De veldtocht tegen de West-Goten, die een grooten slag vermeden,

eindigde in een verdrag, waarbij den barbaren toegestaan werd zich

ten zuiden van den Donau te vestigen als bondgenooten (foederati) van

het Keizerrijk, op voorwaarde dat zij, zoo noodig, een contingent van

40.000 man zouden opbrengen. Ongeveer twintig jaar later betreurde de

laatste van de Romeinsche dichters, Claudianus, het bestaan van dat

groote staande leger als een gevaar voor het Keizerrijk; en terecht,

want slechts zes jaar daarna namen deze West-Goten Rome in.

In het volgend jaar (383) werd Gratianus te Lyon gedood, waarheen

hij van Parijs was gevlucht--verraden door zijn eigen legioenen

en gevangen door de ruiterij van den overweldiger Maximus, die van

Brittannië een zoo groot getal volgelingen had overgevoerd, dat dit

feit later werd vermeld als "de verhuizing van een belangrijk deel

van de Britsche natie." In verband met deze exodus moet hier vermeld

worden de legende van St. Ursula, de prinses van Brittannië en haar

elf duizend Britsche maagden, die, naar men zegt, als pelgrim langs

den Rijn over de Alpen naar Rome zijn getrokken en op haar terugkeer

zijn vermoord door de Hunnen of Friezen bij Keulen, waar haar schedels

nog te zien zijn. Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat de oorsprong

van deze legende was het lot van een transport van Britsche vrouwen,

misschien onder leiding van een edelvrouwe, die bestemd waren als

echtgenooten voor een deel der honderd duizend volgelingen van Maximus,

die door ongunstigen wind den Rijn ingedreven en in handen gevallen

waren van Salische Franken of woeste Friezen, die ongeveer vier eeuwen

later den grooten Engelsche zendeling St. Bonifacius hebben gedood.

Wanneer Maximus tevreden was geweest met zijn veroverd keizerrijk

van Brittannië, Gallië en Spanje, zou hij nu misschien bekend zijn

als een van de gelukkigste keizers van het Westen, want hij regeerde

over een groot rijk en bezat een machtig leger, voornamelijk gelicht

uit de krijgshaftige Germaansche stammen. Bovendien werd hij door

Theodosius erkend, die het verstandig vond zijn aanspraken op de

landen ten noorden en ten westen van Italië in te willigen. Toch

viel hij Italië aan, niet alleen gedreven door een onverzadelijke

eerzucht, maar ook door de hoop, of de zekerheid, dat de Katholieke

meerderheid onder de Italianen met vreugde zich zou losrukken van

de regeering van den jongen Valentinianus--of liever van zijn moeder

Justina, die sterk gehecht was aan de Ariaansche ketterij ondanks de

welsprekendheid en de wonderen van St. Ambrosius, den Bisschop van

Milaan. Nadat hij troepen had vooruitgestuurd onder voorwendsel die

aan Valentinianus te leenen, bezette de usurpator de Alpenpassen en

verscheen weldra voor Milaan met een groot leger.

Bij zijn nadering vluchtte Justina met haar zoon--nu vijftien jaar

oud--en liet St. Ambrosius [37] achter om den vijand het hoofd te

bieden. De vluchtelingen bereikten Aquileia, doch, omdat zij zich daar

niet veilig gevoelden, gingen zij te scheep, voeren om Griekenland

en bereikten na een moeilijke reis Thessalonica. Hier werden zij

bezocht en verwelkomd door Theodosius; maar de rijke hulpbronnen van

Maximus deden hem aarzelen dadelijk toe te geven aan de smeekbeden

van Justina. Doch weldra verdween deze aarzeling van Theodosius door

den invloed van de bekoorlijke dochter van Justina, de prinses Galla,

die reeds beroemd was om haar jeugdige schoonheid en nog beroemder

zou worden als moeder van Galla Placidia. Theodosius was weduwnaar en

besloot de jonge, bekoorlijke prinses te huwen; na de bruiloft brak

hij op met een leger, waarin sterke contingenten waren van West-Goten,

Hunnen en Oostersche volkeren.

Hij vond Maximus met zijn Gallische en Germaansche strijdkrachten

aan de overkant van de Sau en door een stoutmoedigen aanval wierp

zijn ruiterij, na de rivier te zijn overgezwommen, den vijand op de

vlucht. Maximus vluchtte naar Aquileia, de stad nabij de Adriatische

kust, die zoo beroemd is als het tooneel van zoovele botsingen, en bij

de aankomst van Theodosius, die van de Juliaansche Alpen neerstreek

als een adelaar op een gewonden haas, werd de usurpator van zijn

troon gesleept, ruw van zijn purper en keizerlijke sieraden beroofd,

en als een misdadiger naar de legerplaats en in de tegenwoordigheid

van Theodosius gebracht. De keizer vertoonde eenige neiging om den

tyran van het Westen te vergeven; maar die zwakke opwelling week voor

zijn gevoel van rechtvaardigheid en de herinnering aan Gratianus,

en hij gaf zijn slachtoffer aan de soldaten over, die hem wegsleepten

en dadelijk het hoofd van het lichaam scheidden.

Na deze overwinning bleef Theodosius gedurende meer dan twee jaren

(388-391) in Italië; hij was feitelijk de alleenheerscher over het

Westen en het Oosten, ofschoon hij de regeering van Valentinianus

en Justina erkende, die evenwel kort na haar terugkeer in Italië

stierf. Van Milaan uit bezochten de beide keizers in het voorjaar

389 Rome, waar zij een roemrijke inkomst hielden en naar men gelooft,

op de plaats van een door Constantijn gebouwde kerk, de fundamenten

legden van de S. Paolo fuori le mura [38], de grootste van de oude

basilieken te Rome, welke in 1823 is afgebrand.

In 390 vinden wij Theodosius weder in Milaan en toen had die

dramatische gebeurtenis plaats, welke wij verbinden aan de welbekende

basiliek van S. Ambrogio.

Ongeveer drie jaren te voren was er te Antiochia een oproer uitgebroken

tegen den katholieken eeredienst en de belastingen. Het gepeupel had de

standbeelden van den keizer en zijn zonen omvergeworpen en hoonend door

de straten gesleept. Verschrikkelijk was de wraak van Theodosius. De

stad werd vernederd en gestraft; een groot aantal gevangenen wachtte

pijniging en dood. Maar een smeekschrift werd naar Constantinopel

gestuurd en--deels door den invloed van St. Chrysostomus, die ons

een levendige beschrijving heeft gegeven van deze dagen en wiens

wondere welsprekendheid zijn wanhopige medeburgers steunde--werd

het bevel voor de executie uitgesteld tot het antwoord was gekomen;

en het antwoord was een algemeene vergiffenis.

Maar Theodosius vergat het oproer van Antiochia niet en toen in 390

in Thessalonica, het welvarende militaire centrum van Macedonië, een

tumult voorviel, waren de gevolgen veel ernstiger. De ongeregeldheden

waren veroorzaakt door de gevangenneming van een wagenmenner, die

bij het publiek zeer in de gunst stond. Er ontstond een botsing

tusschen de bevolking en het gezag; ambtenaren werden gedood en

hun lijken geschonden. Bij deze gelegenheid verwierp Theodosius

elk beroep op genade. Hij beraamde een laffe en onrechtvaardige

wraakneming. De inwoners van Thessalonica werden in den waan gebracht,

dat hij vergiffenis had geschonken, werden uit naam van den Keizer

uitgenoodigd voor de spelen in den Circus, waar zij door gewapenden

werden aangevallen en zonder onderscheid vermoord; 7000, andere zeggen

15000, kwamen om. Het misdadige van deze bijna ongeloofelijke wreedheid

wordt nog verzwaard door het feit dat Theodosius bijzonder was gesteld

op Thessalonica en haar bisschop, die hem daar, waarschijnlijk in de

tegenwoordigheid van vele van die burgers, had gedoopt.

St. Ambrosius is reeds genoemd; hij is bij velen bekend als de

geestelijke vader van den oudsten St. Augustinus, als de schrijver van

het Te Deum (misschien), van Latijnsche hymnen en als de uitvinder van

het Ambrosiaansche muzikale ritueel en dat systeem van beurtzangen,

waarop het gezang in de Anglikaansche Kerk is gebaseerd [39]. Maar

allen die Milaan kennen [40], denken, wanneer zij den naam van

St. Ambrosius hooren, aan de basiliek van S. Ambrogio en haar oude

deuren van cypressen-hout, ofschoon het, helaas, onzeker is of wij nog

ook maar de fragmenten bezitten van die deuren, die voor Theodosius

den Groote werden gesloten.

Ambrosius was de zoon van een Gallisch prefect van edele Romeinsche

afkomst. Hij was geboren te Trier in 340 en werd magistraat van

een district, dat Liguria en Milaan omvatte, in welke stad hij zoo

populair was, dat hij bij den dood van den bisschop (374) door de

geheele bevolking tot diens opvolger werd gekozen en tot zijn eigen

verbazing en die van de wereld plotseling van magistraat veranderd

werd in een aartsbisschop, voordat hij het sacrament van den doop

had ontvangen. En de keuze van het volk was wel gerechtvaardigd, want

er is in de annalen van de Middeleeuwsche Kerk geen persoon, die ons

sympathieker is. Het is waar, dat de meesten van ons de verhalen van

zijn droom ter zijde zullen leggen en ook van zijn ontdekking van

de heilige geraamten, die door hun wonderbare hulp hem beveiligden

tegen den toorn van Justina, zelfs al heeft men ons de beenderen van

Gervasius en Protasius in de crypte van S. Ambrogio laten zien. Maar

ieder zal ontroerd worden door zijn moed en edele drijfveeren. Door

zijn toedoen trad de Christelijke Kerk het eerst op om de zaak van

rechtvaardigheid en menschelijkheid te verdedigen tegen de door

de wet beschermde tyrannie van de burgerlijke macht. Zijn rustige,

uitdagende houding tegen Theodosius is een culminatie-punt van den

zuiver Christelijken invloed. Als de Kerk zulk een invloed tot haar

eenig ideaal had gekozen!

Bij verschillende gelegenheden had Ambrosius zijn moed reeds

getoond. Eens, toen Justina geëischt had, dat eenige Kerken te Milaan

aan de Arianen zouden worden afgestaan en haar Gotische soldaten

had gestuurd om een van die Kerken te bezetten, trad hij hen in den

weg en verschrikte hen zoo met zijn banbliksems, dat de regentes het

verstandiger vond haar eisch in te trekken.

Toen Ambrosius hoorde van het bloedbad te Thessalonica trok hij zich

eerst op het land terug en ontweek Theodosius. Maar begrijpend dat

langer zwijgen laf was, stuurde hij hem een schrijven, waarin hij,

ook uit naam van andere bisschoppen, zijn afschuw uitdrukte over de

wreedaardige daad en erbij voegde, dat zulk een bloedschuld tot gebeden

en boete dwong en hij geen altaar mocht naderen, en dat hijzelf door

een visioen gewaarschuwd was den dienst van het Avondmaal niet waar

te nemen in tegenwoordigheid van iemand, wiens handen waren bezoedeld

met het onschuldige bloed van duizenden [41].

Modern scepticisme ziet in dezen brief den oorsprong van een

schilderachtige fictie, n.l. de overlevering, dat de Keizer, toen hij

met zijn gevolg den ingang van de kathedraal naderde, de groote houten

deuren snel zag sluiten, of dat hij Ambrosius zelf vóór het portaal

vond om nog eens het Godshuis met banbliksems tegen bezoedeling te

beschermen [42]. Bovendien zegt de overlevering, dat, toen Rufinus,

de bekende minister van Theodosius, gestuurd was om te zeggen, dat zijn

meester de macht had om den ingang van de Kerk te forceeren, de Heilige

onversaagd antwoordde: "Dan zal hij over mijn lijk moeten gaan."

Hetzij wij deze dramatische geschiedenis moeten gelooven of niet, het

schijnt niet te betwijfelen, dat Theodosius, onder den indruk van den

moed van Ambrosius en waarschijnlijk ook door het bewustzijn van de

onmenschelijke daad, waartoe hij door zijn hartstocht was gedreven,

openlijk boete heeft gedaan in de kathedraal en als boeteling gekleed

zich op de knieën heeft geworpen en de woorden van den Psalmist heeft

herhaald: "Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw

woord." Wanneer wij aan dit tooneel denken en ons het edict herinneren,

dat Theodosius een paar jaar tevoren had uitgevaardigd, waarin hij

zich, alsof hij zoowel de wereldlijke als ook geestelijke heerscher

was, het recht aanmatigde het Romeinsche Keizerrijk een geloof voor

te schrijven en het wezen van de Drieëenheid te bepalen, worden wij er

ons van bewust dat een nieuwe en reeds invloedrijke macht is ontstaan,

die zich met ongeloofelijke snelheid heeft uitgebreid, sinds den

dag waarop Constantijn de zwakke en vervolgde Kerk het eerst steun

beloofde. En wanneer wij verder denken, aan Keizer Hendrik te Canossa,

of aan Frederik Barbarossa, geknield in het portaal van S. Marco te

Venetië, hoe levendig doet ons dat dan het verschil beseffen tusschen

de drijfveeren en idealen van St. Ambrosius en die van Hildebrand of

Paus Alexander!

In het volgend jaar (391) keerde Theodosius naar Constantinopel terug

en ging in triomf de Gouden Poort door, die in zijne afwezigheid was

opgericht om zijn overwinning over Maximus te herdenken. Deze poort

werd later in het bijzonder gebruikt voor den plechtigen intocht

van de Keizers. Zij bestaat nog en heeft eenige zeer fraaie zuilen;

maar zij is dichtgemetseld. Een overlevering handhaaft zich onder de

Turken, dat door deze poort eens een Christelijk overwinnaar zal komen!

In 392 vond men Valentinianus gewurgd in zijn slaapkamer te

Vienne. Deze daad was ongetwijfeld bedreven of beraamd door Arbogast,

een heidenschen Frank, die tot bevelhebber der Keizerlijke legioenen in

Gallië geklommen was en zulk een onbeschaamde houding had aangenomen,

dat de jonge Keizer een paar dagen voor zijn dood, een soldaat het

zwaard had ontrukt en met moeite was verhinderd den trouweloozen

bevelhebber te doorboren. Arbogast, die het niet waagde het purper

aan te nemen, proclameerde als Keizer van het Westen een rhetor,

Eugenius, zijn vroegeren secretaris.

Valentinianus' zuster, Galla, die Theodosius had gehuwd en zeer

liefhad, spoorde haar echtgenoot dringend aan den moord op haar

broeder te wreken. Maar Arbogast had een groot leger en in naam van

zijn keizerlijke pop had hij zich meester gemaakt van Rome en het

Westelijke Keizerrijk. Daarom was het noodzakelijk voor Theodosius

een grootere macht te verzamelen, voordat hij weder een veldtocht

naar Italië waagde. Doch eerst wilde de vrome Keizer den Hemel over

zijn tocht om raad vragen. Daar het Christendom de orakels van Dodona

en Delphi tot zwijgen had gebracht, raadpleegde hij een Egyptischen

monnik, die, naar men meende, de gave van mirakels en de wetenschap

van de toekomst bezat. Eutropius, een van de eunuchen-gunstelingen

van het hof te Constantinopel, scheepte zich voor Alexandrië in,

vanwaar hij den Nijl opzeilde tot de stad Lycopolis, in de afgelegen

provincie Thebaïs. In de buurt van die stad, op den top van een hoogen

berg had de heilige Johannes met eigen hand een nederige hut gebouwd,

waar hij meer dan vijftig jaar had gewoond, zonder de deur te openen,

zonder het gezicht van een vrouw te zien, zonder eenig voedsel, dat met

vuur of menschelijke kunst bereid was. Vijf dagen van de week bracht

hij in gebed en overpeinzing door, maar op Zaterdag en Zondag opende

hij een klein venster en gaf audientie aan de menigte smeekelingen,

die uit alle oorden van de Christelijke wereld toestroomden. Het

gezantschap van Theodosius naderde het venster met eerbiedige schreden,

stelde zijn vragen betreffende den uitslag van den burgeroorlog en

kwam weldra terug met een gunstig orakel, hetwelk den moed van den

Keizer aanwakkerde door de verzekering van een bloedige, doch stellige

overwinning. De vervulling van die voorspelling werd bevorderd door

alle middelen, die menschelijk beleid kon verschaffen.

Voordat deze toebereidselen waren geëindigd, werd Theodosius getroffen

door het verlies van zijn jonge en bekoorlijke vrouw, die stierf bij

de geboorte van haar eenig kind, Galla Placidia. Doch hij gaf zijn

plan niet op en den 6en September 394 ontmoetten de legers elkander

bij de rivier de Frigidus, niet ver van Aquileia. Twee dagen lang

woedde de slag. Tienduizend van de Gotische hulptroepen [43] van

Theodosius kwamen om bij de bestorming van de wallen van den vijand;

maar eindelijk, geholpen door een geweldigen storm uit het Noorden

en door de desertie van sommige Gallische troepen van Arbogast,

dreef het Oostelijke leger den vijand op de vlucht. Eugenius werd

gevangen genomen en onthoofd. Nadat Arbogast verscheidene dagen in

de bosschen had gezworven en de onmogelijkheid om te ontvluchten had

ingezien, stortte hij zich in zijn zwaard. Hoe Theodosius vier maanden

later te Milaan sterft, terwijl hij het Rijk aan zijn twee zonen,

Honorius en Arcadius nalaat, is reeds verhaald (p. 8). Men vertelt,

dat hij prachtige Circus-spelen had voorbereid om Honorius, die toen

ongeveer tien jaar oud was, openlijk te verwelkomen, dat hij zelfs

's morgens bij de uitvoering aanwezig was, maar 's middags niet langer

kon blijven en den volgenden nacht stierf.

Het karakter van Theodosius kan men, zoo lijkt het, gemakkelijk

uit deze daden leeren kennen; maar wij zijn er niet zeker van,

dat deze daden altijd nauwkeurig zijn overgeleverd en altijd door de

tijdgenooten onpartijdig zijn beschreven. Aan den eenen kant hebben wij

zijn vereerders, den Christelijken, Latijnschen dichter Prudentius en

de Katholieke of Trinitarische Vaders, b.v. Gregorius van Nazianzus (†

379), Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius en Augustinus, en aan den

anderen kant den belangrijksten kroniekschrijver van deze periode,

den heidenschen Zosimus, een partijdig en kwaadaardig schrijver,

die elke daad van deze regeering in een verkeerd licht stelt. Maar

zelfs Zosimus is zoo genadig toe te geven dat Theodosius een van de

grootsten van de Romeinsche vorsten was, en trots den afschuw, dien

wij gevoelen door het bloedbad te Thessalonica, niet ongelijk aan

de verbazing en afschuw, die de Christen-vervolgingen door Marcus

Aurelius bij ons opwekken, moeten wij toch in zijn karakter, naast

vreemd bijgeloof en woeste hartstocht, veel erkennen, dat edel en

bewonderenswaardig was. Het geeft echter meer voldoening feiten te

constateeren, dan te trachten karakters te analyseeren en drijfveeren

te verklaren. Daarom zullen wij hier nog slechts een paar feiten

bijvoegen, die samenhangen met de uitbreiding van het Christendom

tijdens zijn regeering en de eindelijke uitroeiïng van het paganisme.

Onder de ontelbare incidenten, die den geschiedschrijver van deze

periode ten dienste staan, is hetgeen gebeurd is met een standbeeld

van Victoria, dat Caesar van Tarentum meebracht en te Rome in het

senaatsgebouw oprichtte, bijzonder geschikt om de godsdienstige

bewegingen aan te geven; dit beeld was een groote figuur met

uitgespreide vleugels en een lauwerkrans in de uitgestrekte hand. Bij

het altaar, dat voor deze Victoria stond, legden de senatoren den eed

van trouw aan den staat af en daarop werd wijn en wierook geofferd voor

den aanvang der beraadslagingen in den Senaat. Het beeld en tevens het

altaar schijnen verwijderd te zijn door Constantius en misschien naar

Constantinopel gestuurd. Door Julianus is het altaar er weder geplaatst

en door Gratianus weder verwijderd, en weder opgesteld door Eugenius

(c. 393), die misschien een heiden was, of door Arbogast, die zeker

een heiden was, en nog eens verwijderd door Theodosius, kort voor

zijn dood, of door Honorius. Zoo kunnen wij gedurende ongeveer een

halve eeuw de afwisselende krijgskans van Christendom en Heidendom

nagaan. Vier keer werden er deputaties gezonden door de aanhangers van

den ouden godsdienst om van verschillende keizers weder de plaatsing

van het altaar te vragen. Een interessant verslag van een dezer

bezoeken aan het keizerlijk hof bestaat nog, geschreven door Symmachus,

een Romein van edele afkomst, zeer gezien om zijn welsprekendheid en

de ambten die hij had bekleed, pontifex, augur, proconsul van Afrika

en prefect van Rome. Dit gezantschap werd gezonden naar het hof van

Theodosius en Valentinianus te Milaan, en de rhetoriek van Symmachus

(die Rome in zijn redevoering tegenover de twee Keizers haar eigen

zaak liet verdedigen) werd overbluft door de welsprekendheid en het

sarcasme van St. Ambrosius, die, zooals wij uit zijn verslag zien,

de idee bespotte, dat de Romeinsche overwinningen te danken waren aan

de Olympische Goden en vroeg of Jupiter nog steeds sprak bij monde

van de ganzen die het capitool hadden gered.

Maar de overwinning van Ambrosius en het Christendom bij deze

gelegenheid vernietigde het Heidendom toch volstrekt niet. Hoe langzaam

en moeilijk het uitgeroeid is, blijkt duidelijk. Ondanks de strenge

wetten van Theodosius, die de misdaad van offeren en voorspellen uit de

ingewanden met doodstraf of verlies van goederen bedreigden, ondanks

de onbarmhartigste verwoesting en onteigening van tempels, werden de

heidensche ceremonies, zoo veranderd, dat de wet er geen vat op had,

toch jarenlang voortgezet, werden de heidensche priesterambten toch

door de edelste families bekleed en hield de vereering van den zonnegod

Mithras en de Magna Mater, Cybele, en andere vreemde godheden stand.

Er wordt verhaald, dat Theodosius, toen hij eens te Rome was,

plechtig aan den Senaat de vraag voorlegde, of Christus dan wel

Jupiter als God der Romeinen moest aangenomen worden, en dat bij

een regelmatige stemming Jupiter door een zeer groote meerderheid

veroordeeld werd. Maar zonder twijfel--als het verhaal waar is--had de

aanwezigheid van den Keizer invloed op dezen omkeer van geloof, want

het is een feit, dat de heidenen, niettegenstaande hun gelegenheid

genoeg gegeven werd, geen lust hadden in het martelaarschap; zij

onthielden zich van het ritueel, hetwelk zij zelf in de angstwekkende

tegenwoordigheid van hun Keizer hadden veroordeeld--of, hetgeen

waarschijnlijker is, zij verrichtten het in het geheim.

Laten wij nu zien hoe de tempels verdwenen en de Kerken

toenamen. Tijdens de regeering van Gratianus (c. 380) bestonden er

in Rome 424 tempels van de oude goden, terwijl er, volgens de Notita

Urbis, een beschrijving van Rome uit dien tijd, geen Christelijke

Kerk was, die onder de gebouwen van de stad verdiende genoemd te

worden. En ofschoon er zeker eenige Christelijke Kerken waren, en

sommige van niet geringe afmeting [44], geven deze woorden toch een

waar beeld van haar betrekkelijke onbeduidendheid.

Op het einde van de regeering van Theodosius is de toestand zeer

veranderd. Theodosius was een Spanjaard, en in Spanje was het

orthodoxe Christendom bijna zonder inspanning machtig geworden en

keek met gelijke minachting neer op de toenmalige onmacht en den

vroegeren roem van het paganisme. En wanneer wij vragen hoe het

mogelijk was, dat de Romeinen zelf zoo onbarmhartig de prachtige

monumenten van hun voorouders konden vernielen, kunnen wij een

voldoende verklaring vinden in de gevaarlijke aanmoediging, die

zulke herinneringen aan het heidensche Keizerrijk gaven en in de

mogelijkheid van een tweeden keizerlijken afvallige, maar vooral ook

in de angst en afschuw, waarmee de meeste Christenen van dezen tijd,

en ook van later tijd, de heidensche tempels beschouwden als plaatsen,

die door kwaadaardige demonen [45] werden bezocht en de beelden als

gevaarlijke fetischen. Inderdaad was het geloof in het werkelijke

bestaan van de oude goden sterker bij den gewonen Christen van den

vroegsten tijd, dan bij de heidenen zelf.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 6 / 48 段