In dezen tijd bestond de Gotische natie uit Oost-Goten, West-Goten en

die Gepiden, [6] die later de streken van Dacië en Pannonië zullen

bezetten, wanneer deze zijn verlaten door de Goten, die verder

trekken. De West-Goten kwamen natuurlijk het eerst in botsing met

de Romeinen in Dacië. Na de nederlaag en den dood van Decius werd

een vastberaden aanval tegen deze West-Goten gedaan door Keizer

Claudius II, wiens "litera laureata" aan den Romeinsche Senaat

berichtte, dat hij 320.000 van hen had verslagen en 2000 van hun

schepen had vernield; hij ontving van den Senaat den titel Goticus;

maar toch vond zijn opvolger, Aurelianus het twee jaar later (272)

noodzakelijk de provincie aan de barbaren over te geven, die daar een

zeer merkwaardig rijk grondvestten--een complex van de drie groote

Gotische Koninkrijken. In het noorden (Hongarije) waren de Gepiden,

in het oosten (Moldavië en Bess-Arabië) de Oost-Goten, en in zuidelijk

Dacië (Roemenië) de West-Goten.

De Oost-Goten, die machtig werden en een soort van Pan-Gotische

suprematie uitoefenden onder hun beroemden Koning Hermanric, [7] bleven

lang heidenen, daar zij evenmin als de Gepiden in Noord-Dacië beïnvloed

werden door de Romeinsche beschaving; maar de West-Goten, die in nauwer

aanraking kwamen met de Romeinen, werden snel geromaniseerd en bekeerd

tot het Christendom--van dit feit zijn de bewijzen nog over, want de

tegenwoordige Roemeniërs zijn voor een groot gedeelte afstammelingen

van de West-Goten, die achterbleven in Dacië (c. 378), toen velen

van hen den Donau overtrokken, met Alarik Italië binnendrongen en

gedeeltelijk in Gallië aankwamen; en deze tegenwoordige Roemeniërs

hebben, trots alle Turksche onderdrukking, hoewel aan alle kanten

door Magyaren en Slaven ingesloten, tot heden veel van den Romeinschen

aard in hun taal, litteratuur, gewoonten en sympathiën bewaard.

Grooten invloed op deze West-Goten heeft de zendeling Ulfilas

(Vulfila)--de Apostel van de Goten--uitgeoefend. Hijzelf was van

Gotische afkomst, maar hij ontving een Grieksche en Romeinsche

opvoeding te Constantinopel en wijdde het overige van zijn leven (van

c. 335 tot 380) aan het bekeeren van zijn landgenooten en het vertalen

van den Bijbel in het Gotisch. Ongeveer 177 pagina's van een prachtig

vijftiende-eeuwsch handschrift van zijn vertaling kan men nog in Upsala

zien. Het is geschreven met zilveren en gouden letters op purperkleurig

perkament en bevat meer dan de helft van de Evangeliën. Andere Gotische

manuscripten geven vertalingen van de brieven van Paulus en het Oude

Testament, waarschijnlijk ook zijn werk. [8]

Voor deze vertaling gebruikte hij gedeeltelijk letters van eigen

vinding, deels Grieksche en Latijnsche, en deels Runen-schrift. Dit

schrift had reeds vele eeuwen bij de Goten bestaan, waarschijnlijk

ingevoerd in de Noordelijke landen door kooplieden van de Grieksche

koloniën aan den Pontus Euxinus, of door Phoenicische zeelieden,

of was misschien door de voorvaderen van deze Noordelijke Arische

volkeren van hun oorspronkelijke woonplaatsen uit het verre Oosten

hierheen gebracht.

Toen Ulfilas nog als jongeling zijn opvoeding genoot te Constantinopel,

was hij zonder twijfel onder den persoonlijken invloed gekomen

van Arius, wiens leerstellingen krachtig werden begunstigd door

Constantijn in de laatste jaren van zijn regeering. Vandaar, dat

door het onderwijs van den Apostel der Goten en andere zendelingen

alle barbaarsche volkeren van Midden-Europa, behalve de Franken

eerst bekeerd werden tot het Arianisme, en dat eerst veel later

het Katholicisme de overhand kreeg. Maar wat men moge denken van de

verdiensten van Ulfilas als Christelijk zendeling en verbreider van

de kennis van den Bijbel, men kan niet twijfelen over de waarde van

zijn werk, van litterair standpunt beschouwd.

Wij moeten nu van de Goten overgaan tot een andere natie, wellicht

ook van Germaanschen, maar waarschijnlijk van Slavischen oorsprong,

de Vandalen. Gedurende het bestaan van het groote Gotische rijk (van

c. 250 tot 400) schijnen zij in de bovenlanden van de Elbe en de Oder

geleefd te hebben, in welke streken hun afstammelingen (de Wenden)

en overblijfselen van hun taal (het Wendisch) misschien nog bestaan.

Bij de komst van de Hunnen (die, zooals wij hebben gezien geheel

midden-Europa in hevige beroering brachten, daar zij de Goten

dwongen het Romeinsche Rijk binnen te dringen en waarschijnlijk ook

de Angel-Saksen Brittannië te overvallen) schijnen de Vandalen te zijn

gevlucht naar het huidige Saksen en Silezië en met de Sueven (Zwaben),

Alanen en Bourgondiërs zich te hebben vereenigd met Alarik en zijn

West-Goten bij zijn eersten, niet gelukkigen inval in Italië. Hier

werd, bij Florence, de aanvoerder van dit vereenigd leger, Radegast,

gevangen genomen en gedood door den Romeinschen veldheer Stilicho

(405). Evenwel achtte Stilicho, zooals wij zagen, het noodzakelijk

de Romeinsche legioenen niet alleen van Brittannië, maar ook van

het Rijnland weg te halen, en de groote horden van heidensche [9]

Vandalen en hun bondgenooten, uit Italië verdreven, trokken den Rijn

over (406) en verwoestten (volgens Gibbon) het grootste gedeelte van

de zeventien provinciën van Gallië. Vele bloeiende steden werden

geplunderd, duizenden van Christenen in de Kerken vermoord, het

rijke en uitgestrekte land, ongeveer tot den Oceaan en de Pyreneën,

was overgeleverd aan de barbaren, die een verwarde massa voor zich

uit dreven, bisschoppen, senatoren, vrouwen, beladen met den buit

van hun eigen huizen en altaren.

Uit deze streken werden de Vandalen en de Sueven niet lang daarna

verdreven door de West-Goten, die, na Rome in 410 geplunderd te hebben,

naar het Zuiden van Gallië marcheerden en een groot Koninkrijk

stichtten, waarvan Arles en Toulouse de hoofdsteden werden. De

Vandalen [10] bleven een tijdlang in Spanje gevestigd, waarheen

zij gedreven waren (Vandalusia of Andalusia is een herinnering aan

hun verblijf), totdat de West-Goten hen over de Pyreneën volgden en

gedurende eenige jaren verontrustten (c. 412-420). Daarna schijnt

het dat zij gereorganiseerd zijn door den beroemden Gaiserik, die,

misschien uitgenoodigd door den Romeinschen veldheer Bonifacius, met

zijn geheele volk naar Afrika overstak. Vandaar, wellicht aangespoord

door Keizerin Eudoxia, zeilde Gaiserik, die een machtige vloot had

gebouwd, naar Zuid-Italië en plunderde Rome (455). Maar in een ander

hoofdstuk zal de geschiedenis van de Vandalen in Afrika en in Rome

uitvoerig behandeld worden.

Nu zullen wij over de Hunnen spreken, wie zij waren en vanwaar zij

kwamen. Hun invallen in Gallië en Italië onder Attila zullen later

beschreven worden. Hier zullen wij hun geschiedenis nagaan, van de

oudste tijden tot 445, toen Attila, de "Geesel Gods", het gezag in

handen kreeg.

Behalve de Basken en een paar andere bestanddeelen, de overblijfselen

der Saracenen-heerschappij en de Joden, bestaat de bevolking van

Europa uit twee groote families. Tot de Arische (of Indo-Germaansche)

behooren de Kelten, Grieken, Romeinen, Germanen en de Slavische

rassen. Tot de Toeraansche (of Mongoolsche) familie behooren de

Turken, Hongaren (Magyaren), Finnen, Bulgaren; deze laatsten zijn

Slavische Sarmaten of Scythen, die van de Mongolen afstamden en

volgens de beschrijving van den grooten geneesheer Hippocrates in

uiterlijk en gewoonten op de Hunnen geleken.

De volgende tabel geeft de afstamming van de Hunnen en hun verhouding

tot de andere volkeren aan:

TOERANEN of TARTAREN[12]

|

+-----------------+--------------------------+

| | |

MONGOLEN TURKEN FINSCHE (Lappen)

(later het rijk van | RAS Ugranen

den grooten Mogol) | |

+--------+-----------+ +--------+--------+

| | | | | |

HUNNEN AVAREN | | | |

(Oude Hongaren) | FINNEN BULGAREN MAGYAREN[11]

|

|

SELDSJOEKEN

en OTTOMAANSCHE

TURKEN.

Volgens oude Chineesche berichten waren de "Hiong-nu", de Hunnen,

een groot en woelig volk, dat in Midden-Azië reeds 2000 jaar vóór

onze jaartelling bestond. De groote Muur werd gebouwd om hen buiten

China te houden. Later, na vele ernstige botsingen, versloegen de

Chineezen hen (c. 90 n. Chr.) en velen van hen verhuisden naar het

Westen. Gedurende ongeveer driehonderd jaar leefden zij tusschen den

Oeral en de Wolga, waarschijnlijk tegengehouden door de Alanen van den

Don, een Turksch ras, waarover reeds gesproken is. Deze overwonnen

zij eindelijk en marcheerden met hen weder westwaarts. De schrik,

die de nadering van deze Aziatische woestelingen veroorzaakte, wordt

levendig weergegeven in de verhalen van Jordanes, die hen vergelijkt

met beesten, die op hun achterpooten loopen en met de leelijke,

houten beelden op bruggen. Volkeren, zegt hij, die zij in een eerlijk

gevecht nooit zouden overwonnen hebben, vluchtten uit afschuw. "Zij

zijn woester dan de woestheid zelf. Zij kruiden hun spijzen niet en

kooken evenmin, maar eten rauw vleesch, nadat zij er een tijd onder hun

zadel op gereden hebben; want zij zijn altijd te paard. Zij zijn klein,

vlug en sterk. Hun gezichten--ofschoon men nauwelijks van menschelijke

gezichten kan spreken--zijn vormlooze stukken vleesch, met twee zwarte,

fonkelende punten in plaats van oogen. Zij hebben bijna geen baard,

want zij krabben de gezichten van hun kinderen open met messen om hen

aan wonden te gewennen, voordat zij de moedermelk proeven en platten

hun neuzen af om hen tegenover den vijand des te verschrikkelijker te

maken. Zij leiden hun afstamming af van de booze geesten en de heksen

die door de Goten uit de bosschen zijn gedreven; zij zijn geboren om

de Goten te overweldigen. Diezelfde booze geesten wezen hun den weg

om de Goten aan te vallen; en dat geschiedde aldus. Eenige Hunnen,

die aan het jagen waren, ontmoetten een hert, dat omkeerde en hen

scheen uit te noodigen om te volgen. Dat deden zij en toen het hert,

vooruit gaande, hun gewezen had, hoe zij het Maeotische moeras (de zee

van Azof) moesten overtrekken, verdween het plotseling--een duidelijk

bewijs, dat het zeker een van de booze geesten was, die den Goten

vijandig waren."

De stoot van de ontelbare benden Hunnen was onweerstaanbaar. De oude

Koning Hermanrik werd gedood--of doodde zichzelf--en zijn krijgers

werden ingedeeld in het leger van de Hunnen. Daarna werd den Dnjestr

overgetrokken en werden de West-Goten aangevallen. Sommigen ontsnapten

Noordwaarts naar de Karpathen; anderen vluchtten naar het Zuiden, waar

zij zulk een paniek onder hun stamverwanten in Beneden-Dacië verwekten,

dat een geweldige menigte, misschien een millioen, waaronder 200.000

gewapenden onder hun aanvoerder of "rechter", Fritigern, troepsgewijze,

uitermate verschrikt, den Donau overstak. De Romeinen--d. i. de

militaire macht van het Oostelijke Keizerrijk--trachtten tevergeefs

den stroom te stuiten en daar zij het zelfs onmogelijk achtten hen

te tellen en te ontwapenen, stonden zij den West-Goten toe zich te

vestigen in Moesië en Thracië. Een vreeselijke hongersnood brak uit,

waarmee de Romeinsche ambtenaren hun voordeel deden. Zij kochten van

de hongerlijdende vluchtelingen niet alleen kostbare voorwerpen,

maar ook duizenden van slaven, voor verrot of walgelijk voedsel,

zooals vleesch van honden, reptielen en ziek vee. Wanhopig,

begonnen de West-Goten, ondanks de waarschuwingen van Fritigern,

het land te plunderen en weldra vond er een treffen plaats tusschen

de barbaren en de keizerlijke troepen, terwijl hun aanvoerders een

feestmaaltijd hielden--zooals in het Nibelungenlied de mannen van

Gunther en Attila beginnen te twisten--, hetgeen met een vreeselijke

ramp eindigde. Daarop volgt, zooals wij zagen, de groote slag bij

Hadrianopolis. De Keizer, Valens, verdwijnt en onder het Keizerlijk

leger wordt een geweldig bloedbad aangericht (378).

Doch om nu tot de Hunnen terug te keeren--zij schijnen in Noord-Dacië

gevonden te hebben, wat zij behoefden, want in de volgende vijftig

jaar ongeveer bleven zij daar, ofschoon zij echter misschien

verschillende volkeren van Germanië, de Saksen en de Franken hebben

geplunderd, geannexeerd of Noord- en Westwaarts hebben gedreven. Met

het Oost-Romeinsche Rijk onderhielden zij vriendschappelijke

betrekkingen. Hunsche soldaten vochten soms mede als bondgenooten

van de Keizerlijke legioenen en zij gebruikten de gelegenheid om

de Romeinsche wapenen te leeren kennen en in hun eigen leger in te

voeren, ook de tucht, de krijgstactiek en ongetwijfeld ook Romeinsche

officieren.

De plotselinge en dreigende uitbreiding van het rijk der Hunnen,

toen Attila, in 445, aan het hoofd kwam te staan, zal beschreven

worden in een volgend hoofdstuk, wanneer zijn inval in Gallië en

Italië ter sprake komt.

HOOFDSTUK III.

CHRISTENDOM EN HEIDENDOM.

De periode, die ons voornamelijk zal bezighouden in de twee volgende

hoofdstukken strekt zich uit van de officieele erkenning van het

Christendom door Constantijn--de zoogenaamde Kerkvrede--tot de

vernietiging van het heidendom in het Keizerrijk, die wij ongeveer op

het einde van de regeering van Theodosius I (395) of het begin van

de vijfde eeuw kunnen stellen; want dan is het paganisme verdwenen,

ofschoon er zelfs te Rome nog overblijfselen worden gevonden in de

dagen van Alarik en St. Augustinus en op meer afgelegen plaatsen

nog veel later, zooals te Cassino, waar St. Benedictus ongeveer 529

een tempel liet omverhalen, waarin het "bedrogen en slechtgezinde"

landvolk (zooals Dante hen noemt) nog offerde aan den zonnegod Apollo

of zulk een "daemon". Een doorloopend verslag van de historische

feiten van deze periode, van Constantinus tot Honorius, is al gegeven

in het Overzicht, zoodat het niet meer noodig is de gevolgen daarvan

te verklaren, wanneer wij trachten in het kort den merkwaardigen en

snellen groei van het Christendom tot zijn volledige overwinning op

het Heidendom te beschrijven.

Onder Nero (54), Domitianus (81), Decius (250) en andere Keizers, zelfs

onder Trajanus en Marcus Aurelius hadden de Christenen door vele en

afschuwelijke vervolgingen geleden. In 303, onder Diocletianus, had de

hevigste plaats gehad, door toedoen van den "Caesar" Galerius--vooral

in het Oosten, waar deze Galerius het bestuur had; maar zelfs in

Gallië en Brittannië waren afgrijselijke dingen gebeurd, want zelfs

de zachtzinnige Constantius Chlorus, de vader van Constantijn den

Groote was, ofschoon hij deed wat kon om het lijden van de vervolgden

te verzachten, gedwongen het hardvochtige Keizerlijke edict af te

kondigen en uit te voeren.

Wat Diocletianus betreft, hij schijnt meer zwak dan wreed te zijn

geweest. Blijkbaar heeft hij met grooten onwil aan den drang van

Galerius toegegeven. Zijn neigingen waren gericht op een philosophisch

en eenvoudig leven, als wij mogen oordeelen naar het feit, dat, toen

hij op het hoogtepunt van zijn macht (zooals Karel V) vrijwillig

afstand deed van de regeering en zich terugtrok op zijn villa bij

Salona in Dalmatië, zijn eenige eerzucht schijnt geweest te zijn

groenten te kweeken, die een eersten prijs verdienden. Toen hij door

den heerschzuchtigen Maximianus werd aangezet om het Keizerlijk purper

en den diadeem weer aan te nemen, antwoordde hij, naar men vertelt:

"Gij zoudt niet zoo spreken, als gij mijn prachtige boonen en koolen

hadt gezien". En toch is dit de man, wiens naam--zooals die van Nero

of Philips van Spanje--in ons gewoonlijk niets anders dan een gevoel

van afgrijzen verwekt.

De geschiedenis van Constantijn's verhouding tot het Christendom,

zooals die verteld wordt door zijn tijdgenoot, den Bisschop Eusebius

van Caesarea, den vader van de Kerkgeschiedenis, en zooals die weer

verhaald wordt door latere schrijvers, is zulk een weefsel van legende

en waarheid, dat het moeilijk is de feiten van verzinsels te scheiden.

Eerst een korte mededeeling over zijn moeder, Helena, St. Helena Van

Engeland, zooals zij dikwijls wordt genoemd. Zij deelt met St. Albanus,

volgens sommige schrijvers, de eer een van de inlandsche Heiligen

der vroeg-Engelsche Kerk te zijn, vóór de komst van heidensche

"Engelschen" en ongeveer drie eeuwen voor de komst van den jongeren

St. Augustinus. Sommige verzekeren ook dat zij haar doorluchtigen

zoon bekeerde en dat derhalve de roem van de vestiging van het

Christendom in het Keizerrijk oorspronkelijk een Engelsche vrouw

toekomt. Maar Eusebius, onze voornaamste berichtgever, vertelt ons,

dat zij zelf later bekeerd werd door Constantijn. Haar afkomst is

ook onzeker. Sommigen zeggen dat zij in Bithynië (in Klein-Azië)

was geboren, anderen, dat zij de dochter was van den legendarischen

Koning Coel ("de oude Koning Cole" van de balladen?) en geboren was

in zijn stad, Colchester; men heeft ook vermoed, dat Constantius,

toen hij in het leger van Maximianus diende in de jaren, die aan de

dramatische overweldiging van Brittannië door Carausius voorafgaan,

Helena te Colchester of te York (want ook die stad wordt als haar

geboorteplaats genoemd) ontmoet heeft. Maar als dit zoo was, zou

Helena c. 272 haar gemaal naar het Oostelijke Rijk gevolgd zijn; het

schijnt toch wel vast te staan dat Constantijn in dit jaar te Naissus,

in Moesië--en niet in Brittannië geboren is.

Voordat Constantius naar Brittannië terugkeerde (273), bekleed met de

macht van een "Caesar", was Helena reeds verstooten (p.1). Gedurende

de jaren van haar vernedering leefde zij waarschijnlijk in het Oosten,

evenals haar zoon Constantijn; maar toen hij tot opvolger door zijn

vader was benoemd en door zijn troepen tot Keizer was uitgeroepen (305)

in plaats van den zoon van haar hooggeboren mededingster Theodora,

moet zij wederom in aanzien zijn gekomen. Ongeveer 326, kort na

de stichting van Nieuw-Rome (Constantinopel) was zij in Jeruzalem,

waar zij volgens de overlevering het Heilige Graf ontdekte onder een

tempel van Venus, die door Hadrianus gebouwd was; en zij richtte (of

bewoog Constantijn dit te doen) op de plaats van den afgebroken tempel

een kerk op, die misschien gedeeltelijk nog bestaat en het oudste

voorbeeld [13] is van een belangrijk gebouw voor den Christelijken

godsdienst, na de Kerk van de Geboorte te Bethlehem. Bovendien zou

Helena op den Calvarie-berg het aldaar begraven Ware Kruis hebben

gevonden. De drie kruisen werden allen gevonden, naar men zegt, en

ook het oorspronkelijke opschrift; maar, omdat dit afzonderlijk lag,

moest men op een andere wijze ontdekken, aan welk van de drie kruisen

de Verlosser had geleden. Een stervende vrouw werd er bij gebracht

en herstelde door de aanraking van de ware reliquie. Ofschoon de

ontdekking van het Kruis als feit werd aangenomen, zoowel door de Kerk

van het Oosten als door die van het Westen, vermeldt de gelijktijdige

kerkelijke kroniekschrijver Eusebius het niet en evenmin staat het

in het dagboek van een Gallischen pelgrim, die zeven jaar na Helena's

bezoek, te Jeruzalem was.

De bekeering van Constantijn wordt door kerkelijke schrijvers dikwijls

toegeschreven aan een visioen van het Kruis [14], dat hij zag boven

de middagzon,--sommigen zeggen bij Andernach, anderen bij Verona of

elders--toen hij van het Rijnland naar Rome trok om Maxentius aan te

vallen. Eusebius verzekert, dat Constantijn hem met een plechtigen

eed verklaarde, dat dit visioen door hem en het geheele leger gezien

was, en vertelde hoe in den daaropvolgenden nacht Christus zelf hem

was verschenen en hem, terwijl Hij op een kruis wees, verzocht dat

op de schilden van zijn soldaten te griffen en als zijn veldteeken

te gebruiken. Aldus ontstond, naar men zegt, de beroemde standaard,

waaraan de raadselachtige naam van labarum werd gegeven. Het bestond

uit een zijden vlag, waarop de beeltenis van den keizer geborduurd

was; daarboven was een gouden kroon of kring, waarin het mystieke

monogram stond--een kruis en een soort haak, die misschien de twee

eerste letters van den naam Christus (de Grieksche letters Ch en R)

voorstellen.

Ongeveer drie jaar na den slag bij de Roode Rotsen, dicht bij Rome,

waar Maxentius bij zijn poging om over den Pons Milvius te vluchten

verdronk, richtte Constantijn een triomfboog op, die men nog te Rome

kan zien, waarop die slag zeer onartistiek gebeeldhouwd is. [15] Op

dezen boog is ook een inscriptie, die in eenigzins duistere woorden

de overwinning schijnt toe te schrijven aan de inspiratie van het

Goddelijke Wezen (Instinctu Divinitatis). Wanneer deze woorden er niet

later bijgevoegd zijn, schijnen zij de bewering te bevestigen, dat

hij zijn overwinning dankte aan de gunst van den God der Christenen,

die hem het kruis als zijn veldteeken had gegeven en hem door een

bovennatuurlijk visioen had verzekerd, dat hij met dat teeken zou

overwinnen. [16]

Maar het is moeilijk te zeggen of Constantijn in dezen tijd--of

zelfs wel ooit--oprecht de Christelijke leer als de eenige ware

heeft aangenomen en openlijk afgekondigd. Dat hij de eischen van de

Katholieke Orthodoxie niet heeft ingewilligd is zeker. Het verhaal

dat hij en zijn zoon Crispus gedoopt zijn door Bisschop Silvester

in de Lateraan-kerk voor hun veldtocht (in 323) tegen Licinius en

de inneming van Constantinopel--deze doop is het onderwerp van een

der fresco's van het Vatikaan--is niet geloofwaardig; het ontstond

zonder twijfel tegelijkertijd met het nog beroemder verhaal van

Constantijn's bekende gift aan Silvester, waarover men meer zal

hooren, als wij den tijd van Karel den Groote behandelen. Bovendien

schijnt het vast te staan dat hij op het einde van zijn leven Arius

zelf in het oog loopend begunstigde en dat hij den doop ontving op

zijn sterfbed, uit de handen van een Ariaansch prelaat, Eusebius

van Nicomedia, die verbannen was, toen het Concilie van Nicaea het

Arianisme veroordeelde, maar was teruggeroepen en door den Keizer

was gerehabiliteerd. Te midden van zoovele tegenstrijdige verhalen

is het onmogelijk de waarheid te vinden. Er wordt ook verteld dat

Constantijn zijn Christelijke onderdanen zeer gunstig gestemd was;

dat hij de kruisiging uit eerbied voor Christus afschafte; dat hij

kort na zijn overwinning op Maxentius het beroemde Edict van Milaan

uitvaardigde, waarbij de Christelijke leer als Staatsgodsdienst

werd erkend; dat hij ijverig deelnam aan de kerkelijke discussies

en zelfs preekte over de meest diepzinnige theologische onderwerpen

[17]; dat hij af liet kondigen, dat noch zijn persoon noch zijn

beeld ooit in tempels mocht worden vereerd; dat hij medailles,

schilderijen en munten (waarvan eenige over zijn) liet maken, die hem,

met den Christelijken standaard, in een devote en smeekende houding

voor symbolen van den Christelijken godsdienst, voorstellen; dat

hij menig heidensch Romeinsch senator beleedigde door te weigeren

aan een processie ter eere van Jupiter Capitolinus deel te nemen;

dat hij het Concilie bijeen riep, hetwelk onzen godsdienst omschreef;

dat ten slotte zijn standbeeld in Rome hem voorstelt met een kruis in

de hand, waaraan hij, volgens de inscriptie, zijn overwinningen dankte.

Aan den anderen kant wordt verzekerd dat hij, waarschijnlijk tot

op hoogen leeftijd, een ijverig vereerder was van den zonnegod--van

Apollo, of van Mithras [18]; dat men hem op munten met deze heidensche

goden ziet afgebeeld; dat hij de apotheosis van zijn vader Constantius

afkondigde en hem aldus onder de Olympische godheden plaatste;

dat hij heidensche elementen in het nieuwe godsdienstige systeem

bracht, daar hij den Dag des Heeren gelijk stelde met hetgeen hij

in zijn Edict noemt "den ouden en eerbiedwaardigen dag van de Zon"

en dat hij voor het Westersche Christendom het feest van Christus'

geboorte vaststelde op den tijd van de nieuwe geboorte van de zon,

dadelijk na den winter-zonnestilstand [19]. Eindelijk kan nog een

merkwaardig bewijs van zijn vreemde, onpartijdige onverschilligheid

worden aangehaald: op een hooge zuil (waarvan nog een gedeelte te

Constantinopel bestaat) was een bronzen beeld gezet, sommigen zeggen

een werk van Phidias zelf, dat van Athene was gehaald. Dit beeld,

dat Helios voorstelde met een stralenkrans (zooals de zonnegod van

Rhodus op de munten heeft) nam Constantijn aan als een beeltenis

van hem zelf in de dubbele hoedanigheid van zonnegod en Christus,

terwijl hij de oorspronkelijke zonnestralen misschien liet vervangen

door spijkers van het Kruis. [20]

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 4 / 48 段