag--zooals
de Carthager Hamilcar negen eeuwen vroeger bij Himera had gedaan;
maar Attila's nederlaag was geen vernietiging. Aan beide kanten
waren zware verliezen geleden en de koning der West-Goten, Theoderik,
was gedood door een werpspies. Attila was dus in staat zijn troepen
weer veilig over den Rijn te voeren, want Aëtius (die hierom later
van verraad werd beschuldigd) deinsde er voor terug om "den gewonden
leeuw in zijn leger" aan te vallen, zooals Jordanes het uitdrukt.
Men kan zich de woede en verbittering van Attila voorstellen. Nog
eens zendt hij een dringend verzoek om de hand en bruidschat van
Honoria. Hij verzamelt een nog grooter leger en in het volgende
voorjaar (452) slaat hij als een orkaan op Italië neer. Zijn doel
was zonder twijfel Rome, maar eerst wilde hij zijn Hunnen beloonen
en de nederlaag wreken door de verwoesting en plundering van
Noord-Italië. Aquileia, dat nu de rijkste en meest bevolkte stad van
de Adriatische kust was geworden, werd drie maanden lang belegerd en
met allerlei belegeringswerktuigen bestookt. Maar alle pogingen waren
vruchteloos en reeds was hij besloten de onderneming op te geven,
toen hij bij zijn ommegang van de muren opmerkte, dat de ooievaars met
hun jongen de stad verlieten (waarschijnlijk vóor den gewonen tijd),
waaruit hij opmaakte, dat er geen voedsel meer te krijgen was. Derhalve
werd het beleg voortgezet en weldra werd Aquileia stormenderhand
genomen en geslecht, zoodat nog geen eeuw later, in de dagen van
Jordanes, nauwelijks een spoor van de stad over was. Later werd zij
herbouwd en de zetel van een machtig anti-pauselijk patriarchaat. Maar
nadat Attila de stad verwoest had, vluchtten alle inwoners naar Grado
(het strand), of naar die laguneneilanden, die later een federatie
vormden en eerst tribunen en daarna een Doge (Dux) kozen; de plaats
van zijn paleis was de Rialto (Rivo alto of diepe stroom) van Venetië.
Van Aquileia gingen de Hunnen naar het Westen; Altina en Padua werden
plat gebrand. Verona, Vicenza, Bergamo werden geplunderd. Toen schijnt
Attila zijn strijdkrachten verzameld te hebben bij den Lacus Benacus
(Lago di Garda) met de bedoeling de Apennijnen over te trekken en
Rome aan te vallen.
De zwakke en lafhartige Valentinianus was van Ravenna naar Rome
gevlucht; maar ook te Rome heerschte een paniek, want er was geen
leger, sterk genoeg om Attila te weerstaan en Aëtius had bericht
gestuurd, dat zijn bondgenooten, de West-Goten, en zijn Gallische
troepen weigerden op te trekken om Italië te ontzetten. Men besloot
derhalve een gezantschap te zenden om den toorn van den Hunnenkoning
te bezweren en zonder twijfel ook om hem een groote som geld aan te
bieden--waarschijnlijk in den verzoenenden vorm van den zoo dikwijls
gevraagden bruidschat van Honoria of beter gezegd een douceur, want
zij was reeds ten huwelijk gegeven aan een obscuren man, voordat
zij in een gevangenis werd opgesloten om daar gedurende haar verdere
leven haar dwaasheden te betreuren.
Als voornaamste gezant werd Avienus gekozen, een senator van hoogen
stand; de Bisschop van Rome, Leo I, (de Groote), vergezelde het
gezantschap, dat in 452 de Apennijnen overtrok. Zij vonden Attila en
zijn geweldig leger in een kamp dicht bij de plaats waar de Mincio uit
den Lago di Garda stroomt--nu ligt daar Peschiera--niet ver van Sirmio,
waar eens de villa van Catullus stond, en eveneens niet ver van het
land, heilig aan allen, die Vergilius liefhebben, waar de heuvels
langzaam afloopen naar Mantua en "de breede Mincius langzaam zijn
bochten maakt en zijn oevers met zacht riet omzoomt." (Georg. III. 14).
Wat bij de onderhandeling gebeurde, staat niet vast, maar zeker is
het, dat daarna, tot verbazing van gansch Europa, Attila den marsch
tegen Rome afgelastte en zijn leger over de Alpen wegvoerde naar
Pannonië. Katholieke overlevering schrijft dit wonder toe aan den
invloed, dien Leo, als het Hoofd van de Kerk en de stadhouder van God,
op den barbaar uitoefende; en het geval van St. Lupus te Troyes wordt
aangehaald om het geloof te versterken, dat een bovennatuurlijke
kracht werkzaam was, ofschoon nu misschien de verschijning van de
in de lucht zwevende apostelen, waarover een latere legende spreekt
en die zoo indrukwekkend door Raffael is geschilderd, weinig geloof
zal vinden [74]. Misschien kan Attila's handelwijze ook zonder de
hulp van het bovennatuurlijke verklaard worden. Aëtius bezat een
krachtig leger en Attila was wellicht bevreesd voor een hinderlaag,
als hij verder zuidwaarts trok. Bovendien zweefde het lot van Alarik,
die zoo plotseling na de plundering van Rome gestorven was, zonder
twijfel als een onheilspellend spook voor de bijgeloovige verbeelding
van den Hun en wij kunnen zeker aannemen, dat Leo niet heeft getracht
dit spook te verbannen. Tenslotte zal de machtige invloed van goud,
of zijns gelijke, veel bijgedragen hebben tot Attila's besluit. Toch
valt het tegelijkertijd niet te ontkennen, dat de invloed van een sterk
karakter, nog vergroot door een hecht geloof in de rechtvaardigheid
van een zaak en den steun van God, soms het wonderdadige nabij komt;
en zulk een karakter had Paus Leo de Groote--oprecht, krachtig,
standvastig, onwrikbaar overtuigd van de bovennatuurlijke kracht van de
Kerk en haar goddelijke stichting door den Heiligen Petrus en Paulus,
die hij gewoon was den Romulus en Remus van het Christelijke Rome te
noemen. Die eigenschappen treden in zijn geschriften te voorschijn;
hij vermijdt alle diepzinnige, theologische vraagstukken, alles
is eenvoudig, helder, nauwkeurig. Hij spreekt bijna nergens over
de heiligen of over Maria, maar zeer vaak over Jezus Christus. De
algemeene, geestelijke heerschappij van de Romeinsche Kerk was het
eenige onderwerp, waarop al zijn gedachten en handelingen betrekking
hadden; maar het wereldlijke gezag liet hij over aan wereldlijke macht.
Het lot van Alarik had Attila misschien afgeschrikt van de plundering
van Rome. Doch dit redde hem niet van een dergelijk einde. Kort na
zijn onderhandeling met de Romeinsche gezanten stierf hij plotseling
(waar en wanneer is onzeker, doch waarschijnlijk in het volgend jaar
(453) in Pannonië of te Etzelnburg) 's nachts aan een aderbreuk na
het feestmaal ter eere van zijn bruiloft met Idlico, de laatste van
zijn talrijke vrouwen. Een vaag en waarschijnlijk ongegrond verhaal
schreef aan Idlico de misdaad of de eer toe de rol van een Judith te
hebben gespeeld.
Het lijk van Attila werd plechtig ten toon gesteld in het midden
van de vlakte onder een zijden baldakijn, en uitgelezene escadrons
van de Hunnen, rondrijdende met gelijkmatige zwenkingen, zongen een
lijkzang ter eere van den held. Het stoffelijk overschot werd in drie
kisten gesloten, van goud, zilver en ijzer, en in den nacht begraven;
de buit van volkeren werd in zijn graf geworpen; de gevangenen,
die den grond hadden uitgegraven, werden meedoogenloos geslacht.
Na den dood van Attila schijnt het Hunnenrijk snel verbrokkeld te
zijn. Voordat veertig jaren waren verloopen, maakten de Oost-Goten
onder Theoderik zich meester van Italië en de naam der Hunnen wordt
zelden meer gehoord.
De overlevering vertelt, dat Leo bij zijn terugkeer uit dankbaarheid
jegens den grooten Apostel het bronzen standbeeld van den Heiligen
Petrus oprichtte, misschien het beeld van Jupiter Capitolinus veranderd
volgens de gelaatstrekken van den Heilige. Dit zittende beeld, welks
groote teen afgesleten is door de kussen [75] van millioenen menschen,
werd omstreeks 1610 van het afgebroken klooster van S. Martino
naar de St. Pieter gebracht. Sommigen gelooven dat het uit de 13e
eeuw is, een tijd waarin de navolging van klassieke werken begon;
maar ofschoon het misschien geen copie van den Jupiter Capitolinus
is, die waarschijnlijk vernield of weggesleept is door Gaiserik,
kan het toch wel dateeren uit de dagen van het vroege Keizerrijk;
want het is zeker geen Byzantijnsch werk.
In het jaar na Attila's dood (454) bezocht Aëtius Rome en werd door
Valentinianus gedood (zie p. 12). De vermoording van Valentinianus
zelf, die plaats vond in het volgend jaar en dadelijk gevolgd
werd door de plundering van Rome door Gaiserik, kan beschouwd
worden als het feitelijke einde van het West-Romeinsche Rijk. Maar
gedurende de twintig volgende jaren werd de titel van Augustus door
de machtige bevelhebbers van het Romeinsche leger geschonken aan hun
protégés; sommige van deze bevelhebbers waren van zuiver barbaarsche
afkomst. De voornaamste gebeurtenissen van deze periode zijn reeds
vermeld. Derhalve zullen wij, na een korten terugblik op het rijk van
Gaiserik in Afrika, dat bijna ter zelfder tijd bestond als Attila's
heerschappij in Midden-Europa, eenigszins uitvoeriger de inneming
van Rome door de Vandalen beschrijven en dan overgaan tot Romulus
Augustulus en Odovacar.
HOOFDSTUK VII.
VAN GAISERIK TOT ODOVACAR.
In het jaar 429 staken de Vandalen onder hun koning Gaiserik [76],
misschien op uitnoodiging van den Romeinschen stadhouder Bonifacius,
den grooten mededinger van Aëtius, van Spanje over naar Afrika. De
inval in de rijke en vruchtbare provincies van Noord-Afrika behoefde
eigenlijk nauwelijks te worden aangemoedigd door een verrader. In
Spanje waren de Vandalen hevig aangevallen door de West-Goten,
wier koning Wallia het grootste deel van het land had onderworpen,
maar Gaiserik of Genserik, die, zooals de beroemde Spartaansche
koning Agesilaus, klein en kreupel was (door een val van zijn paard)
schijnt hun leger gereorganiseerd en zelfs een veldtocht ondernomen te
hebben (428) tegen de Sueven in het tegenwoordige Noord-Portugal. In
het volgend jaar landt hij op de kust van Afrika met een groote
strijdmacht en een menigte vrouwen en kinderen--te zamen misschien
80.000. Deze landing is levendig, misschien met te groote fantasie,
door Gibbon beschreven. "De Mooren, die langzamerhand de kust en
het kamp van de Vandalen durfden naderen, moeten wel met schrik en
verbazing de kleeding, de wapenen, de krijgshaftige houding en de
tucht van de onbekende vreemdelingen, die hun land hadden betreden,
aanschouwd hebben; en de schoone gelaatskleur van de blauwoogige
Germaansche krijgers vormden een merkwaardige tegenstelling met
hun zwarte of olijfkleurige tint, veroorzaakt door de nabijheid
van de heete zone. Nadat de eerste moeilijkheden, ontstaan door de
wederzijdsche onbekendheid met elkanders taal, uit den weg waren
geruimd, sloten de Mooren een verbond met de vijanden van Rome, en
benden van naakte wilden stormden uit de wouden en de dalen van het
Atlas-gebergte om zich te wreken op de beschaafde tyrannen, die hen
de heerschappij over hun vaderland ontrukt hadden."
Afgrijselijke verhalen worden opgedischt over de verwoestingen en
wreedheden van de Vandalen in Afrika gedurende de tien jaren, die
verliepen voordat Gaiserik de geheele streek van Noord-West-Afrika
had veroverd en zijn macht geconcentreerd had in Carthago, vanwaar
hij met zijn sterke vloot het Westen van de Middellandsche Zee
schoon veegde en de Balearen, Corsica, Sardinië en eindelijk ook
Sicilië bemachtigde. Vandalisme is synoniem geworden met barbarisme
en wreedheid, maar het is zeer wel mogelijk dat het verhaal over den
ketterschen Gaiserik en zijn Vandalen door een vriend en biograaf van
St. Augustinus overdreven is, vooral ook door de latere schrijvers. Het
is nauwelijks te gelooven, dat indringers, die zich in een land willen
vestigen, wijngaarden en vruchtboomen zouden verbranden en uitroeien,
en de verhalen, dat zij lijken van geslachte gevangenen ophoopten om
de muren van een belegerde stad te beklimmen of dat zij die lieten
rotten om pest te verwekken, schijnen eenigszins fantastisch [77].
Indien Bonifacius werkelijk de Vandalen heeft aangespoord naar Afrika
over te steken, moet hij dat gedaan hebben in een vlaag van woede of
moet hij zich leelijk misrekend hebben, want een jaar later zien wij
hem wanhopig tegen hen strijden. Toen hij verslagen was, trok hij terug
naar de zeevesting Hippo, bekend als de stad van St. Augustinus. Hier
werd hij door de Vandalen belegerd. In de derde maand van de belegering
stierf St. Augustinus (28 Augustus 430), 76 jaar oud. Na veertien
maanden begonnen de belegeraars meer gebrek aan voedsel te krijgen
dan de belegerden, die vrijen toegang tot de zee hadden. Ook werden
er troepen gestuurd van Constantinopel, onder bevel van Aspar, die
met Bonifacius de Vandalen aanviel. Maar zij werden met zwaar verlies
teruggeslagen. Daarop scheepten zij al hun troepen in en zeilden weg,
Aspar naar Constantinopel en Bonifacius naar Ravenna, waar hij tot onze
verbazing zeer vriendelijk door Galla Placidia ontvangen werd en zelfs
geëerd werd met medailles, waarop hij was afgebeeld op een zegekar
met een palmtak in de eene, en een geesel in de andere hand. Maar
kort daarna stierf hij aan een wond, die hij in een duel met Aëtius
ontvangen had. De inwoners van Hippo werden door de Vandalen deels
vermoord, deels tot slaaf gemaakt en de stad werd verbrand.
Wat Gaiserik weerhield om Carthago aan te vallen, is niet
duidelijk. Misschien stelt men zich de uitgestrektheid van die
Afrikaansche provincies niet goed voor en evenmin het kleine
aantal Vandalen in verhouding tot de overwonnen, doch nog vijandige
bevolking. Bovendien was Carthago, herrezen op de oude puinhoopen,
die Scipio ongeveer zes eeuwen vroeger had achtergelaten, weder de
eerste stad geworden van Noord-Afrika (het werd "Rome" genoemd), en
ofschoon van de reusachtige Byrsa en de overige versterkingen van de
oude Phoenicische stad slechts enkele twijfelachtige overblijfselen
nog bestaan, is het toch niet onwaarschijnlijk dat er in Gaiserik's
tijd nog genoeg over was om te maken, dat de plaats [78] lastig
genomen kon worden, ondanks de verwijfdheid van haar bewoners,
die volgens de schrijvers ronddartelden in een poel van weelde,
goddeloosheid en misdaad. Daarom wilde Gaiserick voor zijn krijgers
eerst een staat opbouwen.
In dit verband is het van belang te weten, dat de politiek der Vandalen
eenigszins socialistisch schijnt geweest te zijn. Het regeerende
ras matigde zich natuurlijk een feudale heerschappij aan over het
onderworpen volk en was zelf vrij van belasting, maar de arbeiders
van de inlandsche bevolking werden bevoorrecht boven hen, die zich
van werken onthielden. Van de vermogende edelen, geestelijken en
rijke grondbezitters werden velen zwaar belast, zelfs verbannen,
terwijl landbouw, nijverheid en handel werden aangemoedigd door
gedeeltelijke ontheffing van belasting.
In de laatste jaren van deze periode van rust leefden de Vandalen
in vrede met het Keizerrijk, want drie jaren na de plundering van
Hippo was er een verdrag geteekend. Doch dit duurde kort en in 439
viel Carthago. Daarna veroverde Gaiserik's vloot alle eilanden
in het Westelijk deel van de Middellandsche zee; Sicilië werd
verwoest, de Vandalen landden zelfs op de kusten van Italië. In
442 sloot Valentinianus III, die zich vrij begon te maken van het
regentschap van zijn moeder Placidia, een vernederend verdrag met den
Vandalen-koning; hij erkende hem als heerscher over al het gebied, dat
hij had veroverd, en niet alleen als bondgenoot, gelijk zoo dikwijls
het geval was geweest, wanneer het Romeinsche Rijk een barbaar als
koning erkend had, maar als absoluut en onafhankelijk monarch. Zoo
was nu het Westelijke Rijk beroofd van het grootste deel van zijn
Afrikaansch gebied, van alle Westelijke eilanden (ook Sicilië),
van bijna geheel Spanje en Zuid-Gallië, en van Brittannië, terwijl
Attila reeds meester was in Dacië, en Moesië, Pannonië, Noricum,
Rhaetië en een groot deel van Illyrië en Thracië verwoestte.