Deze verwoesting van de oude tempels en beelden, waartegen Libanius,

de geleerde meester van Chrysostomus, tevergeefs protesteerde in zijn

vurige rede Pro Templis, werd niet beperkt tot Rome. De vele monumenten

van klassieke oudheid [46], die Constantinopel versierden, waren

uit Griekenland en Rome gestolen. Dit was erg genoeg, maar bovendien

werden er ontelbare prachtige gebouwen en kunstwerken vernield door

monniken en andere fanatieken, die werden opgewekt en gesteund door de

edicten van Theodosius en door de gevolmachtigden, die hij naar verre

provinciën stuurde om zijn edicten uit te voeren. Het verwoestingswerk

[47] begon, naar het schijnt in Syrië, waar een zekere bisschop

Marcellus, na met geweldige inspanning den grooten tempel van Zeus

te Apamea afgebroken te hebben, vergezeld van een bende fanatieken

andere steden aanviel met hetzelfde doel, totdat hij door de woedende

inwoners werd gegrepen en levend verbrand. In Gallië leidde (c. 370)

de bisschop van Tours, de beroemde St. Martinus, aan wien ongeveer 160

Engelsche Kerken gewijd zijn, groote benden monniken en andere zeloten

van de eene plaats naar de andere, terwijl hij alle overblijfselen van

heidensche architectuur en kunst vernielde, niettegenstaande de oude

goden zich in vijandige demonen-gestalten vertoonden. In Alexandrië,

na een bloedig gevecht tusschen Heidenen en Christenen, plunderde de

patriarch, de bekende Theophilus, den reusachtigen tempel van Serapis,

die beschouwd werd als het voornaamste steunpunt van het Egyptische

paganisme, en verwoestte dezen--het is mogelijk dat één van de twee

Alexandrijnsche bibliotheken met het Serapeum vernietigd is [48].

Wanneer wij spreken over deze verre streken van het Keizerrijk, waar

de oude goden--Olympische, Oostersche en Noorsche--verdwenen voor den

nieuwen godsdienst, kunnen wij ook de oudste Christelijke Kerken in

Brittannië en Ierland vermelden. In Brittannië werd het Christendom

het eerst ingevoerd door de Romeinen, maar natuurlijk niet door de

pauselijke Roomsche Kerk. Van deze periode is zeer weinig bekend, en

wij moeten ons tevreden stellen, met de legende omtrent St. Albanus

en St. Helena, tenzij iemand de oude fabels van Jozef van Arimathea

ernstig wil opnemen. Maar het is zeker, dat reeds in zeer vroege tijden

groote monnikenorden bestonden in verschillende centra, waarvan Avalon

(het tegenwoordige Glastonbury in Somerset) en Bangor (aan de Dee)

de meest bekende zijn [49].

Niet lang nadat Stilicho de Romeinsche legioenen van Brittannië had

weggetrokken (c. 405), werd het Christendom bijna geheel uitgeroeid

door de Angelsaksen, en de Iersche Kerk werd voor ongeveer 150 jaar

van het Christendom afgesneden door een wig van woest paganisme. Wij

zullen laten zien hoe deze Angelsaksen bekeerd werden door den jongsten

St. Augustinus (c. 600), den zendeling die door Gregorius den Groote

gezonden was. De overblijfselen van de oude Britsche Kerk hielden

nog stand tegen de pauselijke suprematie, die door Augustinus werd

afgekondigd; en de overlevering beschuldigt den Heilige (ten onrechte,

naar wij hopen, daar Augustinus in 604 stierf) het afschuwelijke

bloedbad te hebben veroorzaakt van de monniken te Bangor, toen

de Britten verslagen werden door de Saksen bij Chester in 607. De

buitengewone zendings-ijver, zoowel van de oude Iersche als ook van

de jongere Angelsaksische Kerk, zal in latere jaren besproken worden,

wanneer wij de dagen van de Lombardische koningen en van Karel den

Groote bereiken.

Dat verheven en eenvoudige voorschriften en leerstellingen in den

loop der tijden op grove wijze belachelijk worden gemaakt, schijnt

aan onverbeterlijke neigingen in de menschelijke natuur te moeten

worden toegeschreven en wanneer ten opzichte van het Christendom

zulke gevolgen bijzonder pijnlijk en verwonderlijk zijn, moeten wij

trachten troost te vinden in de woorden--misschien van Gregorius

den Groote--corruptio optimi pessima of, zooals Shakespeare zegt:

"Als lelies verrotten, rieken zij veel onaangenamer dan onkruid." Het

ligt ver buiten ons doel de evolutie van den Middeleeuwschen godsdienst

[50] in Italië in bijzonderheden na te gaan, maar wij zullen trachten

eenige belangwekkende religieuze verschijnselen uit deze periode aan

te wijzen, die van grooten invloed zijn geweest op de Italiaansche

kunst en geschiedenis. Van deze merkwaardige verschijnselen kies ik er

twee uit, nl. de bijgeloovige vereering van "reliquieën" en de bijna

ongeloofelijke geestdrift, opgewekt door de asceten en anachoreten.

Eerbied voor reliquieën van hetgeen vroeger groot en schoon was,

is natuurlijk een bewonderenswaardig gevoel, geheel verschillend van

antiquarisch enthusiasme. Maar de middeleeuwsche vereering voor de

zgn. heilige reliquieën was gebaseerd op een bijgeloovig vertrouwen

in de wonderlijke eigenschappen van zulke reliquieën en sloot een

fetisch-aanbidding in, die even plomp was als de oude godsdienst [51].

Zonder twijfel bestonden er eenige echte reliquieën, maar de aanvraag

werd zoo belangrijk, dat ontelbare nieuwe ontdekkingen werden gedaan,

dikwijls (zooals wij bij St. Ambrosius reeds hebben opgemerkt) door

middel van droomen en visioenen; en de voorraad groeide daardoor

geweldig. Het Ware Kruis, door Helena op den Calvarieberg gevonden,

verschafte, naar men zeide, genoeg hout om een oorlogsschip

te bouwen--een feit dat leidde tot de legende van zijn zichzelf

vernieuwende krachten. Verbazingwekkende verhalen werden verspreid

van de mirakels door beenderen, haar, bloeddruppels en heilige olie

veroorzaakt. Alle steden verlangden de een of andere reliquie te

bezitten. Geen kerk werd gebouwd, voordat men een heilig voorwerp

[52] machtig was geworden.

Den oorsprong van de groote ascetische beweging moet men zoeken

in het verre Oosten, waar de Indische fakir en de Thibetaansche

monnik en andere dergelijke lusus naturae sinds onheuglijke tijden

schijnen bestaan te hebben; of misschien is het juister te zeggen,

dat de neiging tot dergelijke afwijkingen, welke latent schijnt in

het Oostersche karakter, zulke gevolgen voortbracht als de Joodsche

anachoreten, de Essaeërs en de Egyptische Therapeuten, die vele jaren

voor de Christelijke monnikenorden bestonden, en dat de beweging onder

de Christenen van Egypte en Syrië ten deele althans moet toegeschreven

worden aan het Neoplatonisme (vgl. p. 41).

Ongeveer in het jaar, waarin Constantijn het purper aannam (305),

trok een geestdriftig, geloovig jongeling in Egypte, bekend als

Antonius van de Thebaïs, zich in de woestijn terug. Zijn voorbeeld

werd weldra nagevolgd en vele duizenden fanatieken, die zichzelf

woestijn-menschen (heremieten) of afgescheidenen (anachoreten)

noemden, begonnen de zandige en rotsachtige wildernissen van het

Nijlland te bevolken, totdat hun aantal de bevolking van alle steden

van Egypte evenaarde. Het is onnoodig de bekende, afschuwelijke

krankzinnigheden van het anachoretisme te beschrijven en het is

overbodig zich te verwonderen over deze monsterachtige voortwoekering,

die zelfs het bestaan van de Christelijke religie bedreigde. Het

systeem van afzondering bleek op den duur onmogelijk. De cel

van elken welbekenden kluizenaar werd omringd door de hutten van

zijn vereerders; een "eenzame" van Gaza, Hilarion, had, naar men

verhaalt, een gevolg van drie duizend menschen; en weldra vond

een anachoreet, Pachomius, het meer in overeenstemming met de

voorschriften van het Evangelie ongeveer veertien honderd kameraden

("coenobiten", samenwoners) om zich te verzamelen, waarvan hij een

monniken-huishouding maakte, natuurlijk geen monniken-orde, zooals

Benedictus later stichtte. Kloosters verrezen nu in groote getale en

wel over de geheele Christelijke wereld, van de woestijnen van Syrië,

Egypte en Ethiopië [53] tot de wildernissen in Gallië en Brittannië,

waar het leven van eenzame afzondering moeilijk na te volgen was door

het klimaat, en een beschaafder vorm van ascetisme trad blijvend op.

Antonius had de vriendschap van Athanasius verworven, (die later zijn

leven beschreef) en ongeveer 340 stelde de Alexandrijnsche patriarch

aan den Paus in het Vaticaan eenige van Antonius' leerlingen voor. Het

vreemde en woeste uiterlijk van deze "Egyptenaren" wekte in Rome eerst

afschuw, toen verachting, daarna geestdriftige navolging. Senatoren en

edele matronen wedijverden met elkaar om hun schitterende paleizen en

villa's in kloosters te veranderen en de Kerk werd er zich weldra van

bewust dat zij deze nieuwe beweging moest erkennen en begunstigen. In

het Oosten was St. Basilius, die zelf vroeger kluizenaar was geweest,

een ijverig stichter van godsdienstige huizen; St. Martinus van

Tours, of misschien zijn beschermheer St. Hilarius van Poitiers was de

stichter van de oudste kloosters in Gallië; en in Brittannië waren in

de vijfde eeuw, zoo niet vroeger, groote kloosters te Avalon en Bangor.

Wij zijn ver van Italië afgedwaald; maar een duidelijke voorstelling

van de geweldige kracht van sommige dezer godsdienstige stroomingen

zal het ons misschien mogelijk maken onze piccioletta barca in juiste

richting te sturen.

HOOFDSTUK V.

STILICHO, ALARIK EN PLACIDIA.

395-450

Wij hebben gezien, dat Theodosius de Groote zijn rijk verdeelde

tusschen zijn twee zonen, Arcadius en Honorius, die 18 en 10 jaar oud

waren, en dat hij Rufinus en Stilicho als hun voogden aanstelde. De

eerste had in Constantinopel het bestuur over de keizerlijke financiën

en trad op als voogd van Arcadius, terwijl Stilicho de zorg had over

den jongen Honorius, magister utriusque militiae (commandant van de

ruiterij en het voetvolk) was en zijn hoofdkwartier te Rome had. De

haat, die het afpersen der belastingen opwekte aan den eenen kant,

en aan den anderen kant de voordeelen, die een populair aanvoerder

van de Keizerlijke troepen verwierf, hadden ten gevolge, dat de

strijd tusschen de twee regenten eindigde met den moord op Rufinus

door Stilicho's Gotische troepen.

In dit hoofdstuk zullen wij, na een paar bijzonderheden over Stilicho

en zijn merkwaardigen levensloop (394-408), eenige van de vele

schilderachtige incidenten vertellen, die samenhangen met den inval

van Alarik en de lotgevallen van Galla Placidia.

Men zal zich herinneren, dat groote massa's West-Goten toestemming

hadden gekregen zich te vestigen ten Zuiden van den Donau en wij

hebben meermalen vernomen, dat zij de keizerlijke troepen met

flinke contingenten steunden. De Gotische soldaat, die Rufinus in

tegenwoordigheid van den Keizer Arcadius vermoordde, had, toen hij zijn

slachtoffer neerstiet, uitgeroepen: "Met dit zwaard treft Stilicho

u!"--beteekenisvolle woorden, want het Gotische zwaard was het,

dat nu over het lot van het Keizerrijk zou beslissen. Weldra kregen

deze Gotische troepen, wier aanvoerder, Gainas, zeer verknocht was

aan Stilicho, in Constantinopel de macht in handen; maar ten slotte

werden zij, nadat, gedeeltelijk door toedoen van St. Chrysostomus, die

natuurlijk als patriarch deze onbeschaamde Ariaansche barbaren vijandig

gezind was, een oproer was uitgebroken, uit de stad gedreven. Gainas

werd gedood door de Hunnen, toen hij den Donau wilde oversteken,

maar zijn mannen voegden zich bij hun landgenooten, de West-Goten

van Thracië en Moesië.

Deze West-Goten begonnen nu erg lastig te worden. Gedurende de laatste

vijf jaar (sinds 395 ongeveer) regeerde Alarik over hen, van wien

wij reeds hebben gehoord in den slag bij den Frigidus, waar hij als

jonge man voor Theodosius streed tegen Arbogast. De sluwe Rufinus had

getracht de gevaarlijke horden van Alarik op te zetten tegen Stilicho

en het Westersche Rijk, om hen van de hoofdstad van het Oosten af te

houden. Stilicho, die zelf een Vandaal was, had hen tegen Rufinus

gebruikt; maar daarna had hij zich tegenover hen gesteld en Alarik

verslagen in den Peloponnesus, toen deze Griekenland binnendrong [54].

Geprikkeld door zulk een onverstandige behandeling, besloten de

West-Goten wederom Zuidwaarts te trekken en een inval te ondernemen

in Italië. Wat het eigenlijke plan van Alarik was, is onzeker. Hij

had, evenals later Odovacar en Theoderik, een bijgeloovigen eerbied

voor het Keizerrijk en waarschijnlijk kwam het plan om zich meester

te maken van het Keizerlijke gezag nooit bij hem op. Zijn voornaamste

taak was blijkbaar een nieuw land te zoeken voor de opgewonden benden,

die heftig om plundering en buit schreeuwden. Ook werd Alarik (als wij

een overlevering mogen gelooven, die de dichter Claudianus mededeelt)

naar Rome gedreven door een stem, die hem plechtig beloofde, dat hij

eens de Eeuwige Stad zou bereiken: "Penetrabis ad Urbem!" Maar eerst

vond hij nog eens zijn meester in Stilicho.

Na Alarik verslagen te hebben in Griekenland (396), had Stilicho

zich verder onderscheiden door een oproer in Afrika te dempen, dat

was opgewekt door een Moorsch opperhoofd, Gildo. Stilicho, ofschoon

een Vandaal, was gehuwd met een nicht en aangenomen dochter van den

grooten Theodosius, de Spaansche Serena, wier schoonheid en deugden

door Claudianus zijn bezongen. Ongeveer 399 werd hun dochter Maria

uitgehuwelijkt aan haar half-idioten neef, den Keizer Honorius,

en Stilicho werd aldus steeds machtiger.

Zijn schitterende verdediging van Italië tegen de West-Goten onder

Alarik en tegen de geweldige horden van Rhaetische barbaren onder

den woesten Wodan-vereerder Radegast, die hij bij Fiesole gevangen

nam en doodde, is reeds verhaald (p. 9). Hier zullen wij nog slechts

een paar gebeurtenissen mededeelen, die van hooger belang waren dan

oorlog en politiek.

Toen Stilicho en Honorius Rome in triomf binnentrokken (404) na de

nederlagen der Goten bij Turijn en Verona, werd er in het Colosseum

een groot gladiatorenspel gegeven--want zelfs nu nog, een eeuw na den

zoogenaamden Vrede van de Kerk, werden, ondanks het protest van edeler

naturen (zooals de dichter Prudentius), ondanks het gedeeltelijke

verbod van sommige Keizers, zulke wreedheden toch waanzinnig

toegejuicht in een stad, die zich het centrum van de Christelijke

wereld noemde, ofschoon zij in Constantinopel [55] waren afgeschaft

of nooit bekend waren geweest en Theodosius zelfs in 394 reeds zulke

onschuldige vermakelijkheden als de Olympische spelen had verboden.

Als wij den schrijver Theodoretus mogen gelooven, was dit het

laatste gladiatorenspel, dat in het Keizerrijk gehouden werd. Een

monnik van het Oosten had de geheele reis naar Rome gemaakt om

door een moedige daad te protesteeren tegen die ruwe vertooningen,

en onder de oogen van de vele duizenden van toeschouwers, die de

rijen van het Colosseum vulden, stormde hij de arena in en scheidde

de strijdenden. Met een gebrul van verontwaardiging eischte het

geheele amphitheater zijn dood--en hij zakt ineen, overweldigd door

een stortvloed van werptuigen. Zijn schitterende heldendaad had de

toeschouwers zoo diep ontroerd, dat hun woede plaats maakte voor

bewondering en eerbied; en Honorius vaardigde een proclamatie uit,

waarbij voor altijd deze gevechten van menschen tegen menschen werden

afgeschaft [56]. De monnik, Telemachus, is heilig verklaard, maar hij

heeft geen hem toekomende erkenning in de kunst of op andere wijze

ontvangen. Misschien is dit zoo, omdat de gebeurtenis niet volkomen

vast staat--ofschoon de geschiedenis van menigen populairen Heilige

minder betrouwbaar is--of anders omdat hij slechts stierf voor de

menschelijkheid, en niet voor een theologisch dogma.

De veldtochten van Stilicho zijn het onderwerp van Claudiamus'

"serviele muze", zooals Gibbon misschien ten onrechte zegt. Claudianus

schreef in het Grieksch (hij was in Alexandrië geboren) en in het

Latijn, maar behalve door een paar Grieksche epigrammen, is hij beroemd

door zijn Latijnsche gedichten, vooral om de keurige hexameters waarin

hij zijn Gotische Oorlog heeft geschreven, dien hij Getische Oorlog

noemt; want evenals de latere schrijvers Cassiodorus en Jordanes,

meende hij, dat de Goten dezelfde waren als de Getae (de Thraciërs of

Daciërs van den klassieken tijd). Claudianus' gedichten doen denken

aan de schitterende kleuren van de latere Venetiaansche schilders of

van Rubens. Hij is tot op zekere hoogte vrij van de gezwollenheid van

Lucanus, met wiens Pharsalia wij natuurlijk gaarne zijn Getische Oorlog

vergelijken en als wij bedenken, dat het Latijn niet de moedertaal

van Claudianus was, staan wij verbaasd over de wondere ongedwongenheid

en kracht van zijn stijl en de vlucht van zijn verbeelding, waardoor

hij soms Vergilius en Lucretius evenaart.

Een zeer belangwekkende episode in de veldtochten van Stilicho is het

ontzet van Florence, toen het door Radegast werd belegerd in 405,

want het is misschien de vroegste gewichtige gebeurtenis, (waarvan

wij ten minste een volledig verslag bezitten), die samenhangt met

middeleeuwsch Florence--als wij Florence van het jaar 405 reeds als

middeleeuwsch kunnen beschouwen.

Florence werd waarschijnlijk gesticht door de Etrusci van Faesulae

(Fiesole); overblijfselen van de geweldige Etruscische muren bestaan

nog. In klassieken tijd was het een Romeinsche militaire kolonie en

misschien later door Caesar uitgebreid en meer versterkt. Toen dit

in het begin van de vijfde eeuw plaats vond, schijnt het vierkant

geweest te zijn, zooals de meeste Romeinsche castra en bezat het een

citadel, forum, amphitheater en tempels--waarvan er éen gewijd was

aan de drie goden, Jupiter, Juno en Minerva en een andere aan Mars

[57], beschermgod van de stad; dit laatste gebouw was misschien

datgene, wat Dante later il bel San Giovanni noemt en wat nu de

Battisterio is. Daar deze belegering noch bij Machiavelli noch in

de gewone beschrijvingen van Florence staat, lijkt het wel dienstig

hier te vertellen, wat Gibbon zegt: "De belegering van Florence door

Radegast is een van de vroegste gebeurtenissen in de geschiedenis van

de beroemde republiek. De stad werd hevig beproefd en de wanhopige

burgers hielden slechts vol onder invloed van St. Ambrosius, die in een

droom (hij was ongeveer acht jaar tevoren gestorven) hun een spoedige

redding beloofde. Plotseling zagen zij van hun wallen de vaandels van

Stilicho, die weldra de barbaarsche belegeraars, die gelegerd waren

op den "drogen en steenachtigen rug" van Faesulae (zooals Orosius [58]

zegt), insloot. De methode om den vijand met sterke verschansingen te

omringen, die Stilicho twee keer tegen den Goten-koning had toegepast,

werd op grooter schaal herhaald, en de ingesloten menigte van menschen

en paarden werd langzamerhand, meer door den honger dan het zwaard,

vernietigd. Hulptroepen en levensmiddelen werden binnen de muren

van Florence gebracht en de uitgehongerde benden van Radegast werden

op hun beurt belegerd. De trotsche koning van zoovele krijgshaftige

stammen moest vertrouwen op de voorwaarden eener capitulatie of op de

genade van Stilicho. Maar de dood van den aanvoerder, die smadelijk

werd onthoofd, onteerde den triomf van Rome en het Christendom. De

uitgehongerde Germanen werden als slaven verkocht; Stilicho berichtte

den Senaat en den keizer zijn overwinning en ontving voor den tweeden

keer den roemrijken titel van Bevrijder van Italië."

De oorzaken van den val van Stilicho waren vele. Jaren geleden hadden

zijn vijanden de beschuldiging verspreid, dat hij na de nederlaag van

Alarik diens ontvluchting had begunstigd, zoowel in Griekenland als

in Italië en dat hij hem zelfs als stadhouder van Illyrië had willen

erkennen; en de beschuldiging was des te moeilijker te weerleggen, daar

hijzelf een barbaar van geboorte en derhalve verdacht en gehaat was bij

het Romeinsche gedeelte van het leger, en ook in Rome bij den hoogen

zoowel als bij den lagen stand. Ook Honorius begon hem te verdenken

en daar hij nogal kinderlijk was, luisterde hij des te eerder naar het

gerucht, dat de almachtige generaal zijn zoon Eucherius--die zich een

bloedverwant noemde van den grooten Theodosius--op den troon van het

Westen of van het Oosten wilde plaatsen [59]. Een andere beschuldiging

was gegrond op het onweerlegbare, doch misschien noodzakelijke, feit

dat Keizerlijke troepen uit Brittannië en Gallië waren weggehaald,

waardoor groote woeste horden den Rijn waren overgetrokken, en

te midden van de paniek een gevaarlijke "tyran", Constantinus,

in Brittannië opgestaan was en zich meester gemaakt had van Gallië

en Spanje.

Al deze beschuldigingen werden aangewakkerd door den mededinger

van Stilicho, een officier van de Keizerlijke garde, Olympius, die

een ernstige muiterij verwekte onder de troepen te Pavia. De stad

werd geplunderd, de vrienden van Stilicho vermoord en Honorius,

hoewel aanwezig, deed geen poging om hen te redden. Toen Stilicho,

die te Bologna was, dat vernam, trok hij haastig naar Ravenna en

zocht bescherming in een Kerk--waarschijnlijk de Kathedraal, de

Basilica Ursiana [60], waarvan de oude klokketoren nog over is. Een

troep soldaten--door Olympius, of misschien door Honorius zelf

gezonden--verscheen weldra aan de deur van de Kerk. De bisschop werd

door valsche beloften overgehaald Stilicho aan te sporen zich over te

geven. Maar nauwelijks had Stilicho den drempel overschreden, of hij

werd gevat; hij weerhield zijn vrienden, die hem wilden bevrijden en

boog zijn nek voor de zwaarden van zijn moordenaars. In de basilica

van S. Ambrogio in Milaan is een sarcophaag, die gedurende vele eeuwen

de tombe van Stilicho heette--maar moderne geleerden zeggen ons dat

zij uit de zesde eeuw is (zie plaat 6).

Na den dood van Stilicho vond er een moorddadige vervolging van

zijn aanhangers plaats. Zijn zoon Eucherius trachtte te ontsnappen,

maar werd gevangen genomen en gedood. Thermantia werd van haar man

gescheiden. Serena, als nicht van Honorius, kreeg genade, maar voor

korten tijd, zooals wij zullen zien. Claudianus schreef een tijdlang

erbarmelijke (misschien ironische) gedichten, die zijn vroegere

beleedigende politieke epigrammen herriepen. Wij hooren niets meer

van hem; zijn lot is onbekend.

Honorius bemerkte weldra, dat hij door den moord op Stilicho als

het ware zijn eigen rechterhand had afgehakt. Omringd door zijn

onbekwame en bange satellieten, sloot hij zich in Ravenna op, een

stad, die door haar moerassen en haven zoo dikwijls in de dagen

van barbaarsche invallen een veilige verdediging aan de landzijde

en een gemakkelijke ontsnapping naar de zee aanbood. Hier hield de

zwakzinnige en kwaadaardige jongeling, nu 23 jaar oud, zich bezig met

zijn hoenderhof, terwijl Alarik Rome belegerde. Toen de Koning der

West-Goten gezanten stuurde (de Paus was onder hen) om vrede voor te

stellen op de zeer redelijke voorwaarden, dat Noricum aan de West-Goten

zou worden afgestaan, verwierp hij dat met gemelijke minachting;

en toen het bericht kwam dat Rome door Alarik genomen was, zegt men,

dat hij heeft uitgeroepen: "Onmogelijk! Een oogenblik geleden heb ik

haar met eigen hand gevoerd"--want voor hem was het eenige Rome, dat

belangrijk was, een van zijn hennen, aan wie hij dien naam had gegeven.

Een tragische gebeurtenis, die plaats greep, toen Alarik Rome

de eerste maal belegerde, was de vermoording van Serena door de

Romeinen; zij was de weduwe van Stilicho, de nicht en schoonmoeder van

Honorius. Zij werd, evenals haar gemaal, beschuldigd Alarik begunstigd

te hebben. Sommigen schreven haar dood toe aan den invloed van haar

nicht, de steeds jeugdige Galla Placidia.

Toen Honorius de voorwaarden van Alarik verwierp en de belegering

van Rome [61] werd hernieuwd (409), werd het lijden van het volk

verschrikkelijk. De verhalen brengen ons de belegering van Jeruzalem

en Numantia in herinnering, zooals Josephus en Livius die vertellen

of de niet minder afschuwelijke feiten uit den Oost-Gotischen

oorlog, dien Procopius beschrijft. Mannen en vrouwen werden in het

geheim vermoord en verslonden; zelfs moeders doodden en aten haar

kinderen. Tot wanhoop gedreven dreigden de Romeinen een uitval te

doen en masse en hun belegeraars te overweldigen; maar toen Alarik

dit hoorde, lachte hij luid en riep uit: "Hoe dichter het koren,

des te gemakkelijk het maaien." En toen zij, de waarheid van zijn

sarcasme inziende, de voorwaarden van den overwinnaar verlangden te

weten, vroeg hij al het goud en zilver, al de roerende goederen van

waarde en alle vreemde slaven in de stad. "Wat wilt gij ons dan laten,

o Koning?" riepen de gezanten uit. "Uw leven", was het antwoord. Maar

Alarik's blaffen was erger dan zijn bijten. Hij nam een redelijker

brandschatting aan en een tijdlang was er nu wapenstilstand.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 7 / 48 段