De Tortels, die reeds van oudsher door de dichters als zinnebeelden

van liefde en huwelijkstrouw werden geprezen, behagen ons zoowel

door hun schoonheid als door hun aard. De zachte kleuren van hun

kleed gaan op sierlijke wijze in elkander over en vertoonen een

afwisseling, die het oog aangenaam aandoet. Ook de lieftalligheid

van hun inborst verdient waardeering, ofschoon het niet te ontkennen

valt, dat de lof, die hun om deze reden werd toegezwaaid, overdreven

is. Hun sierlijke bewegingen, hun elegante houding en hun zacht

gekir bekoren den waarnemer, die wegens de teederheid, waarmede het

mannetje zijn wijfje behandelt, zich gerechtigd acht deze Vogels als

de beminnelijkste van alle leden hunner klasse te beschouwen.

De Nederlandsche en de Latijnsche naam van deze Duif is een nabootsing

van haar zeer zachte en aangename stem. Haar kirren is eigenlijk een

hoog, eentonig geknor, dat als "toer toer" klinkt en dikwijls herhaald

wordt, maar dit "toer toer" is zoo klankvol, dat het op iedereen een

aangenamen indruk maakt.

Zaden van de meest verschillende planten, vooral van sparren,

dennen, zilversparren, berken, elzen, papavers en in den herfst

van wolfsmelk, vormen het voedsel van den Tortel; tegelijk worden

ook kleine Slakken opgepikt. Voor de akkers is hij nuttig door het

opeten van onkruidzaden; hiernaast komt de schade, die hij door het

wegnemen van hennep-, lijn-, raap- en koolzaad, van gierst, erwten,

linzen en wikken aanricht, niet in aanmerking.

Ook de Tortel broedt in gunstige omstandigheden meermalen per jaar. De

voortplantingsperiode begint spoedig na de aankomst op de broedplaats,

op zijn laatst in Mei, en duurt tot in Augustus. De 2 eieren worden

beurtelings bebroed door de beide ouders; deze verlaten hunne jongen

zelfs bij in 't oogvallend levensgevaar niet en voeden ze op dezelfde

wijze als de andere Duiven.

Met uitzondering van de Rotsduif en den Tortel, wordt geen ander lid

der orde veelvuldiger getemd dan de aan deze nauw verwante Lachduif

(Turter risorius) die bij ons, evenals de vorige soort, gewoonlijk

"Tortelduif" wordt genoemd. Zij is isabelgeel, op den rug donkerder,

op den kop, de keel en den buik lichter van kleur; de slagpennen zijn

zwartachtig; de nekband is zwart, het oog lichtrood, de snavel zwart,

de poot karmijnrood. Totale lengte 31, vleugellengte 17, staartlengte

13 cM.

Het vaderland van de Lachduif is Noordoost-Afrika en Indië. Zij

bewoont bij voorkeur dorre, woestijnachtige steppen, begint reeds

in Nubië veelvuldig voor te komen en verder zuidwaarts meer en meer;

in Centraal-Afrika is deze soort sterker vertegenwoordigd dan eenige

andere van de geheele orde. Bij een rit door de Sahara of door een

andere steppe van het binnenland, onverschillig welke, hoort men het

gelach en gekir van deze Duiven bijna uit iederen struik. In bepaalde

tijden van het jaar, tegen het begin van het droge seizoen, verzamelen

zij zich in sommige bosschen tot ontelbare zwermen. Soms ziet men

vele minuten achtereen dichte drommen van deze Vogels voorbijtrekken,

die, wanneer zij neerstrijken, een terrein van verscheidene vierkante

kilometers bedekken.

De stem van de Lachduif gelijkt op het gekir van den Tortel, maar

gaat geregeld gepaard met geluiden, die men met lachen vergeleken

heeft, omdat zij als "hi hi hi hi" klinken. Dat deze vergelijking,

evenals iedere andere, mank gaat, behoeft niet eens uitdrukkelijk

verzekerd te worden: aan de genoemde geluiden ontbreekt de heldere,

opene klank van het lachen; zij klinken dof, hol en volstrekt niet

vroolijk, hoewel niet onaangenaam.

Als men zich veel met deze Vogels bemoeit, worden zij zeer tam;

gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, naar eigen verkiezing uit en in

hun hok te vliegen. In den fraaien tuin van het lustslot bij Triëst,

vindt men een aantal van deze dieren, die hier even vrij leven als

onze Veldduiven. Bij goede verzorging kan men ze zelfs in een enge

kooi wel 15 of 20 jaar in 't leven houden.

De Australische Spiegelduiven (Phaps) zijn betrekkelijk groot en

meestal ook krachtig gebouwd; haar staart bevat 16 pennen en is korter

of althans niet langer aan de naar verhouding korte vleugels. Haar

vederenkleed is bont en gekenmerkt door den eigenaardigen metaalglans

der dekveeren.

Tot dit geslacht behoort de Gekuifde Tortel (Phaps lophotes); hij

is vooral kenbaar aan de lange, spitse kuif, die door de verlengde

veeren van den achterkop gevormd wordt. De kop, het aangezicht en de

onderdeelen zijn grijs, de veeren van den achterkop zwart, die van

de bovendeelen licht olijfbruin. Totale lengte 35, vleugellengte 15,

staartlengte 15 cM.

Door zijn sierlijke gestalte en eigenaardige, slanke kuif maakt

deze Vogel een bekoorlijken indruk; hij is een der fraaiste

Vogels van Australië. Soms vereenigen de Gekuifde Tortels zich

tot talrijke vluchten; als deze gedurende het droge seizoen bij

meren of rivieroevers komen, kiezen zij een enkelen boom of struik

als rustplaats voor hen allen uit. In grooten getale zitten zij dan

dicht bij elkander; gelijktijdig vliegen zij naar 't water, zoo dicht

opeengedrongen, dat men er met één schot dozijnen kan dooden. Deze

fraaie Duif is tegenwoordig een sieraad van de volières van alle

Europeesche diergaarden. Zij vereischt niet veel zorg, blijft jaren

lang leven en plant zich in de gevangenschap geregeld voort.

Een tweede soort van hetzelfde geslacht--de Bronsvleugelige Spiegelduif

(Phaps chalcoptera)--mist de kuif; hare bovendeelen zijn bruin, de

achterkop donkerbruin, de onderdeelen wijnrood; de vleugeldekveeren

zijn met langwerpige koperbronskleurige, iriseerende vlekken, twee

of drie armpennen met glanzige, groene vlekken versierd.

Deze Duif is, naar het schijnt, over geheel Nieuw-Holland

verbreid; in sommige gewesten komt zij echter alleen als trekvogel

voor. Dorre, met struiken of heide begroeide vlakten zijn hare liefste

verblijfplaatsen. Haar vleesch wordt uitmuntend geacht zoowel door de

blanken als door de inboorlingen. Na den broedtijd maakt men ijverig

jacht op haar; als het geluk den jager begunstigt, kan hij er in één

dag 20 à 30 paar dooden. Ook zij is tegenwoordig in onze diergaarden

niet zeldzaam.

De leden van de onderfamilie der Loopduiven (Geotrygoninae) kenmerken

zich door hun gedrongen lichaamsbouw, krachtig ontwikkelde voeten en

betrekkelijk korte vleugels.

Een der meest typische soorten van het geslacht der Grondduiven

(Geotrygon) is de Patrijsduif (Geotrygon cyanocephala). De

chocolade-bruine grondkleur gaat op de onderdeelen in roodbruin over

en is op de borst met een wijnrood waas overdekt; de bovenkop en

eenige schubvormige halsveeren zijwaarts van de keel zijn leiblauw,

het aangezicht, de nek en de keel zwart, de teugel en een band,

die het zwarte kropschild omsluit, zuiver wit. Totale lengte 31,

vleugellengte 13, staartlengte 13 cM.

In de Cubaansche oerwouden, vooral in die met steenachtigen bodem,

behoort deze prachtige Vogel thuis; hij komt zoomin in het veld als in

de Savanna voor; noordwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich tot

Florida, zuidwaarts over Jamaika tot Venezuela uit. De Patrijsduif

leeft zeer teruggetrokken en wordt van jaar tot jaar zeldzamer,

daar de steeds verder voortschrijdende ontginning van het woud haar

verdrijft en de Kreolen, aangelokt door haar uitmuntend vleesch of door

den prijs, dien zij er voor kunnen krijgen, geen gelegenheid voorbij

laten gaan om haar te dooden. Met ingetrokken hals en opgerichten

staart schrijdt zij langzaam voort, op den grond zoekend naar zaden,

bessen en soms ook naar kleine Slakken, waartoe zij soms de bladen

wegkrabt. Als zij verzadigd is, zet zij zich op een horizontalen,

bladerloozen tak of op een liane neer om uit te rusten. Van tijd

tot tijd laat zij haar lokstem hooren, die uit twee doffe geluiden

"hoe-oep" bestaat. Deze leiden haar niet zelden ten verderve; daar

men om haar te vangen gebruik maakt van een vastgebonden lokvogel van

dezelfde soort of, zoo deze ontbreekt, van een lokfluit, die van een

boomvrucht wordt vervaardigd. De vogelvanger laat ter rechter tijd

een net vallen over de wilde Vogels, die op de echte of nagebootste

klanken afkomen en verkoopt ze daarna levend aan den naastbijwonenden

poelier, die ze in groote kooien bewaart en voedert, totdat hij ze

slijten kan. Aan deze kooplieden danken wij de Patrijsduiven, die in

onze volières prijken. Die, welke ik in de kooi zag of zelf hield,

zaten met opgezette veeren dikwijls langen tijd stil op dezelfde

plaats, bewogen zich slechts op den bodem, bevuilden zich aanhoudend

en maakten veel minder werk van het schoonhouden harer veeren dan

de andere Duiven. Voor zoover ik mij herinner, heb ik nooit de stem

van een mijner gevangenen gehoord; mogelijk is het echter, dat zij

zich wel lieten hooren, maar dat zulks door mij niet werd opgemerkt,

omdat zij in gezelschap van vele andere Duiven leefden. Aan ons klimaat

schenen zij niet goed te kunnen gewennen: elke koele zomerdag bracht

haar in een onbehagelijke stemming; iedere regenbui maakte haar bijna

ziek. Toch zegt men, dat zij zich in sommige Europeesche dierentuinen

voortgeplant hebben.

Een van de prachtigste Duiven is de Manen-, Kraag- of Nicobar-duif

(Caloenas nicobarica). Zij is zeer gedrongen gebouwd; haar

betrekkelijk dikke snavel heeft bij het voorhoofd en een zachte,

bolvormige wrat; de pooten gelijken op die van een Hoen, daar zij

zeer stevig gebouwd zijn en een hoogen loop met korte teenen hebben;

de vleugels zijn zeer lang en breed; het vederenkleed is goed gevuld;

de smalle veeren van de halsstreek zijn zoo sterk verlengd, dat zij

ver afhangende manen vormen. De kop, de hals, de onderdeelen en de

slagpennen zijn zwartachtig groen; de veeren van de onderzijde met

korenbloemblauwen zoom; de langste veeren van den halskraag zijn,

evenals die van den rug en den staartwortel en de vleugeldekveeren,

grasgroen en vertoonen metaalglans; de kortere veeren van den halskraag

hebben een goudkleurigen glans; de staartveeren zijn zuiver wit. De

iris is roodbruin, de snavel leerachtig zwart, de poot roodachtig

purperkleurig. Totale lengte 36, vleugellengte 25, staartlengte 7 cM.

Van de Nicobaren tot bij de noordoostkust van Nieuw-Guinea heeft men

de Manenduif op alle eilanden gevonden; vooral echter is zij talrijk

op kleine, onbewoonde eilanden, hetzij deze in de nabijheid van groote

landmassa's of ver vandaar te midden van den oceaan liggen. Zij is

een van die soorten, welke bijna uitsluitend op den grond verblijf

houden; haar wijze van vliegen schijnt log. De Europeanen, die zich in

het vaderland van deze Vogels gevestigd hebben, houden hen dikwijls

in de kooi; naar Europa worden zij niet zoo vaak gebracht, als men

zou wenschen.

Verscheidene paren hebben in den Londenschen dierentuin herhaaldelijk

gebroed en jongen grootgebracht.

De grootste van alle thans levende Duiven zijn de Kroonduiven

(Megapelia). Behalve aan haar aanzienlijke grootte zijn zij kenbaar

aan haar kleed, dat uit groote, wijdbaardige veeren samengesteld is,

vooral ook aan haar prachtigen koptooi, die uit losbaardige veeren

bestaat en in opgerichten toestand een waaier vormt. Dit geslacht omvat

vijf soorten, die op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden inheemsch

zijn en waarvan er twee niet al te zelden bij ons in de kooi voorkomen.

De Kroonduif (Megapelia coronata) bereikt een lengte van 75 cM. De

hoofdkleur van het vederenkleed is leiblauw: de mantel en de schouders

zijn vuil bruinrood, de grootste vleugeldekveeren op 't midden wit

(waardoor op den vleugel een band ontstaat), aan den wortel zwart,

aan de spits bruinrood, de staartveeren aan den top met een breeden,

licht leikleurigen band versierd. Het oog is karmijnrood, de poot

rood, witgepoederd.

Bij de iets grootere Waaierduif (Megapelia victoriae), is de hoofdkleur

eveneens leiblauw, de onderzijde echter kastanjeroodbruin, de

vleugelband blauwgrijs, de breede eindband van den staart grijsachtig

wit; de veeren van de kopkuif zijn over een groot deel van haar lengte

losbaardig, maar aan den top met kleine baarden bezet, die gezamenlijk

een langwerpige driehoek vormen. Het oog is vermiljoenrood, de poot

vleeschkleurig.

De Kroonduif komt veelvuldig voor op de kust van Nieuw-Guinea en op

de eilanden Waigioe, Salawatti en Misool. Haar levenswijze gelijkt

op die der Fazanten; in kleine troepen zwerft zij in het woud rond

en houdt zich bij voorkeur op den bodem op. Wallace heeft haar op

Nieuw-Guinea dikwijls op de boschpaden zien rondloopen; zij brengt

het grootste deel van den dag op den grond door en voedt zich hier

met afgevallen vruchten; zij vliegt slechts, wanneer zij opgejaagd

wordt, om zich neer te zetten op een van de onderste twijgen van den

naastbijgelegen boom, die haar ook een slaapplaats verschaffen. Het is

niet moeielijk de Kroonduif te schieten. Zij wordt tamelijk dikwijls

levend naar Amboina, Banda, Java en van daar naar Europa gebracht,

hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de onjuiste meening, dat zij

ook op deze eilanden thuis behoort. De Waaierduif schijnt zeldzamer

te zijn en bewoont zuidelijker gewesten van Nieuw-Guinea.

Ook thans nog ziet men de levende Kroonduiven het veelvuldigst in

de dierentuinen van Nederland. Bij eenvoudig voedsel houden zij zich

zeer goed, komen in beschutte ruimten den winter goed door en broeden,

althans in den Londenschen dierentuin, vrij geregeld. Ook in andere

diergaarden hebben de Kroonduiven herhaaldelijk eieren gelegd en

uitgebroed, maar nog nooit jongen grootgebracht.

De onderfamilie van de Getande Duiven (Didunculinae), die slechts

door één soort (Didunculus strigirostris) vertegenwoordigd wordt,

ontleent haar wetenschappelijken naam aan de overeenkomst, die sommige

dierkundigen tusschen haar en de leden van de volgende familie meenden

op te merken. Zij is iets plomper van gestalte dan een Grondduif. Haar

romp is krachtig, haar kop groot, de snavel veel hooger dan breed;

de bovensnavel, welks rug eerst bovenwaarts, van hier tot aan de

spits gelijkmatig sterk naar beneden gebogen is, eindigt in een

scherpen haak en heeft aan den zijrand geen tand of inkerving;

de ondersnavel is naar onderen uitgebogen, van voren echter scheef

afgeknot en hier aan iedere zijde met twee inkervingen voorzien,

waardoor drie tandvormige uitsteeksels ontstaan; de zijrand is ondiep

uitgesneden. De poot eindigt in een krachtige, echte duivenvoet: de

loop is iets langer dan de middelste teen en onbevederd; de teenen

zijn vrij. De staart bestaat uit 14 stuurpennen en is korter dan bij

de Huisduif; de vleugels zijn eenigszins afgerond; de kop is om de

oogen en aan de teugels naakt. De kop, de hals en de onderdeelen zijn

metaalglanzig groen; de mantel, de benedenrug en de staartwortel, de

bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren zijn fraai roodbruin,

de slagpennen donker loodkleurig grijs. Het oog is donker roodachtig

bruin, de naakte kring er omheen en de teugelstrepen oranjerood,

aan de spits lichtgeel, de poot helderrood, iedere klauw geelachtig

wit. Totale lengte 33, vleugellengte 18, staartlengte 8 cM.

Voor zoover men weet, komt de Getande Duif nergens anders

voor dan op Oepoloe en Sawaii, twee van de Samoa-eilanden, en

ook hier slechts op bepaalde terreinen van betrekkelijk geringe

uitgestrektheid. Zij bewoont boschrijke bergstreken op eenigen afstand

van de kust. Tegenwoordig is zij op Oepoloe zeldzaam geworden, niet

zoozeer omdat de inboorlingen vuurwapenen hebben leeren gebruiken, als

wel wegens hun liefhebberij voor Katten; deze zijn hier gedeeltelijk

verwilderd en hebben naar men zegt een groote opruiming gehouden

onder de tot dusver door geen enkel roofdier bedreigde Vogels. De

inboorlingen noemen ze "Manoemea" (Roode Vogels) en houden zooveel

van haar voortreffelijk vleesch, dat zij jaarlijks een langdurigen

jachttocht naar de bergen ondernemen, met geen andere bedoeling dan om

Manoemea's te vangen. De Katten hebben dezen Vogel echter gevolgd tot

in de gebergten, waarin hij de wijk genomen heeft.--Door haar wijze

van vliegen gelijkt de Getande Duif op de overige Duiven; zij maakt

hierbij echter zooveel gedruisch, dat men het opvliegen op eenigen

afstand kan hooren hetgeen onder de inboorlingen aanleiding gegeven

heeft tot het spreekwoord: "hij raast als de Manoemea". Volgens de

berichten van de inboorlingen wordt het nest op den bodem gebouwd,

broeden de beide ouders om beurten en doen dit met zooveel ijver,

dat zij gedurende dit bedrijf met de hand gegrepen kunnen worden.

Herhaaldelijk heeft men dezen Vogel, die zich gemakkelijk laat temmen,

naar Europeesche diergaarden overgebracht. Hij eet groene vruchten,

waar hij, zoo noodig, stukken uitbijt; hij is het eenige lid van zijn

familie, die dit doet. Groote vruchten maakt hij stuk, zonder ze met de

pooten vast te houden; een noot kan hij gemakkelijk kraken. Hij drinkt

niet, zooals de andere Duiven, zuigend, maar zooals de Ganzen, door

water in de bek te nemen en dan schielijk den kop achterover te buigen.

Den 1en Mei 1598 verliet een door de "Compagnie van verre" uitgezonden

vloot van 4 schepen onder bevel van den Admiraal Jacob van Neck de

reede van Texel, om handelsbetrekkingen aan te knoopen op Java. Bij

het omzeilen van Afrika door stormen beloopen, dwaalden eenige

schepen, waarbij dat van den onder-admiraal Wijbrand van Waerwijck,

naar het eiland Mauritius af. Hier vonden de reizigers in grooten

getale een soort van Vogels, die in staat waren om te vliegen,

een Zwaan in grootte overtroffen en wel 50 pond zwaar waren. (Deze

hadden echter, naar het schijnt, reeds veel vroeger, in 1497,

de aandacht getrokken van Vasco de Gama's metgezellen, die hen op

grond van hun uiterlijk, ondanks het ontbreken van de zwemvliezen,

"Zwanen" noemden en hun woonplaats als het Zwaneneiland op de kaart

aanteekenden.) De Hollandsche zeelieden gaven aan deze dieren den naam

van Walgvogels, wegens de walging, die dit wild hun veroorzaakte; toch

aten zij het, zoutten het in en namen het als proviand mede. Latere

bezoekers van Mauritius vervingen den naam Walgvogel door dien van

Dodaars, welke ook aan den Kleinen Fuut hier te lande wordt gegeven,

wegens het gemis van lange veeren in den staart. Kort daarna kwamen

de thans meer gebruikelijke namen Dodo en Dronte, nog later de

aanduiding Didus ineptus in zwang. In 1638 werd een dezer Vogels

levend in Engeland vertoond, ruim een tiental jaren vroeger was dit

in Holland gebeurd. Naar deze voorwerpen zijn afbeeldingen gemaakt,

o.a. is de Dronte een van de (grootendeels zeer onjuist geteekende)

dieren, voorkomende op de schilderijen van Roelant Savery, die het

paradijs voorstellen en in verschillende kabinetten, o.a. in dat te

's-Gravenhage, een plaats hebben gevonden. Bontius, een Hollandsch

geneesheer, die van 1627 tot 1658 te Batavia woonde, heeft de

beste afbeelding en beschrijving van de Dronte gegeven. Lang bleef

de gelegenheid tot het aanvullen van deze berichten niet bestaan,

daar reeds in 1679 het weerlooze dier volkomen uitgeroeid was. In

1755 werd een door de Motten beschadigd opgestopt, exemplaar in het

museum te Oxford, met uitzondering van een kop en een poot, door den

conservator weggeworpen; andere dergelijke overblijfselen (kop, poot,

bovenkaak) zijn in de musea van Haarlem, Londen, Kopenhagen en Praag

voorhanden. In 1865 werden uit een moeras op Mauritius een menigte

Dodo-beenderen opgegraven, die het mogelijk maakten een volledige

beschrijving van het skelet van dezen Vogel te geven.--De vleugels

zijn kort en zwak, de lange pooten zeer krachtig, de korte, dikke

loop heeft vier teenen, de staart een geringe lengte, het borstbeen

een hooge kam; de mondspleet strekt zich tot onder de oogen uit; de

snavel is hoog en tamelijk lang, de bovensnavel van achteren met een

washuid bekleed, van voren gewelfd; de spits haakvormig naar beneden

gebogen, de schedelholte opmerkelijk klein. Uit de beschrijvingen van

ooggetuigen valt voorts af te leiden, dat de hals met een kropvormige

opzwelling voorzien en, evenals de kop, slechts met een zacht dons

bekleed was; de korte, dikke romp eindigde in een bundeltje van

slappe staartwortelveeren, daar de stuurpennen ontbraken, evenals

de stijve pennen in de vleugels, die daarom voor 't vliegen geheel

ongeschikt waren. Het vederenkleed had een grijze kleur, de vleugels

met geelachtige tint.

Uit Owen's onderzoek van het skelet van den Dodo is zijn verwantschap

met de Duifvogels gebleken. Met eenige verwante, eveneens uitgestorven

soorten wordt hij beschouwd als een familie van deze orde--de Drontes

(Dididae). De bedoelde soorten--de Solitaires (Pezophaps)--leefden

nog in de 17e eeuw op de eilanden Bourbon (Réunion) en Rodriguez, de

naaste buren van Mauritius. In 1618 zag men voor 't eerst de Solitaire

van Bourbon (Pezophaps apterornis), die in grootte met een Kalkoen

overeenkwam, maar hooger op de pooten stond en een snavel had als een

Houtsnip; omstreeks het midden der eeuw was hij uitgeroeid. In 1691

ontdekte Leguat de Solitaire van Rodriguez (Pezophaps solitarius),

die sedert niet meer levend werd waargenomen, maar waarvan skeletten

in de alluviale gronden bewaard zijn gebleven. Hij had een snavel

als een Kalkoen, maar was veel grooter dan deze, daar zijn gewicht

meer dan 45 pond bedroeg.

De Zandhoenderen (Pteroclidae), die een afzonderlijke familie

vormen, zijn Duifvogels, geschikt voor het leven in de woestijn. Hun

vreemdsoortig vaderland, de boomlooze en schaars met planten begroeide

vlakte, hetzij deze zich als woestijn of als steppe, als woestijnachtig

veld of als verwaarloosd bouwland vertoont, spiegelt zich af, is als

't ware belichaamd in deze Vogels. Het gaf hun, zijne bevoorrechte

kinderen, niet slechts het woestijnkleed in zijn grootst mogelijke

volkomenheid, maar ook de beweeglijkheid die het dier geschikt maakt

om in zulk een arm gebied in zijne behoeften te voorzien.

De Zandhoenderen of Woestijnhoenderen schijnen, wegens hunne lange

vleugels en hun langen staart, slank, maar hebben in werkelijkheid een

zeer gedrongen lichaamsbouw. Hun romp is kort, de borst zeer gewelfd,

de hals middelmatig lang, de kop klein en sierlijk, de snavel klein,

kort, op den rug flauw gebogen. De voeten zijn klein, d. w. z. hebben

een tamelijk korten loop en zeer korte teenen, bij de soorten van

één geslacht op een eigenaardige wijze verkleind, alle voorteenen tot

aan het eerste gewricht en nog verder door een spanvlies verbonden,

of gelijk men ook kan zeggen, onderling vergroeid en met vliezen

gezoomd; de achterteen is een kort stompje en hooger ingeplant

dan de voorteenen, of ontbreekt geheel; de nagels zijn kort, flauw

gebogen, stomp en breed. De vleugel is kortarmig, de wiek zeer lang; de

slagpennen nemen, bij de eerste te beginnen, gelijkmatig in lengte af;

de staart bestaat uit 14 à 18 stuurpennen, is soms afgerond, gewoonlijk

echter wigvormig toegespitst; zijne beide middelste veeren overtreffen

dikwijls de overige zeer in lengte. Het kleed bestaat uit tamelijk

korte, breede, afgeronde, zeer harde veeren, die aan het lichaam,

hoewel zij dit los bekleeden, toch een glad uiterlijk verschaffen. De

kleur is echt woestijnachtig, d. w. z. volkomen in overeenstemming

met die van den bodem, gelijkt dus in hoofdzaak op die van het zand;

gewoonlijk is de teekening buitengewoon sierlijk en vol afwisseling.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 10 / 12 段