Nu zijn er nog slechts vier keizers over: Maximinus in Azië en Egypte,

Licinius in Oost-Europa, Constantijn in het Westen, terwijl Maxentius

Italië en Noord-Afrika tyranniseert. Maar Italië en Noord-Afrika

waren te klein voor de eerzucht van Maxentius. Hij toont openlijk

zijn bedoeling om het gebied van Constantijn binnen te dringen,

wiens keizerlijke titels op zijn bevel worden uitgekrast en wiens

standbeelden hij smadelijk laat omverwerpen. Daarop marcheert

Constantijn, na de helft van zijn leger aan den Rijn gelaten te

hebben, met ongeveer 40.000 man zuidwaarts tegen 200.000 op, trekt

de Mont-Cenis over, neemt Susa, Turijn, Milaan en Verona, en met de

snelheid van een adelaar, zooals de groote Caesar zelf, is hij weldra

bij Rome, waar in den slag bij Saxa Rubra (de roode rotsen, bij den

Pons Milvius) Maxentius wordt verslagen en in den Tiber verdrinkt

(312).

In 313 bevestigde Constantijn's "Edict van Milaan" den zoogenaamden

"Kerkvrede" en de erkenning, ten minste in het westelijke Keizerrijk,

van het Christendom als een wettigen godsdienst--misschien als den

Staatsgodsdienst, ofschoon Constantijn zelf een heiden bleef, of

ongedoopt, tot kort voor zijn dood. In hetzelfde jaar begint Maximinus

(Nicomedia) een oorlog met Licinius (Byzantium en Illyricum), maar

wordt verslagen en vlucht naar Tarsus, waar hij sterft. Derhalve zijn

er nu slechts twee Keizers, Constantijn en Licinius, die gedurende

tien jaar (314-324) het Romeinsche Keizerrijk verdeeld houden. Zij

twisten en verzoenen zich en twisten dan weer. Constantijn neemt

Byzantium, en ofschoon hij op verzoek van zijn eigen zuster beloofd

had het leven van haar gemaal te sparen, liet hij kort daarna zijn

schoonbroeder Licinius ter dood brengen, nadat hij hem gedwongen had

voor zijn voeten te knielen en hem met beleedigend medelijden had

doen opstaan. Aldus werd de Romeinsche wereld ten slotte wederom voor

eenigen tijd onder één Keizer vereenigd.

In de volgende zes jaar bewerkt Constantijn het overbrengen van den

zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat hij van nieuwe muren

en publieke gebouwen voorziet. In 330 wordt het aan hem gewijd met

zijn nieuwen naam Constantinopolis. Het was in deze periode--een

jaar na de inneming van Byzantium en den moord op Licinius--dat

hij het beroemde Concilie te Nicaea in Bithynië bijeenriep, waar de

Niceensche geloofsbelijdenis werd vastgesteld en de leerstellingen van

Arius werden veroordeeld. (Constantinus werd, ofschoon legende en kunst

vertellen, dat hij door bisschop Silvester te Rome in 324 werd gedoopt,

pas op zijn sterfbed door een Ariaansch bisschop gedoopt.) Niet lang

nadat hij aldus den eersten steen had gelegd van de orthodoxie, liet

hij zijn oudsten zoon Crispus en zijn eigen vrouw Fausta (men denke

aan Hippolytus en Don Carlos!) en zijn neef, den jongen Licinius ter

dood brengen. Tegen het einde van zijn regeering leidt Constantijn

een veldtocht tegen de Goten, die nu de Scythische bewoners van

Midden-Europa, in dien tijd Sarmaten geheeten, over den Donau

beginnen te drijven. Hij verslaat de Goten in een grooten veldslag,

maar de Sarmaten (voorvaders van de Bulgaren) worden ten slotte ten

Zuiden van den Donau gedrongen en 300.000 krijgen land in Thracië,

Macedonië en Italië.

In 337 sterft Constantijn de Groote in zijn paleis bij Nicomedia

(Bithynië) en het Keizerrijk wordt verdeeld onder zijn drie zonen,

een en twintig, twintig en zeventien jaar oud, Constantinus II,

Constantius II en Constans. De eerste van deze (Keizer van Gallië,

Brittannië en Spanje) wordt gedood, toen hij Italië, de provincie

van zijn broeder Constans binnendrong; Constans wordt vermoord door

een usurpator, Magnentius.

Toen werd Constantinus, die een dozijn neven en ooms uit den weg had

laten ruimen, alleen Keizer. Hij valt Magnentius aan en verslaat hem

bij Mursa aan de Drave en jaagt hem voort van de eene plaats naar de

andere. Eindelijk wordt de usurpator ingehaald bij Lyon en stoot zich

in zijn zwaard.

Constantius, wiens hof (te Constantinopel en later te Milaan) wordt

geregeerd door ambtenaren van het paleis, vooral door een eunuch,

Eusebius, vermeerdert zijn familiemoorden door Gallus, zijn neef, uit

den weg te ruimen, die met zijn zuster Constantina, een menschelijke

furie, was gehuwd en dien hij als "Caesar" voor de provincie van het

verre Oosten had aangesteld.

De broeder van Gallus, de toekomstige Keizer Julianus (van wien nog

vele geschriften over zijn) vertelt ons de schandelijke geschiedenis

van deze tragische gebeurtenis. Ook hij was door Constantius gevangen

gezet en redde ternauwernood het leven door de gunst van de Keizerin,

de schoone en beminnelijke Eusebia. Hij werd verbannen naar Athene,

maar door den invloed van Eusebia teruggeroepen naar Milaan, trouwde

met Helena, een andere zuster van Constantius, en ontving den titel

van "Caesar" en het bestuur over het Westen. Hoe er twist ontstond,

hoe Julianus door zijn soldaten tot Augustus werd uitgeroepen, hoe

Constantius kwam aanstormen van het verre Oosten om den usurpator te

straffen, hoe hij bij Tarsus stierf, zal later uitvoeriger verteld

worden, wanneer het karakter en de regeering van den Afvalligen Keizer

zal worden behandeld.

Julianus regeerde slechts twintig maanden en was nog geen 32 jaar, toen

hij stierf. Hij bezweek aan een pijlwond in Perzië ten Oosten van den

Tigris, niet ver van de plaats waar nu Bagdad staat, toen zijn leger

(zooals vroeger in die streken het leger van de 10.000 Grieken) groot

gevaar liep vernietigd te worden. Het wordt meer door de staatsmans-

dan veldheerskunst van Jovianus gered, een officier van de Lijfgarde,

die (nadat Sallustius, de edele Prefect van de Oostelijke provincies,

voor de eer heeft bedankt) tot Keizer wordt uitgeroepen door de troepen

en een vernederenden vrede aanneemt van den Perzischen Koning Sapor,

wien hij vijf provincies en verscheidene steden afstaat. Nadat het

Keizerlijke leger vele manschappen in de rivieren en de woestijn van

Mesopotamië heeft verloren, bereikt het Antiochië, waar, zooals overal

op zijn terugtocht, groote verontwaardiging wordt opgewekt door den

afstand van de Oostelijke provincies. (Op de munten van Jovianus ziet

men hem met lauwerkransen, gevleugelde Victoriae en gevangenen aan

zijn voeten!)

Gedurende zijn verblijf van zes weken te Antiochië en zijn geforceerden

marsch door Klein-Azië naar Constantinopel verspreidt Jovianus

proclamaties, die verdraagzaamheid aanraden jegens het paganisme,

maar het Christendom herstellen en ook den "Kerkvrede", terwijl hij

tevens den ouden Athanasius wederom op den patriarchalen troon van

Alexandria plaatst--een poging tot pacificatie die hem enthusiaste

toejuichingen bezorgt van de katholieke hierarchie, maar weldra gevolgd

wordt door nog meer verbitterde, broedermoordende twisten tusschen

de Christelijke sekten. Te Tarsus wordt het lijk van keizer Julianus

verbrand. Vandaar trekt Jovianus verder met de Christelijke vaan

(het Labarum) aan het hoofd van zijn leger; maar voordat hij Nicaea

bereikt, sterft hij plotseling--vergiftigd, misschien door paddestoelen

of door den damp van houtskool of van een pas gepleisterde kamer.

In plaats van Jovianus wordt (nadat de prefect Sallustius nog eens

voor de eer bedankt had) Valentinianus gekozen, een flink officier van

Pannonische afkomst. Na zijn benoeming roept men van alle kanten dat

hij een collega moet kiezen. Hij belooft niets, maar een maand later,

na zijn aankomst te Constantinopel, vereert hij zijn broeder Valens,

die beschreven wordt als een zwakzinnige, dikke, gebrekkige man,

met den titel van Augustus. Derhalve wordt het Keizerrijk wederom

verdeeld (364); Valens wordt het Oosten toegewezen, van den Donau tot

Perzië; hij resideert voornamelijk te Antiochië; Valentinianus behoudt

Illyricum, Italië, Noord-Gallië en de andere westelijke provinciën

en kiest Milaan als zijn keizerlijke residentie.

In 365 en 366 heeft plaats de aanslag van Procopius, een bloedverwant

van Julianus en een heiden, die zich meester wil maken van het

Oostelijke Keizerrijk. Hij neemt Constantinopel, wordt door de troepen

in Thracië en aan den Donau erkend en zijn generaals onderwerpen

Bithynië. De bange Valens, die nu te Caesarea is, wil afstand doen,

maar zijn ministers staan het niet toe. De bejaarde Sallustius wordt

wederom tot prefect van het Oosten gekozen en Procopius vlucht,

nadat hij bij Thyatira verslagen is, naar de Phrygische bergen,

maar wordt verraden en onthoofd. De laffe en zwakke Valens wordt dus

hersteld op den troon van het Oostelijke Keizerrijk. Hij wijdt zijn

grootste werkkracht aan het vervolgen van "Athanasische Katholieken"

(hij was zelf een Ariaan, gedoopt door den Ariaanschen patriarch

van Constantinopel). De oude Athanasius vlucht, misschien voor den

vijfden keer, uit Alexandrië; maar het volk grijpt naar de wapenen

en hersteld zijn patriarch, die kort daarna sterft (373).

Valentinianus, lang en koninklijk van gestalte, verwierf eerst

eerbied en genegenheid en schijnt nuttige wetten te hebben gemaakt

(een van dezen beperkte de legaten aan de Kerk, die nu aan weelde

begon toe te geven). Hij schijnt ook in verscheidene steden Akademies

te hebben gesticht, zooals eeuwen geleden in Athene bestonden. Maar

hij regeerde nog niet lang of hij werd de slaaf van een onbedwingbare

wreedheid, die vele duizenden slachtoffers eischte, vooral in Rome en

Antiochië; de vonnissen waren meestal gebaseerd op beschuldiging van

tooverkunst. (Men zegt dat hij twee woeste berinnen hield, Innocentia

en Mica Aurea om de veroordeelden voor zijn oogen te verscheuren.) Zijn

cholerisch temperament was de onmiddellijke oorzaak van zijn dood,

want toen in 375 gezanten van de Quaden, een barbaarsche volkstam,

bij hem in zijn paleis te Trier kwamen, voer hij zoo heftig tegen

hen uit, dat hij een aderbreuk kreeg.

Valentinianus I werd opgevolgd door zijn zoon Gratianus dien hij als

kind van negen jaar tot Augustus had benoemd en die nu zestien jaar

telde. Maar een deel van het leger was op de hand van zijn half-broeder

Valentinianus, een baby van vier jaar, en Gratianus neemt hem goedig

als collega aan, onder regentschap van de moeder van het kind,

Justina; hij geeft hem de provincie Italië en wijst hem Milaan als

residentie aan.

Omstreeks dezen tijd had de zwakzinnige Oostelijke Keizer, Valens,

de oom van de jeugdige bestuurders van het Westen, een groote

menigte West-Goten, die over den Donau waren gedreven door de Hunnen,

toegestaan zich te vestigen in Moesië en Thracië. Deze West-Goten, door

een afschuwelijken hongersnood geteisterd en ellendig behandeld door de

keizerlijke ambtenaren, stonden op en begonnen het land te verwoesten;

Valens valt hen aan. Niet ver van Hadrianopolis wordt slag geleverd

en ongeveer 40.000 man worden neergehouwen, een ramp te vergelijken

met die van Cannae. Valens verdween in het felst van den strijd en is

nooit meer gezien. Het gerucht liep, dat een hut waarin hij met zijn

gevolg was gevlucht, door de Goten in brand was gestoken en dat allen

in de vlammen waren omgekomen. Gratianus (378) kiest nu tot Keizer van

het Oosten den generaal Theodosius, van Spaansche afkomst. Hij zelf,

een vriendelijke en sportlievende jongeling van negentien jaar, die

opgegroeid was onder den zachten invloed van den dichter Ausonius,

wekte de verachting van zijn soldaten op door zijn tijd te gebruiken

met jagen op zijn uitgestrekte jachterreinen in Gallië, in Scythisch

kostuum, omgeven door Scythische meisjes en gunstelingen. Weldra wordt

er een opstand in Brittannië verwekt door Maximus, een Romeinschen

balling, die een edelvrouw van Carnarvon had gehuwd. Met een groot

leger (later sprak men van de emigratie van een belangrijk deel der

Britsche natie, zegt Gibbon) valt hij Gratianus aan, die naar Lyon

vlucht, waar hij wordt gevangen genomen en gedood (383). Maximus

proclameert zichzelf tot Augustus. Gedurende vier jaar is hij de facto

Keizer van het Westen ten noorden van de Alpen en als zoodanig door

Theodosius erkend; maar weldra dringt hij Italië binnen, en verjaagt

Justina met haar zoon, Valentinianus II, nu een jongen van vijftien

jaar, van Milaan naar Aquileia, en van Aquileia naar Constantinopel.

Theodosius, de keizer van het Oosten, ontvangt de vluchtelingen,

en wordt verliefd op Galla, de zuster van den jongen keizer van

het Westen. Nadat hij haar getrouwd heeft, voert hij oorlog tegen

Maximus, dien hij verslaat en doodt, herstelt Valentinianus II op zijn

troon (388) en brengt drie jaren in Rome en Milaan door. Gedurende

dit verblijf te Milaan werd Theodosius, die als vurig katholiek

en verdelger van het Arianisme in de bijzondere gunst stond van

St. Ambrosius, naar men zegt door den aartsbisschop uit de kathedraal

van Milaan geweerd, totdat hij openlijk boete had gedaan voor het

bloedbad van de argelooze burgers van Thessalonica, dat hij bij een

oploop had geduld.

Ongeveer twee jaren later (392), niet lang na Theodosius' terugkeer

te Constantinopel, werd de jonge Valentinianus vermoord te Vienne

in Gallië, waarschijnlijk door een Frankisch generaal, Arbogast. Zoo

bleef Theodosius als eenige wettig keizer over. Arbogast trad op als

dictator en koos als keizer van het Westen een rhetor, Eugenius. Het

duurde twee jaren, voordat Theodosius tegen dezen tweeden usurpator

een veldtocht waagde, dien hij met groote inspanningen gevaar versloeg

bij den Frigidus (Koude rivier), bij Aquileia. Arbogast stortte zich

in zijn zwaard en Theodosius, bevrijd van alle mededingers was nu,

zoowel in werkelijkheid als in naam, de opperheerscher van het

Romeinsche Keizerrijk.

Maar zijn leven wordt bedreigd door waterzucht, veroorzaakt door zijn

weelderige levenswijs; hij benoemt dus twee opvolgers, den eerste in

het Oosten, den tweede in het Westen, roept den jongste, Honorius, een

jongen van tien jaar, naar Milaan (395) om den schepter over het Westen

uit zijn stervende handen te ontvangen en vertrouwt de voogdij over den

jongen toe aan den bevelhebber van zijn leger, Stilicho. Het Oostelijke

Rijk werd toegewezen aan Arcadius, een zwakken jongeling van achttien

jaar, kwaadaardig en hebzuchtig van karakter, en als zijn regent

werd door Theodosius gekozen de eerste minister van Staat, Rufinus,

een hatelijke Galliër van obscure afkomst. Deze verdeeling van het

Rijk blijft bestaan, met uitzondering van twee jaren na den dood van

Honorius. Voortaan zal dus Italië voornamelijk onze aandacht vragen.

Honorius, die achtentwintig jaar regeerde, stond intellectueel

zoo laag, werd beheerscht door zoo teugellooze hartstochten en

onnatuurlijke neigingen, dat men hem met recht van krankzinnigheid

kan verdenken. Toch vonden er gedurende zijn regeering gebeurtenissen

plaats, die hoogst belangrijk waren voor de toekomst van Italië.

De hoofdrol in het nu volgende drama speelt Stilicho, de reeds

genoemde Vandaal, eerst voogd en later schoonvader van Honorius,

in de litteratuur bekend als de held in de gedichten van Claudianus,

den laatste van de klassieke Latijnsche dichters. In 395 gelukt het

hem zijn mededinger Rufinus te laten vermoorden door Gotische soldaten

en gedurende ongeveer dertien jaar is hij inderdaad de heerscher over

beide Keizerrijken.

In 402, nadat hij Honorius, die in grooten angst Milaan had verlaten

bij het binnendringen van de West-Goten onder Alarik en de Vandalen

onder Radegast, had bevrijd, overreedde Stilicho hem om den zetel

van de regeering over te brengen naar Ravenna; die stad bleef voor

vele jaren de hoofdstad van Italië.

Stilicho verslaat Alarik bij Turijn en daarna bij Verona; ten slotte

(405) neemt hij Radegast gevangen en doodt hem; deze was met een

geweldig leger van Vandalen en andere barbaren uit Rhaetia gekomen

en belegerde Florence. Maar om deze indringers het hoofd te bieden

trekt Stilicho legioenen van den Rijn weg, waardoor hij in Gallië een

stortvloed van woeste Vandalen en andere Germaansche stammen binnen

laat, die zeventien provincies verwoesten. Ook aan Brittannië onttrekt

hij troepen en weldra komt de Romeinsche heerschappij hier tot een

einde, zoodat de Britten, aldus overgelaten aan de plunderingen van

de Picten en Scoten, de "Engelsche" zeeroovers te hulp roepen--welke

hulp ongeveer veertig jaar later kwam met Hengist en Horsa!

In 407, een van de laatste jaren van de Romeinsche occupatie, wordt

een gewoon soldaat, Constantijn, door de soldateska in Brittannië tot

de waardigheid van Keizer verheven en gedurende eenigen tijd joeg hij

Honorius schrik aan door zijn veroveringen uit te breiden over Gallië

en Spanje, van den muur van Antoninus tot de zuilen van Hercules.

De populariteit en de invloed van Stilicho lijdt door deze

gebeurtenissen. Hij wordt aangeklaagd van verraad en in 408 te

Ravenna, waar hij in een kerk gevlucht was, vermoord, misschien

op bevel van Honorius. De dood van Stilicho opent de sluizen voor

de West-Goten. Dertig duizend Goten, tot nog toe in dienst van

Stilicho en het Keizerrijk, voegen zich bij Alarik, die, nadat hij

de haven van Ostia heeft genomen, driemaal Rome heeft geblokkeerd

en door hongersnood tot afschuwelijke daden heeft gebracht, Rome

binnentrekt in 410--de eerste keer, dat de stad werd betreden door

een buitenlandschen vijand sinds de inneming door de Galliërs in

390 vóór Christus. Alarik bleef slechts drie of misschien zes dagen

in Rome, waar blijkbaar minder gemoord en geplunderd is, dan men had

verwacht. Daarna marcheerde hij Zuidwaarts, misschien met de bedoeling

Sicilië aan te vallen, maar stierf te Cosenza en werd, naar men zegt,

onder het water van de Busento begraven; de bedding werd eenigen tijd

verlegd om een graf en een monument te bouwen.

De terugtocht van de West-Goten uit Italië onder Athaulf (Adolf), de

stichting van hun rijk in Zuid-Gallië, en de merkwaardige lotgevallen

van de prinses Galla Placidia, die Alarik in Rome gevangen nam,

zullen in het vijfde hoofdstuk uitvoeriger beschreven worden.

In dit verband is het voldoende te zeggen dat deze dochter van Keizer

Theodosius den Groote naar Gallië werd gevoerd door Athaulf, die kort

na zijn huwelijk met haar stierf. Zij wordt door haar halfbroeder

Honorius vrijgekocht voor 600.000 maat koren en op haar terugkeer naar

Italië trouwt zij met Constantius, die den titel Augustus van Honorius

ontvangt, maar reeds in 421 sterft. Daarna geraakt zij in twist met

Honorius en loopt weg met haar zoon, die nauwelijks vier jaar oud is,

naar Constantinopel. Daar was nu Theodosius II, haar neef, Keizer. Hij

was Arcadius opgevolgd, toen hij een kind van zeven jaar was, en was

tot nog toe onder het regentschap van zijn zuster Pulcheria geweest,

die nog langen tijd, zelfs gedurende zijn geheele regeering (vooral

nadat zijn gemalin Eudocia zich naar Palestina had teruggetrokken)

in waarheid de heerscheres van het Oostelijk Rijk was, en na zijn

dood in 450 als Keizerin werd erkend, maar gedwongen werd of verlof

kreeg tot Keizerlijk gemaal een handigen oud-soldaat en senator,

Marcianus te nemen.

Doch om terug te keeren tot Placidia en haar zoontje: zij worden

vriendelijk opgenomen door Pulcheria en Theodosius en een paar maanden

later, na den dood van Honorius, wordt de titel "Augustus van het

Westen" gegeven aan den jongen Valentinianus, die nu ongeveer zes jaar

is, en onder regentschap van zijn moeder staat. Het geheele Romeinsche

Rijk bevindt zich nu feitelijk onder het bestuur van twee vrouwen,

van welke de eene (Placidia) ongeveer vijftien jaar (425-'40) en de

andere (Pulcheria) ongeveer veertig jaar de teugels van het bewind

in handen houdt.

De lange regeering van Valentinianus III (425-'55) is bekend door

twee zeer belangrijke invallen--van de Hunnen en van de Vandalen.

Aan zijn hof, of liever aan dat van zijn moeder Placidia, te Ravenna,

heeft de rivaliteit van twee aanzienlijke generaals, Aëtius en

Bonifacius, grooten invloed op den loop der gebeurtenissen.

Bonifacius, een trouwe steun van Placidia in de dagen van haar

ballingschap, had het bestuur over de provincie Afrika gekregen,

waar hij een groot vriend was geworden van St. Augustinus. Aëtius

had een usurpator, die door Theodosius te Ravenna overwonnen was,

gesteund en zelfs een groot leger van Hunnen opgeroepen om den opstand

kracht bij te zetten, doch hij was verstandig genoeg om de gunst van

Placidia te zoeken, wier voornaamste raadsman hij werd aan het hof te

Ravenna. Door de kuiperijen van Aëtius werd Bonifacius teruggeroepen

van zijn commando in Afrika; maar hij gehoorzaamde niet en men zegt

dat hij in een opwelling van verontwaardiging de Vandalen naar Afrika

riep. In 429 stak hun koning Gaiserik (Genserik) van Spanje over met

een groot leger en trots den wanhopigen tegenstand van Bonifacius,

die te laat berouw had van zijn dwaling (als hij die ooit heeft begaan)

verwoesten zij het gansche land en nemen Hippo na een lange belegering

in, gedurende welke St. Augustinus, die met Bonifacius in de belegerde

stad was, stierf. Bonifacius ontsnapt en keert terug naar Ravenna,

waar hij duelleert (of misschien een slag levert) met Aëtius en aan

zijn wonden sterft (432). Aëtius wordt daarna--volgens sommigen--door

Placidia tot rebel verklaard; hij vlucht naar zijn vrienden, de Hunnen,

en voert wederom een geweldig leger van deze barbaren naar Ravenna om

schrik aan te jagen. Onderwijl verwoesten Gaiserik en zijn Vandalen

Afrika te vuur en te zwaard. In 439 nemen zij Carthago en kort daarna

vallen zij Sicilië aan en plunderen het; Placidia wordt gedwongen een

verdrag te teekenen, waarbij zij hun de veroverde provincies afstaat en

zich aldus een tijdperk van vrede verzekert. In 450 sterft Placidia,

die sinds tien jaar van haar regentschap afstand had gedaan, te Rome,

ofschoon haar graftombe te Ravenna is.

De periode 450-452 is gedenkwaardig wegens den schrik, door Attila den

Hun, den geesel Gods veroorzaakt, die als een bliksemstraal neerschiet

op het Westelijke Rijk, maar verslagen wordt of ten minste beteugeld

door Aëtius en zijn bondgenooten, de West-Goten, in den grooten slag

bij Châlons--een slag, die over het lot van Europa besliste en verdient

vermeld te worden naast den slag bij Salamis, Himera of Tours. Toen

stort Attila zich, razend, op Italië en verovert vele steden, waaronder

Padua en Aquileia. (De vluchtelingen van deze en andere plaatsen

vestigen zich te Grado, op de lagunen en de lidi, waar Venetië later

verrijst). Aan den zuidelijken oever van den Lacus Benácus (Lago di

Garda) ontmoet Attila nu een gezantschap van Rome, aan welks hoofd

Paus Leo de Groote staat. Wat er gezegd is of wat er gebeurde om

zulk een wonder te veroorzaken, is onbekend, maar het staat vast,

dat na dit onderhoud de woeste Hunnenkoning met zijn leger wegtrok;

en kort daarna sterft hij plotseling--misschien aan haemorrhagie.

Valentinianus III had Aëtius zijn dochter beloofd, maar na Attila's

dood krijgt hij meer zelfvertrouwen en toen Aëtius te zeer op zijn

belofte aandrong, vermoordt hij hem in een vlaag van woede.

Het volgend jaar (455) wordt Valentinianus zelf, terwijl hij de

athletische spelen te Rome bijwoonde, door twee soldaten gedood, uit

wraak over den moord op Aëtius, of, misschien om een andere reden,

zooals wij zullen zien. Dus is de dynastie van Theodosius uitgeroeid

(want Pulcheria was twee jaar tevoren te Constantinopel gestorven)

en wij kunnen dit jaar 455, dat verwoesting en ellende over Rome

bracht, terecht beschouwen als het einde van het West- d.w.z. van het

oude-Romeinsche Rijk; want, ofschoon in de volgende een en twintig

jaren niet minder dan negen zoogenaamde Keizers verrezen en vielen

in Rome, zijn deze slechts schimmen in de groote processie van

Augusteïsche monarchen--poppen van barbaarsche vorsten of generaals.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 2 / 48 段