beweegredenen, of verdraagzaamheid, of een merkwaardige vereeniging
van ijver voor de uiterlijke vormen van paganisme en Christendom,
maar het is moeilijk te gelooven, dat Constantijn gedreven werd door
een meer edele leerstelling van beide eerediensten. Wij kunnen slechts
afschuw gevoelen voor een man, die te midden van al zijn godsdienstig
vertoon, na zijn politieke mededinger en diens familie gedood te
hebben, de terechtstelling van zijn eigen zoon en vrouw bewerkte
(zie p. 4) en dat nog wel op blijkbaar ongegronde beschuldigingen.
In het jaar 325, dat tusschen deze beide bloedige daden van Constantijn
ligt, leidde hij het groote Concilie te Nicaea in Bithynie, om de
actueele kwesties te beslechten, die gerezen waren tusschen de
volgelingen van Arius, een priester van Alexandrië, en hen, die
met Athanasius aan het hoofd, den lateren bisschop van Alexandrië,
onder den naam van Katholieken er aanspraak op maakten de eenige,
algemeene Christelijke Kerk te vertegenwoordigen.
Constantijn nam het besluit van Nicaea--de veroordeeling van het
Arianisme--aan en onderteekende het. Maar deze ketterij had toch
gedurende vele jaren in Constantinopel en het grootste gedeelte van
het Oostelijk Rijk de overhand, daar zij zelfs door de Synode van
Jeruzalem werd aangenomen, en ook door de Goten en Vandalen in het
Westen en in Afrika; en, zooals wij reeds gezien hebben, Constantijn
zelf bleef maar een tijdelijk aanhanger van het Katholicisme en werd
ten slotte door een Ariaansch bisschop gedoopt.
Het geschilpunt te bespreken, dat de Arianen en de Katholieken zoo
ontvlamde en dat gedurende vijf eeuwen (tot de komst van de Franken)
zulk een bitteren en ellendigen strijd en schisma in de Kerk verwekte,
ligt buiten het bestek van dit werk. Men weet, dat het bestond in
de verschillende opvattingen van de natuur van Christus, met het
oog op Zijn identiteit met den Eersten Persoon van de Drieëenheid
en Zijn bestaan als de Logos sinds alle eeuwigheid, en dat de
Athanasische Leer het Katholieke geloof, in zijn geheelen omvang,
aanneemt. Bovendien was er een gematigde partij van semi-Arianen, die,
terwijl zij de homo-ousia (de wezensgelijkheid) van den Zoon en den
Vader verwierpen, de homoi-ousia (de gelijkvormigheid) aannamen--het
onderscheid tusschen beide termen kunnen wij aan theologen overlaten;
wij zullen slechts de juiste opmerking van Gibbon aanhalen, dat
"woorden, die het dichtst bij elkaar komen, dikwijls de grootste
tegenstelling aangeven". Misschien zullen de meesten van ons het ook
wel met hem eens zijn, wanneer hij zegt, dat, zoodra de Christenen
vrij waren geworden van externe vervolging [21], zij elkaar begonnen
te vervolgen, daar zij heftiger begeerden het wezen van hun Stichter
te onderzoeken dan Zijn wetten in praktijk te brengen.
De priester van Alexandrië, wiens leer in den tijd van ongeveer zes
jaar (319-325) in zulk een wijden kring was aangenomen door geesten,
die de leer van de Drie in Eén niet konden bevatten--dezelfde geesten,
die later bij den beeldenstorm de subtiele onderscheiding niet konden
begrijpen tusschen vereering van beelden en afgodendienst--werd
tengevolge van het Niceensche besluit geëxcommuniceerd en verbannen,
tegelijk met vele Ariaansche prelaten; en alle Ariaansche geschriften
werden veroordeeld om door het vuur te worden vernietigd.
Maar, gelijk wij hebben gezien, zoowel Arius als zijn volgelingen,
zooals Bisschop Eusebius van Nicomedia, werden weldra teruggeroepen
en in de laatste jaren van Constantijn schijnt hij aan het keizerlijk
hof bijzondere gunst genoten te hebben. In 336, het laatste jaar
van Constantijn's regeering, zou Arius toegelaten worden tot het
avondmaal in de Kathedraal van Constantinopel, maar op den voor die
plechtigheid vastgestelden dag stierf hij plotseling, een voorval,
dat zijn tegenstanders herinnerde aan het lot van Judas, maar misschien
door vergift was veroorzaakt.
Athanasius overleefde zijn grooten mededinger 37 jaar. Hij zag vier
keizers na Constantijn den troon van het Oosten bestijgen. Vier
keer werd hij uit Alexandrië verdreven door zijn godsdienstige
tegenstanders. Hij werd afgezet door Constantius en na zijn
herstelling door Constans werd hij weder afgezet door Julianus
en gerehabiliteerd door zijn beschermheer en bewonderaar Jovianus
[22], en toen misschien nog eens verbannen door Valens. Maar hij
overleefde al deze gevaren, éen of tweemaal misschien geholpen door
een wonderbaarlijke verdwijning en op bovennatuurlijke wijze gevoerd
naar de woestijnen van opper-Egypte, toen hij bijna werd gevangen
genomen. Hij stierf rustig, tachtig jaar oud, te Alexandrië, waar
hij gedurende 46 jaar met eenige onderbreking patriarch was geweest.
Deze twisten tusschen Trinitariers en Arianen mogen, zoo schijnt het,
met Italië in geenerlei betrekking staan, wij zullen toch weldra zien,
hoe zij leidden tot dat conflict tusschen de burgerlijke en kerkelijke
machten [23], tusschen keizers en pausen, hetwelk zulk een belangrijke
rol speelt in de geschiedenis van Italië; en voordat wij het onderwerp
loslaten, zal het nuttig zijn te verhalen hoe in het Westelijk Rijk
ten slotte het schisma is geheeld.
Wij hebben al gezien, dat de Goten en Vandalen en andere barbaren
bekeerd werden door Ariaansche zendelingen. De groote koninkrijken
van de West-Goten in Gallië en Spanje, van den Vandaal Gaiserik in
Afrika en van de Oost-Goten onder Theoderik in Italië waren alle
broeinesten van Ariaansche ketterij [24], tot de vernietiging van de
twee laatste rijken in 534 en 553. Ongeveer dertig jaar later verwerpt
de koninklijke erfgenaam van den troon der West-Goten het Arianisme,
staat tegen zijn vader op en wordt terechtgesteld. (Later werd hij
gecanoniseerd als St. Hermenegild.) Zijn broeder bestijgt den troon en
brengt het geheele volk er toe het Katholicisme te omhelzen. Daarna,
ongeveer 603, onder invloed van koningin Theodelinda, die zelf daartoe
was overgehaald door Paus Gregorius den Groote, werden de Lombarden,
die tot dusverre Arianen waren, orthodoxe Katholieken. Ondertusschen
zijn de West-Goten en andere bewoners van Gallië door de Franken
bekeerd tot het Trinitarische geloof en kort voor het aftreden van
Pepijn en Karel den Groote is het Arianisme in Italië uitgeroeid.
Maar, nadat wij nu eenigszins zijn afgedwaald om het einde van dezen
twist te bereiken--de heftigste van de velen [25], die den vrede van de
Kerk verstoord en haar bestaan in gevaar hebben gebracht--laten wij nu
terugkeeren tot ons onderwerp, den strijd tegen den gemeenschappelijken
vijand, het Heidendom, welks vernietiging lang voor de algeheele
verdwijning van het Arianisme bereikt is. [26]
Doch eerst een paar woorden over een vorm van paganisme, die misschien
een gevaarlijker, en zeker een sluwer vijand bleek te zijn dan het
grove bijgeloof van de menigte of de meesleepende pracht van het
heidensch ritueel.
Sommige van de diepzinniger leerstellingen van het Athanasische
Christendom, zooals die, welke betrekking hebben op de Drieëenheid
en den Logos, hebben een merkwaardige verwantschap met de leer van
oud-Grieksche philosophen--Pythagoras en Plato b.v.--hetzij, omdat
gelijke gedachtenvormen voortspruiten uit de diepere instinkten en
overtuigingen van de menschelijke natuur, hetzij, omdat de Christelijke
theologen vormen overnamen, die een duidelijke weergave waren van hun
Godsbegrip. De geboorteplaats van het Neoplatonisme was Alexandrië,
de stad van Athanasius en Arius. Een eeuw voor hen legde Plotinus
de grondslagen voor dit systeem van denken, dat door hem en zijn
beroemden leerling Porphyrius op een onderbouw van Platonische en
Pythagoreïsche beginselen was opgetrokken om een philosophische theorie
te vormen, die de Kerk vijandig was. Door hen en andere leeraren van
dezelfde school werd het Neoplatonisme naar Rome en Athene gebracht,
waar het snel wortel schoot en een ernstig gevaar werd voor het
Christendom. Theodosius verbrandde in het openbaar Porphyrius' bekende
verhandeling tegen den Christelijken Godsdienst; maar de verderfelijke
leer groeide voort, totdat in 529 Justinianus haar uitroeide door
de scholen van Grieksche philosophie op te heffen. Neoplatonisme,
zooals het door Plotinus wordt geleerd, ontleent, ofschoon hij
die verkeerd heeft begrepen [27], de fantastische beschrijving van
het menschelijke lichaam als de gevangenis van de ziel aan Plato's
Phaedo. De verachting en afschuw, die deze valsche Platonisten voelden
voor hetgeen St. Franciscus zoo hartelijk "broeder ezel" heeft genoemd,
hadden zonder twijfel, onder invloed van een op oostersche wijze
overprikkelden toestand, het krankzinnige Egyptische en Aziatische
ascetisme ten gevolge--een resultaat, veel verderfelijker dan eenig
ander, dat bereikt werd door de bittere vijandschap van hen, die,
zooals Julianus Apostata, openlijk het Christendom aanvielen of zelfs
van die latere Neoplatonisten, die een nieuw Evangelie verkondigden,
terwijl zij Pythagoras zelf als den Antichrist voorstelden.
Er is al vroeger verteld (p. 5), hoe Julianus op den troon kwam. Daar
zijn korte regeering van ongeveer achttien maanden belangrijk is
door zijn poging om het Heidendom te herstellen, zullen wij die in
het kort bespreken, terwijl wij de veel langer regeering van den
zwakken, onbetrouwbaren en onmenschelijken Constantius overslaan,
daar deze slechts weinig invloed had op den gang der gebeurtenissen,
behalve voor zooverre hij zijn vader's voorbeeld volgt in kerkelijke
aangelegenheden en zich voor het Arianisme verklaart, Athanasius
te Alexandrië vervolgt, en een anderen paus te Rome kiest, waardoor
hij den eerste van die Romeinsche opstanden verwekt, die later zoo
herhaaldelijk voorkomen.
Men zal zich herinneren, dat Julianus gevangen werd gezet en naar
Athene verbannen door zijn neef Constantius. Hier bracht hij zes
maanden door met philosophische studie, waarschijnlijk onder leiding
van Neoplatonisten [28]. Ofschoon hij reeds in 351 te Ephesus als
jongeling in het geheim was ingewijd in de mysteriën van de oude
Chthonische of Orphische leer, heeft Julianus waarschijnlijk eerst
te Athene, ongeveer 25 jaar oud, beslist het Christelijk geloof
afgezworen. Hierin was hij opgevoed door Eusebius, dien bekenden
bisschop, dien wij reeds ontmoet hebben aan het bed van den stervenden
Constantijn. Eusebius bezielde zijn jeugdigen leerling met zooveel
ijver, dat hij, naar men zegt, gewoon was de oefeningen te leiden in
de Kathedraal van Nicomedia.
Dramatische gebeurtenissen leidden tot zijn troonbestijging. Na zijn
terugroeping naar Milaan, zijn huwelijk met de zuster van Constantius
en zijn benoeming tot Caesar van de praefecturae van Gallië en
Brittannië--gebeurtenissen die hijzelf met humor vertelt, terwijl
hij zijn verlegenheid beschrijft bij de plotselinge metamorphose
[29]--ontwikkelt hij groote kracht en talent als veldheer. Hij
verslaat de Alemannen bij Straatsburg en stuurt hun koning naar
Constantius. Hij onderwerpt de Franken aan den beneden-Rijn, steekt
daarna de rivier over bij Mainz en verwoest het land der barbaren. Hij
bouwt zeven steden tusschen Mainz en de Noord-Zee weder op en vestigt
zich te Parijs, zijn residentie, "het dierbare Lutetia", dat toen
een versterkte plaats was op het Seine-eiland, met houten bruggen
verbonden aan den Campus Martius, het paleis, theater en de baden
(nu het Museum de Cluny) aan den zuidelijken oever van de rivier
(het tegenwoordige "Quartier Latin").
Plotseling, als een donderslag bij helderen hemel, komt een order
van Constantius (die door zijn hofbeambten--meest eunuchen--werd
getiranniseerd) dat het meerendeel van de Gallische legioenen dadelijk
naar Perzië moet marcheeren! De troepen belegeren terstond hun generaal
in zijn palatium onder luid geschreeuw van "Julianus Augustus", heffen
hem op een schild en roepen hem tot keizer uit. Hij protesteert;
maar het noodlottige woord is uitgesproken en de soldaten houden
vol. Derhalve zendt hij een bericht naar Constantius, die nu te
Antiochia is en vraagt nederig om bekrachtiging van den titel. Maar
Constantius, woedend, eischt onderwerping. Daarop vaardigt Julianus de
beroemde proclamatie uit, waarbij hij zijn lot aan de "onsterfelijke
goden" toevertrouwt, terwijl hij aldus den band met den Keizer en
het Christendom breekt, verzamelt een groot leger te Basel, zendt
troepen langs verschillende wegen naar Italië, rukt ondertusschen zelf
met 3000 man dwars door het Marciaansche (Zwarte) Woud, bereikt den
Donau, komt in elf dagen, op een flottille, die hij had bemachtigd,
te Sirmium en dringt Illyrië binnen.
Constantius rukt op van Antiochia, om den usurpator op te jagen, ut
venaticiam praedam; maar te Tarsus sterft hij aan een koortsaanval
en Julianus trekt Constantinopel binnen, waar het keizerlijk leger
zich vóór hem verklaart, ofschoon de eunuchen een tegen-candidaat
hadden gesteld. Hij gaat dadelijk aan het werk om het hof te redden
"uit de kaken van een veel-koppige Hydra", om zijn eigen uitdrukking
te gebruiken en jaagt een menigte satellieten, spionnen, aanklagers,
eunuchen en andere ministers van weelde en misdaad weg. Gedurende
de weinige maanden van zijn verblijf in de hoofdstad legt hij een
grooten ijver aan den dag om den ouden godsdienst te herstellen en,
terwijl hij een philosophische verdraagzaamheid afkondigt en soms
de andere godsdiensten begunstigt, is hij een heftige vijand [30]
van bijzondere aanspraken van het Christendom en bij uitstek streng
tegen Athanasius als den leider van hetgeen hij beschouwt als de meest
exclusieve en onverdraagzame van alle sekten. Hij beveelt den herbouw
en de heropening van alle heidensche tempels; hij roept alle verbannen
Ariaansche prelaten terug; hij vernietigt het labarum en het Kruis;
hij stelt de colleges van augures en flamines weer in, en is als
Pontifex Maximus voorzitter bij de heidensche ceremoniën; hij geeft
enorme sommen uit aan offers voor de heidensche goden, maar schrijft
tevens een brief aan het Joodsche volk, waarin hij hen verzekert
hun "Groote Godheid" te eerbiedigen en hen te willen beschermen
tegen de Galileërs "die den éénen waren God hebben verzaakt", hij
onderneemt het zelfs den Tempel op den berg Moriah te herbouwen,
met de bedoeling Salomo zelf te overtreffen, niet alleen door de
pracht van het bouwwerk, maar ook in het getal van de offerdieren
bij de inwijding--in Salomo's geval was dit 22.000 ossen en 120.000
schapen! Maar toen de grond uitgegraven werd om de nieuwe fundamenten
van den Tempel te leggen, zegt men, dat een geweldige ontploffing en
aardbeving zulk een schrik verwekten dat het werk werd opgegeven.
In hoeverre Julianus gesteund werd door het ware paganisme of
den tijdelijken afval van zijn onderdanen, is lastig na te gaan,
want het is even gevaarlijk de vleiende verhalen van zijn vriend
en aanbidder Libanius, den Griekschen redenaar en schrijver (den
leeraar van St. Basilius en St. Chrysostomus) te vertrouwen, als de
vijandige getuigenis van Gregorius van Nazianzus en andere kerkelijke
kroniekschrijvers. Men moet den geestdrift van Julianus voor den
ouden godendienst vooral toeschrijven aan zijn vurige liefde voor
oude kunst, litteratuur en philosophie en aan zijn afkeer om zich te
onderwerpen aan de aanmatigende dogmata van een priesterschap, dat de
wijsheid van Socrates en de kunst van Homerus met gelijke verachting
beschouwde. Maar--zoo zwak is de menschelijke natuur--hijzelf,
een leerling van Plato, een geleerde, een begaafd redenaar, een
uitstekend schrijver van beide klassieke talen, een voorbeeld van
gematigdheid en kuischheid [31], werd de prooi van het grofste en
belachelijkste bijgeloof. Hij werd vereerd, zooals hij geloofde,
door de intieme vriendschap en duidelijke aanwezigheid van de goden
zelf; hij raadpleegde hen door middel van voorspellingen en orakels
en herkende hun wil in de wonderen, en hun stem in de voorteekens.
Zijn enthusiasme voor de oude helden bracht Julianus er toe Alexander
den Groote na te volgen, zooals hij ook reeds beproefd had de daden
van Caesar in Gallië na te volgen [32]. Sinds den tijd van Keizer
Alexander Severus (c. 226) had Perzië onder haar koningen uit de
Sassaniden-dynastie den Romeinen steeds grooten last veroorzaakt. De
tegenwoordige monarch, Sapor (Shapur) II, was de negende van die
groote dynastie. Hij had reeds langer dan een halve eeuw geregeerd
[33] en bleef in leven tot het vierde jaar van Theodosius' regeering,
zoodat hij zes Keizers op den troon van het Oosten zag opvolgen. Hij
had Constantius en de keizerlijke troepen uit Mesopotamië verdreven
en dreigde hen uit Azië te jagen. De veldtocht van Julianus tegen
Sapor, waar uitgebreide toebereidselen voor waren gemaakt, eindigde,
zooals wij zagen, met zijn dood, en bijna met de vernietiging van
zijn leger. Hoe Jovianus er in slaagde het overschot te redden door
een roemloozen en ellendigen terugtocht, hoe hij gedurende zijn korte
regeering de luide toejuichingen verwierf van al zijn Christelijke
onderdanen door de herstelling van hun godsdienst, en de dankbaarheid
van de anti-Aranen door Athanasius weder op den patriarchalen troon
van Alexandrië te plaatsen, is vroeger verteld (p. 5).
Gedurende de regeering van Valentinianus en Valens, die
reeds verteld is in het Historisch overzicht, was wellicht de
belangrijkste gebeurtenis de bekeering van de West-Goten, of het
begin daarvan, door Ulfilas († 381), ofschoon de Trinitariërs
dit waarschijnlijk beschouwden als een Pyrrhus-overwinning van
het Christendom. Valentinianus schijnt verdraagzaam, of misschien
onverschillig geweest te zijn in doctrinaire aangelegenheden en eerbied
te hebben verworven wegens zijn manlijk en gematigd karakter. In
zijn latere jaren echter kreeg zijn cholerische aanleg de overhand en
veranderde hem in een woedenden tyran, wiens slachtoffers bij duizenden
werden terechtgesteld, beschuldigd van verraad en hekserij. [34]
De hysterische angst, verwekt door het geloof aan hekserij, had
ook op den zwakzinnigen Valens een dergelijke uitwerking. Van
de verst verwijderde deelen van Azië werden jong en oud gesleept
voor den rechterstoel van Antiochia, waar de keizer gewoon was te
resideeren. Zoo talrijk waren de gevangenen, dat de keizerlijke
troepen nauwelijks voldoende waren om hen te bewaken en in afgelegen
provinciën de vluchtelingen de bevolking in getal overtroffen.
Maar Valens bepaalde zich niet tot zulke wreedheden. Drie jaar na
zijn troonbestijging was hij gedoopt door den Ariaanschen Patriarch
van Constantinopel. De keizerlijke neophiet ontwikkelde zich weldra
tot een blinden ijveraar en een wreeden vervolger van "Athanasische
ketters" zooals hij hen noemde en het Oostelijke Rijk was weldra in
gisting en oproer. Dit duurde zoo lang, totdat Aartsbisschop Basilius
te Caesarea--eens de mede-student van Julianus te Athene, later
beroemd als kluizenaar en stichter van de eenige monniken-orde van de
Oostersche Kerk--den keizer trotseerde, zooals later St. Ambrosius
te Milaan Theodosius trotseerde en met hetzelfde gunstige gevolg;
want, naar men vertelt, geraakte Valens zoo onder den indruk, dat
hij bezwijmde in tegenwoordigheid van allen, toen hij van het altaar
werd teruggestooten, en dat hij boete deed voor zijn wreedheden door
Basilius een groot landgoed te schenken om daar een hospitaal te
stichten. Valens verdween, zooals reeds verhaald is, in den grooten
slag bij Hadrianopolis in 378.
In het Westen was Valentinianus opgevolgd door zijn zoon Gratianus,
(vgl. p. 7) een vriendelijken en sport-lievenden jongeling van 16 jaar,
die als collega zijn vierjarigen stief-broeder aannam, Valentinianus
II, terwijl hij het kind en zijn moeder Justina de praefectura Italië
toewees en de beide Galliae voor zich hield. Hij was nog een jonge man
van 24 jaar, toen hij door den usurpator Maximus te Lyon werd gedood
en had blijkbaar meer belangstelling in zijn herten- en berenparken
dan in Kettersche spitsvondigheden, zoodat tijdens zijn regeering van
acht jaar de Gallische Kerk vrij is gebleven van twisten, ofschoon
zij een werkzaam aandeel nam in het vernietigen van de heidensche
reliquieën. Te Rome bovendien schijnt Gratianus met Justina en haar
zoon veel bij te hebben gedragen tot het uitroeien van het paganisme,
want wij vernemen dat hij het oude college der Vestaalsche Maagden en
Augures heeft afgeschaft en de beelden der goden heeft vernietigd. [35]
Toen Valens verdwenen was, koos Gratianus tot Augustus van
het Oostelijk Rijk een dapperen soldaat van Spaansche afkomst,
Theodosius, die in het keizerlijk leger in Brittannië had gediend
en Hertog van Moesia was geworden. De vader van Theodosius was,
na schitterende veldtochten in Brittannië en Afrika, te Carthago
terechtgesteld, blijkbaar krachtens een beuzelachtige beschuldiging
van verraad. Wegens de ongenade en den dood van den ouden Theodosius
had de zoon zich teruggetrokken op zijn landgoed in Spanje, om zich,
zooals Xenophon of Cincinnatus, te wijden aan de verbetering van zijn
landerijen. Vandaar werd hij na vier maanden geroepen om de plaats
in te nemen, die door Valens' dood open was gevallen.
Gedurende zeventien jaar (378-395) was Theodosius eigenlijk de
heerscher, niet alleen in het Oosten, maar als beschermer van den
jongen Valentinianus en zijn moeder en als overwinnaar van Maximus
en Arbogast, ook in Italië en het verre Westen, ofschoon hij slechts
in het laatste jaar van zijn regeering onbetwist alleenheerscher
was. (Zie Historisch Overzicht p. 8).
In deze zeventien jaar (het onderwerp van het volgende hoofdstuk)
stierf het heidendom snel uit en ofschoon wij later nog eenige
merkwaardige overblijfselen ontmoeten, mogen wij toch aannemen dat op
het einde van Theodosius' regeering of het einde van de 4e eeuw, de
oude godsdienst in het Keizerrijk verdwenen was en de Trinitariaansche
of Athanasische Kerk--vooral de zoogenaamde Katholieke Kerk in
Italië--een waardige en invloedrijke positie tegenover de burgerlijke
macht had verworven.
HOOFDSTUK IV.
THEODOSIUS DE KATHOLIEKE.
De eerste plicht van den nieuwen Keizer in het Oosten was de nederlaag
van Hadrianopolis te wreken. Voordat hij van Thessalonica, waar hij
het Keizerlijk leger weer samengesteld had, tegen de West-Goten optrok,
onderging Theodosius den ritus van den doop en las het volgende edict
voor [36], in naam, naar men zegt, van de drie Keizers, Gratianus,
Valentinianus en hemzelf: "Het behaagt Ons, dat al onze onderdanen
den godsdienst, die den Romeinen door den H. Petrus geleerd is,
aanhangen. Volgens de leer van de Apostelen en de Evangeliën moeten
wij gelooven in de eene Godheid van den Vader, den Zoon en den Heiligen
Geest, gelijk van majesteit in de Heilige Drieëenheid. Wij willen dat
de aanhangers van deze leer Katholieke Christenen heeten en brandmerken
alle anderen met den schandelijken naam van ketters en verklaren
dat hun vergaderplaatsen niet langer den naam van Kerken zullen
dragen." Laten wij letten op de aanmatiging van de drie wereldlijke
heerschers van het Romeinsche Rijk, dat zij niet alleen het recht
hadden om de Christelijke leer op te dringen, maar ook om hun eigen
uitleg te geven aan de leerstellingen der Apostelen. Niet minder dan
15 strenge edicten van dien aard, gericht tegen de ketters, werden
door Theodosius uitgevaardigd en overtreding werd bedreigd met zware
straffen, soms met de doodstraf. Het ambt van Geloofs-Inquisiteur,
een terecht zoo verafschuwde naam, werd het eerst tijdens zijn
regeering ingesteld.