in 't leven blijven. Zij geraken gemakkelijk gewoon aan een doelmatig
gekozen voedsel; gemengde zaden voldoen aan al hare eischen. Het is
echter een zeldzaamheid, dat zij zich in de kooi voortplanten.
De Kleine Boschduif (Columba oenas), heeft den kop en den hals, het
bovenste deel van den vleugel, den benedenrug en den staartwortel
"duivenblauw", den bovenrug donker grijsblauw, de kropstreek wijnrood,
de overige onderdeelen dof "duivenblauw"; de slagpennen en de
uiteinden der stuurpennen zijn leikleurig blauw; de vleugel heeft
een afgebroken donkere band; de nek iriseert op een voor de Duiven
karakteristieke wijze. Het oog is donkerbruin, de snavel lichtgeel,
aan den wortel donker vleeschrood, als 't ware wit gepoederd, de poot
dof donkerrood. Totale lengte 32, vleugellengte 22, staartlengte 13 cM.
Ongeveer dezelfde landen als door de Woudduif bewoond worden, herbergen
ook de Kleine Boschduif; zij is echter overal zeldzamer, om de zeer
deugdelijke reden, dat zij niet overal wonen kan, daar zij voor haar
nest oude boomen met geschikte holten noodig heeft. Zij houdt zich op
in bosschen van allerlei soort, niet zelden ook op boomen te midden
van het veld, als deze een holte bevatten geschikt om er een nest in
te bouwen, soms op boomen in de onmiddellijke nabijheid van dorpen;
in Middel-Duitschland neemt zij echter van jaar tot jaar meer af. In
Nederland werd zij in kleinen getale in Gelderland, Noordbrabant,
Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland gezien of gevangen, in de
vier eerstgenoemde provinciën (bij Nijmegen, Rheden en Ellecom, in
de Meijerij van 's Hertogenbosch en 's Graveland bij Soestdijk) ook
broedend waargenomen (Albarda). In Middel-Duitschland verschijnen
deze Vogels, ieder afzonderlijk reizend, in Maart; tot vluchten
vereenigd, begeven zij zich omstreeks het midden van October naar
hunne winterkwartieren. Een enkele maal heeft men in Nederland (bij
's Graveland) ook 's winters Duiven van deze soort gezien; men mag ze
dus als standvogels beschouwen. Zij overwinteren reeds in Zuid Europa;
zelden steken enkele vluchten naar Noordwest-Afrika over.
De bewegingen van de Kleine Boschduif zijn minder vlug en onstuimig,
maar behendiger dan die van de Woudduif; zij loopt beter en vliegt
flink. Haar stem verschilt aanmerkelijk van die harer verwanten
(Woudduif en Rotsduif): zij roekoekt eenvoudig "hoe hoe hoe." Haar
voedsel bestaat uit allerlei zaden.
Een paar Duiven van deze soort levert een tafereel van trouwe liefde
op. Het mannetje is zeer gehecht aan zijn wijfje, is gewoonlijk in haar
nabijheid, kort haar den tijd met "roekoeken", terwijl zij broedt en
begeleidt haar, wanneer zij van de eieren wordt afgejaagd. Onmiddellijk
na de terugkomst in 't vaderland, in de lente, zoekt het paar een voor
den nestbouw geschikte holte op; hier vindt men reeds in het begin van
April 2 witte eieren. De beide ouders broeden met zelfverloochenenden
ijver. Zoo onverschillig als de Woudduiven voor hare eieren zijn, zoo
gehecht zijn de Kleine Boschduiven er aan. Zij zitten niet slechts
zeer "vast", zóó zelfs, dat men de broedende Duif soms grijpen kan,
maar zoeken, zelfs met gevaar voor haar leven, het nest weer op,
wanneer zij er van verjaagd zijn. Men kan op het wijfje schieten,
zonder dat zij hare eieren verlaat.
De Kleine Boschduif kan gemakkelijker getemd worden dan de Woudduif;
zij begeeft zich soms vrijwillig in het gezelschap van de Veldduiven;
naar gezegd wordt, paart zij zelfs met deze.
Als stammoeder van de Tamme Duiven of Huisduiven is de Rotsduif
(Columba livia) voor ons de belangrijkste soort. De bovendeelen zijn
licht aschkleurig blauw, de onderdeelen "duivenblauw"; de kop is
licht leikleurig blauw, de hals tot aan de borst donker leikleurig,
van boven licht blauwgroen, van onderen purperkleurig iriseerend; de
benedenrug is wit, de vleugel met twee zwarte dwarsbanden geteekend;
de slagpennen zijn aschgrauw, de stuurpennen donker papaverblauw,
aan de spits zwart, de buitenste op de buitenvlag wit. Het oog
is zwavelgeel, de snavel zwart, aan den wortel lichtblauw, de poot
donker blauwrood. Het mannetje en het wijfje verschillen nagenoeg niet
van kleur; de jongen zijn donkerder dan de ouden. Totale lengte 34,
vleugellengte 21, staartlengte 11 cM.
In Nederland komt deze soort in 't wild niet voor. Men vond volgens
Mr. H. Albarda verwilderde Huisduiven, ook wel Wilde Duiven, Veldduiven
of Veldvluchters, in Friesland Gib of Wilde Gib genoemd, "vroeger
in grooten getale te Leeuwarden, waar zij hun voedsel op de straten
zochten en op torens en oude gebouwen broedden en alzoo geheel zonder
's menschen toedoen leefden en voortteelden. Thans vindt men ze niet
meer dan in halfwilden staat op duiventillen ten platten lande."
Het verbreidingsgebied van de Rotsduif, waarvan verscheidene
standvastige ondersoorten bestaan, bepaalt zich in Europa tot eenige
eilanden van het noorden en tot de kusten van de Middellandsche
Zee; het omvat echter bovendien geheel Noord-Afrika, Palestina,
Syrië, Klein-Azië en Perzië, alsmede enkele gedeelten van het
Himalaja-gebied. Geregeld treft men haar aan in verschillende oorden
langs de westkust van Schotland, op de Fär-öer en het rotsachtige
eiland Rennesö bij Stavanger, verder op bijna alle voor haar
geschikte rotswanden van de Middellandsche Zeekust, van Triëst af
langs Griekenland, geheel Italië, Frankrijk en het zuiden van Spanje.
In de omstreken van Triëst nestelt de Rotsduif op alle voor haar
geschikte plaatsen; op den Karst vooral in trechtervormige holen
van den grond (dolinen), dikwijls diep onder de oppervlakte, in
Istrië, Dalmatië, Italië, Griekenland, Klein-Azië en ook op alle
Grieksche eilanden in rotsholen dicht bij de zeekust zoowel als op
de hoogste gebergten. In Egypte ziet men, vooral in de nabijheid van
de watervallen, hare nesten in zeer grooten getale in rotswanden,
enkele vluchten zelfs in de woestijn, in oorden, waar men zich
afvragen moet, hoe de armoedige bodem hier in staat is, aan deze
menigte een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen. Verderop
in het binnenland is zij veel zeldzamer; op gunstig gelegen plaatsen
ontbreekt zij echter niet, in iedere rotsklomp met steile wanden
is men zeker haar te zullen ontmoeten. In Indië is zij een van de
algemeenst en veelvuldigst voorkomende Vogels; ook hier broedt zij
in holen en nissen van de rotsen en klippen, zooveel mogelijk in de
buurt van water, en dikwijls in gezelschap van de Alpen-gierzwaluw.
In Indië, zoowel als in Egypte, leeft de Rotsduif ook in halfwilden
toestand en bewoont alle oude, stille gebouwen, stadsmuren, pagoden,
rotstempels en dergelijke monumenten, ook neemt zij haar intrek in
de torens, die ten haren behoeve zijn opgericht. In Opper Egypte
treft men vele buurtschappen aan, die meer ter wille van de Wilde
Duiven dan van den mensch gebouwd schijnen te zijn. Uitsluitend de
onderste verdieping van het huis, dat op een afgeknotte piramide
gelijkt en met een plat dak gedekt is, wordt door den boer bewoond;
de bovenste étage, die gewoonlijk wit aangestreken en ook op andere
wijze versierd is, behoort aan de Wilde Duiven; bovendien heeft men
hier hooge, koepelvormige torens gebouwd, alleen ter wille van deze
Vogels. De muren van al deze gebouwen bestaan niet uit baksteenen,
maar boven een bepaalde hoogte uitsluitend uit groote, eivormige,
dikwandige potten, opeengestapeld en door mortel, of beter gezegd door
slib van den Nijl, aaneenverbonden. Iedere pot heeft een opening aan
zijn naar buiten gekeerd einde; dit gat is echter niet groot genoeg om
als toegang voor een Duif te dienen, maar is bestemd voor het doorlaten
van licht en lucht. Door de opening aan de binnenzijde kan de Duif
gemakkelijk in de pot komen en hierin haar nest bouwen. De ingang tot
de duivenwoning is tamelijk groot en met in den muur vastgemetselde
takkenbossen omgeven, die de plaats innemen van de vliegplankjes. Dat
deze inrichting goed aan het doel beantwoordt, blijkt duidelijk uit
de groote menigte Duiven, die men voortdurend bij de huizen ziet.
In de zuidelijke landen zijn de Rotsduiven standvogels, in het
noorden worden zij door den winter tot trekken genoopt. Vóór
hun vertrek vereenigen zij zich tot talrijke zwermen, die,
naar het schijnt, gedurende hun verblijf in de winterkwartieren
bijeenblijven. Waarschijnlijk trekken zulke duivenzwermen dikwijls
over ons heen, zonder door ons herkend te worden, daar men ze licht
verwarren kan met de Veldduiven.
De handelingen van de Rotsduiven verschillen niet veel van die
onzer Tamme Duiven. Zij zijn behendiger, vooral in het vliegen, dan
onze Veldduiven en in den regel zeer menschenschuw; in alle overige
opzichten verschaffen de gewoonten van de Tamme Duiven ons een getrouw
beeld van die harer stamouders. De Rotsduiven loopen goed, maar knikken
daarbij met den kop, vliegen voortreffelijk, maar met fluitend gesuis,
kunnen een afstand van ongeveer 100 KM. in één uur afleggen, klappen
met de vleugels vóór het opvliegen en zweven, voordat zij neerstrijken,
verheffen zich gaarne tot de groote hoogten en vliegen dikwijls in
dicht aaneengesloten zwermen in kringen rond. De boomen vermijden zij
graag, hoewel zij soms een uitzondering op dezen regel maken. Uren
achtereen loopen zij soms op den bodem rond om voedsel te zoeken;
bij het drinken waden zij niet zelden een eind in het water op;
de Egyptische Rotsduiven gaan, als zij drinken willen, midden op den
stroom zitten, laten zich door de golven dragen en stijgen weer omhoog,
als zij haar dorst gelescht hebben.
De zintuigen en de geestvermogens van de Rotsduif zijn goed
ontwikkeld. Men bemerkt n.l. bij het waarnemen van de Tamme Duiven
weldra, dat men met schrandere, verstandige Vogels te doen heeft
en kan hieruit afleiden, dat het bij de Rotsduif, die zelf niet
gemakkelijk nagegaan kan worden, evenzoo gesteld is. De stem, het
bekende roekoeken, bestaat uit doffe, huilende en rollende tonen,
welker klank op "maroekoe moerkoekoe marhoekoekoe" gelijkt. Iedere
afzonderlijke roep gaat gepaard met draaiingen, wendingen en knikken
met den kop.
Al onze graansoorten en bovendien raapzaad, koolzaad, lijnzaad,
linzen, erwten, enz., vooral echter de zaden van de vogelwikke, die
als onverdelgbaar onkruid zoo gevreesd is, vormen het voedsel van
de Wilde en van de Tamme Duiven. Men heeft ze als schadelijke dieren
beschouwd, omdat zij tamelijk veel voedsel noodig hebben en ons een
merkbaar verlies kunnen veroorzaken; men zal ze echter minder streng
beoordeelen, wanneer men bedenkt, dat zij alleen in den zaaitijd graan
eten en in 't oog houdt, dat zij de veroorzaakte schade rijkelijk
vergoeden door het verslinden van onkruid.
Men onderstelt, dat de Rotsduif minstens tweemaal per jaar broedt,
en weet zeker, dat de Veldduif in den loop van den zomer minstens
drie broedsels grootbrengt. In het begin van de lente roekoekt de
doffer zeer druk, is jegens zijne soortgenooten twistziek en wint
door strijd (niet altijd zonder moeite) zijn wijfje, waaraan hij de
grootste teederheid bewijst. Eenige dagen later drijft de doffer
zijn gade voor zich uit naar de plaats, waar het nest gebouwd zal
worden, vliegt uit om bouwstoffen te verzamelen en voert deze in den
snavel aan; het wijfje bouwt er een nest van. Dit is een vlakke, in 't
midden weinig uitgeholde, zonder eenige kunst samengevoegde hoop droge
rijsjes, stengels van kruiden, stroo en droge grashalmen. Er verloopen
nu nog eenige dagen, voordat het eerste ei gelegd wordt. Het broeden
begint, als het nest twee eieren bevat. Deze hebben een langwerpigen
vorm en een glanzige, gladde en zuiver witte schaal. De beide ouders
broeden: het wijfje zonder verpoozing van 3 uur 's namiddags tot 10
uur 's voormiddags, de doffer gedurende de weinige overige uren. Des
nachts slaapt hij in de onmiddellijke nabijheid van het nest, altijd
bereid om zijn gade naar vermogen te beschermen; hij duldt niet eens
de nadering van een andere Duif. Na 16 à 18 dagen komen de jongen uit;
deze zijn blind en buitengewoon hulpbehoevend; het laatste wordt 24 à
36 uur na het eerste geboren. Aanvankelijk worden zij door de beide
ouders gevoederd met een kaasachtige, door den krop gevormde stof;
later krijgen zij geweekte, ten slotte harde zaden met steentjes en
stukjes leem. Zij zijn na vier weken volwassen, vliegen met hunne
ouders uit en worden binnen weinige dagen zelfstandig, waarna de
ouders voor een tweede broedsel beginnen te zorgen.
Hier te lande zijn de Marters, Slechtvalken en Haviken de ergste
vijanden van de Duiven, in het zuiden hebben zij soortgelijke
vervolgers. Het is bekend, dat vervolgde Duiven dikwijls in huizen
vluchten en daarbij vensterruiten breken.
Rotsduiven, die jong uit het nest genomen worden, gedragen zich geheel
als Veldduiven, sluiten vriendschap met den mensch, doch toonen nooit
de zelfverloochenende onderwerping, die de Huisduiven gewoonlijk aan
den dag leggen.
Reeds ten tijde van de 9e Egyptische dynastie (ongeveer 3000 jaar
vóór den aanvang onzer tijdrekening) werden Duiven getemd. De Duif
is dus een van de oudste huisdieren.
Volgens Darwin, wiens meening op zeer nauwgezette onderzoekingen
gegrond is en door nagenoeg alle hedendaagsche dierkundigen gedeeld
wordt, moet de Rotsduif als de gemeenschappelijke stamvorm van
alle rassen van Huisduiven beschouwd worden. Een der talrijke
gronden, waarop Darwin's meening berust, heeft betrekking op de
kleur. Deze is bij de Rotsduif leiblauw; de vleugels hebben twee
zwarte dwarsbanden. Het achterdeel is veranderlijk van kleur, bij de
Europeesche Duiven meestal wit, bij de Indische blauw; aan den staart
komt dicht bij den top een zwarte dwarsband voor; de buitenvlag der
buitenste stuurpennen heeft, met uitzondering van de spits, een witten
rand. De genoemde teekening is alleen aan de Rotsduif eigen en werd
bij geen andere wilde Duivensoort opgemerkt.
Darwin vestigt de aandacht op het vederenkleed van de bastaarden,
ontstaan door kruising van twee Tamme Duiven van verschillende rassen,
die geen van beide eenig spoor van blauw in hun vederenkleed en ook
niet de dwarsbanden en andere karakteristieke teekeningen van de
Rotsduif vertoonen, welke evenmin bij vele opeenvolgende generaties
harer voorouders voorkwamen. Deze bastaarden zijn soms blauw van
kleur, hebben soms bovendien zwarte dwarsbanden op de vleugels, enz.;
indien zij niet blauw zijn, merkt men toch dikwijls meer of minder
duidelijk het een en ander deel van de karakteristieke teekening
van de Rotsduif bij haar op. Darwin beschouwt dit verschijnsel als
"atavisme" of "terugslag," als het wederoptreden van voorvaderlijke
kenmerken, die gedurende eenige generatiën van voorouders niet te
voorschijn zijn gekomen.
Eindelijk pleit voor de meening van Darwin, dat alle Duivenrassen aan
een enkelen stamvorm hun ontstaan danken, het feit, dat de Rotsduif
een nog levende en ver verbreide soort is, die in verscheidene landen
getemd kan worden en getemd is. Deze soort heeft geheel dezelfde
levenswijze als de Huisduiven, stemt, zoo niet in alle, dan toch
in de meeste opzichten met haar overeen, wat het inwendig maaksel
betreft, terwijl bovendien alle eigenaardigheden van haar vederenkleed
bij de verschillende rassen van Tamme Duiven min of meer verspreid
voorkomen en niet zelden bij afstammelingen van deze in hoogere mate
dan gewoonlijk optreden. Zonder eenig bezwaar paren Rotsduiven met
Tamme Duiven en brengen vruchtbare nakomelingen voort. Dat de Rotsduif
een sterke neiging tot variatie vertoont (men kent minstens 14 in
't wild levende verscheidenheden van deze soort) heeft ongetwijfeld
het ontstaan van de zeer talrijke rassen van Huisduiven zeer bevorderd.
Men vindt allerlei overgangen tusschen de geheel wilde en de volkomen
getemde vormen. Gemakkelijk gaat de Rotsduif in half getemden toestand,
in dien van Veldduif over; waarschijnlijk komt dit ook thans nog wel
voor. Haar onderwerping aan de heerschappij van den mensch bepaalt
zich soms eenvoudig tot het gebruik van de verblijfplaats, die de
mensch haar aanbiedt; deze moet bij voorkeur hoog gelegen en met een
vrij nauwen ingang voorzien zijn, opdat de bewoners veiligheid en rust
kunnen vinden. Zij zoeken zelf haar voedsel op het veld; voedering is
alleen in sommige omstandigheden, o.a. in den winter, noodig. Daar zij
veel aan zich zelf overgelaten zijn, is haar gehechtheid aan den mensch
niet groot; zij verlaten wel eens haar gewone verblijfplaats om op oude
torens en dergelijke gebouwen (doch nooit op boomen) te nestelen. Deze
Duiven, die de vervolgingen van Roofvogels beter kunnen ontgaan dan
de meeste andere rassen, treft men dikwijls bij landlieden aan.
Ook van de Veldduiven zijn tal van verscheidenheden bekend. Deze
zijn gedeeltelijk buiten toedoen van den mensch, gedeeltelijk onder
zijn invloed, door zoogenaamde "teeltkeus", ontstaan en behouden
gebleven. Als de mensch zich bemoeit met de voortplanting der dieren,
geschiedt dit met het doel, om individuën met door hem gewenschte
eigenschappen te verkrijgen; hij doet dit, door de paring te bevorderen
van wezens, welker kenmerken recht geven tot de verwachting, dat het
gewenschte doel bereikt zal worden. De Veldduiven hebben dikwijls
nagenoeg dezelfde kleur als de Rotsduif. Bij vele echter is het
"duivenblauw" vervangen door lichtere kleuren of zelfs door wit,
ook wel door donkere nuances of zelfs door zwart. Niet zelden komen
ook bij haar gemengde kleuren voor. Een kuif op den kop of een sterke
uitbreiding van de bevedering der voeten zijn echter bij deze halfwilde
verscheidenheden uitzonderingen.
Ook de door teeltkeus verkregen rassen--de Luxeduiven of Sierduiven,
gelijk Baldamus ze noemt--verschillen, evenals de Veldduifrassen,
soms alleen door de kleur van 't vederenkleed; in vele gevallen
vertoonen zij echter ook afwijkingen van meer ingrijpenden aard,
hetzij door buitengewoon sterke ontwikkeling van sommige veeren of door
wijzigingen van inwendig maaksel (o.a. van den bouw van het skelet),
die op den vorm en de houding van het geheele lichaam of van enkele
lichaamsdeelen invloed oefenen. (De bedoelde afwijkingen van den
stamvorm zijn grooter dan die, welke bij eenig ander huisdier door
teeltkeus verkregen werden.) Dit geeft aanleiding tot de onderscheiding
van de Sierduiven in drie groepen: de Kleurduiven, de Vederduiven en
de Vormduiven. Tot de eerste groep behooren voor het meerendeel rassen,
die men onder de Veldduiven zou kunnen rekenen, omdat zij een deel van
haar voedsel op het veld zoeken. Voorbeelden zijn: de Leeuwerikduif,
de Monniksduif, de Moorkop enz.
De drie volgende verscheidenheden behooren tot de Vederduiven: De
Russische Trommelduif is o. a. merkwaardig door haar mutsvormige kuif
en de lange, over den geheelen loop en alle teenen zich uitstrekkende
bevedering van den voet; zij ontleent haar naam aan haar trommelend
gekir. De Meeuwtjes hebben een zeer korten, kegelvormigen snavel,
een spitse kuif op den kop en fraaie, gekroesde veeren (jabot) langs
de geheele voorzijde van den hals. De Raadsheeren zijn getooid met een
uit gekrulde veeren bestaanden halskraag, die soms, van de voorborst
uitgaande, den nek en den achterkop omgeeft.
Merkwaardige voorbeelden van Vormduiven zijn: de Pauwstaarten
met kleinen kop, slanken, achterwaarts gebogen hals en korten,
ineengedrongen romp, vooral gekenmerkt door den bijna loodrecht
geplaatsten, waaiervormig uitgebreiden staart, die uit 24 à 40, op 2
of 3 reeksen staande pennen samengesteld is. De Tuimelaars hebben een
kleinen, korten en ronden kop, een korten, bijna kegelvormigen snavel,
een achterwaarts gebogen hals en een hollen, ingezonken rug. Sommige
van de verscheidenheden, die men onder dezen naam samenvat, hebben
de zonderlinge gewoonte om zich onder talrijke buitelingen van een
groote hoogte te laten vallen, soms tot dicht bij den grond. Andere
(de Rollers) wentelen zich met uitgespreide vleugels van links naar
rechts of van rechts naar links, waarbij zij nu eens op dezelfde plek
blijven en snel rollend een kring beschrijven, dan weer voortdurend
wentelend, over een zekeren afstand dalen om vervolgens weer op
te stijgen en hetzelfde spel te hervatten. Sommige (de Draaiers)
slaan bij het vliegen de vleugels met kracht aan de rugzijde samen,
andere (de Slenkers) doen dit aan de buikzijde; in beide gevallen is
het klappen met de vleugels op verren afstand hoorbaar. De Kroppers
hebben een slank lichaam, lange en smalle vleugels, een langen
staart en hooge pooten; zij onderscheiden zich door het vermogen om
den krop geweldig op te blazen, zoodat hij tot op den buik reikt. De
Wrattenduiven ontleenen haar naam aan de wratten bij den snavelwortel
en op den naakten ring om de oogen. Tot deze groep behooren ook de
lang- en snelvliegende Postduiven.
De Tortelduiven (Turtur) vormen een soortenrijk, zeer duidelijk
begrensd geslacht; zij zijn slank gebouwd, hebben een kleinen kop,
lange vleugels en een langen staart; hare pooten zijn betrekkelijk
lang, althans geschikt voor 't gaan op den grond. Over 't algemeen
is de kleur van haar vederenkleed roodachtig; de nekband, die bij de
meeste voorkomt, en haar zeer tot sieraad strekt, is zwart of bestaat
uit parelvormige, zwarte en witte vlekken.
Onze Tortel of Tortelduif, in Zuid-Holland Boschtortel en Kleine
Houtduif, in 't Friesch Toarteldouw genoemd (Turtur vulgaris),
het type van het geslacht, kenmerkt zich door een slanke gestalte,
door een rechten snavel, welks beide helften vóór de spits een iets
grootere hoogte en ingetrokken randen hebben, door lange pooten met
zwakke teenen, lange vleugels en een langwerpigen, duidelijk afgeronden
staart. De veeren van de bovenzijde zijn roestbruingrauw met bruine
randen, in het midden zwart en aschgrauw gevlekt; de kruin en de
achterhals zijn grijsachtig hemelsblauw; de vier of drie dwarsstrepen,
die de zijden van den hals versieren en samen een korten dwarsband
vormen, zijn zwart met zilverkleurigen zoom; de voorhals, de krop en
de bovenborst zijn wijnrood; het blauwachtige roodgrijs van de overige
onderdeelen gaat allengs over in grijs-wit op den stuit; de toppen van
de buitenste staartpennen zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig
grijs, de armpennen met aschkleurig blauw waas, de schouderveeren
zwartachtig met breede, roestroode randen. De iris is bruinachtig
geel, de ring om het oog blauwachtig rood, de snavel zwart, de poot
karmijnrood. Totale lengte 30, vleugellengte 18, staartlengte 12 cM.
De Tortel is over een groot deel van Europa en Azië verbreid en
doorreist gedurende den winter een uitgestrekt gebied in zuidelijke
richting. In Nederland wordt deze soort menigvuldig aangetroffen, op
dezelfde plaatsen als de Woudduif; zij broedt overal in bosschen en
tuinen, hier en daar zelfs in de boomen van steden. Hoewel de Tortel
in sommige oorden van Duitschland niet zeldzaam is, ontbreekt hij
geheel in vele noordelijke gewesten van dit rijk. Op de Kanarische
eilanden zeer veelvuldig, verlevendigt hij, meer dan eenige andere
Vogel, door zijn klankvol koeren en kirren de eindelooze bloemrijke
ravijnen, welker hellingen mijlen ver bekleed zijn met sneeuwwit,
geurig struikgewas, terwijl op den bodem van het dal hooger kreupelhout
groeit. Bijna op iederen tak, op ieder steenblok zit een Tortel. Op de
dorre Grieksche vlakten is hij niet minder overvloedig; het aantal
van de Vogels, die hier broeden, is zeer groot; het komt echter
in geen vergelijking met dat van de ontzaglijke zwermen, die hier
doortrekken. In de lente zijn sommige velden letterlijk met Duiven
bezaaid; een handig jager kan wel een vijftigtal van deze dieren op
één dag dooden. Later ziet men ze in Egypte en Nubië op voor haar
geschikte plaatsen niet zelden, maar nooit in groote zwermen.
Bij ons is de Tortel een trekvogel, die in April komt, tot Augustus
op zijn broedplaats blijft en zich in September weer naar het zuiden
begeeft.