voor den dood van Aëtius, maar ook voor een beleediging, die de
Keizer de vrouw van een Romeinsch senator, Petronius Maximus had
aangedaan. Hoe dat ook zij, Maximus werd nu benoemd tot Keizer, en hij
tracht de jonge weduwe van den vermoorden Valentinianus te dwingen met
hem te trouwen, wat een zonderlinge methode schijnt om de beleediging,
zijn eigen vrouw aangedaan, te wreken. Maar Eudoxia, dochter van
den vroegeren Keizer Theodosius II, verontwaardigd over het voorstel
van den moordenaar van haar gemaal roept den Koning der Vandalen naar
Rome. Doch misschien had zij nauwelijks tijd om dat te doen--want haar
gemaal was gedood in het begin van 455 en in Juni waren Gaiserik en
zijn Vandalen bij den mond van den Tiber. Eenige dagen later trekken
zij Rome binnen, waar de nieuwe Keizer gesteenigd en gedood wordt bij
een oploop, toen hij trachtte uit de stad te vluchten; een Bourgondisch
soldaat eischte de eer van de eerste wond op. De plundering van Rome
zal later beschreven worden; hier is het voldoende er bij te voegen,
dat, toen Gaiserik naar Sicilië en Afrika terugkeerde, hij met den
ontzaglijken buit (waaronder de schatten van den tempel van Jeruzalem)
ook als gevangene de Keizerin meevoerde, die, naar men zegt, hem naar
Italië had geroepen, alsmede haar twee dochters, van welke er een
(Eudocia) met zijn zoon, de Vandalen-Koning Hunnerik trouwde.
Rome is gedurende eenige maanden verlamd door deze ramp. Ten slotte
nam de Koning der West-Goten, Theoderik II, wiens vader was gesneuveld
in den slag bij Châlons, het op zich in de vergadering te Arles van de
hoofden der Romeinen en Goten van Gallië, den aanvoerder van het leger
in Gallië, Avitus, geboortig uit Auvergne, als Keizer te kiezen. De
senaat en het volk van Italië, ofschoon onwillig, nemen hem aan en zijn
verkiezing wordt bekrachtigd door den Keizer van het Oosten, Marcianus.
Maar de regeering van Avitus duurde kort. Zijn voornaamste bevelhebber,
Ricimer, een barbaar--zijn moeder was een West-Gotische prinses en zijn
vader was van Sueefschen adel--brengt de Vandalen een verpletterende
nederlaag toe bij Corsica en na aldus populariteit verworven te hebben,
neemt hij de teugels van het bewind in handen en speelt in de volgende
zestien jaar de rol van Keizer-fabrikant. Eerst zet hij Avitus af, die
bij zijn poging tot ontvluchten te Placentia wordt gegrepen en een lot
ondergaat, dat later verscheidene andere grooten overkwam: hij wordt
gedwongen de tonsuur aan te nemen en er wordt een bisschop van hem
gemaakt! Na een interregnum kiest Ricimer tot Keizer Marjorianus, een
dapper en energiek soldaat; maar zijn vloot van 300 schepen wordt door
Gaiserik bij de kust van Spanje vernield--en op zijn terugkeer wordt
hij door soldaten van Ricimer gedood--of hij doet afstand en sterft.
Daarop volgt een andere pop, Libius Severus, gedurende wiens
regeering (461-65), Ricimer de leiding heeft. Maar wegens de groote
machtsuitbreiding van de Vandalen ter zee wordt Ricimer genoodzaakt,
na den dood van Severus en een interregnum van achttien maanden,
de hulp in te roepen van den Keizer van het Oosten, Leo I, "den
Thraciër", ook de marionet van een barbaarsch generaal, Aspar, die te
Constantinopel dezelfde rol speelt als Ricimer. Leo stelt Anthemius
voor, die door Ricimer wordt geaccepteerd en hij neemt Anthemius'
dochter tot gemalin (467). Een groote expeditie van meer dan 1000
schepen wordt nu door Leo en Anthemius uitgezonden om de Vandalen
te verpletteren, maar deze mislukt en Gaiserik wordt almachtig
in de Middellandsche Zee, bezet Sardinië en Sicilië en plundert
ongehinderd de kusten van Italië. Anthemius was al te populair
geworden. Ricimer verzamelt dus een geweldige macht, belegert en
plundert Rome, vermoordt zijn schoonvader en kiest tot Keizer een
Romeinsch edelman, Olybrius, die Placidia had getrouwd, de vroeger
vermelde dochter van Valentinianus. Een paar weken na den moord op
Anthemius sterft de Keizer-fabrikant aan haemorrhagie en twee maanden
later sterft Olybrius (472).
Na den dood van Ricimer neemt zijn neef Gundobald, een Bourgondisch
vorst, zijn plaats in en laat te Ravenna als Keizer een kapitein van
de Garde van het Keizerlijke Huis (Comes Domesticorum) uitroepen,
Glycerius. Maar de Keizerin Verina te Constantinopel, steeds geneigd
om zich overal in te mengen, trekt voordeel van de ziekte van haar
gemaal, Leo den Thraciër, en benoemt tot Keizer van het Westen een
van haar verwanten, Julius Nepos. Als deze in Italië komt, trekt
Gundobald zich terug naar Bourgondië en Glycerius, die uit Rome is
gevlucht, stemt erin toe als bisschop van Salona in Dalmatië gewijd
te worden; voor een onttroonden Keizer was het in deze tijden een
geluk, wanneer hij tonsuur of een bisschopswijding mocht kiezen in
plaats van het uitsnijden van zijn tong of het uitbranden van zijn
oogen door middel van een bekken roodgloeiend metaal (een procédé,
dat men in het Italiaansch abbacinamento noemt).
Maar nu breekt onder de Gotische troepen in Rome muiterij
uit. Aangevoerd door hun generaal, Orestes, trekken zij tegen Ravenna
op. Nepos vlucht en bereikt Salona, waar hij zijn vroegeren mededinger,
den ex-Keizer-Bisschop Glycerius ontmoet. Hier aanvaardt hij het
bestuur over Dalmatië en regeert nog jaren lang, door het hof van
Constantinopel als Keizer erkend.
Orestes, de derde van deze "Keizer-makers", was waarschijnlijk
een Romeinsch patriciër, ofschoon hij in Illyrië geboren was. Hij
had in het leger van Attila gediend en was door dezen als gezant
naar Constantinopel gezonden, misschien met Edeco, den vader van
Odovacar. Hij zelf was een Romein, gehuwd met een vrouw van Romeinschen
adel en daarom waagde hij waarschijnlijk, wat zelfs Ricimer niet
zou gewaagd hebben--hij proclameerde zijn eigen zoon tot Keizer. De
naam van den jongeling verbindt de namen van den eersten Koning en den
eersten Keizer van Rome. Hij is algemeen bekend als Romulus Augustulus,
ofschoon het kleineerende of geaffecteerde diminutief niet op zijn
munten voorkomt.
Men zou verwachten dat het Romeinsche bloed en de Romeinsche
sympathiën van den jongen Keizer en van Orestes zelf hun regeering
sterk zou maken. Maar juist dit feit schijnt hun val veroorzaakt te
hebben. Stilicho en de andere barbaren waren ten val gebracht door den
haat van de Romeinen, d.w.z. van de oorspronkelijke Italianen; Orestes
valt, omdat hij den eisch van zijn barbaarsche troepen, geweldig door
hun aantal en invloed, niet inwilligt. Hun eisch was dat een derde
van het land aan hen zou gegeven worden--dit beteekende, dat voortaan
een uitgestrekt deel van Italië door barbaren zou worden bewoond.
Hierop breekt muiterij uit onder aanvoering van Odovacar (Odoacer);
deze was een officier van de Herulische troepen en waarschijnlijk de
zoon van Edeco, die, zooals gezegd is, door Attila als gezant naar
het Byzantijnsche hof van Theodosius II was gezonden. Orestes vlucht
naar Ticinum (Pavia), dat genomen en geplunderd wordt. Hij ontsnapt
naar Placentia (Piacenza), maar wordt ingehaald en gedood.
Het leven van Augustulus, die een schuilplaats in Ravenna had gezocht,
wordt door Odovacar gespaard. Wat met hem gebeurde is reeds verhaald
in de voorrede en een meer volledige beschrijving van de plaats
waar hij als gevangene vertoefde, zal elders gevonden worden. Den
val van Augustulus in 476 kan men beschouwen als het einde van het
West-Romeinsche Keizerrijk, d.w.z. het oude Imperium Romanum.
HOOFDSTUK I.
WAAROM HET KEIZERRIJK GEVALLEN IS.
Het onderwerp van dit werk wordt in vijf deelen gesplitst. Het eerste
loopt tot den val van het West-Romeinsche Rijk tot het jaar 479 waarin
Romulus Augustulus onttroond werd en de titel Imperator Romanus, die
met eenige onderbreking en dikwijls zonder eenige wettige aanspraak
door ongeveer zeventig opvolgers van den grooten Augustus is gevoerd,
uit Italië verdween; de talrijke usurpatoren laten we hier buiten
beschouwing.
Maar wanneer wij spreken over den val van het West-Romeinsche
Rijk, moet in herinnering gebracht worden, dat in het jaar 467 het
Westersche Rijk, dat in den tijd van Constantijn de halve Romeinsche
wereld omvatte--n.l. de zes uitgestrekte "diocesen" Brittania,
de twee Galliae, Hispania, Italia en Noord-West-Afrika--niet
meer bestond. Brittannië was in de macht van de Picten, Scoten en
Angelsaksen, de vijftien provincies van Gallië waren verdeeld in
onafhankelijke koninkrijken van Franken, West-Goten, Bourgondiërs en
Alemannen, Spanje werd bestuurd door West-Goten en Sueven, Afrika,
Sicilië en Sardinië waren in de macht van den Vandaal Gaiserik. Toen
dus Odovacar Augustulus onttroonde bestond het Westersche Rijk slechts
uit Italië met de provincies Noricum en Rhaetia in het noorden; hierbij
mogen wij misschien voegen die streek van Dalmatië, aan de Oost-kust
van de Adriatische Zee, waarheen een verdreven Romeinsche Keizer,
Nepos, zich had teruggetrokken en waar hij in zijn klein imperium
in imperio gesteund werd door de regeerende macht te Constantinopel,
Keizerin Verina.
De onttroning van Augustulus mag dus beschouwd worden als de
vernietiging van den naam van datgene, dat in werkelijkheid niet meer
bestond--het machtige Keizerrijk, waar Rome het centrum van was en dat
in de dagen van Trajanus (c. 100) zich uitstrekte van de Kaspische
zee tot den Atlantischen oceaan, van de Libysche woestijn tot de
hooglanden van Caledonië en ook nog een groote provincie omvatte,
Dacië, aan de andere zijde van den Donau, ofschoon Augustus, een eeuw
vroeger, wijselijk die rivier als de noord-oostelijke grens van het
Imperium Romanum had aangenomen.
En van die kant kwamen de moeilijkheden. Trajanus' annexatie van Dacië
(de streek tusschen de Theiss en de Pruth) schiep een kunstmatige
grens van groote uitgestrektheid, die onverdedigbaar bleek tegen
de ontelbare horden van barbaren, voortdurend opgedrongen naar het
Westen en het Zuiden door nieuwe golven van vijandelijke volkeren
uit het verre Oosten. Keizer Aurelianus (c. 272) vond het noodig
die provincie aan de West-Goten over te geven op voorwaarde dat
zij den Donau niet zouden oversteken. Aldus kocht hij een precairen
wapenstilstand van ongeveer honderd jaar, onderbroken door ettelijke
veldtochten in den tijd van Constantijn, die eens de barbaren een
verpletterende nederlaag en een verlies van 100.000 man, naar men
zegt, toebracht. Omstreeks 370 werden deze Dacische West-Goten (zie
p. 7) door de naderende Hunnen over den Donau gedreven en kregen
toestemming zich in Thracië te vestigen; maar kort daarna stonden
zij op en versloegen het keizerlijke leger in een grooten slag bij
Hadrianopolis, in welken slag de Keizer, Valens, verdween.
Dit was het begin van die invallen der barbaren, die de onmiddellijke
oorzaak waren van den val van Rome en die zulk een belangrijke rol
spelen in de vroegste geschiedenis van middeleeuwsch Italië. In
een ander hoofdstuk zal over den oorsprong en het karakter van deze
noordelijke en oostelijke stammen gesproken worden. Hier zal gewezen
worden op zekere eigenaardigheden van het latere Romeinsche Keizerrijk,
welke zijn ontbinding schijnen verhaast te hebben.
Een wereldrijk, zooals de droom van Alexander was en zooals Rome
eenmaal scheen te zullen verwezenlijken, zal altijd een gebouw zijn,
veroordeeld om in te storten onder zijn eigen overweldigende massa. Het
is waar, dat de Romeinen, als wij Germanië uitzonderen, feitelijk
de heerschers der aarde waren--terrarum domini--gedurende ongeveer
vijf eeuwen, van de verwoesting van Carthago in 146 v. Chr. tot den
slag bij Hadrianopolis in 378 n. Chr.; maar hoe lang is het Colosseum
blijven staan na den val van Rome?
De droom van een permanente wereld-heerschappij kan misschien eens
verwerkelijkt worden in den vorm van een federatie van de groote
mogendheden en een parlement der Menschheid, maar vrijheid en
zelfbestuur gepaard met vrijwillige onderwerping aan een centrale
regeering in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang moeten
ongetwijfeld de essentieele eigenschappen zijn van elk dergelijk
systeem; en die eigenschappen waren klaarblijkelijk afwezig in het
Romeinsche Keizerrijk. Het geheele stelsel, opgebouwd uit vele en
verschillende rassen, werd slechts bijeengehouden door het militaire
en administratieve gezag van een enkele stad en bestond voornamelijk
ten behoeve van die eene stad, in wier schatkamers voortdurend van alle
streken van de bekende wereld schattingen en belastingen en oorlogsbuit
stroomden. Hierheen voerden Rome's zegevierende generaals uit drie
wereldeelen hun ontelbare gevangenen om hun triumf op te luisteren
en de staatskas of de beurzen van hun overwinnaars te vullen met de
opbrengst van hun losprijs of verkoop als slaven; want het sociale
systeem van het Romeinsche Keizerrijk was voornamelijk gebouwd op
de gevaarlijke basis van slavernij [3]. Gibbon verzekert dat in
den tijd van Keizer Claudius de bevolking van het Keizerrijk steeg
tot ongeveer 120 millioen, van welke ongeveer zestig millioen slaven
waren; en tijdens de regeering van Diocletianus stamde, volgens Bryce,
twee derde van de geheele bevolking van het rijk van slaven af.
De buit en schattingen van vreemde landen en de aanvoer van
ontelbare slaven droeg meer en meer bij tot het verdwijnen van den
middenstand en terwijl de Romeinsche en provinciale ambtenaren, de
groot-grondbezitters, en zij, die de legers aanwierven, zich aldus
verrijkten, ontstond er een enorme massa van slaven op de uitgestrekte
landgoederen in Italië en een straatarm gepeupel in de stad, dat
steeds afhankelijker werd van de rijkere klasse, steeds hopeloozer
verstrikt in de klauwen van woekeraars, steeds heftiger begeerend
op te staan tegen hun onderdrukkers, die maar al te goed wisten hoe
zij hen rustig konden houden door rijkelijke brooduitdeelingen en
circus-spelen. Aan het hoofd van dit sociale systeem stond een monarch,
bekleed met bijna absolute macht, omringd door een dichte phalanx van
grondbezitters en ambtenaren, en in het bezit van een groot leger,
dat hem onmiddellijk ten dienste stond.
En de aard van dit leger bracht nog een ander gevaar voor het
Keizerrijk mee. In den tijd van de oude monarchie en de oude republiek
vormde de geheele manlijke bevolking den "exercitus" en bijna iedere
volwassen burger was soldaat. Ook later, toen bij Cannae werd gestreden
en Carthago werd verwoest, en ook in de dagen van Caesar, was het
leger uitsluitend gevormd uit Romeinsche burgers--van Rome zelf of
haar bondgenooten--uit burgers, die Italiaanschen grond bezaten
en bebouwden, die deel uitmaakten van de groote vergaderingen,
die wetten gaven aan de Romeinsche wereld en die van hun ploeg of
werkplaats konden worden geroepen om voor Rome te sterven of haar
leger ter overwinning te voeren.
Toen de grenzen van het rijk zich uitbreidden, werd het steeds
moeilijker recruten te vinden. Door Marius werd de heffe van het
Romeinsche volk en van de bondgenooten als huurlingen geworven;
door Marcus Aurelius werd het privilege om te dienen uitgebreid
tot de vrije bevolking van de gansche Romeinsche wereld; weldra
werden slaven toegelaten, en ten slotte barbaren en deze vormden
binnenkort het grootste gedeelte van de staande legers, die Rome
moest onderhouden, en op welke zij moest vertrouwen om haar gezag in
de afgelegen provincies van drie werelddeelen te handhaven.
Om deze groote legers soldij te betalen stegen voortdurend de
belastingen, totdat de druk bijna ondragelijk werd en het eenige
bedrijf van de regeering was geld af te persen.
Ten slotte, een van de voornaamste oorzaken, die bijdroeg tot de
ontbinding van het Keizerrijk, was de wonderbaarlijke groei en
eindelijke triomf van het Christendom, welks diep-wortelende en
levenskrachtige beginselen niet alleen het paganisme als erkenden
godsdienst omverwierpen, maar ook de grondvesten, waarop het gansche
sociale systeem, men zou kunnen zeggen, de geheele materieele en
intellectueele beschaving van de Romeinsche wereld gebouwd was. In zijn
omvangrijk werk "de Civitate Dei" gaf St. Augustinus zonder twijfel
de gevoelens van de Christenen weer, toen hij met ontzag sprak over
de plundering van Rome door Alarik als een uiting van Gods wraak op de
heidenen, die nog steeds op hun godenbeelden vertrouwden. En hij sprak
niet alleen met ontzag, doch bijna met verrukking; en inderdaad was,
zooals in de dagen van Noach, een zondvloed zeer gewenscht. Niet alleen
hingen zoowel de boeren als de hooggeboren senatoren hardnekkig aan
het oude bijgeloof en de oude vereering van i dei falsi e bugiardi nog
lang na Julianus den Afvallige en zelfs ten tijde van St. Benedictus,
maar het zedelijk en godsdienstig gevoel was gedaald, ondanks het
voorbeeld van menig edel karakter en de welgemeende, maar slecht
gerichte pogingen van het Stoïcisme, zelfs het Stoïcisme van Epictetus
en Marcus Aurelius, tot een peil, dat slechts kon verhoogd worden door
die nieuwe orde van zaken, die niet alleen door Joodsche profeten,
maar misschien zelfs door de Sibylle en Vergilius was voorspeld
(Ecloga IV. 5.) En ongetwijfeld verlangden velen, met Vergilius,
zelfs al voorzagen zij niet vaag de komst van een nieuwe eeuw, naar
een beteren toestand der dingen. Dit kan men duidelijk bemerken bij
Tacitus, die in zijn Germania met geestdrift de edele trekken in het
karakter der Germanen beschrijft en een voorgevoel schijnt te hebben
van den komenden val van het Imperium.
En hoe verschrikkelijk de rampen door de invallen over Italië gebracht,
ook waren, sommige van de barbaarsche indringers waren toch van edele
en krachtige afkomst en ofschoon zij waarschijnlijk op de toekomstige
Italianen niet zoo grooten invloed hebben gehad, als weleens is
aangenomen, daar zij meestal uit een aantal krijgers en ambtenaren
bestonden, klein in vergelijking van de inlandsche bevolking, brachten
zij toch nieuw bloed en nieuwe energie, en legden de grondvesten van
een nieuwe orde der dingen, de fundamenten van de sociale, artistieke,
intellectueele en religieuze beschaving van modern Europa, terwijl
het Oost-Romeinsche Rijk, ofschoon zijn bestaan nog ongeveer duizend
jaar duurde, steeds meer degenereerde en eindelijk een prooi van de
Turken werd.
Het is waar, dat, voor deze nieuwe orde der dingen van kracht werd,
Italië donkere tijden moest doormaken, in vergelijking van welke
de tijd van Hadrianus en de Antonini, zelfs de tijd van Juvenalis,
verlicht en humaan was; en het is waar, dat de strijd tusschen
de verschillende sekten van den nieuwen godsdienst in hevigheid en
venijnigheid alles van dien aard uit klassieke tijden overtrof en dat
de vervolgingen van Christenen door Christenen afschuwelijker bleken
dan het lijden van alle martelaren van Nero tot Diocletianus. Maar
misschien is het voor het bereiken van een hooger trap van evolutie
altijd noodzakelijk tijdelijk weder tot een lager af te dalen.
HOOFDSTUK II.
DE BARBAREN.
De indringers van Italië zijn vele geweest. In dit werk zullen wij,
naast minder belangrijke stammen, ontmoeten Goten, Hunnen, Vandalen,
Lombarden, Franken, Saracenen, Noormannen, Franschen, Spanjaarden en
bovendien de Byzantijnen van het Oost-Romeinsche rijk en de Germanen
van het Heilige Roomsche Rijk. In het eerste deel zullen wij ons
beperken tot de eerste drie van deze overweldigers en in dit hoofdstuk
zullen eenige inlichtingen over hen gegeven worden.
In de vroegste tijden werd Midden-Europa bezet door Arische stammen,
die waarschijnlijk van het oosten kwamen, uit het noorden van Indië
en uit landen aan de andere zijde van de Wolga en den Oeral. Ongeveer
1500 jaar v. chr. stroomden de Achaeërs van het noorden Griekenland
binnen. Zij werden gevolgd door de Doriërs, een ander Arisch volk uit
Midden-Europa en ongeveer drie eeuwen later vernemen wij dat geheel
Asia Minor overweldigd wordt door Kimmeriers, een volk van Oostersche
afkomst, die hun naam hebben gegeven aan de Krim en misschien tot
dezelfden stam behoorden als de Kelten of Galliërs, die Rome in 390
v. Chr. innamen en die reeds vroeg het noorden van Italië bezetten
(Gallia Cisalpina of Togata). Deze Kelten of Galliërs waren ook nauw
verwant aan de Kimbren, wier ontzaglijke horden Gallië en Spanje
in het begin van de tweede eeuw v. Chr. overstroomden en eindelijk
door Marius in den grooten slag bij Vercelli werden verslagen
(101 v. Chr.). Met de Kimbren waren de Teutonen verbonden, een
Germaansch volk, dat eveneens door Marius werd overwonnen bij Aquae
Sextiae (Aix) in Gallië. Het zuiden van Gallië werd toen Romeinsche
provincie (vandaar de naam Provence) en Julius Caesar onderwierp het
overige Gallië, dat te zamen met Brittannië een van de uitgestrekte
praefecturae vormde van het latere Romeinsche Keizerrijk.
Caesar versloeg ook de Germanen onder Ariovistus en joeg hem over
den Rijn; maar hij onthield zich wijselijk van een poging om Germanië
te veroveren en nam den Rijn als oostelijke grens van het Romeinsche
gebied aan. Drusus, de stiefzoon van Augustus, voerde oorlog in het
midden van Germanië en bereikte zelfs de Elbe; maar ongeveer achttien
jaar later (9 n. Chr.) werd een Romeinsch leger van drie legioenen
onder Varus vernietigd door de Germanen onder Arminius (Hermann,
leger-man) in den slag van het Teutoburgerwoud en ofschoon een andere
keizerlijke prins, Germanicus, erin slaagde het Romeinsche gezag te
herstellen door het grootste gedeelte van het gebied weer te veroveren,
werd hij teruggeroepen door de afgunst van zijn oom Tiberius, en er
werd geen verdere poging gewaagd om Germanië bij het keizerrijk in te
lijven. Behalve de tijdelijke annexatie van Dacië werd de politiek van
Augustus na de nederlaag van Varus voortgezet door zijn opvolgers en de
natuurlijke grenzen, de Rijn en de Donau, versterkt door uitstekende
vestingen [4], bleken een ondoordringbaar bolwerk te zijn gedurende
ongeveer 250 jaar,--totdat die noodlottige toestemming om den Donau
over te steken aan geweldige massa's van West-Goten werd gegeven,
welke leidde tot de ramp bij Hadrianopolis in 378.
Toen deze ramp vroeger werd vermeld (p. 7), hebben wij verteld dat
de Goten over den Donau werden gedreven door de naderende benden van
Hunnen. Nu zullen wij in het kort behandelen, wie die Goten waren,
hoe zij en de Vandalen en verscheidene andere volkeren, die zich
in Midden-Europa hadden gevestigd, zuidwaarts en westwaarts werden
gejaagd door de woeste horden van dit Tartaarsche ras, de Hunnen, en
tegen de grenzen van het Westelijke Keizerrijk gedrongen werden--een
verschuiving van zulk een omvang en met zoo ingrijpende gevolgen, dat
zij bekend is als "die Völkerwanderung". Daarna zullen wij nauwkeuriger
de drie groote barbaren-invallen in Italië beschouwen, die het gevolg
waren van deze verschuiving--den inval van de West-Goten onder Alarik,
van de Hunnen zelf onder Attila, en van Gaiserik en zijn Vandalen
(uit Afrika).
De Goten waren een Germaansche stam, die, naar men aanneemt, in
Midden-Europa is gekomen van Skandinavië [5], waar de naam Gotland
nog bestaat. Als dit zoo is, en als het waar is, dat ieder volk,
hetwelk een taal spreekt behoorende tot de groote Arische familie
oorspronkelijk kwam van de streken aan de andere zijde van de Kaspische
Zee, moet hieruit volgen dat de stamvaders van de Goten in oude
tijden hun weg gebaand hebben door Rusland naar Skandinavië. Maar,
hoe dat ook zij, ten tijde van de Antonini, wanneer wij het eerst
betrouwbare berichten over hen hooren, zijn zij in de streek van
de Vistula (Weichsel) en ongeveer zeventig jaar later (c. 250) zien
wij dat zij zijn verhuisd naar het land van de Borysthenes (Dnjepr)
en de noord-westkust van den Pontus Euxinus en dat zij zoo hinderlijk
zijn voor het Romeinsche Dacië, dat Keizer Decius een veldtocht tegen
hen onderneemt, en, tegelijk met zijn zoon, verslagen wordt.