Deze prachtige kroon, versierd met een kruis en een boogvorm

ITALIË IN DE MIDDELEEUWEN

Gedurende duizend jaar (305-1313)

Een kort historisch overzicht met hoofdstukken over belangrijke

gebeurtenissen en personen in verband met godsdienst, kunst en

litteratuur

Door H. B. COTTERILL M.A.

Bewerkt door Dr P. A. van der Laan

Met een voorrede van

Prof. Jhr Dr J. Six

Zutphen--W. J. Thieme & Cie

VOORREDE.

Niet als krijgslieden plachten de Nederlanders naar Italië te

trekken. Geen Gothen, geen Longobarden of Vandalen kwamen uit de lage

landen aan de zee. Aan de oorlogen van Guelfen en Ghibellijnen hebben

zij geen aandeel van beteekenis gehad. Wanneer de legende de Mariakerk

te Utrecht laat bouwen als boete voor een kerk te Milaan verwoest,

noemt zij een Duitschen Keizer als stichter, geen Nederlander.

Als pelgrims uit het heilige land kwamen zij de Brenner over naar

Venetië. Als Roomvaarders bezochten zij Italië voor hun zieleheil. De

"Anima", thans de Duitsche kerk te Rome, is een Nederlandsche

stichting.

Ook als kooplieden onderhielden zij goede betrekkingen. De Heeren van

Arkel hadden hun fortuin belegd in een bank te Genua. Het meesterwerk

van Hugo van der Goes werd door een Italiaansch koopman uit Brugge te

Florence gewijd. Een altaarstuk van Memling met soortgelijke bestemming

kwam slechts door zeeroof bij de Hanze terecht. Ook bezit Brugge van

oudsher een vroeg werk van Michelangelo. Mogen soms Nederlandsche

kunstenaars hun eigen aard verloochend hebben onder te sterken

Italiaanschen invloed, de van Eycken waarschijnlijk en velen na hen,

van Rogier van der Weijden tot Terborgh, hebben in het zuiden alleen

hun blik verruimd.

Dat is echter in later dagen dan waarvan Cotterill in dit boek

verhaalt. Onze gedachten gaan zoo zelden terug tot de tijden dat Karel

de Groote nu voor den Falkhof te Nijmegen zijn paarden zag weiden,

om dan weer te Rome als beschermer van het heilige Romeinsche rijk op

te treden of dat Frans van Assisi een innige vroomheid predikte, in

zijn land aanleiding tot nieuwe wonderen van kunst, in het noorden de

bron van die gemoedsstemming, waaruit de hervorming te voorschijn kwam.

Toch is het ook voor ons van belang in dit overzicht van duizend

jaren die smeltkroes der volkeren te aanschouwen door de oogen van

een man van kennis en smaak en zoo uit het ondergaande Romeinsche

rijk het nieuwe Italië te zien herboren worden, niet als een eenheid,

eer als een strijd van allen tegen allen, waaruit de republieken te

voorschijn kwamen, een vruchtbaren bodem voor kunst en wetenschap.

Wie Dante lezen wil en verstaan zal het niet berouwen in ons vlot

geschreven werk, in het begin vooral soms een wat zwaar te verteren

hoofdstuk doorworsteld te hebben, noodig voor een beter begrip van

wat volgt.

Goed gekozen afbeeldingen roepen de herinneringen op voor wie Italië

reeds bezocht, of helpen hen, die dat geluk nog misten aan eenig

aanschouwen.

J. Six.

Indien door het lezen van dit werk de studie van het gedicht, dat

het bewonderend nageslacht den eeretitel goddelijk heeft gegeven, in

breeder kring wordt ter hand genomen, zal ik mijn moeite ruimschoots

beloond achten.

Wat mij betreft,

poscia di dí in dí l'amo piu forte.

De Vertaler.

VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER

Reeds ten tijde van Cicero en Varro", zegt Gibbon, "waren de Romeinsche

augures ervan overtuigd, dat de twaalf gieren, die Romulus had gezien,

de twaalf eeuwen voorstelden, die door het noodlot voor het bestaan

van zijn stad waren vastgesteld". Deze voorspelling, zoo lezen wij

bij de schrijvers van dien tijd, b.v. bij den dichter Claudianus,

vervulde den geest der menschen met somberen angst, toen de twaalfde

eeuw van Rome's bestaan ten einde spoedde en "zelfs het nageslacht moet

met eenige verbazing erkennen, dat de verklaring van een toevallige

of verdichte gebeurtenis inderdaad bevestigd is door den val van het

West-Romeinsche Keizerrijk." Het overgeleverde jaar van de stichting

van Rome is 753 v. Chr. en als wij nu aannemen, dat het Keizerrijk

eindigde met de inneming van de stad door den Vandaal Gaiserik en den

dood van Valentinianus III, den laatsten Keizer van de dynastie van

Theodosius den Groote, welke gebeurtenissen beide plaats vonden in 455

n. Chr., dan is de vervulling van de profetie werkelijk verrassend. En

ons geloof aan oude voorspellingen behoeft niet geschokt te worden,

indien wij ons gedrongen voelen den eindelijken val van het Keizerrijk

ongeveer éen en twintig jaren later te plaatsen, in welke periode niet

minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aanvaardden: ten eerste

de moordenaar van Valentinianus, daarna de beschermeling van den Koning

der West-Goten te Arles, dan vijf marionetten van den veldheer der

barbaren, Ricimer, vervolgens een weinig bekende ambtenaar van het hof,

gekozen door een voornaam Bourgondiër, en de negende, een zoon van een

Pannonisch soldaat uit Attila's leger, de "onschadelijke jongeling",

zooals Gibbon hem noemt, die de prachtig klinkende namen van Romulus

Augustus (uit medelijden of om hem te bespotten verkleind tot Momullus

Augustulus) had geërfd of aangenomen, en die in 476 door den barbaar

Odovacar werd onttroond en met beleedigende edelmoedigheid verlof

kreeg zich terug te trekken naar een ruime en weelderige gevangenis,

de villa, die Marius had laten bouwen en Lucullus had versierd, op

de hoogten, waarvan men een uitzicht heeft op de golven van Napels

en Baiae.

Dit jaar, 476, wordt algemeen aangenomen als de grens, die het einde

aangeeft van de geschiedenis van het oude Rome en het begin van de

Italiaansche geschiedenis. Toch zijn sommige schrijvers van meening,

dat het "Romeinsche Keizerrijk" onder de Keizers van het Oosten nog

voortduurde, ja zelfs nog ongeveer duizend jaar, tot de verovering

van Constantinopel door de Turken, in ieder geval nog meer dan

driehonderd jaar, totdat het in de macht geraakte van een vrouw,

die onmenschelijke ellendelinge, de vrome Irene. Deze gebeurtenis

gaf, volgens die schrijvers, den Romeinen het recht de keizerlijke

waardigheid door de pauselijke zalving te doen herleven in den persoon

van Karel den Groote. Dit herleefde Keizerrijk, dat bleef bestaan

tot den dood van Hendrik VII in 1313, toen elk werkelijk verband

met Italië verdween, of zelfs, volgens sommige, voortduurde totdat

Frans II in 1806 afstand deed van de regeering, was natuurlijk een

fictie; maar het geloof aan het zoogenaamde "Heilige Roomsche Rijk"

was een feit, dat op de middeleeuwsche geschiedenis van grooten

invloed is geweest en door den geschiedschrijver niet kan worden

geloochend. Maar welke bewijsgronden ook kunnen aangevoerd worden

om deze verschillende opvattingen te steunen, het is eenvoudiger

en het ligt meer in de rede aan te nemen, dat het oude Romeinsche

Keizerrijk, d.w.z. het uitgestrekte Imperium, waarvan Rome zelf de

metropolis was, indien het niet eindigde, toen Constantijn si fece

Greco en den keizerlijken zetel van Rome naar Byzantium bracht, of

toen de laatste Keizer uit de dynastie van Theodosius te Rome werd

vermoord, kort voor de aankomst van den Vandaal Gaiserik, toch te

gronde ging, toen in 476 de barbaar Odovacar den jeugdigen Keizer

Romulus Augustulus onttroonde en, zoo al niet den titel, dan toch de

bevoegheden van een Koning van Italië aanvaardde.

Derhalve kunnen wij aannemen, dat de geschiedenis van het

middeleeuwsche Italië begint met het jaar 476. Na dat jaar stond

Italië slechts tijdelijk en niet rechtstreeks in verband met het

Oostelijke Keizerrijk, dat sommigen het latere Romeinsche Keizerrijk

willen noemen, maar dat volgens mij, omdat "Constantinopolitaansch"

een lang woord is, beter "Byzantijnsch" genoemd kan worden, vooral

ook daar dit woord Oostersch genoeg klinkt, om een geschikte term te

zijn in kwesties over kunst en geschiedenis.

Het is waar, dat gedurende een zekere periode dit Byzantijnsche

Keizerrijk zijn heerschappij over Rome, dat door den Byzantijnschen

Keizer beschouwd werd als een provincie-stad van zijn Italiaansche

diocese, en over bijna het geheele schiereiland herstelde, en dat

het zijn souvereiniteit in eenige belangrijke Italiaansche steden

en landstreken eeuwen lang bewaarde, vooral in het Exarchaat en

de zuidelijke marina, zoodat zoo nu en dan de aanwezigheid van de

Byzantijnen in Italië ten zeerste onze aandacht zal vragen. Het is

ook waar, dat de Byzantijnsche Keizers aanspraak maakten op den

titel "Imperator Romanus" [1], en dikwijls als zoodanig werden

erkend. Bovendien moet men toegeven, dat de geschiedenis van het

zoogenaamde Oostelijke Keizerrijk in later tijd, met zijn Grieksche,

Syrische, Armenische, Macedonische, Latijnsche, Vlaamsche en Fransche

monarchen en dynastiën en met zijn rijke en weelderige uitloopers,

bekend als de "Keizerrijken" van Nicaea en Trebizonde, buitengewoon

schilderachtig en belangwekkend is.

Evenwel, daar ons onderwerp Italië en niet Byzantium is, zal het beter

zijn aan te nemen, dat het werkelijke Romeinsche Keizerrijk eindigde

met de onttroning van den laatsten opvolger van Augustus te Rome in

476 en na dat jaar onze aandacht voornamelijk tot Italië te bepalen,

terwijl wij slechts nu en dan een blik naar de andere zijde van de

Adriatische Zee zullen werpen.

Maar, ofschoon men kan zeggen, dat de geschiedenis van Italië in

de middeleeuwen met dat jaar begint, scheen het mij toch raadzaam

terug te gaan tot den tijd van Constantijn, om zekere religieuze,

staatkundige, artistieke en litteraire eigenaardigheden in haar

oorsprong na te speuren, als ook om in staat te zijn uitvoeriger

de invallen der barbaren te behandelen. Wanneer dit gebeurd is,

blijft de nog moeilijker taak over aan te toonen, hoe, te midden

van al die verschillende elementen en krachten, de nieuwe bezieling

begon te werken, die, na zoovele eeuwen, in onze dagen eindelijk

een Italiaansche natie deed ontstaan. Mijn onderwerp, dat zich

uitstrekt tot de eerste dageraad van de nieuwe kunst en litteratuur,

beslaat een tijdvak van duizend jaar en het zou een zeer vervelend

en nutteloos werk zijn, als ik trachtte mijn bladzijden te vullen

met een opsomming van de ontelbare personen, die in een zoo snelle

opvolging, in zoo ingewikkelde en vlug veranderende groepen, over

het steeds afwisselende tooneel van tien eeuwen voorbijtrekken. Zelfs

bij het uitvoerige en heldere verhaal van Gibbon moet de lezer, die

geen overvloed van tijd en zeldzame volharding bezit, er dikwijls aan

wanhopen zijn weg te vinden in het labyrint van barbaarsche invallen

en godsdiensttwisten of in het drama van het Keizerrijk, een drama,

dat zoo gecompliceerd is, dat bij meer dan een gelegenheid er niet

minder dan zes Keizers tegelijk op de planken verschijnen.

Met het oog op de beperkte ruimte en zulk een overweldigenden menigte

van bijzonderheden, moet hij, die iets beters wil geven dan een droge

opsomming van namen en gebeurtenissen, een methode vinden, die hem in

staat stelt in een samenhangend verhaal de belangrijke historische

feiten mede te deelen en die hem toch ook gelegenheid biedt andere

belangwekkende dingen op een minder stijve en statistiek-achtige

wijze te behandelen, en met vrije hand, om zoo te zeggen, de kale

historische omtrekken in te vullen.

De wijze, waarop ik te werk ben gegaan, is de volgende: aan elk van

de vijf deelen, waarin mijn onderwerp verdeeld is, heb ik een kort

overzicht van de staatkundige gebeurtenissen dier periode laten

voorafgaan. Deze overzichten zullen het den lezer mogelijk maken

den inhoud van die hoofdstukken te omlijsten (of misschien moet ik

zeggen, chronologisch te rangschikken), waarin ik met vrije hand

zekere belangrijke episodes en personen heb geschetst, terwijl ik

mij moeite heb gegeven, door aanhalingen en beschrijvingen de locale

kleur zooveel mogelijk tot haar recht te laten komen.

Aldus kon ik vermijden, dat mijn verhaal onderbroken werd door

verhandelingen over kunst en literatuur, en heb ik, wat over deze

onderwerpen mij belangrijk toescheen, verplaatst naar de bijgevoegde

hoofdstukken.

Een volledige lijst van de talrijke schrijvers over de geschiedenis,

kunst en literatuur van Italië in het tijdvak, dat hier behandeld

wordt, zou meer ruimte eischen, dan ik kan missen en indien ook

de titels van hun werken werden opgenoemd, zou een groot aantal

bladzijden noodig zijn. Ik zal dus slechts eenige oude en moderne

bekenden vermelden, aan wie ik bijzonderen dank verschuldigd ben.

Balzani (Cronache it. del Med. Evo); Boëthius (De Cons. Phil.); Bryce;

Cappelletti; Cassiodorus (en Jordanes; ook zijn brieven, uitgegeven

door Hodgkin); Compagni (Dino); Crowe en Cavalcaselle; Engel et Serrure

(Numismatique du Moyen Age); Eusebius; Ferrero; Gaspary (Scuola

Poet. Sicil.); Gibbon; Gregorovius (Gesch. Stadt Rom); Gregorius de

Groote; Hodgkin (Italy and her Invaders); T. G. Jackson (Romanesque

Architecture); Jordanes (Hist. Goth.); Kugler; Liber Pontificalis

(ed. Duchesne); Machiavelli (Istorie Fior.); Mothes (Baukunst

d. Mittelalters); Muratori; Paulus Diaconus (Hist. Lomb.); Priscus;

Ricci (vooral over Ravenna); Rivoira (Orig. dell' Arch. Lomb.);

Rotari (Editto); St. Augustinus (De Civ. Dei); Sismondi; Symonds;

Villani (Giov); Wroth (Brit. Mus. Catal. Goth. and Lomb. Coins);

Pasquale Villari (Invas. barbar. en L'Italia da Carlo Magno alla

Morte di Arrigo VII).

Misschien is het wel goed hier bij te voegen, dat ik mij er van bewust

ben, dat niemand over dergelijke onderwerpen als middeleeuwsche

architectuur een meening of opvatting kan verkondigen, zonder zich

aan een fucilata van verschillende kanten bloot te stellen.

INHOUD.

Eerste Deel.

Hoofdstuk Bladz.

Historisch Overzicht (305-476) 1

I. Waarom het Keizerrijk gevallen is 17

II. De Barbaren 23

III. Christendom en Heidendom 32

IV. Theodosius de Katholieke 49

V. Stilicho, Alarik en Placidia 65

VI. Attila de Hun 82

VII. Van Gaiserik tot Odovacar 93

Aanteekeningen bij Plaat 9 van de munten (van

Constantijn I tot Justinianus). 103

Tweede Deel.

Historisch overzicht (476-568) 109

I. Theoderik 143

II. De schrijvers 154

III. St. Benedictus 164

IV. Justinianus 171

Derde Deel.

Historisch overzicht (568-800) 183

I. Gregorius de Groote 222

II. Bouwkunst en Mozaïekwerk (300-800) 230

III. Venetië en andere steden 252

IV. Karel de Groote te Rome 260

Aanteekening over de Byzantijnsche keizers 273

Vierde Deel.

Historisch overzicht (800-1190) 276

I. De donkere eeuwen 340

II. De Noormannen 354

III. De opkomst der Republieken 368

IV. Romaansche Bouwkunst (800-1200) 390

Aanteekeningen over mozaïeken en beeldende kunst in

Zuid-Italië en Sicilië (1050-1200). 403

Aanteekeningen over Plaat 45 van de munten (van

Heraclius tot Hendrik VII) 407

Vijfde Deel.

Historisch overzicht (1190-1313) 410

Aanteekening over Dante en Hendrik VII 455

I. Godsdienstige stroomingen (c. 1200-1300) 458

II. De Republieken en "Signorie" tot 1320 471

III. Kunst (c. 1300-c. 1320) 486

Index 503

LIJST EN VERKLARINGEN DER ILLUSTRATIES.

Kaarten.

Bladz.

De vier praefecturae van het Romeinsche Keizerrijk ten

tijde van Constantijn I 1

Italië ten tijde van Odovacar 107

Zuid-West-Europa ten tijde van Theoderik 142

De heerschappij van de Longobarden 182

Het rijk van Karel den Groote 213

Italië ten tijde van Dante 454

Platen.

Plaat

1. Dante Titelplaat

Bronzen borstbeeld. Napels, Museo Nazionale. Het gezicht is misschien

genomen naar het Bargello-masker, dat, naar men zegt, na zijn dood

is gemaakt. In ieder geval is het een mooi stuk werk en geeft het in

overeenstemming met onze verwachting een zeer bevredigende voorstelling

van het uiterlijk van den dichter der Divina Commedia. Het herstelde

Bargello-fresco, dat oorspronkelijk misschien door Giotto is gemaakt,

geeft eerder den minnaar van Beatrice en den schrijver van de Vita

Nuova weer.

2. Slag bij de Saxa Rubra 8

Gedeelte van den Triumfboog van Constantijn, Rome. Het groteske en ruwe

relief in het midden, dat van 312 ongeveer dateert, stelt den slag van

de Saxa Rubra, bij den Pons Milvius voor, waar Maxentius verdronk. Zie

blz. 3 en 35. De reliefs daarboven, die veel fraaier zijn, dagteekenen

uit den tijd van Trajanus en de Antonini. Zie blz. 230. In een Stanza

van het Vaticaan is een beroemd fresco, dat hetzelfde voorstelt,

geteekend door Raffael en geschilderd door Giulio Romano.

3. Borstbeelden van Constantijn den Groote en Julianus 16

Uffizi, Florence, en Museum van het Capitool, Rome. Wat Constantijn's

krullen en opschik betreft, zie blz. 45 n. Of het borstbeeld van

Julianus echt is, wordt betwijfeld, daar de inscriptie middeleeuwsch

is.

4. S. Paolo fuori le mura, Rome 24

Gesticht in 388 door Theodosius en Valentinianus II. Zie blz. 52 en

onder Kerken in den Index. Afgebrand in 1823, behalve het koor en

de apsis. De reconstructie (1824-54) volgens het oude plan is zeer

indrukwekkend en het meer moderne karakter van sommige veranderingen

verhindert niet, dat het gebouw een van de meest grootsche nog

bestaande basilieken is.

5. S. Maria Maggiore, Rome 32

Zie Index onder Kerken.

6. Kansel, S. Ambrogio, Milaan 40

Met de zoogenaamde tombe van Stilicho. Daar hij te Ravenna (zie

blz. 70) gedood is, zal hij waarschijnlijk niet hier begraven zijn. De

sarcophaag dagteekent van 500 ongeveer. De oude Longobardische kansel

werd omstreeks 1100 verwijderd gedurende een herstelling, en later

in Romaanschen stijl weder opgericht, omstreeks 1200. Sommige van de

grillige reliefs dateeren misschien van 800, of zelfs van 500.

7. Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna 48

Zie blz. 79, 231, 241. De sarcophaag in het midden is die van de

keizerin. Die aan den rechter- en aan de linkerkant (deze laatste

is onzichtbaar) zijn, naar men vooronderstelt, de tomben van haar

echtgenoot, Constantius III en haar zoon, Valentinianus III.

8. Paus Leo en Attila 56

Fresco, geschilderd door Raffael, in een van de Stanze van het

Vaticaan. Zie blz. 90. Raffael brengt het tooneel over naar de

nabijheid van Rome (Colosseum op den achtergrond) en geeft Leo I

de gelaatstrekken van Leo X (vgl. plaat 29). Wat het voorkomen van

Attila betreft, zie blz. 84. Opmerking verdient, dat de H. Petrus en

de H. Paulus alleen door de Hunnen gezien worden. In de St. Pieter,

boven het altaar van Leo I, is een theatraal relief van Algardi

(c. 1650), dat hetzelfde tooneel voorstelt.

9. Munten; van Constantijn I tot Justinianus (c. 306-565) 64

Zie aanteekeningen, blz. 103-05.

10. Doopvont van de orthodoxen, Ravenna 72

Zie blz. 80, 241. De koepel, evenals die van de S. Vitale, is

samengesteld uit buizen van terra-cotta. Zie blz. 237.

11. Mausoleum van Theoderik, Ravenna 80

Zie blz. 148-49.

12. S. Apollinare Nuovo, Ravenna 88

Zie beschrijvingen op blz. 151-53, 241.

13. S. Pietro in Ciel D'oro, Pavia 96

Zie onder Kerken in den Index. De kerk was oorspronkelijk (als zij nog

niet ouder was) Longobardisch, misschien gesticht door Agilulf, c. 604;

maar zij is in Romaanschen stijl herbouwd. Het grootste gedeelte van

het portaal dagteekent van 950 tot 1000. Voor de tombe van Boëthius

zie blz. 157 en voor die van den H. Augustinus zie de beschrijving

van plaat 52 (1). Koningen van Italië (zie verklaring van plaat 19)

werden soms gekroond te Pavia, de oude hoofdstad der Longobarden,

in de S. Pietro of anders in de S. Michele, die toen de kathedraal was.

14. Boëthius 104

Zie blz. 155-59. Het schilderij, een fantasie of misschien gemaakt

naar een oud portret, is een werk van Giovanni Santi, den vader van

Raffael. Het bevindt zich in de Barberini-galerij, te Rome.

15. Monasterio del Sacro Speco, Subiaco 112

Zie blz. 166. De kerk en het klooster, en ook de Abdij-kerk van Monte

Cassino en Collemaggio te Aquila (plaat 49) hebben naar men zegt,

zeer geleden door de geweldige aardbeving van den 13en Januari, 1915.

16. S. Vitale, Ravenna 120

Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 23.

17. Mozaïeken van Justinianus en Theodora, Ravenna 128

Zie blz. 179, 242.

18. S. Apollinare in Classe, Ravenna 136

Zie onder Kerken in den Index. Voor de mozaïeken, zie blz. 242

19. (I). De IJzeren Kroon 144

Deze kroon wordt bewaard in de schatkamer van de kathedraal te

Monza (zie blz. 226 n.). Met deze kroon werden, naar men zegt,

de Longobardische koningen gekroond, te Pavia, hun hoofdstad, of

te Milaan (b.v. Agilulf) of misschien te Monza. De Frankische en

Duitsche monarchen tot Hendrik II (1002), schijnen als koningen van

Italië gewoonlijk te Pavia, maar later ook te Milaan, gekroond te

zijn. De "Italiaansche" koning Berengarius II (c. 950) werd te Pavia

gekroond. Frederik Barbarossa, die met Milaan in oorlog was, werd te

Monza, of misschien te Pavia, welke stad zijn partij koos, c. 1155

gekroond. Sinds dien tijd is de IJzeren Kroon te Monza bewaard. Karel

V kroonde zichzelf met deze kroon te Bologna in 1530 en Napoleon

werd er in 1805 mede gekroond (te Milaan). In 1859 werd zij door

de Oostenrijkers medegenomen, maar in 1866 teruggegeven. Misschien

was het oorspronkelijk een eenvoudige ijzeren kroon of was alleen de

binnenste ring van ijzer (dien men op de plaat kan zien); volgens de

overlevering was deze ring gemaakt van een der spijkers van het Kruis,

die door Helena uit Jeruzalem waren gebracht (zie blz. 37, noot 3). Het

gouden, met juweelen bezette, uitwendige dagteekent misschien van

het jaar 1100 ongeveer. Het is een eenvoudiger en waarschijnlijk een

later werk dan de kroon, die er onder is afgebeeld. Muratori verwerpt

de legende van den spijker. Bonincontro, een kroniekschrijver van

Monza uit de veertiende eeuw, vermeldt de legende niet, ofschoon hij

over de ijzeren kroon spreekt en ons vertelt, dat ijzer een sterk en

koninklijk metaal is. Er waren, naar men meende, talrijke spijkers van

het Kruis (zie blz. 37). Het verhaal zal, wanneer het zijn oorsprong

er niet aan te danken heeft, toch zeer zeker bevestigd zijn door het

feit, dat Matteo Villani (c. 1350) deze kroon de Sda Corona noemde,

hetgeen verkeerdelijk werd uitgelegd als Sancta Corona, terwijl het

beteekent Seconda Corona; de eerste kroon was de zilveren te Aken en

de derde de gouden te Rome.

(II). De zoogenaamde Kroon van Karel den Groote 144

Deze prachtige kroon, versierd met een kruis en een boogvormigen

diadeem, wordt bewaard in de keizerlijke schatkamer te Weenen, (in

den "Hofburg"). Over den tijd, wanneer zij is gemaakt, bestaat groot

verschil van meening. Sommigen, zooals Bock, met wien ik het eens ben,

zijn overtuigd, dat de kroon zelf een vroeg Italiaansch werk is en

dat de diadeem met den naam Koenraad (Chuonradus) een bijvoegsel van

later tijd is. Wanneer dit zoo is, bestaat de mogelijkheid, dat dit

werkelijk de kroon is, die door Leo III gebruikt werd om Karel den

Groote te kronen. Maar sommige Duitschers, zooals v. Falke, die een

fraai geïllustreerde monografie over dit onderwerp heeft geschreven,

verzekeren, dat de beide deelen zonder twijfel in Duitschland zijn

gemaakt en zij houden vol, dat het geheel onmogelijk iets anders

kan zijn dan een werk uit de elfde eeuw en dus een keizerlijke

diadeem moet zijn, die bepaaldelijk (te Mainz?) vervaardigd is voor

de kroning van Koenraad II en zijn gemalin Gisela in het jaar 1027

(zie blz. 310). Er bestaat ook een verzameling van prachtige broches,

loovertjes, oorringen, halskettingen enz., die gevonden zijn bij

het graven in een straat te Mainz, niet zoo heel lang geleden;

deze voorwerpen lijken in bewerking zeer op de boogvormige kroon

en kunnen wel door Gisela bij de kroning gedragen zijn. Zij was een

zeer energieke en eerzuchtige vrouw. Door haar moeder stamde zij van

Karel den Groote af, en nadat zij tweemaal getrouwd was geweest,

trad zij in het huwelijk met Koenraad, toen deze nog slechts een

Graaf was. Zij rustte niet, voordat zij bereikt had, dat hij en zij

zelf met den keizerlijken diadeem te Rome gekroond waren, bij welke

gelegenheid er veel bloed werd vergoten door de twisten tusschen de

Duitschers en de Romeinen, zooals zoo dikwijls gebeurde, en ook door

den naijver tusschen de aartsbisschoppen van Ravenna en Milaan. De

boogvormige diadeem heeft, in parels, het opschrift: Chuonradus Dei

gratia Imperator Augustus. De kroon zelf bestaat uit edelgesteenten,

gouddraadwerk en parels; er zijn drie afbeeldingen in email op, die

het volgende voorstellen: (1) Christus, tusschen de twee aartsengelen,

als Koning der Koningen. (2) David als de Koning van den Manlijken

Moed. (3) Salomo, als de Koning der Rechtvaardigheid en Wijsheid. (4)

Hiskia, als de Koning der Vroomheid.

20. Theodelinda's Kip en Kuikens, Monza 152

Zie aanteekening op blz. 226. Misschien stellen zij het Longobardische

koninkrijk en zijn zeven provincies voor. Zij zijn van verguld

zilver. De koperen plaat, waarop zij staan, is modern.

21. (I) S. Maria in Cosmedin, Rome 160

Dicht bij den Tiber en den ronden Tempel, die vroeger de Tempel van

Vesta heette. Gebouwd c. 775. Niet groot, maar inwendig zeer mooi door

haar verhoudingen. De klokketoren (uit de achtste eeuw) is een goed

voorbeeld van een Romeinschen campanile. Zie den Index onder Campanile.

(II) De Phocas-zuil, Rome 160

Op het forum. Eeuwen lang was deze zuil bekend als "de naamlooze

zuil met begraven voetstuk". [2] Na de uitgraving, die met hulp van

Engelsch geld geschiedde, bleek uit de inscriptie, dat de zuil, die

uit een antiek gebouw genomen is, in 608 door den Exarch Smaragdus was

opgericht ter eere van den gehaten tyran Phocas, van Constantinopel,

wiens verguld standbeeld op den top stond.

22. S. Clemente, Rome 168

De boven-kerk. Zie onder Kerken in den Index.

23. S. Vitale, Ravenna 176

Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 16.

24. Mozaïeken in de S. Pudenziana en S. Prassede, Rome 184

Zie de beschrijving op blz. 239 en blz. 487. De twee heiligen waren

dochters van Pudens, die te Rome de gastheer van den Heiligen Petrus

was, en de eerstgenoemde kerk is, naar men vertelt, gebouwd op de

plaats van het huis, waar de apostel verblijf hield. Men ziet op

het onderste gedeelte van de plaat, dat Paus Paschalis (817-824),

die een model van zijn kerk in de hand draagt, een vierkanten nimbus

heeft, een aanduiding, dat hij nog in leven was, toen het mozaïek

werd gemaakt. Opmerking verdient ook de phoenix op den palmboom met

een stralen-nimbus.

25. S. Pietro, Toscanella 192

Zie blz. 249 en onder Kerken in den Index.

26. S. Maria Maggiore, Toscanella 200

Zie blz. 250 en onder Kerken in den Index.

27. Kathedraal en S. Fosca, Torcello 208

Zie blz. 251 en onder Kerken in den Index. Wat den marmeren zetel op

den voorgrond betreft ("de stoel van Attila") zie blz. 254 n. noot.

28. Kathedraal van Grado 216

Zie blz. 89 en 253. Grado en Aquileia, beide oude Italiaansche steden,

die in nauw verband staan met de geschiedenis van Italië, zijn meer

dan een eeuw geleden in de macht van Oostenrijk gekomen. In 568,

toen de Longobarden over de Venetiaansche Alpen kwamen, vluchtten

de burgers van Aquileia (dat na de verwoesting door Attila in 452

weder opgebouwd was) voor de tweede maal naar Grado. De Patriarch,

Paulinus, had alle reliquieën en schatten van de kerken van Aquileia

meegenomen, en zijn opvolger, Elias, verwierf den titel van Patriarch

van Grado. De Patriarch Elias (c. 578) bouwde de tegenwoordige

Kathedraal van Grado, zonder twijfel op de plaats van een oudere

kerk, terwijl hij als voorbeeld de basilieken van S. Apollinare

te Ravenna nam. De zuilen en de mozaïekvloer zijn blijkbaar van

de oude kerk (Byzantijnsch-Oost-Gotisch). Belangwekkend is de

kansel met merkwaardige reliëfs (Oost-Gotisch? Lombardisch ?) van

de evangelische dieren en een Venetiaanschen (Byzantijnschen)

troonhemel. Opmerking verdient de zilveren pala (schopvormig

schilderstuk) en de (dertiende-eeuwsche?) fresco's in de apsis. Aan

de kerk is een oud baptisterium gebouwd, dat steenen luiken heeft,

evenals te Torcello. De kerk is dikwijls hersteld en waarschijnlijk

zal men onder het pleister van het triforium wel mozaïeken of fresco's

kunnen vinden. In deze kerk wordt de oude middeleeuwsche liturgie

van het patriarchaat van Grado gezongen, de Cantus patriarchinus.

29. De schenking van Constantijn aan Silvester 224

In de Stanze van het Vaticaan. Geschilderd door Raffaello da Colle,

en waarschijnlijk ontworpen door Raffael. Silvester heeft de

gelaatstrekken van Clemens VII. Als toeschouwers zijn geschilderd

Raffael's vriend Castiglione en zijn leerling Giulio Romano. De

behandeling heeft plaats in de oude basiliek van St. Pieter.

30. S. Miniato, Florence 232

Zie blz. 399 en Index.

31. Tombe van Beatrice, moeder van Gravin Mathilda, Campo Santo,

Pisa 240

In de eerste plaats is deze graftombe merkwaardig in verband met

de beroemde Gravin Mathilde, wier moeder, Beatrice, de gemalin was

van Bonifacius, den Markies van Toskane (blz. 311, 315, 385; de

voorganger van Bonifacius was de Markies of Markgraaf, Ugo, die door

Dante il gran barone wordt genoemd en wiens graftombe wel bekend is

bij de bezoekers van de Florentijnsche abdij en wiens moeder, Willa,

de oprichtster is van de oorspronkelijke abdij). Bonifacius stierf

in 1052 en Beatrice, die met Godfried van Lotharingen was gehuwd,

werd gevangen genomen door Hendrik en met haar dochter Mathilde naar

Duitschland gevoerd; maar zij werden in 1056 in vrijheid gesteld en

Beatrice stierf, zoo op de tombe staat, eerst in 1076, een jaar voor

de gebeurtenis te Canossa; Mathilde volgde haar op. Sommigen nemen

aan, dat haar lichaam eerst in 1116 in deze oude (laat-Romeinsche)

sarcophaag werd geplaatst. De hexameter beteekent: "Ofschoon ik een

zondares was, heette ik toch Vrouwe Beatrix." Men verwacht tevergeefs,

dat de volgende woorden een pentameter zullen vormen, b.v. In tumulo

jaceo quae comitissa fui. Het beteekent: "In een tombe geplaatst lig

ik hier, die een gravin was". De pentameter is misschien bedorven door

een ongeletterden steenhouwer om een rijm te maken. Hij had het ook

moeten veranderen in "In tumulum missa" .... Wat betreft het verband

van dit relief met Niccolò, zie men blz. 497.

32. Ingang van het Baptisterium, Volterra 248

Het achtzijdige Baptisterium dagteekent oorspronkelijk misschien

uit de zevende eeuw. Het eenvoudig versierde portaal met zijn mooie

verhoudingen is een goed voorbeeld van Toskaansch-Romaansche bouworde,

onafhankelijk van den Pisaanschen stijl; ook de rijkere façades van de

kerken te Toscanella zijn goede voorbeelden daarvan (plaat 25 en 26).

33. Cappella Palatina, Palermo 256

"Kapel van het Paleis", gebouwd aan het koninklijk paleis van de

Noormannen te Palermo. Het is de stijl der Noormannen, waarbij men

den Saraceenschen invloed zeer goed kan herkennen. Gebouwd in 1130

ongeveer door Koning Roger. De muren, bogen en apsis zijn rijk versierd

met prachtige mozaïeken uit de Siciliaansche school der Noormannen

(zie blz. 402 en 403). Merkwaardig zijn de flauw gespitste bogen,

die (evenals te Monreale) eenigen Arabischen invloed vertoonen. Zie

plaat 43.

34. Roger van Sicilië, door Christus gekroond 264

Mozaïek in La Martorana, Palermo. Zie blz. 362 en 405.

35. Graftombe van Koning Roger 272

In de Kathedraal van Palermo. In de andere porfieren sarcophagen

zijn neergelegd Frederik II (plaat 47), zijn vader, Hendrik VI,

zijn moeder, de Keizerin Constantia (de dochter van Roger) en

in een oude Romeinsche sarcophaag ligt de gemalin van Frederik,

Constantia van Arragon. Ongeveer 1780 werden deze sarcophagen uit

een zijkapel gehaald, en, nadat zij waren geopend en onderzocht,

onder deze baldachini geplaatst.

36. Kathedraal te Palermo 280

Oorspronkelijk gebouwd door Aartsbisschop Offamilio (Walter of a Mill),

in de plaats van een oude kerk, die in een moskee was veranderd. De

zuid-zijde van de kathedraal en de oostzijde dateeren voornamelijk uit

1170-1200 en vertoonen vele merkwaardige aanwijzingen van Saraceenschen

invloed. (De gevel boven het prachtige portaal aan de zuid-zijde

is er in de vijftiende eeuw bijgevoegd en de minder fraaie koepel

dagteekent van 1800). De west-zijde is uit later tijd (c. 1350); zij

is door een boog, die de straat overspant, verbonden aan een grooten,

ouden klokketoren, waarvan het bovenste gedeelte hersteld is.

37. S. Marco, Venetië 288

Zie onder Kerken in den Index.

38. Baptisterium, Florence 296

Zie blz. 69.

39. Kathedraal te Ferrara 304

Dit is een goed voorbeeld van den overgang van de Romaansche tot de

Gotische bouworde. Het beneden-gedeelte dagteekent uit 1130 ongeveer,

en niet alleen de onderste arcade en de deuren, maar ook de voornaamste

eigenschappen van het geheele gebouw zijn Romaansch. Toch kan men een

Gotischen invloed zeer duidelijk aanwijzen en het geheel voldoet niet,

ofschoon het gebouw indrukwekkend is. Het vooruitspringende portaal

is er later bijgevoegd, en is gedeeltelijk Romaansch van stijl,

met leeuwen, en gedeeltelijk Venetiaansch-Gotisch.

40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren te Pisa 312

Zie blz. 397-98 en onder Kerken in den Index.

41. Kathedraal S. Martino, Lucca 320

Zie blz. 249 en 398. Wat betreft het ruiterstandbeeld van den

H. Martinus, een werk van Guidetto, en de Afneming van het Kruis van

Pisani zie men blz. 495 en 499. De klokketoren is een mooi voorbeeld

van een Lombardischen campanile. Opmerking verdienen de uitgetande

Ghibellijnsche tinnen (merli). Zie plaat 64.

42. La Collegiata, S. Gimignano 328

Zie blz. 400. Vgl. ook plaat 54. De kerk is rijk versierd met fresco's

van Benozzo Gozzoli, een leerling van Fra Angelico, Ghirlandajo,

en anderen, en bevat een altaar, dat gewijd is aan S. Fina, de

beschermheilige van de stad, en gemaakt door Benedotto da Maiano.

43. Kathedraal van Monreale, bij Palermo 336

Gebouwd door Willem den Goede, c. 1175-89. De prachtige torens en

andere eigenaardigheden schijnen op den invloed van den bouwstijl der

Noordelijke, misschien Engelsche Noormannen te wijzen. Zie blz. 402. De

mooie lijnen van de flauw gespitste bogen geven wellicht een aanduiding

van Saraceenschen invloed. Schitterende mozaïeken bedekken de muren

en de apsis. Zie blz. 405-06.

44. Kathedraal te Cefalu 344

Wat de overeenkomst tusschen deze kerk en de St. Etienne te Caen

betreft, zie blz. 402 noot. Voor de prachtige mozaïeken zie blz. 405;

opmerking verdienen de anti-pauselijke kanteelen van den toren.

45. Munten. Van Heraclius tot Hendrik vii (c. 650-1313) 352

Zie aanteekeningen, blz. 407-09.

46. Castel del Monte 360

In Apulië, ongeveer 24 K.M. landwaarts van Trani, dat aan de kust van

de Adriatische zee ligt. Gebouwd door Frederik II en veel door hem

gebruikt om te jagen. Men vertelt, dat hij in dit kasteel zijn boek

over de valkenjacht heeft geschreven, waarvan het handschrift zich

in het Vaticaan bevindt. Hij stierf op een ander Apulisch kasteel,

van Fiorentino, dicht bij Lucera.

47. Graftombe van Frederik ii, Kathedraal te Palermo 368

Zie aanteekening bij plaat 35. Toen de sarcophaag werd geopend, vond

men het lijk van den Keizer, gewikkeld in Saraceensche gewaden; op

zijn hoofd was een kroon; zijn schepter en een zwaard lagen naast hem.

48. Karel van Anjou, Rome 376

In het Museum van het Capitool, (op een ongunstige plaats, wat de

belichting betreft.) Waarschijnlijk opgericht door de Romeinen na de

afschuwelijke terechtstelling van den jeugdigen Konradijn in 1268,

toen Karel, die hier gekleed ia in een Romeinsche toga, en schepter

en kroon draagt, herkozen werd als Senator van Rome. Het gezicht

is terugstootend door de ruwe en wreede trekken; de neus is "zeer

groot", zooals Gregorovius opmerkt, zeer terecht, want ook Dante,

die Karel van Anjou in het Anti-purgatorium (in plaats van de hel,

waar hij toch zeker had moeten zijn) ontmoet, maakt melding van

zijn maschio naso en noemt hem nasuto (Purgatorio VII, 113). Deze

gelaatstrekken kan Dante juist bij dit standbeeld hebben opgemerkt,

toen hij in 1300 en 1301 te Rome was; en misschien heeft ook Giovanni

Villani dit in Dante's gezelschap gezien, want hij beschrijft Karel

als iemand "met een wreed uiterlijk, een olijfkleurig gezicht en een

grooten neus". Zie blz 435 noot. Den grooten neus kan men ook zien

op de munten van Karel. Zie plaat 45, munt 10 (blz. 408), waar het

gezicht een sterke gelijkenis vertoont met dit standbeeld.

49. S. Maria di Collemaggio, Aquila 384

Aquila ligt in de Abruzzen. Deze kerk verdient onze aandacht in

verband met de geschiedenis van den ongelukkigen kluizenaar, Paus

Celestinus V, wiens graftombe men hier kan zien, en ook fresco's,

die zijn lotgevallen voorstellen en geschilderd zijn door een

leerling van Rubens. Zie blz. 440 noot. De architectuur is ook

zeer merkwaardig, daar het een voorbeeld is van den zuidelijken,

waarschijnlijk twaalfde-eeuwsche, Lombardisch-Romaanschen bouwstijl,

met prachtige roosvensters, maar met een voorgevel van ingelegd marmer,

die een duidelijke aanwijzing is van Saraceenschen invloed. De kerk

heeft erg geleden door de verschrikkelijke aardbeving van Januari,

1915. Men zegt, dat zij nu zeer gevaarlijk is en men is bezig haar

te steunen, om te voorkomen, dat zij instort.

50. (I). Bonifacius, die het jubileum van 1300 afkondigt 392

Een fragment van een fresco van Giotto, aan een pilaar van het

schip in de Basiliek van het Lateraan, te Rome. Het bewijst, dat

Giotto nog kort voor het jaar 1300 te Rome was. (Zie blz. 488). Het

bewijst ook, dat in dezen tijd Bonifacius de tweede kroon, die men

bij het standbeeld kan zien (en ook zichtbaar is bij de figuur in de

Grotte van de St. Pieter), niet had aangenomen. De oorspronkelijke

hoofdbedekking van den Paus (tiara) was een kegelvormige muts van

goudlaken, waarschijnlijk een navolging van de Phrygische kyrbasia,

of van de apices der Romeinsche priesters. De eerste kroon werd

misschien aangenomen door Bisschop Silvester op grond van de

schenking van Constantijn den Groote. (In de onechte "Donatie"

wordt het woord frigium, d. i. Phrygische muts, gebruikt). Waarom

Bonifacius de tweede kroon heeft aanvaard, weet men niet; maar ik

vermoed, dat het de souvereiniteit over Sicilië en Apulië waarnaar

hij streefde, (zie blz. 442) moest aanduiden. De derde kroon van den

"driedubbelen tyran", zooals Milton hem noemt, werd, naar men weet,

door Paus Urbanus V (die Avignon trachtte te verlaten) aangenomen;

waarom hij dit gedaan heeft, is onbekend.

(II) Het standbeeld van Bonifacius VIII 392

Vroeger versierde het den voorgevel, maar nu staat het in den Duomo

te Florence, waar het langs een grooten pilaar toornig schijnt te

kijken naar het portret van Dante, die geschilderd is te midden van

tooneelen uit de Inferno, waartoe hij zijn grooten vijand veroordeelde.

51. Tombe van Hendrik van Luxemburg 400

In den Campo Santo, te Pisa. Vervaardigd door een beeldhouwer van

Siena, c. 1315.

52. (I) Tombe van den H. Augustinus 408

In de S. Pietro in Ciel d'oro, te Pavia. Zie plaat 13 en blz. 204

en 248. Het lichaam werd gered uit de handen der Saracenen, en van

Sardinië door Liutprand, c. 723, meegenomen; het werd geplaatst

in de oude Longobardische kerk, die door Agilulf gebouwd is. De

tegenwoordige tombe, kwistig versierd met reliëfs en beeldjes, werd

ongeveer 1370 vervaardigd. Toen de kerk een tijdlang als pakhuis is

gebruikt (1844-75), werd de tombe naar de kathedraal gebracht en het

gebeente werd gelegd in een glazen kist.

(II) Tombe van den H. Dominicus 408

In de S. Domenico, Bologna. Vasari zegt; dat het een vroeg werk

(1231!) van Niccolò Pisano is, en voltooid door zijn leerling, Fra

Guglielmo; maar waarschijnlijk is het in zijn geheel uitgevoerd door

dien leerling, omstreeks 1267. Daar hij geen loon had ontvangen,

stal de broeder, naar men vertelt, een rib van den heilige. Een van

de engelen wordt gehouden voor een vroeg werk van Michelangelo.

53. Assisi 416

Klooster en boven-kerk (c. 1250) van de westzijde gezien. Het klooster

is geseculariseerd.

54. S. Gimignano 424

55. S. Zeno (Maggiore), Verona 432

Een prachtige Romaansche basiliek uit de elfde eeuw (het koor is van

1260 ongeveer). Het gebouw met den toren en de uitgetande tinnen (de

Ghibellijnsche merli) werd soms, naar men vertelt, door de Keizers

als verblijf gebruikt, wanneer zij Italië bezochten.

56. De Paleizen Loredan en Farsetti, Venetië. 440

Beide in Venetiaansch-Romaanschen stijl van ongeveer 1150 en

buitengewoon mooi door hun verhoudingen. Het Loredan (aan de

linkerzijde) noemt Ruskin het prachtigste van alle paleizen aan het

groote kanaal.

57. (1) Mozaïek in de S. Maria in Trastevere 448

Voor het bovenste gedeelte (ongeveer 1140) zie men blz. 488 en voor

het algemeen karakter van dergelijke mozaïeken blz. 239-40.

(2) La Navicella 448

In het voorportaal van de St. Pieter, te Rome. Geschilderd door Giotto,

of naar zijn ontwerp, misschien door Cavallini. Zie blz. 488. Het

bovenste gedeelte in het bijzonder heeft belangrijke veranderingen

ondergaan om het voor zijn tegenwoordige plaats in orde te maken. Het

was oorspronkelijk in het atrium van de oude basiliek.

58. Kansel in La Trinità della Cava, bij Salerno 456

Zoowel de kansel als de spiraal-zuil voor de Paaschkaars zijn zeer

fraaie voorbeelden van Zuid-Italiaansch "Cosmati" werk (c. 1250). Zie

blz. 489.

59. Cosmati-tombe in S. Maria sopra Minerva, Rome 464

Zie blz. 489.

60. S. Croce, Florence 472

Zie blz. 492-93.

61. De kansel van het Baptisterium, Pisa 480

Een werk van Niccolò Pisano. Zie blz. 496-99.

62. De kansel te Ravello 488

Zie blz. 498-99. Ravello ligt niet ver van Amalfi.

63. De kansel te Siena 496

Zie blz. 499.

64. Palazzo pubblico, Siena 498

Een van de mooiste Italiaansch-Gotische paleizen. Zie blz. 494. De

klokketoren, ongeveer 100 meter hoog, heet La Torre del Mangio en

werd c. 1330-40 gebouwd; het paleis zelf werd tusschen 1289 en 1305

opgericht. Siena werd Welfsch in 1270 (zie blz. 477); derhalve hebben

wij hier de vierkante Welfsche tinnen, welke men moet onderscheiden

van de uitgetande Ghibellijnsche tinnen (merli) op de platen 41 en

55. Bij den Florentijnschen Palazzo Vecchio heeft het hoofdgebouw

(c. 1300) de vierkante, en de toren (c. 1460) de uitgetande tinnen.

65. Kathedraal te Siena 500

Zie blz. 492.

ILLUSTRATIES IN DEN TEKST.

Bladz.

Kasteel van Theoderik te Verona (zegel) 150

Classe, Ravenna (Mozaïek) 152

Theoderik's paleis te Ravenna (Mozaïek) 152

Leo's Triclinium-mozaïek 216

Relief boven het portaal van de Kathedraal te Monza 227

Zuilen en kapiteelen in de S. Costanza fuori, Rome 233

Kapiteelen in de S. Vitale 238

Lombardisch werk in de basiliek van S. Abbondio, bij Como 249

Kapiteel in de S. Pietro, Toscanella 250

Kapiteel in de S. Ambrogio, Milaan 250

De oude basiliek van St. Pieter te Rome 261

Trappen van het Presbyterium en "Confessio" in de S. Giorgo te

Valabro 266

"Confessio" in het Oratorium van de catacombe van S. Alessandro,

te Rome 266

Munt van Michael Palaeologus 274

Hij knielt voor Christus en wordt gesteund door den Aartsengel

Michael. Op de keerzijde ziet men de Heilige Maagd, omgeven door de

muren van Constantinopel. Pachymerus, een geschiedschrijver uit dien

tijd, zegt, dat Michael Palaeologus valsche gouden munten liet slaan om

in de groote aanvraag te voorzien, en dat deze munten op de keerzijde

"een beeld van de stad" vertoonden.

Venetiaansche Munt van c. 860 374

Daar Venetië in dien tijd bijna onafhankelijk is, staat op deze munten

"God beware het Romeinsche Keizerrijk" en "God beware Venetië" in

plaats van den naam van den Keizer. Het gebouw is de "Karolingische

Tempel", die men dikwijls op munten van dit tijdperk vindt. Na 1100

worden alle aanduidingen over het Keizerrijk weggelaten, en na 1155

wordt op de grossi en matapans de naam van den Doge gezet. Giovanni

Dandolo liet het eerst gouden dukaten en zecchinen slaan, ongeveer

1285. Zie plaat 45, munt 14 (blz. 409).

Florentijnsche Munt van c. 1200 388

Zilveren grosso. Hetzelfde type werd gebruikt voor den gouden

florijn. Zie plaat 45, munt 16 (blz. 409).

Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290 476

Ugolino was bailli in Sardinië, waar zijn zonen, Guelfo en Lotto deze

gouden munten lieten slaan met het wapen van de familie (Gherardesca).

Munt van Milaan, c. 1260 480

Type van den Milaneeschen gouden florijn, met S. Ambrosius en de twee

Milaneesche heiligen, Protasius en Gervasius. Waarschijnlijk heeft

een van den Torriani of Visconti dezen laten slaan.

EERSTE DEEL.

HISTORISCH OVERZICHT.

305-476.

In 305 deed Diocletianus afstand van de regeering en dwong Maximianus,

een Pannonisch soldaat, dien hij twintig jaar tevoren had gekozen

tot Keizerlijk collega (d. w. z. tot "Augustus") om hetzelfde te

doen. Daarna liet hij het Keizerrijk over aan Constantius Chlorus en

Galerius, die tot dusverre slechts "Caesars" d.w.z. troonopvolgers

waren geweest. Als nieuwe Caesars werden gekozen Severus en Maximinus.

Constantius had vroeger Helena, die misschien van Britsche afkomst

was getrouwd; bij haar had hij een zoon, den lateren Constantijn den

Groote. Toen hij tot Caesar werd gekozen (293) was hij gedwongen Helena

te verstooten en Theodora te huwen, de dochter van Keizer Maximianus;

en de jonge Constantijn, die zich waarschijnlijk beleedigd voelde, had

er de voorkeur aan gegeven in het verre Oosten als soldaat te dienen

in plaats van te blijven bij zijn vader, die het opperbevel voerde

in Gallië en Brittannië. Maar vijftien maanden na zijn verkiezing

als Keizer over het Westen stierf Constantius te York en zijn zoon

Constantijn, die haastig van Nicomedia (in Bithynië) was gekomen om

zich bij zijn vader te voegen op diens expeditie tegen de Caledoniers,

werd door het leger te York begroet als Augustus en Imperator.

Galerius had zich voorgesteld, dat hij bij den dood van Constantius

alleen keizer worden zou, maar toen Constantijn hem bericht zond van

zijn benoeming was hij verplicht zijn woede te verkroppen en morrend

stond hij hem den titel van Caesar toe, terwijl hij Severus bevorderde

tot de waardigheid van Augustus en hem de provincie Italië toekende.

Maar Maxentius, de zoon van den ouden Maximianus (die zich na zijn

abdicatie in onmachtigen wrok heeft teruggetrokken) verwekt nu een

opstand in Rome en Severus vlucht naar Ravenna, waar hij capituleert

en gedwongen wordt zelfmoord te plegen. De oude Maximianus bezoekt

Constantijn in Gallië om met hem te onderhandelen en neemt zijn dochter

Fausta mede, die Constantijn te Arles trouwt. Krachtens zijn vroegere

keizerlijke waardigheid bekleedt Maximianus daarna Constantijn met het

purper en bekrachtigt aldus zijn verkiezing door het leger. Dadelijk

dringt de Oostelijke Augustus, Galerius, toen hij den dood van Severus

had vernomen, Italië binnen, doch moet terugtrekken. Dan benoemt hij

Licinius als Augustus voor de Illyrische provincie. Daarna vraagt de

overgebleven "Caesar" Maximinus den keizertitel voor Egypte en Syrië,

die hem met tegenzin wordt toegekend, terwijl te Rome Maxentius

zichzelf tot Keizer van Italië proclameert en zijn vader, den oude

Maximianus, overhaalt wederom het purper aan te nemen. Derhalve

hebben wij niet minder dan zes Keizers tegelijk--een merkwaardig

verwarden toestand!

Maxentius en zijn vader krijgen twist. De praetorianen verklaren zich

voor den jongste en Maximianus trekt terug naar Illyricum; vandaar

door Galerius verdreven gaat hij weer naar Arles in Zuid-Gallië en

staat het purper af aan zijn schoonzoon Constantijn. Maar terwijl

Constantijn op een expeditie is in het Rijnland, overvalt den ouden

man een onbedwingbare aandrift om de schatkist te Arles te bemachtigen

en een aantal soldaten over te halen hem nog eens tot Keizer uit te

roepen. Constantijn komt met zijn vloot opzetten, de Saône en de Rhône

af, en Maximianus vlucht naar Marseille in de hoop door de Romeinsche

vloot van zijn zoon Maxentius ontzet te worden; maar de burgers laten

hem in den steek en hij wordt door Constantijn ter dood gebracht,

terwijl Fausta haar natuurlijk gevoel opoffert aan haar huwelijksche

plichten en blijkbaar de terechtstelling van haar vader goedkeurt.

Galerius stierf kort daarna (311) in zijn paleis te Nicomedia,

door wurmen opgevreten, naar men zegt. Hij schijnt een trotsch, maar

flink en ondernemend karakter gehad te hebben, en zijn regeering werd

bekend door vele werken van algemeen nut b.v. de draineering van een

uitgestrekt moeras tusschen de Drave en den Donau.

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313) · 第 1 / 48 段