De aard en de gewoonten van de Woestijnhoenderen zijn

karakteristiek. Hun gang is licht en fraai, gelijkt meer op dien van

Hoenderen dan op dien van Duiven, maar is toch altijd eenigszins

trippelend, niet werkelijk rennend, zooals bij de Hoenderen. Bij

hun gedruischmakende en onstuimige vlucht, welke eenigszins aan

die der Duiven, veel meer echter aan die der Pluvieren herinnert,

volgen de vleugelslagen gelijkmatig en snel opeen. Hun stem is

zoo eigenaardig, dat zij niet met die van andere Vogels verward

kan worden. De Arabische naam "Khata", of liever "Khadda" is een

klankbeeld van het geschreeuw, dat men van hen hoort, terwijl zij

vliegen; de veel zachter klinkende geluiden, welke zij bij het loopen

op den grond maken, kunnen ongeveer door de lettergrepen "gloek"

of "poek" voorgesteld worden en hebben ongeveer de beteekenis van

een gezellig gesprek. Hun inborst komt ons voor als een mengsel van

tegenstrijdige eigenschappen. Zij zijn buitengewoon gezellig, maar

bemoeien zich eigenlijk alleen met hunne soortgenooten. Hoewel zij

met de meest verschillende Vogels in vollen vrede leven, geven zij

soms, evenals de Duiven, blijken van valschheid en nijd, zonder dat

men de reden hiervan kan opsporen. Zij blijven eendrachtig bijeen,

maar beginnen toch nu en dan een tweegevecht en houden dapper vol,

hoewel er bij hen geen sprake is van den spreekwoordelijken strijdlust

der hanen en een strijd op leven en dood waarschijnlijk nooit voorkomt.

Hun dagelijksch leven is zeer geregeld. Behalve in de middaguren en

misschien omstreeks middernacht zijn zij voortdurend in de weer,

althans wakker. Nog voordat de dag is aangebroken, hoort men de

geluiden van hun gewoon onderling verkeer; zoodra men de voorwerpen

kan onderscheiden, ziet men ze ijverig tusschen de lage graspollen

doorloopen en voedsel pikken. Als zij niet gestoord worden, duurt

dit voort tot omstreeks 9 uur 's voormiddags; daarna vliegen zij

(iets vroeger of iets later, al naar het jaargetijde) naar de

drinkplaats. Hier komen in een tijdsbestek van één uur duizenden aan;

deze duizenden verzamelen zich aan een kleine poel, indien de streek

arm is aan water; zij verdeelen zich in troepen over alle geschikte

plaatsen langs den rivieroever, indien het land met rivieren doorsneden

is. Nadat zij gedronken hebben, begint de rust, die met den aanvang

van de spijsvertering gepaard moet gaan; men ziet dan de leden van

het gezelschap, in afzonderlijke troepjes verdeeld, in behagelijke

rust gelegerd in door hen zelf uitgekrabde, ondiepe kuiltjes of wel

onmiddellijk op het zand, gewoonlijk plat met den buik tegen den bodem

aangedrukt, dikwijls echter op de zijde liggend, nu eens op de eene,

dan weer op de andere, terwijl telkens de eene vleugel uitgespreid

en aan de zonnestralen blootgesteld wordt.

De Woestijnhoenderen zijn alleen daar, waar zij vervolgd worden,

schuw; in de eigenlijke woestijn, waar zij weinig met menschen

in aanraking komen, laten zij den ruiter op zijn kameel tot op een

afstand van weinige schreden naderen; zelfs voor den voetganger is het

niet moeielijk in hun nabijheid te komen. Men moet echter een zeer

scherp gezicht hebben om ze op te merken. Wanneer het Woestijnhoen

zwijgend en bewegingloos op den grond uitgestrekt ligt, welks kleur

het tot in de fijnste nuances op zijn vederkleed draagt, is het als

't ware een deel van den bodem geworden, zoodat men het er niet meer

van onderscheiden kan.

Het voedsel van deze Vogels bestaat, zoo niet uitsluitend, dan toch

nagenoeg geheel uit zaden. Overal waar in de nabijheid van de woestijn

akkers voorkomen, kost hun het inzamelen der daar verbouwde zaden,

althans gedurende eenigen tijd, weinig moeite.

In Zuid-Europa en Noord-Afrika broeden de Woestijnhoenderen in de

eerste lentemaanden; verder op in Afrika doen zij dit in het begin

van den regentijd, die daar onze lente vervangt, in Zuid-Indië in

de maanden tusschen December en Mei, in Middel-Indië iets later. De

eieren van alle tot dusver bekende soorten worden in het zand gelegd en

gelijken veel op elkaar. In kleur stemmen zij met hun omgeving overeen;

de grondkleur is helder bruingeel, soms zuiver, soms groenachtig of

roodachtig getint; de schaalvlekken wisselen af van licht tot donker

violetgrijs, de overige vlekken van geelbruin tot roodbruin.

Ook de Woestijnhoenderen hebben in den mensch hun ergsten vijand;

want tegen de meeste roofdieren zijn zij beveiligd door hun snelle

vlucht. Zoolang zij nog niet schuw geworden zijn, is het niet

moeielijk ze te bemachtigen; zij vertrouwen in den regel te veel op

hun zandkleurig kleed. Geheel anders gedragen zij zich op plaatsen,

waar zij vervolgingen hebben ondergaan. Hier moet men hen bij hun

drinkplaats opwachten.

Nog overvloediger is de buit, naar het schijnt, wanneer men strikken

zet. "De Woestijnhoenderen", zegt Bolle, "loopen, omdat hunne pooten

zoo kort zijn, nooit vrijwillig over groote steenen, maar maken liever

een omweg om op den vlakken grond te kunnen blijven; wanneer men dus

een pad naar 't water maakt door steenen op twee reeksen te plaatsen

en in de tusschenruimte, die juist wijd genoeg is om een Ganga door

te laten, strikken aanbrengt, vangt men er vele levend."

In de gevangenschap wordt deze in vrijheid schuwe Vogel zeer tam.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 12 / 12 段