hoewel men niet kan zeggen, dat dit werelddeel de talrijkste vormen
van de familie bevat. Hun vaderland strekt zich zoover uit als de
woestijn: in Afrika zijn zij daarom bijzonder talrijk; zij komen echter
ook in Azië voor en ontbreken zelfs in Europa niet, hoewel zij hier
beperkt zijn tot een deel, dat op Afrika gelijkt. Ieder werelddeel,
behalve Europa, bezit zijne eigenaardige soorten; enkele soorten zijn
echter over een ontzaglijk groot gebied verbreid en komen in alle
drie werelddeelen als standvogels voor en bezoeken soms ook landen,
waar men ze vroeger niet bemerkte. Wel blijven bijna alle soorten
jaar in jaar uit op dezelfde plaats of althans in hetzelfde gewest;
hunne uitnemende bekwaamheid in 't vliegen stelt hen echter in staat,
om zich zonder bezwaar over een afstand van duizenden kilometers
te verplaatsen; sommige, ons nog onbekende oorzaken nopen hen soms,
hunne omzwervingen ver over de grenzen van hun gebied uit te strekken.
Weinige Vogels zijn zoo goed als de Zandhoenderen geschikt, om de
eenzaamste en armste gewesten te verlevendigen. Te midden van de
dorste woestenij, op plaatsen waar alleen de stille, snelvoetige
Renvogel (Cursorius gallicus) en de droefgeestig zingende Zandleeuwerik
(Ammomanes cinctura) het pad van den reiziger kruisen, vertoont zich
stommelend en ruischend, het schreeuwerige, bijkans snapachtige
gezelschap van deze begaafde wezens: zij zijn echte, volslagen
woestijndieren. Hoewel zij iederen dag en op gezette tijden naar
de drinkplaatsen moeten vliegen, baart het afgelegen zijn van de
bronnen, waaraan zij hun dorst moeten lesschen, hun geen zorg: het
valt hun niet moeielijk om, voordat zij zich ter ruste begeven, nog
een uitstapje te maken, dat voor ons een dagreis of zelfs meer zou
zijn. Het is dan ook vooral in den tijd, die voor het verkrijgen
van water bestemd is, dat zij zich aan 't oog van den jager of
onderzoeker vertoonen; want wanneer zij in grooten getale en dicht
opeengedrongen onder het bij nagenoeg alle soorten voorkomende geroep
"khadda khadda" voorbijvliegen, moet men doof en blind zijn om ze
niet op te merken. Dit is op andere tijden niet altijd gemakkelijk;
hun woestijnkleurig kleed beschermt hen zoo goed, dat zij zelfs voor
een geoefend oog verborgen kunnen blijven.
Maanden achtereen leven deze Vogels tot zwermen vereenigd, totdat de
paartijd komt. Dan verdeelen zij zich in kleine troepen en deze in
afzonderlijke paren, die nu ieder een geschikte plaats op den zandigen
bodem uitzoeken, hier een ondiepen kuil in den grond krabben en zich,
zoodra het uit weinige eieren bestaande legsel voltallig is, met
ijver aan het broeden wijden. Een of twee broedsels worden op deze
wijze verzorgd; daarna vereenigen de paren zich weer tot zwermen,
die het vroegere leven hervatten, tenzij buitengewone omstandigheden
zich hiertegen verzetten of althans een wijziging in hun gedragslijn
aanbrengen.
Nog geen tien jaar geleden--ten derden male in deze eeuw--heeft een
vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenhoenderen (Syrrhaptes)
in West-Europa de algemeene aandacht op zich gevestigd. De
beide tot dusver bekende soorten van dit geslacht gelijken veel
op de overige Zandhoenderen, maar vertoonen toch ook belangrijke
eigenaardigheden. De eerste handpen is aan de spits lang uitgerekt en
hier op een vreemdsoortige wijze versmald, zoodat dit deel eerder op
een borstel, dan op een veer gelijkt. De loop is aan alle zijden en
de teenen zijn tot aan de spits met korte, haarvormige veeren dicht
begroeid. Er zijn slechts drie teenen aanwezig, daar de achterteen
geheel ontbreekt; de voorteenen zijn sterk verbreed en over hun geheele
lengte door een vlies verbonden, zoodat de voet van onderen gezien,
een onverdeelde zool heeft, die met hoornachtige wratten bekleed is.
Het Gewone Steppenhoen (Syrrhaptes paradoxus), is in 't geheel
(met de beide middelste staartveeren, die, draadvormig verlengd,
8 cM. ver voorbij den overigens 12 cM. langen staart uitsteken, 47
cM. lang) terwijl de vleugellengte 18 cM. bedraagt. Het bovenste
deel van den kop en aan weerszijden van dezen een streep, die,
bij de oogen beginnend, naar de zijden van den hals loopt, zijn
aschgrauw, de keel, het voorhoofd en een breede streep over het oog
leemkleurig geel, de borst en de zijden van deze, die door een drie-
of viervoudigen, uit fijne, witte en zwarte strepen bestaanden band
van de kropstreek gescheiden worden, zijn grijsachtig isabelkleurig;
de bovenbuik is bruinzwart; de onderbuik en de onderdekveeren van
den staart zijn licht aschgrauw; de rug is op leemgelen grond met
donkerder dwarsstrepen geteekend, de slagpennen zijn aschgrauw,
de voorste op de buitenvlag zwart, de achterste op de binnenvlag
met grijsachtigen zoom; de schouderveeren zijn bruinachtig, aan
de voorzijde geelachtig en aan de spits wit gezoomd, de binnenste
vleugeldekveeren zandkleurig bruin met zwartbruine vlek aan de spits,
de staartveeren op gelen grond met donkere banden voorzien, de veeren,
die den loop bekleeden, vaal witachtig.
Verschillende onderzoekers hebben ons het Steppenhoen doen kennen als
een bewoner van de steppen van Middel-Azië, van de Kaspische Zee tot
in China. Pallas gaf in 1770 de eerste beschrijving van dezen Vogel,
maar wist weinig mede te deelen over zijn levenswijze. Radde, die
het Steppenhoen o.a. in de omstreken van het Tarai-nor of Tarai-meer
in Mongolië heeft nagegaan, geeft uitvoerige berichten over dit
dier in zijne "Reizen in het zuiden van Oost-Siberië, gedurende
de jaren 1856 tot 1860;" hieraan is het volgende ontleend: "Het
Steppenhoen komt omstreeks het midden van Maart uit het zuiden in
het Tarai-nor-gebied, terwijl de sneeuw nog op de heuvels der hooge
steppen ligt; het leeft dan in kleine troepen, maar altijd reeds
gepaard. In zachte winters treft men het aan den noordoostrand van
den hoogen Gobi aan; het verschijnt echter ook na strenge winters
reeds zoo tijdig en broedt zoo vroeg, dat het ook in dit opzicht
sterk de aandacht trekt. Zijne eieren vindt men reeds in de eerste
dagen van April en tegen het einde van Mei voor de tweede maal. Nadat
de jongen van het tweede broedsel uitgevlogen zijn, wisselen de
Steppenhoenderen waarschijnlijk van verblijfplaats; gedurende de
wintermaanden zwerven zij rond tot aan den zuidrand van den Gobi in
de voorbergen van de Noordelijke Himalaja-plateaux. Zij vliegen in
volkomen gesloten vluchten, op soortgelijke wijze als de verschillende
soorten van Pluvieren, vereenigen zich in de lente tot kleine troepen,
die uit reeds gepaarde Vogels bestaan (4 à 6 paar), maar vormen in den
herfst dikwijls zwermen van verscheidene honderden. Onder het vliegen
hoort men van hen zeer duidelijk het geschreeuw, dat aanleiding heeft
gegeven tot den Mongoolschen naam "Njupterjun". Het mannetje en het
wijfje blijven ook gedurende het vliegen bij elkander.
"In de lente verschijnen de Steppenhoenderen zeer geregeld,
altijd op denzelfden tijd van den dag, bij zoetwaterplassen om te
drinken. Uit alle richtingen komen zij aanvliegen; hun geschreeuw
bij het zien van den oever wordt door de hier reeds aanwezige Vogels
beantwoord. Aan den waterkant staan zij op rijen, meestal 10 à 12
stuks bijeen. Zij rusten hier echter niet lang, maar gaan spoedig
heen om voedsel te zoeken, bij voorkeur naar de witte plekken van
de steppe, waar het zout aan de oppervlakte is uitgeweerd en naar de
met gras begroeide heuveltjes. Van de hier zeer rijkelijk groeiende
zeekraal (salicornia), bij welke plant dikke, saprijke stengelleden
de rol van bladen vervullen, scheren zij de jonge uitspruitsels af,
op soortgelijke wijze als de Trappen een weide afgrazen In den zomer
gaan zij graag in de zon liggen. Evenals de Hoenderen krabben zij dan
ondiepe kuiltjes in de grijsachtig witte, met zout doordrongen aarde
van de kleine verhevenheden van den bodem en hurken hierin neer; om
geheel op hun gemak te zijn, gullen zij, evenals de Huishoenderen,
zoo lang in den losgewoelden grond, totdat zij er grootendeels door
bedekt zijn. Schildwachten worden in dit geval niet uitgezet. Terwijl
zij daar zoo volkomen rustig zitten, merkt men ze bijna niet op, wijl
hun geelachtig grijs, zwart gesprenkeld vederenkleed zeer weinig bij
den bodem afsteekt. Op eens schiet in zigzagvormige baan een Valk over
de rustende dieren heen; onmiddellijk vliegen zij op en onttrekken
zich schielijk aan onze blikken en aan die van het begeerige roofdier.
"Hun nest is zeer eenvoudig en waarschijnlijk geheel op dezelfde wijze
als dat van de Zandhoenderen samengesteld. Hoewel verscheidene paren
in elkanders nabijheid broeden, is hun aantal echter nooit groot. In
de met zout doordrongen gronden bij het Tarai-nor, meestal op de
sinds jaren droogliggende gedeelten van den bodem van dit meer,
bestaat het nest uit een ondiep uitgekrabden kuil van ongeveer
12 cM. middellijn, welks rand met eenige salsola-takjes en grassen
belegd is; de laatstgenoemde ontbreken echter soms. Het aantal eieren
bedraagt 4. Deze hebben ongeveer denzelfden vorm als de eieren van
Zandhoenderen; zij kenmerken zich door hun zuiver elliptischen vorm,
hoewel zij soms aan het eene einde iets spitser zijn dan aan het
andere. De grondkleur wisselt af van licht groenachtig grijs tot vuil
bruinachtig grijs; de laatstgenoemde kleur is de meest gewone. Op dezen
grond vindt men de meestal uit fijne vlekken bestaande omberbruine
teekening in twee verschillende tinten."
"Deze Vogel", schrijft Schlegel, "die in de woestijnen van Midden-Azië
thuis behoort, en, voor zoover bekend is, deze vroeger niet heeft
verlaten, is in de jongste jaren door verhuizingen beroemd geworden,
zooals die bij verscheidene dieren, b.v. de Lemming en andere
Muizensoorten, de Eekhoorns, de Pestvogels, de Notenkrakers, de
Schildpadden, Padden, Sprinkhanen enz., zelfs min of meer geregeld,
ofschoon slechts in sommige jaren, plaats hebben, en wier oorzaken
blijkbaar overbevolking der soort en gebrek aan voedsel zijn. De
eerste dezer verhuizingen had reeds in het jaar 1859 plaats. Er werden
toen tegen het einde van Augustus een paar dezer Vogels in de duinen
bezuiden Zandvoort waargenomen, maar het gelukte eerst in October het
mannetje te schieten, waarop zijn makker niet teruggezien werd. In den
loop van hetzelfde jaar werden er nog drie voorwerpen, te weten twee
in Engeland en één in Jutland, waargenomen." Ook heeft men in 1860
een uit 14 of 15 stuks bestaande vlucht van deze Vogels bij Mandal
in Noorwegen gezien en er verscheidene van bemachtigd. Deze weinige
exemplaren werden echter als afgedwaald beschouwd; aan hun herhaald
bezoek werd geen groote beteekenis gehecht. Iets dergelijks geschiedde
in den herfst van het jaar 1861 in het noorden van China. Hier
echter betrof het niet eenige weinige afgedwaalde voorwerpen, maar
een geheel leger van Steppenhoenderen, die in de vlakte tusschen
Peking en Tientsin neergestreken waren. De Chineezen maakten zoo
ijverig mogelijk jacht op de vreemdelingen, die hun onder den naam
"Satsji" wel bekend waren, en verhaalden aan Swinhoe, dat zij deze
Vogels dikwijls in netten vingen en met het lontgeweer schoten. Na
een hevige sneeuwbui was de jachtbuit zoo groot, dat de markt van
Tsientsin er letterlijk mede overvoerd was. Toch waren de Vogels
schuw, n.l. zoo lang zij zich op den bodem bevonden; bij 't vliegen
echter gingen zij dichtbij de jagers langs. De inboorlingen wisten
trouwens, dat de groote Tartaarsche vlakte achter den beroemden muur
het vaderland van de Steppenhoenderen is.
Een zeer aanzienlijke zwerm van deze Vogels verscheen in 1863 in ons
werelddeel en verbreidde zich over de meeste noordelijke landen. Met
vrij groote zekerheid kan men den weg aangeven, langs welke deze
verhuizingen heeft plaats gehad. Indien men in het zuidoosten van
Europa evenveel aandacht had geschonken aan de vreemdelingen als in
Duitschland, Frankrijk, Nederland, België en Groot-Britannië, zouden
wij waarschijnlijk met alle vertakkingen van dezen weg volkomen
bekend geworden zijn. Nu heeft men dien kunnen nagaan van Brody in
Galicië tot Naran aan de westkust van Ierland en van Biscarolle in
het zuiden van Frankrijk tot Thorshavn op de Fär-öer. In verscheidene
streken van ons land (o.a. op Ameland) hebben zij zich van het vroege
voorjaar tot in November opgehouden.
In 1888 bracht het Steppenhoen ons opnieuw een bezoek. Mr H. Albarda
beschrijft dit op de volgende wijze. "Nadat, in de laatste helft van
April, in Polen, Saksen en Pommeren vluchten van deze Vogels waren
verschenen, trokken zij steeds meer naar het westen en bereikten
in de eerste helft van Mei ons land. Den 15en dier maand werd in
het duin bij Egmond aan Zee een oud mannetje gevonden, hetwelk zich
tegen de telegraafdraden had doodgevlogen. Spoedig vermeerderde het
aantal. Zij vestigden zich bij voorkeur in de duinen, vermoedelijk,
omdat de plantengroei aldaar het meest overeenkomt met die van de zilte
steppen van hun vaderland. Uit tal van berichten van onderscheidene
plaatsen bleek, dat zij in het laatst van Mei algemeen waren te
vinden in de kuststreek van Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en op
de Noordzee-eilanden. Van alle zijden werden exemplaren gezonden,
zoo levende als doode; want niettegenstaande het herhaaldelijk in de
dagbladen gedaan verzoek, om ze zooveel mogelijk te sparen, werden
zij onbarmhartig vervolgd, zoo met schietgeweer, als met netten
en strikken. Zoo werden, naar men mij verzekert, nog in October,
op Texel vele exemplaren met netten gevangen en voor f 5 à f 10
per stuk verkocht, om, ten deele althans, naar het buitenland te
worden verzonden. Bovendien werden vele voorwerpen gedood of gewond,
doordat zij in aanraking kwamen met telegraafdraden, die meestal zijn
aangebracht op dezelfde hoogte boven den grond, als waarop deze Vogels
gewoonlijk vliegen. Ook werden zij dikwijls met de hand gevangen,
uitermate verzwakt als zij waren door de Helmteek, op Texel Bonselaar
genoemd (Ixodes), die zich vooral aan den hals hecht en niet zelden
verzweringen veroorzaakt.
"Hoewel de Steppenhoenders dikwijls heen en weder trokken, bleven
zij toch gedurende den zomer in de genoemde streken stand houden. Van
hun voorkomen op onze heidevelden vernam men aanvankelijk niets. 20
Juni werd echter een voorwerp bij Rolde (Drente) geschoten en den
volgenden dag een bij Assen gevangen. In Juli en Augustus werden in
dezelfde provincie, o.a. te Borger en Rolde, alsmede hier en daar in
Overijsel koppels waargenomen.
"Na het openen van de jacht, in September, nam de vervolging op
schrikbarende wijze toe, en het duurde dan ook niet lang, of men
berichtte uit vele plaatsen in Holland, alsmede van de eilanden,
dat de Steppenhoenderen geheel waren verdwenen of nog slechts zeer
zelden voorkwamen. Terzelfder tijd vertoonden zich op de heidevelden
van Overijsel, Drente en zuidoostelijk Friesland vele, hoewel niet
zeer talrijke vluchten. In October had een algemeen terugtrekken
plaats. Berichtte men ons van de kuststreek, dat de Vogels haar
verlieten, zoodat men vreesde, dat zij hun vaderland weder gingen
opzoeken, in onze oostelijke provinciën vermeerderde hun aantal
sterk. In die maand en in November waren vluchten van 40, 60, ja
soms 100 stuks aldaar niet zeldzaam. Deze verminderden, wel is waar,
in December, maar er bleven nog genoeg over, om de hoop te voeden,
dat zij aldaar zouden overwinteren. Ook op de heide tusschen Laren
en Bussum (Noord-Holland) werden in die maand vier stuks waargenomen;
den 17en werden er ook bij Haarlem gezien.
"De sluiting van de jacht deed, wel is waar, voor een groot
deel de vervolging ophouden, maar maakte ook het waarnemen veel
moeielijker. Geruimen tijd ontbraken alle berichten. Het schijnt
echter, dat de Steppenhoenderen wel voor het grootste gedeelte zijn
weggetrokken, maar dat toch een zeker aantal, begunstigd door den bijna
sneeuwvrijen winter, hier zijn gebleven en zich tegen het voorjaar
weder in westelijke richting hebben bewogen, om de duinstreek weer op
te zoeken. Of het moest zijn, dat de voorwerpen, die zich toen hebben
vertoond uit Groot Britannië afkomstig waren." "In 1889 werden op
verschillende plaatsen van Gelderland, Noord- en Zuid-Holland enkele,
meer of minder groote vluchten Steppenhoenderen waargenomen, voor
't laatst in September bij Haarlem; na dien tijd werd deze soort
in ons land niet meer gezien. Hier en daar zijn nesten en eieren
gevonden. Er is echter geen enkel goed bewezen geval bekend, dat
jonge Vogels tot volwassenheid zijn gekomen." Evenzoo is het gegaan
in de andere landen van West- en Midden-Europa. "Uit het bovenstaande
schijnt te blijken, dat men de hoop op het voor goed blijven van
het Steppenhoen hier te lande zal moeten opgeven. Neemt men toch in
aanmerking, dat deze Vogels in 1888 in zeer grooten getale tot ons
zijn gekomen, dat er na den winter van 1888-1889 een voldoend getal
is overgebleven, en dat, was het voorjaar van 1888 koud en vochtig,
dat van 1889 zich kenmerkte door warmte en droogte, dan moet men het
er voor houden, dat westelijk Europa aan deze soort de noodzakelijke
levensvoorwaarden niet kan bieden."
Van een eigenlijken terugtocht van de herwaarts gekomen
Steppenhoenderen naar hun vaderland is niets gebleken. Het schijnt
integendeel, dat de stroom van zwervelingen van de kusten der Noordzee
uit verder westwaarts is gegaan; immers de tijd, waarin de Vogels op
de Britsche eilanden talrijker begonnen te worden, viel samen met
dien, waarin hun aantal in Sleeswijk-Holstein aanmerkelijk begon
te verminderen.
De volksverhuizing dezer Vogels heeft zich, naar het schijnt, als volgt
toegedragen: Duizenden van Steppenhoenderen trokken in meer of minder
gesloten zwermen uit hun vaderland op naar het westen; kleinere troepen
scheidden zich van het hoofdleger af en volgden andere richtingen,
naar rechts tot Noorwegen, naar links tot Middel-Italië reizend; de
hoofdmassa, steeds kleiner wordend door ongevallen van allerlei aard,
drong door tot aan de kust van de Noordzee, waar een klein gedeelte
gedurende eenigen tijd rustig bleef wonen; bij het voortzetten van de
reis naar de verder westwaarts gelegen eilanden, ging het grootste
deel te gronde; het overschot, onophoudelijk verder trekkend, vond
zijn graf in den Oceaan.
De gevangen Steppenhoenderen hebben verschillende vogelkenners de
gelegenheid verschaft, om de gewoonten en de aard van deze dieren
nauwkeurig na te gaan. Het is gebleken, dat zij spoedig tam worden,
tarwekorrels oppikken en water drinken. Zij hebben een eigenaardig
trippelenden gang. Hun stem kan, naar men zegt, het best door de
lettergrepen "goek goek" of "geloek geloek" nagebootst worden,
en klinkt niet, gelijk van de in vrijheid levende exemplaren wordt
bericht, als "kùkerik". Koude en sneeuw schijnen hun niet veel te
hinderen; zelfs in een strengen winter slijten zij het grootste
deel van den tijd in het aan weer en wind blootgestelde deel van
hun kooi. Tot dusver hebben zij zich niet voortgeplant in de kooi:
zij hebben hier eieren gelegd, maar niet gebroed.
Het geslacht van de Woestijnhoenderen (Pterocles) kenmerkt zich door
den bouw van den voeten van den vleugel. De voet heeft vier teenen,
die slechts aan den wortel door een vlies verbonden zijn. De spits
van den vleugel wordt gevormd door de eerste en de tweede slagpen. In
den regel verschilt het mannetje van het wijfje door de kleur.
De Ganga (Pterocles arenarius), een van de grootste soorten van dit
geslacht heeft den kop en den hals vleeschroodachtig grijs; de mantel
heeft licht- of donkergele en leikleurige vlekken door elkander heen;
de keel is okergeel, een gorgelband bruinzwart, de borst roodachtig
grijs, een scherp begrensde borstband zwart of bruinzwart, zooals de
buik; de slagpennen zijn aschgrauw of blauwachtig aschkleurig, aan de
spits zwartachtig bruin, de armpennen aan den wortel wit; de bovenste
vleugeldekveeren zijn, ten deele althans, zuiver okergeel en ongevlekt,
de onderste wit; de beide middelste staartveeren zijn kaneelbruin
met zwartachtige dwarsstrepen, de overige stuurpennen aschgrauw,
aan de spits wit; de bovenste staartdekveeren komen in kleur overeen
met den rug, de onderste zijn wit en zwart gevlekt. Totale lengte 35,
staartlengte 11 cM.
De Khata (Pterocles alchata) is (zonder de veeren) iets kleiner dan
de Ganga, maar duidelijker gevlekt. Over 't geheel genomen heeft ook
bij haar de zandkleur de overhand; de hierop voorkomende teekening van
zwarte, witte en gele vlekken, zoomen en banden maakt een aangenaam
effect; de keel en een fijne teugelstreep, die zich over het oog
naar den achterkop richt, zijn zwart; de gorgelstreek is roodachtig
vaalgeel, de bovenborst helder kaneelbruin, van boven en van onderen
door een smallen, zwarten band begrensd, de buik wit. Evenals bij
de vorige soort, zouden bij deze de vleugelspitsen den top van den
staart bereiken, indien niet de aan 't einde versmalde middelste
staartpennen ver voorbij de overige verlengd waren. Totale lengte 37,
staartlengte 13 cM.
Het Noordafrikaansche Woestijnhoen (Pterocles exustus), zoo genoemd,
omdat het niet (gelijk de beide vorige, eveneens Noord-Afrika
bewonende soorten) tevens in Zuid-Europa wordt aangetroffen, vertoont
in nog hoogere mate dan hare verwanten een echte woestijnkleur. De
hoofdkleur is bij haar fraai roodachtig isabel, gaat op de wangen,
in het aangezicht en op de vleugeldekveeren in helderder geel over
en heeft op den rug een groenachtigen weerschijn. De isabelkleurige
bovenborst wordt door een smallen, zwarten band gescheiden van de
benedenborst, die evenals de buik donker chocoladebruin is; de veeren,
die den loop bekleeden en de onderdekveeren van den staart zijn weer
isabelkleurig; alle kleine bovendekveeren van den vleugel hebben aan
de spits een chocoladebruine bandvlek; de handpennen zijn zwart, bij
de derde te beginnen wit aan de spits en op de binnenvlag; de beide
middelste, sterk verlengde en in fijne spitsen eindigende staartveeren
zijn isabelgeel, de overige donkerbruin met lichtbruine vlekken en
banden. Het donkerbruine oog is omgeven door een breeden, onbevederden,
citroengelen ring; de snavel en de teenen zijn loodkleurig. Totale
lengte 33, staartlengte 14 cM.
De Ganga en de Khata hebben ongeveer hetzelfde verbreidingsgebied. Van
de Zuid-Europeesche landen behoort alleen Spanje tot haar
vaderland. Wel werden zij ook in andere landen van Zuid Europa (de
Ganga zelfs midden in Duitschland) aangetroffen; haar aanwezigheid
hier wordt echter als een afdwaling beschouwd. In sommige provinciën
van Spanje (Andalusië, Murcia, Valencia, Oud- en Nieuw-Castilië en
Aragon) komen de Ganga en de Khata even geregeld voor als andere
of dezelfde Zandhoenderen in Azië en Afrika. Het Noordafrikaansche
Woestijnhoen bewoont zuidelijker gewesten. Zooals te verwachten was,
strekt het vaderland van deze Vogels zich over een groot deel van
de aarde uit. De Ganga en de Khata zijn veelvuldig in alle voor
haar geschikte gewesten van Noordwest-Afrika, oostwaarts tot Tunis;
zij bewonen bovendien het grootste deel van Azië, o.a. het geheele
steppengebied, en verschijnen, althans 's winters, geregeld in Indië.
Alle Woestijnhoenderen bewonen uitsluitend woestijnen of steppen, op
akkers ziet men ze niet anders dan na het binnenhalen van den oogst. De
met droog, dor, Afrikaansch gras bedekte vlakten, voor 't meerendeel
braakliggende akkers, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen. In
Spanje leven zij in soortgelijke oorden. Angstvallig vermijden zij
boschstreken; daarentegen schijnen zij zich overal, waar, zooals in
de Afrikaansche steppen, laag struikgewas den bodem bedekt, zeer goed
op hun plaats te gevoelen. Zij vestigen zich uitsluitend in oorden,
waar de kleur van den bodem zooveel mogelijk overeenstemt met die
van hun kleed.