oefende Alarik geen geringen invloed uit op den politieken toestand
van Rome. Zijn geweldige oorlogsschatting had de plundering van oude
tempels en andere oude gebouwen ten gevolge, zoodat de haat van
de nog steeds talrijke heidenen [62] tegen de Christenen heviger
werd. Door deze godsdienstige veete, als ook door den strijd van
de Arianen tegen de Katholieken slaagde Alarik, die door het bezit
van de haven van Ostia de Romeinen geheel in zijn macht had, er in,
Attalus, den Prefect van Rome tot Keizer te laten kiezen. Onder wilde,
geestdriftige toejuichingen van het Romeinsche plebs mochten Gotische
troepen de stad binnengaan en den nieuwen Keizer naar het paleis op
den Palatinus geleiden. Geheel Italië, behalve Ravenna, en Bologna,
scheen zijn nieuwen vorst toe te juichen. Alarik vergezelde hem bijna
tot de poorten van Ravenna en Honorius bood zijn mededinger de helft
van het Westersche Rijk aan, hetgeen Attalus minachtend verwierp,
terwijl hij van zijn kant Honorius aanbood de rest van zijn leven
in ballingschap door te brengen op een afgelegen eiland. Maar de
omstandigheden veranderden; hulptroepen uit Afrika verschenen in
de haven van Ravenna, en Attalus viel plotseling in ongenade bij
Alarik, die hem op het plein van Rimini, voor het geheele leger, zijn
keizerlijke insignes afnam; deze zond hij naar Honorius en bood hem
wederom vredesvoorwaarden aan. Doch Honorius weigerde nog eens en de
Gotische koning keerde naar Rome terug, vast besloten de beleediging
met de plundering van de stad te wreken.
Maar toen Alarik en zijn West-Goten eindelijk Rome binnentraden (410),
bleef hij slechts enkele dagen in de stad en toonde veel meer genade
en lankmoedigheid dan men verwacht zou hebben. De Christelijke kerken,
zooals de oude Vatikaan-basiliek van S. Pietro en de schitterende,
kort geleden gebouwde basiliek van S. Paolo werden geëerbiedigd. Zonder
twijfel werd er veel gemoord en geplunderd en werden er vele burgers
tot slaaf gemaakt; maar de schade die deze barbaren aanrichtten aan de
gebouwen en kunstwerken was vergelijkenderwijze minder dan die, welke
de Fransche en Venetiaansche Kruisvaarders [63] te Konstantinopel in
1204 veroorzaakten, of in Rome zelf de Spaansche Katholieken en de
Duitsche Lutheranen van den Connétable van Bourbon in 1527.
De geschiedenis van den dood en begrafenis van Alarik is bekend--maar
waarom hij zoo plotseling van Rome wegtrok, met welke bedoeling
hij een vloot verzamelde, of hij een aanval tegen Sicilië of
Afrika beraamde, en waar hij woonplaatsen voor zijn Goten hoopte
te vinden, die hij nog steeds zocht en die zij eindelijk in Gallië
vonden--zijn vragen, die onmogelijk met eenige zekerheid kunnen
beantwoord worden. Welke ook zijn plannen waren, zij zijn verijdeld
door zijn plotselingen dood. Het woeste karakter der barbaren kwam
tot uiting bij de begrafenis van hun held. Een menigte gevangenen
werd gedwongen de bedding van den Busentinus, een kleine rivier bij
Consentia in Calabrië te verleggen. Het koninklijk graf, versierd met
den schitterenden buit van Rome, werd gebouwd in de oude bedding;
het water hernam weder zijn natuurlijken loop en de geheime plek,
waar het stoffelijk overschot van Alarik was neergelegd, werd voor
eeuwig verborgen door de onmenschelijke slachting van de gevangenen,
die gebruikt waren om het werk uit te voeren.
Athaulf of Adolf, de broeder van Alarik's gemalin, nam het
legercommando over. Omtrent de beweegredenen, die hem van
vijandelijkheden tegen Honorius en Italië weerhielden, wordt ons een
belangwekkende beschouwing gegeven door den vriend van St. Augustinus,
den geschiedschrijver Orosius, die op een bezoek bij St. Hieronymus
in Palestina een pelgrim ontmoette, een wapenbroeder van den
barbaren-hoofdman. Eerst was Athaulf van plan geweest zich tot Augustus
op te werpen en een "Gotia" (een Gotisch Keizerrijk) te stichten in de
plaats van de "Romania". Maar hij had de overtuiging gekregen dat de
Goten zoo wild en onhandelbaar waren, dat zij niet op een blijvende
staat konden hopen, tenzij een die gebaseerd was op en onderworpen
aan wetten van het Romeinsche Keizerrijk. Hij schijnt geen hoop
gekoesterd te hebben, zooals Theoderik dit later tevergeefs trachtte
te verwezenlijken, dat een nieuwe staat zou kunnen worden opgebouwd uit
barbaarsche en Romeinsche elementen. Misschien hebben ook persoonlijke
motieven er hem toe gebracht een Romeinsche politiek te volgen, want
een van zijn Romeinsche gevangenen had hem bekoord, de half-zuster
van Honorius, de jeugdige Galla Placidia, die--matre pulchra filia
pulchrior--de schoonheid van haar moeder Galla en haar grootmoeder
Justina had geërfd. Honorius wilde in het huwelijk van een Keizerlijke
prinses en een barbaar niet toestemmen, maar daar hij door den "tyran"
Constantinus en een usurpator, die Spanje overweldigd had, juist zeer
in het nauw werd gebracht, was hij blij Italië van de West-Goten te
kunnen bevrijden. Athaulf en zijn leger konden dus ongehinderd Italië
doortrekken en Gallië binnenrukken, op voorwaarde, dat zij Honorius
zouden helpen de Westelijke provinciën te heroveren. Ondertusschen
was er, ofschoon de overweldiger van Spanje (die weder Maximus heette)
verpletterd was en Constantinus door een dapper veldheer van Honorius,
Constantius, te Arles gevangen genomen en naar Ravenna gestuurd was,
een derde usurpator opgestaan. Deze werd aangevallen en gedood door
Athaulf; zijn hoofd werd naar Honorius gezonden, die het naar Carthago
doorstuurde om aan die eenigszins ontrouwe stad te toonen, welk lot
opstandelingen konden verwachten. Maar ondanks dit bloedige geschenk
weigerde Honorius steeds het huwelijk te bekrachtigen en beloofde een
groote hoeveelheid graan aan de Goten, die gebrek leden, te zenden,
wanneer Athaulf van de schoone Placidia afzag. Dit aanbod evenwel
werd afgeslagen en Athaulf besloot door te tasten. Hij maakte zich
meester van Narbonne, Toulouse en Bordeaux en trachtte zelfs Marseille
te nemen, dat door de keizerlijke troepen onder Bonifacius verdedigd
werd. Daarna vierde hij zijn bruiloft met Galla Placidia, die Honorius'
meening in deze zaak volstrekt niet deelde, te Narbonne. De bruiloft,
zegt Villari, werd gevierd met echt Romeinsche plechtigheid. De
barbaar Athaulf droeg een Romeinsche tunica. Voor de bruid, die een
prachtig Romeinsch gewaad droeg, knielden vijftig jongelingen ieder
met twee gouden bekkens, een met goudstukken, het ander met juweelen
en andere kostbare voorwerpen gevuld--afkomstig van de plundering
van Rome. Om de plechtigheid te verhoogen werden Latijnsche verzen
voorgedragen--terwijl de [64] indrukwekkendheid werd vergroot door
het feit, dat deze huwelijkszang werd gedeclameerd door Attalus, den
"schijn-keizer", dien Alarik gekozen en kort daarna afgezet had.
Kort na de bruiloft, die in Januari 414 gehouden werd, voerde
Athaulf sterke afdeelingen van zijn Goten over de Pyrenaeën om een
inval te doen in het gebied van de Vandalen, Sueven en Alanen, die
(vgl. hfdst. II) het grootste gedeelte van Spanje hadden bezet en
door hun verwoestingen afschuwelijken hongersnood en pest hadden
verwekt. Te Barcelona werd Athaulf vermoord. Zijn opvolger, Singerik,
die de Romeinen haatte, behandelde Galla Placidia schandelijk, en
liet haar te voet met een troep gevangenen marcheeren; men zeide,
dat hij de kinderen van Athaulf, die deze van een vorige vrouw had,
liet slachten. Maar na zeven dagen werd ook hij vermoord, en zijn
opvolger, de dappere en energieke Wallia verstond zich met Honorius
om geheel Spanje voor het Keizerrijk te heroveren--een belofte die
hij vervulde, voordat hij de Pyrenaeën weer overtrok; hij stichtte
(c. 420) het groote West-Gotische koninkrijk, welks hoofdstad Tolosa
(Toulouse) werd.
Maar wij moeten terugkeeren tot Placidia, wier lotgevallen ons
weer naar Italië zullen voeren. Het verdrag van Wallia met Honorius
(c. 416) sloot de bevrijding van de prinses in, die, door den dood van
Athaulf, als een weduwe van 29 jaar was achtergelaten. Nogmaals bood
Honorius een groote hoeveelheid graan voor zijn zuster; of misschien
ried Wallia wegens den hongersnood Honorius deze vorm van losprijs
aan. Zeshonderd duizend maten werden als een behoorlijke vergoeding
aangenomen en Placidia keerde naar Ravenna terug. Hier bemerkte zij,
dat Honorius en zijn ministers het plan hadden gevormd haar uit te
huwen aan Constantius, den generaal, wiens krijgsdaden in Gallië
zoo even zijn verteld. Hij was een ruwe soldaat, blijkbaar zonder de
natuurlijke beschaving van den barbaar Athaulf en de prinses schijnt
hem met tegenzin te hebben aangenomen. Maar het huwelijk bleek niet
ongelukkig. Constantius kreeg den titel van Augustus. Twee kinderen
werden geboren--Honoria en Valentinianus--de eerste later beroemd om
haar romantische verhouding tot Attila, de laatste de toekomstige
Keizer Valentinianus II. Maar in 421 stierf Constantius en kort
daarna vond Galla Placidia het hof te Ravenna ondragelijk wegens de
dwaasheden van den zwakzinnigen Honorius. Derhalve ging zij met haar
kinderen naar Constantinopel.
Te Constantinopel regeerde nu Theodosius II, die in 408 zijn vader
Arcadius, den broeder van Honorius, was opgevolgd. Theodosius had
als kind van zeven jaar den troon bestegen. Hij had nu den leeftijd,
maar zijn zuster Pulcheria was regentes en daar zij (zooals in het
Historisch Overzicht verhaald is) een verstandig en flink karakter
had, bleef zij feitelijk het hoofd van het Oost-Romeinsche Keizerrijk
gedurende zijn geheele regeering en nog langer.
De Augusta van het Westen met haar twee kinderen werd goed ontvangen
door haar neef en nicht, Theodosius en Pulcheria, ofschoon
zij blijkbaar haar titel niet wenschten te erkennen, daar het
Byzantijnsche hof noch den barbaar Athaulf noch den ruw-gemanierden
soldaat Constantius als een geschikten gemaal voor een lid van de
Theodosische familie had willen aannemen. Toen derhalve eenige
maanden later het bericht kwam, dat Honorius was gestorven, en
dat een usurpator gesteund werd door den machtigen invloed en de
Hunnen-huurlingen van Aëtius, een van de voornaamste generaals van
het Westelijke leger, terwijl de andere, Bonifacius--die in Afrika
was--de opvolging van het kind van Placidia begunstigde, was het
natuurlijk dat Pulcheria en Theodosius, ofschoon zij troepen stuurden
om den overweldiger te onderwerpen en zich dus openlijk voor Placidia
en Valentinianus verklaarden, zich voorloopig als alleenheerschers
van het hereenigde Romeinsche Keizerrijk beschouwden. Maar weldra
kwam het bericht, dat de usurpator was gevangen genomen en te
Aquileia onthoofd. Toen Theodosius dit vernam, woonde hij juist
een uitvoering in het Hippodroom te Constantinopel bij. Hij liet
dadelijk de wedrennen ophouden, en leidde onder het zingen van een
toepasselijken psalm het volk van het Hippodroom naar de Kerk, waar
hij het overige van den dag in dankbare devotie doorbracht. Hetzij
hij door eigen onverschilligheid, hetzij door de verstandige en edele
Pulcheria er toe bewogen werd, het is aangenaam te kunnen vermelden,
dat Theodosius geen voordeel trok van den toestand, maar den kleinen
Valentinianus, nu een kind van zes jaar, als Keizer van het Westen
onder het regentschap van zijn moeder liet uitroepen.
Valentinianus III regeerde dertig jaar (425-455). In al dien tijd
heeft hij bijna niets verricht, dat hem tot eer strekt, en misschien
had slechts één daad van hem--de moord op Aëtius--eenige historische
beteekenis. Maar groote en belangrijke gebeurtenissen vonden
plaats. Wij zullen in de twee volgende hoofdstukken den levensloop
van Attila (445-452) en de verovering van Noord-Afrika, Sicilië en
Rome (445) door Gaiserik beschrijven. In dit hoofdstuk zullen wij de
lotgevallen van Galla Placidia tot haar dood in 450 verhalen.
Juist gedurende de helft van de regeering van haar zoon nam Galla
Placidia het regentschap waar. Toen hij ouder was geworden, schijnt
zij nog wel invloed uitgeoefend te hebben, ofschoon zij zich van
daadwerkelijke inmenging in de regeering onthield. Zij vertoefde meest
te Ravenna, doch bezocht Rome niet zelden; tijdens een verblijf aldaar
stierf zij.
Aëtius en Bonifacius, de twee bevelhebbers van het leger in het Westen,
waren beroemd om hun bekwaamheid in den oorlog en hun dapperheid,
waardoor zij den titel van "de laatsten der Romeinen" verworven
hebben. Wij hebben gezien (p. 11), hoe Aëtius een usurpator begunstigde
en zelfs met 60.000 Hunnen steunde, en hoe, vreemd genoeg, toen hij
de andere partij koos en zijn Hunnen afdankte, Galla Placidia hem met
open armen ontving en als raadsman en bevelhebber van haar eigen leger
aannam, terwijl zijn mededinger, Bonifacius, die zich dadelijk voor
Placidia en Valentinianus had verklaard, zoo onrechtvaardig door haar
werd behandeld, dat hij Gaiserik en zijn Vandalen uitnoodigde over te
steken van Spanje en zich meester te maken van de diocese Afrika. Toen
de Vandalen kwamen en Bonifacius, die te laat berouw had, inzag, dat
hij den geweldigen stroom van Barbaren niet kon stremmen, keerde hij
naar Ravenna terug en duelleerde met Aëtius, die haastig van Gallië
was gekomen om hem te ontmoeten. Het schijnt dat hij Aëtius in dit
duel overwon; maar hij werd zelf gewond en stierf kort daarna (432).
Placidia verklaarde Aëtius tot opstandeling en hij trok zich een
tijdlang terug naar de legerplaats van Rugilas, den Koning van de
Hunnen in Pannonië. Daarna verscheen hij weer voor Ravenna met een
groot leger van Hunnen, en Placidia was genoodzaakt zichzelf, haar
zoon en het Westersche Rijk aan den onbeschaamden onderdaan over
te leveren; zoo vertelt Gibbon, maar volgens anderen werd Aëtius,
omdat hij toch de eenige bekwame veldheer was, door de eenigszins
wispelturige Placidia, als haar magister equitum peditumque wederom
vriendelijk ontvangen. Hoe dat ook zij, hij schijnt de titels van Dux
en Patricius te hebben gekregen en meer dan twintig jaar (432-454)
de eigenlijke heerscher van het Westersche Rijk te zijn geweest--of
liever, van hetgeen overbleef van het Westersche Rijk, want Brittannië
was verloren, Zuid-Gallië vormde het onafhankelijk koninkrijk van de
West-Goten, die feitelijk bijna geheel Spanje beheerschten, terwijl
Noord-Afrika en Sicilië in de macht van Gaiserik, den Vandaal, waren.
Het was in deze jaren, dat Aëtius de hulp van de Hunnen onder Attila
tegen de Bourgondiërs aannam. Het lijkt eenigszins verrassend, dat de
opperbevelhebber van het Westersche Keizerrijk hulp heeft willen vragen
van een woest heidensch volk, waarvan zoowel Romeinen als Germanen een
afschuw hadden, maar Aëtius was persoonlijk met verscheidene Koningen
der Hunnen bevriend, en zijn zoon, Carpilio, was gedeeltelijk opgevoed
in de legerplaats der Hunnen. Bovendien hadden de Bourgondiërs het
Aëtius zeer lastig gemaakt; zij kwamen (c. 353) van de streken aan de
Elbe en nadat zij deel hadden genomen aan Radegast's ongelukkigen inval
in Italië (405), hadden zij in 437 Worms aan den Rijn tot hun hoofdstad
gemaakt. Aëtius heeft hen verslagen met de hulp van Atilla's Hunnen en
20.000, waaronder hun Koning, Gundikar, gedood; de overlevenden dwong
hij zich te vestigen in het land, dat later het hertogdom Bourgogne
heette. Deze slachting is ongetwijfeld het historische feit, dat de
grond is van de prachtig dramatische, maar gruwelijke geschiedenis
van het "Einde der Nibelungen" verhaald in het Nibelungenlied. In
het voorbijgaan kunnen wij opmerken, dat de dichter het tooneel van
het bloedbad heeft overgebracht van Bourgondië naar de feestzaal van
Attila's paleis, den Etzelnburg aan den Donau en ten onrechte den
grooten Oost-Gotischen Koning Theoderik van Verona ("Dietrich von
Bern") laat optreden, die na Attila's dood is geboren, in plaats van
een anderen Theoderik, een Koning der West-Goten, die waarschijnlijk
bij deze gelegenheid Aëtius heeft geholpen. De schitterende overwinning
van Aëtius op zijn ouden vriend Attila (ongeveer veertien jaar later)
zal in het volgend hoofdstuk beschreven worden.
Een jaar voor dezen slag op de Catalaunische vlakte, waar Attila's
overwinningen werden gestuit, stierf Galla Placidia. Zij had voor
zichzelf te Ravenna een mausoleum gebouwd en haar lijk werd van
Rome daarheen gebracht. Het mausoleum bestaat nog en is een van de
schoonste en prachtigste gebouwen van dien tijd. Het is kruisvormig;
de koepel is van binnen rijk versierd met schitterend mozaïek en
gouden sterren op een donkerblauwen achtergrond--het doet door de
kleine afmetingen en heldere kleuren denken aan een colibri met
uitgespreide vleugels. Er zijn drie groote marmeren sarcophagen,
zonder naam en zonder inhoud, behalve een paar afgebrokkelde beenderen
(zie pl. 7 en verklaring). Men gelooft dat het de tomben zijn van
Placidia, van haar gemaal Constantius III en van Valentinianus III,
haar zoon. Die van Placidia was blijkbaar versierd met kostbare
steenen en aan den voorkant bedekt met zilveren platen, zooals de
schitterende pala [65] van het hoogaltaar in de St. Markus te Venetië;
maar Benedictijner monniken, die de graven beroofden om kloosters te
bouwen, wedijverden met Lombardische barbaren in het plunderen van
het mausoleum. De overlevering [66] verzekerde, dat het lijk van de
Keizerin in de sarcophaag was geplaatst, gehuld in haar Keizerlijk
gewaad en gezeten op een troon; en de overlevering schijnt gelijk te
hebben gehad, want in de veertiende eeuw werd er een opening gemaakt,
waardoor men een vorstelijk gekleede mummie kon zien, die op een
stoel van cypressenhout zat--Galla Placidia zelf of een beeld, dat
daar geplaatst was door de kerkelijke autoriteiten om als reliquie te
dienen. In 1577 trachtten eenige kinderen de sarcophaag te verlichten
door er een kaars in te brengen, doch staken het gewaad in brand en
de geheele zittende gedaante brandde af, behalve een paar beenderen,
die, volgens een schrijver uit dien tijd, bewezen, dat het lichaam
reusachtig moest geweest zijn--een raadselachtige mededeeling!
Ravenna staat in zulk een nauw verband met Galla Placidia, dat wij een
paar woorden over die stad willen zeggen. Van het oude Etruscische
en Romeinsche Ravenna, dat door Augustus een grootere haven kreeg,
ruim genoeg voor 250 oorlogsgaleien, de Portus Classis, is bijna niets
meer over. De oude haven is verdwenen, want de zee is een heel eind
teruggegaan. De eenzame basiliek van S. Apollinare in Classe fuori
(ongeveer een eeuw na Placidia's dood gebouwd) geeft waarschijnlijk
de plek aan, waar deze discipel van den H. Petrus werd vermoord,
buiten de poort bij de haven; maar nu is het ruim drie K.M. van de
zee af. Niet ver daarvan verwijderd is het groote dennebosch (Pineta),
bekend door Dante en Byron; men weet, dat het in de dagen van Odovacar
bestond en waarschijnlijk ook in den tijd van Placidia.
Galla Placidia bouwde talrijke Kerken in Ravenna, die nu bijna
alle gerestaureerd en onkenbaar gemaakt zijn. De groote Kathedraal
van Bisschop Ursus, waarvan de klokketoren nog bestaat, werd kort
voor haar geboorte begonnen. Zeker was er ook reeds een Kerk gewijd
aan St. Apollinaris, den vriend van den H. Petrus, want hij was de
martelaar en beschermheer van Ravenna. Het oude Baptisterium was nog
een Romeinsch bad, daar het door den Aartsbisschop Neon eerst in 450,
toen Placidia stierf, werd gewijd. Zij bouwde misschien ook S. Giovanni
Battista, S. Teodoro (later Spirito Santo), S. Agata en S. Croce
(naast haar mausoleum) en liet zeker de S. Giovanni Evangelista
bouwen--d. w. z. de oorspronkelijke basiliek, op wier fundamenten nu de
prachtige Romaansche campanile van de 11e en een Kerk van de 18e eeuw
staan. Deze basiliek richtte zij op ter vervulling van een gelofte,
die zij had afgelegd op haar reis van Constantinopel naar Ravenna,
toen zij door een storm was overvallen. "Ik zal u" riep zij uit,
"een tempel van schitterend marmer stichten op het strand, waar het
schip veilig zal aanlanden." Daarop verscheen haar de Heilige Johannes
in een verblindende gestalte, zette zich op den boeg van het schip en,
zijn armen uitstrekkend bracht hij de woedende golven tot bedaren.
HOOFDSTUK VI.
ATTILA DE HUN.
Hetgeen over de oudste geschiedenis van de Hunnen bekend is, hebben
wij reeds in het kort verhaald. Nu moeten de gebeurtenissen beschreven
worden van de jaren, waarin zij de schrik van Europa waren, aangevoerd
door Attila, den "Geesel Gods" [67], den verwoester, wiens strijders
een spoor nalieten, waar geen gras meer groeide, den moordenaar,
die in den diepsten poel van de helsche rivier van kokend bloed zich
wringt, want aldus heeft de verbeelding van volkeren en dichters hem
geschilderd [68].
Attila en Bleda, neven van Rugilas, den vriend van Aëtius, waren
hem als koningen van de Hunnen opgevolgd. Na ongeveer twaalf jaar
(c. 445) werd Bleda onttroond en vermoord--waarschijnlijk door zijn
broeder, die door zijn woeste onderdanen met bijgeloovigen eerbied
werd gevreesd, Attila, onoverwinnelijk door het bezit van een oud
zwaard, dat gevonden was door een schaapherder en beschouwd werd als
het zwaard van den oorlogsgod der Hunnen (die door de Latijnsche
schrijvers Mars genoemd wordt). Als alleenheerscher der Hunnen
breidde hij snel zijn koninkrijk uit, dat de naburige Gepiden,
Alanen en Sueven reeds in zich opgenomen had, evenals de Oost-Goten;
nu strekte zich het veroverde gebied reeds uit van Skandinavië tot
Perzië of misschien tot de grenzen van China. Zelfs in de jaren, toen
Attila het koningschap met Bleda deelde, was zijn stijgende macht
reeds een dreigend spook voor het Keizerrijk. In het Westen had hij
Aëtius tegen de Bourgondiërs geholpen; maar het Keizerrijk zelf was
hij uiterst vijandig gezind, terwijl hij volstrekt niet dien eerbied
kende, dien Alarik en Theoderik de Groote voor het Keizerrijk hebben
gevoeld. Hij had een groot gedeelte van het keizerlijk gebied in
het Oosten afgeloopen, had vele Romeinsche gevangenen als slaven
in verschillende landen achtergelaten, en had deserteurs van zijn
eigen leger, die hij had gevangen genomen, op Romeinsch gebied
gekruisigd. Hij had zoowel naar Valentinianus III te Ravenna als naar
Theodosius te Constantinopel onbeschaamde boodschappen gestuurd [69]
en een gezantschap van den Keizer van het Oosten naar het kamp van
de Hunnen, had slechts ten gevolge gehad, dat er door Attila tweemaal
zooveel schatting werd geëischt, als er tot nog toe was betaald.
In 447 naderde Attila tot de muren van Constantinopel, en eischte
een driedubbele schatting, die door Theodosius betaald werd. En
Attila's eischen beperkten zich niet tot zulk een belasting. Een
merkwaardige roman is gevlochten tusschen deze daden van woestheid en
bloeddorst. Men zal zich herinneren dat Galla Placidia twee kinderen
had, Honoria en Valentinianus. De dochter was, op haar manier,
even onnoozel en onhandelbaar als de zoon, misschien bedorven, maar
van nature ook sentimenteel en niet in evenwicht. Te Ravenna was de
jonge Augusta (dezen hoogen titel had zij reeds jong gekregen) in
moeilijkheden geraakt, toen zij ongeveer zestien jaar was. Zij was
toen (c. 434) door haar moeder naar Constantinopel gestuurd, waar
zij ongeveer veertien jaar doorbracht in het vervelende gezelschap
van de zusters van Theodosius en haar uitverkoren maagden, wier
voortdurend bidden, vasten en waken zij met tegenzin navolgde; want
het Byzantijnsche hof was ongeveer een klooster geworden, waar de
vrouwen, die geen manlijke bezoekers behalve priesters en bisschoppen
toelieten, hun tijd verdeelden tusschen borduren en godsdienstige
oefeningen, en de Keizer zelf--een traag, besluiteloos, aesthetisch
voelend en eenigszins fanatiek [70] mensch--een leven leidde van
een quasi-artistieken, sportlievenden, streng-orthodoxen, bekrompen
man. Jagen was het eenige, wat hem naar buiten kon lokken; maar hij
was bijna voortdurend, soms ook 's nachts, bezig met schilderen en
houtsnijden, en de keurige wijze, waarop hij godsdienstige boeken
overschreef, verschafte den Keizer den titel van "Calligraaf". Zoo werd
de tijd, dien hij won door zijn keizerlijke plichten te verwaarloozen,
verbruikt met ijdele vermaken en nuttelooze liefhebberijen.
Honoria werd door deze omgeving zoo geprikkeld, dat zij door middel
van een vertrouwden bode een ring naar Attila stuurde (c. 488) en hem
verzocht haar op te eischen en bij zijn vrouwen [71] te voegen. Eerst
wees hij haar verzoek met minachting af, maar na eenig nadenken leek
het hem een goed voorwendsel om mèt de keizerlijke Augusta tevens
een belangrijk deel van het Keizerrijk als bruidschat te vragen. En
dit voorwendsel bevrijdde hem van de moeite om een ander te zoeken,
toen hij niet alleen tot een inval in het Oostelijke Rijk maar ook
in Italië besloot.