verdeelt, is die der Vruchtduiven (Carpophaginae). Zij kenmerken
zich door een gedrongen lichaamsbouw, een gladrandigen snavel,
korte, zeer krachtige pooten met bevederden loop en vleezige
teenen met breede zool, middelmatig lange vleugels, een korten,
uit 14 pennen samengestelden, recht afgesneden, zelden eenigszins
wigvormig verlengden staart en een prachtig (meestal grootendeels
groen) gekleurd vederenkleed. Ten getale van ongeveer 150 soorten
bewonen zij het zuiden van de Oude Wereld, zijn het talrijkst in
het Australische, het minst talrijk in het Ethiopische Rijk, leven
uitsluitend op boomen en voeden zich met vruchten.
Als vertegenwoordiger van deze groep noemen wij de Groote Groene
Muskaatduif (Carpophaga concinna), waarvan Wallace melding maakt bij
't beschrijven van zijn bezoek aan de Kei-eilanden (Residentie Banda):
"Het meest betreden pad leidde van het strand naar een schaduwrijke
diepte, waar de boomen onmetelijk hoog waren en het kleine hout
zeer schaarsch. Uit de toppen dezer boomen liet zich van tijd tot
tijd een zwaar, brommend geluid hooren, waarvan wij aanvankelijk
niets begrepen, en dat, zooals ons spoedig bleek, door eenige
groote Duiven werd voortgebracht. Mijne jongens legden op haar aan,
en hadden, na één- of tweemaal misgeschoten te hebben, het geluk
er een te treffen. Het was een prachtige Vogel, ruim 50 cM. lang,
blauwachtig wit van kleur, maar schitterend metaalgroen met gouden,
blauwen en violetten weerschijn op het benedeneinde van de vleugels
en den staart, met koraalroode pooten en goudgele oogen. Deze soort
is beperkt tot eenige kleine eilanden, doch op deze overvloedig. Het
is dezelfde soort, die op Banda "Muskaatduif" wordt genoemd, omdat
zij gewoon is de vruchten van den muskaatnotenboom te verslinden,
of liever den zaadrok (foelie), die den zaadkorrel bedekt, "terwijl
zij, het zaad (dat gewoonlijk muskaatnoot wordt genoemd) ongeschonden
weer uitwerpt. Ofschoon deze Vogels een smallen bek hebben, zijn hunne
kaken zoo beweeglijk en is hun slokdarm zoo rekbaar, dat zij vruchten
van grooten omvang kunnen verzwelgen." De muskaatnoot ontkiemt zelfs
in haar vaderland niet gemakkelijk; de planters laten haar eerst in
kalkwater weeken, voordat zij haar in den grond leggen. De zaden,
die door het spijskanaal van den Vogel zijn heengegaan en met den
drek worden uitgeworpen, ontkiemen beter dan die, welke dezen weg niet
hebben afgelegd. De Muskaatduif heeft op deze wijze veel bijgedragen
tot de verbreiding van den muskaatnotenboom op de Molukken. De stem
van dezen Vogel bestaat uit een zwaar gebrom, alsof twee tonen op een
"gong" van de grootste soort worden aangeslagen, soms ook uit een
geheel eigenaardig en zonderling schor gekwaak, eenigszins gelijkend
op dat van een Pad.
Meer dan 50 soorten van Muskaatduiven zijn over het geheele
Australische en het Oostersche Rijk verbreid. De washuid aan den
wortel van den bovensnavel zwelt bij deze dieren in den paartijd op
en vormt een min of meer kogelvormigen knobbel. Vele dragen door
het eten van vruchten veel bij tot de verbreiding van de boomen,
die deze vruchten voortbrengen. Zoo gebruikt de Metaalkleurige
Muskaatduif (Carpophaga aenaea) van de Soenda-eilanden de vruchten
van de gebang-palm (Corypha), die ongeveer 2.5 cM. middellijn hebben
en uit een harde, bolvormige zaadkorrel bestaan, omgeven door een
groenen bolster, die een zeer dunne, saprijke laag bevat. Deze
zaden zijn zoo hard, dat de Mahomedanen in Indië ze gebruiken als
kralen voor hunne rozenkransen. "Dikwijls," zegt Wallace, "schoot ik
exemplaren met onderscheidene van deze vruchten in den krop; doorgaans
barstte deze bij het op den grond vallen." De laatstgenoemde, ook op
Java levende soort, die door de bewoners van Sumatra, waar zij ook
voorkomt, Pagam genoemd en dikwijls in de kooi gehouden wordt, is in
onze dierentuinen zeer gemeen. De rug, de vleugels en de staart zijn
bij haar blauwachtig bronsgroen, maar de onderdekveeren van den staart
zijn roodbruin en de overige gedeelten van het vederenkleed witachtig,
welke tint echter op den nek naar purper zweemt. In grootte overtreft
deze soort onze grootste tamme Duif.
Voor ons is de onderfamilie van de Edelduiven (Columbinae) de
belangrijkste; daar alle inheemsche Duiven en die, welke bij ons
huisdieren geworden zijn, er toe behooren. Deze groep is over alle
werelddeelen verbreid, in de Oude Wereld echter soortenrijker dan
in Amerika. Zij onderscheidt zich door de iets grootere lengte van
den loop en de smalheid van de zool der teenen, waardoor de pooten
beter voor het gaan op den grond geschikt zijn. De staart bestaat
uit 12 pennen, is meestal recht afgesneden of afgerond, zelden zeer
lang en trapvormig. De snavel is middelmatig lang, alleen aan de spits
hoornachtig, aan den wortel echter zacht en met een washuid bedekt. De
veeren zijn minder prachtig van kleur dan bij de vorige groep.
De beroemde Trekduif (Ectopistes migratorius) is krachtig gebouwd,
heeft een langen hals en een kleinen kop met middelmatig langen,
tamelijk dunnen en zachten snavel, een korten, maar krachtigen loop
(korter dan de middelste voorteen zonder den nagel), lange, spitse
vleugels, waarin de tweede handpen de langste is en een langen staart,
welks pennen (met uitzondering van de beide middelste, die een weinig
korter zijn dan hare buren), naar de zijden trapvormig in lengte
afnemen; de staart is even lang als, of langer dan de vleugel. De
hoofdkleur is leikleurig blauw; de onderdeelen zijn roodachtig grijs,
de zijden van den hals hebben een purpervioletten weerschijn, de
buik en de aarsdekveeren zijn wit, de slagpennen zwartachtig met
witten zoom, de middelste stuurpennen zwart, de overige lichtgrijs,
aan den wortel van de binnenvlag met een bruinroode en een zwarte
vlek geteekend. Het oog is glanzig rood, de snavel zwart, de poot
bloedrood. Totale lengte van het mannetje 42, van het wijfje 39,
lengte van staart en vleugel bij beide 21 cM.
Van de Hudsonsbaai tot aan de Golf van Mexico en van het Rotsgebergte
tot aan de oostkust komt de Trekduif (die, naar men zegt, eenige malen
naar Engeland is afgedwaald) in alle Staten van Noord-Amerika voor,
doch niet overal in even grooten getale.
"De Trekduif, die in Amerika "Wilde Duif" wordt genoemd," zegt Audubon,
"beweegt zich met buitengewone snelheid door snel opeenvolgende
vleugelslagen. Hare reizen hebben uitsluitend plaats met het doel om
voedsel te vinden, niet om aan de winterkoude der noordelijker gewesten
te ontkomen of om een geschikter broedplaats op te zoeken. Nergens
vestigen deze Vogels zich voor goed; op plaatsen, waar zij voedsel
vinden, blijven zij soms jaren achtereen, hoewel men ze er vroeger
nooit opmerkte, verdwijnen daarna plotseling en keeren eerst na jaren
weer terug. Haar buitengewone vaardigheid in 't vliegen stelt haar
in staat om zich in korten tijd over een verbazingwekkenden afstand
te verplaatsen. Vele feiten zijn bekend, waaruit dit blijkt. In de
buurt van New-York doodde men Trekduiven, welker krop gevuld was
met rijst, die zij in de velden van Georgië of Carolina opgepikt
moesten hebben. Daar de spijsvertering bij hen zoo snel geschiedt,
dat het opgenomen voedsel in 12 uur volkomen ontleed is, kan men
hieruit afleiden, dat zij tusschen de 300 en 400 Engelsche mijlen in
6 uur of 1 mijl (20 minuten gaans) per minuut hadden afgelegd. Met
dezelfde snelheid doorvliegend, zouden zij binnen de 3 dagen uit
Amerika in Europa aankomen.
"In den herfst van 1813, toen ik eenige mijlen beneden Hardensburgh aan
den Ohio over een dorre vlakte ging, zag ik een zwerm Trekduiven, die
van het noordoosten naar het zuidwesten zich bewoog. Daar haar aantal
mij grooter voorkwam, dan ik ooit te voren bijeen had gezien, nam ik
mij voor, de zwermen te tellen, die binnen het uur mij voorbij zouden
vliegen. Ik stapte daarom van 't paard, ging op een hoogte zitten en
maakte telkens als er een zwerm voorbijtrok, met mijn potlood een stip
op 't papier. Spoedig bemerkte ik, dat mijn plan onuitvoerbaar was,
zoo groot was het aantal Vogels. Ik stond daarom op, telde de stippen
en vond, dat ik er in 21 minuten 163 aangeteekend had. Ik zette mijn
weg voort, maar de massa Vogels werd steeds grooter. De lucht was
letterlijk met Duiven gevuld, die de namiddagszon verduisterden als bij
een zoneclips. De uitwerpselen vielen als sneeuwvlokken naar beneden;
het voortdurend gedruisch van de vleugelslagen maakte mij slaperig,
hoezeer mij de bewegingen dezer Vogels boeiden. Onmogelijk is het hunne
prachtige zwenkingen te beschrijven, als een Valk een van hen trachtte
te grijpen. Plotseling stortten zij dan met donderend geraas als een
samenhangende massa, als een levende stroom naar beneden, schoten
dicht aaneengesloten volgens golvende banen en scherphoekige lijnen
vooruit, daalden tot op den bodem af en scheerden zich daarlangs met
onvergelijkelijke snelheid, stegen vervolgens loodrecht omhoog, als
een kolossale zuil, en ontwikkelden zich, nadat zij de gewenschte
hoogte weder bereikt hadden, tot een lijn, vergelijkbaar met de
kronkelingen van een onzaglijk groote Reuzenslang.
"Alle bewoners van de streek waren onder de wapenen. Aan de oevers
van den Ohio wemelde het van mannen en knapen, die dooreenkrioelden
en onophoudelijk schoten onder de vreemde gasten, die hier lager
vlogen, omdat zij de rivier wilden overtrekken. In grooten getale
werden zij gedood; een week lang en langer at de bevolking niets
anders dan vleesch en vet van Wilde Duiven; alle gesprekken hadden
alleen op haar betrekking. De dampkring was intusschen vervuld met
de eigenaardige lucht, die deze soort verbreidt.
"Misschien is het van belang het aantal Duiven in zulk een zwerm
te schatten en de hoeveelheid voedsel te berekenen, die zij
verbruiken. Als men aanneemt, dat het vogelenheir een breedte van
één mijl besloeg (wat volstrekt niet overdreven mag worden genoemd)
en dat het met de aangegeven snelheid onafgebroken drie uren lang
voorbijtrekt, zoo verkrijgt men een parallellogram van 180 vierkante
Engelsche mijlen. Rekent men slechts twee Duiven op de vierkante
meter, dan blijkt het, dat het geheele leger uit 1.115.136.000 stuks
Trekduiven moet hebben bestaan. Daar nu iedere Duif per dag een "halve
pint" (bijna O.3 Liter) voedsel noodig heeft, leert de berekening, dat
het geheele reisgezelschap 8.712.000 "bushels" (3.163.000 Hectoliter)
per dag verorbert.
"Zoodra de Duiven op den grond voedsel waarnemen, beginnen zij
kringen te beschrijven om het terrein te onderzoeken. Gedurende
deze zwenkingen levert de dichte massa een prachtig schouwspel
op. Terwijl zij van richting veranderen en beurtelings de boven- en
de onderzijde naar den waarnemer keeren, zien zij er nu eens blauw
dan weer purperkleurig uit. Zoo trekken zij op korten afstand over de
wouden voort, verdwijnen voor een poos in het loover, verheffen zich
weer en vliegen door hoogere luchtlagen verder. Eindelijk strijken zij
neer. Zoodra zij op den grond neergekomen zijn, ziet men ze ijverig
tusschen de dorre bladen snuffelen om de hieronder verborgen eikels op
te zoeken. De hoeveelheid voedsel, die van den bodem wordt opgezocht,
is verbazend groot; het verzamelen geschiedt zoo zorgvuldig, dat het
vergeefsche moeite zou zijn een nalezing te houden. Soms eten zij zoo
gulzig, dat het doorslikken van een noot of een eikel gepaard gaat
met een gekuch, alsof zij op 't punt zijn van te stikken. Ongeveer op
't midden van den dag, nadat zij zich verzadigd hebben, gaan zij op de
boomen zitten rusten. Met lichten tred loopen zij de twijgen rond en
bewegen intusschen op zeer bevallige wijze den hals heen en weer. Als
de zon ondergaat, vliegen zij in menigte naar hare slaapplaatsen. Het
is volstrekt geen zeldzaamheid, dat deze op honderden mijlen afstands
van hare voederplaatsen gelegen zijn.
"Herhaaldelijk bezocht ik haar slaapplaats aan de Green River in
Kentucky. Deze bestaat uit een hoogstammig woud met weinig onderhout,
dat minstens 40 mijlen lang en meer dan 3 mijlen breed is. Toen
ik het voor de eerste maal bezocht, hadden de Duiven het sinds
ongeveer 14 dagen in bezit genomen. Twee uur vóór zonsondergang kwam
ik aan. Er waren slechts weinige Duiven te zien; maar vele menschen
met Paarden en wagens, geweren en ammunitie kampeerden overal langs
de boschranden. Twee grondeigenaars hadden meer dan 200 Zwijnen ruim
100 mijlen ver naar hier gedreven, om ze met Duiven te mesten. Overal
zag men lieden bezig met het inzouten van de Duiven, die allerwege bij
hoopen lagen. Over de geheele uitgestrektheid van de slaapplaats was de
bodem bedekt met een laag uitwerpselen van verscheidene centimeters
dikte; 't was, alsof het gesneeuwd had. Vele boomen, met stammen
van ongeveer 60 cM. dikte, waren dicht bij den grond afgebroken;
takken van de grootste en dikste boomen waren naar beneden gestort,
alsof een orkaan het bosch geteisterd had. Uit al deze verschijnselen
viel af te leiden, dat zich hier een onbeschrijfelijk groot aantal
Vogels had opgehouden. Het tijdstip, waarop de Duiven zouden aankomen,
naderde; hare vijanden maakten op bijna angstvallig nauwgezette wijze
toebereidselen voor den strijd. Sommigen kwamen met ijzeren potten
vol zwavel, anderen met fakkels van harsachtig hout, nog anderen met
palen, de overigen met geweren. De zon was reeds onder de kim gedaald,
nog was geen enkele Duif verschenen, maar alles was voor de vangst
gereed; aller oogen staarden naar den helderen hemel, die tusschen de
hooge boomen doorschemerde. Plotseling weerklonk het algemeen geroep:
"Daar komen zij!" En ofschoon de Duiven nog veraf waren, hoorde men
een dreunend geraas, dat aan het loeien van een sneeuwstorm door
het want van een schip herinnerde. Toen de zwerm over mij heentrok,
merkte ik een hevige luchtstrooming op. Duizenden van Duiven werden
al dadelijk door de mannen met de palen naar den grond geslagen, maar
onophoudelijk snelden versche drommen toe. Toen de vuren aangestoken
werden, vertoonde zich een grootsch, even zonderling als ontzettend
schouwspel aan mijne oogen. De Duiven, die bij duizenden kwamen,
streken overal neer, totdat zij om de takken en twijgen der boomen
aaneengesloten massa's vormden. Hier en daar braken de takken onder
hun last, stortten krakend naar beneden en doodden honderden van de
daaronder zittende Vogels, daar zij geheele risten van hen medesleepten
naar den bodem. Het was een schouwspel van verwarring en wanorde. Het
was geheel noodeloos te spreken: de naastbijzijnde lieden waren niet
te beschreeuwen. Zelfs van het afschieten der geweren bespeurde men
meestal niets anders dan de lichtstraal veroorzaakt door de verbranding
van het kruit!
"Eerst tegen den morgen bedaarde het gedruisch eenigszins. Lang
voordat men een voorwerp kon onderscheiden, begonnen de Duiven
reeds weg te trekken en wel in een geheel andere richting dan die,
welke zij bij haar komst volgden. Bij zonsopgang waren alle, die nog
vliegen konden, verdwenen. Nu vernam men de stem van de Wolven, Vossen
en Lossen, van den Poema, van de Beren, Waschberen en Buideldieren,
die onder de boomen rondsnuffelden, terwijl Arenden en een menigte
Gieren kwamen aanvliegen om met de viervoetige roovers den buit te
deelen. Thans begonnen ook de hoofdaanleggers van het moordtooneel
de doode, stervende en verminkte Duiven op te zoeken. Zij werden
op hoopen geworpen, tot ieder er zooveel had, als hij verlangde;
vervolgens liet men de Zwijnen los om het overblijvende te verslinden."
Soortgelijke tooneelen van slachting komen voor op de broedplaatsen
van de Trekduif. "Haar voortplanting," verhaalt Audubon verder, "hangt
niet direct van het jaargetijde af; als broedplaats dient een woud,
waar het voedsel overvloedig en gemakkelijk verkrijgbaar is en dat
zich op een niet te grooten afstand van een water bevindt. De nesten
worden gebouwd in hooge boomen. Op één boom ziet men dikwijls 50 à 100
nesten bijeen; de vrees, dat men de wonderbaarlijke geschiedenis van
deze Duif voor een sprookje zal houden, weerhoudt mij van het noemen
van een nog grooter getal. Ieder nest bevat 2 rondachtige, ongeveer
35 mM. lange, 25 mM. dikke, zuiver witte eieren. Gedurende het broeden
wordt het wijfje gevoederd door het mannetje, dat zijn wederhelft een
werkelijk treffende liefde en genegenheid betoont. Opmerkelijk is het,
dat de beide jongen altijd van verschillend geslacht zijn. De jongen
worden door hunne beide ouders gevoederd, totdat zij zich zelf kunnen
redden, verlaten daarna het gezelschap van de volwassenen en blijven
tot afzonderlijke zwermen vereenigd tot aan het einde van hun jeugd. Na
zes maanden zijn zij in staat zich voort te planten. Zoodra zij de
eischaal verlaten hebben, begint de oppergeweldenaar, de mensch,
hun den oorlog aan te doen. Met bijlen en andere wapens voorzien,
begeeft hij zich naar 't woud, houwt takken af en boomen om en stoort
op deze wijze de weerlooze woudbewoners in hun rust. Bij 't neerstorten
der omgehakte stammen worden de jongen uit hunne nesten geslingerd,
waardoor zij in menigte om 't leven komen."
Men zou kunnen meenen, dat de Duiven door dergelijke jachtbedrijven
weldra uitgeroeid zullen zijn. "Door jarenlange waarnemingen," zegt
Audubon, "ben ik tot de overtuiging gekomen, dat haar aantal alleen
door het ontginnen der bosschen vermindert." Voorheen waren zij zelfs
in de oostelijke kuststaten veelvuldig. In het jaar 1885 kwamen in
New-York schoeners aan, die met Trekduiven beladen waren; deze werden
voor 1 cent Amerikaansch geld (f 0.02 1/2) per stuk verkocht. Een
man in Pennsylvanië ving in zijn slagnet op één dag 500 dozijn van
deze Vogels, soms wel 20 dozijn bij een slag van het net. Nog in het
jaar 1830 kwamen zij zóó veelvuldig te New-York op de markt dat zij
algemeen gegeten werden.
Hoewel de Trekduif bij behoorlijke verzorging jaren lang in
gevangenschap kan blijven leven en zich hier zonder bezwaar voortplant,
komt hij tegenwoordig in onze dierentuinen zeer zelden voor.
Tot het over de geheele wereld verbreide geslacht der Houtduiven
(Columba) behoort onze Woudduif, ook wel Ringduif, Ringelduif,
Boschduif of Koolduif, in Overijsel Schor en Spechte, in Limburg
Holduif, in Friesland Houtduif (friesch: Houtdouw) genoemd (Columba
palumbus). De kop, de nek en de keel zijn donker blauwachtig grijs
(ook wel aangeduid als "duivenblauw" of "papaverblauw"), de bovenrug
en het bovenste deel van den vleugel donker grijsblauw, de onderrug
en de staartwortel lichtblauw, de kop en de borst roodachtig grijs,
de onderdeelen overigens licht grijsblauw, behalve de witte onderbuik;
het onderste deel van den hals is aan weerzijden met een glanzig witte
vlek versierd en iriseert met metaalachtige kleuren; de slagpennen zijn
leikleurig grijs, de staartveeren leikleurig zwart, met een lichteren
dwarsband geteekend; een breede streep aan de vleugelbocht en een
groote vlek op de staartpennen zijn wit. Het oog is licht zwavelgeel,
de snavel lichtgeel, aan den wortel rood, de poot blauwachtig
rood. Totale lengte 43, vleugellengte 23, staartlengte 17 cM.
De Woudduif is bezuiden den 65en graad N.B. over geheel Europa verbreid
en wordt in Azië door een nauw verwante soort vervangen. In Nederland
komt zij zeer algemeen voor; zij broedt niet alleen in allerlei
bosschen, maar zelfs in onze dorpen en steden op de boomen der tuinen
en grachten. Na den broedtijd leeft zij gezellig, verhuist in September
en October naar het zuiden (overwintert echter ook dikwijls hier te
lande) en keert in April naar hare broedplaatsen terug. Des winters
bezoekt zij ook het noordwesten van Afrika, in het noordoosten van dit
werelddeel komt zij niet. Reeds in Zuid-Europa treft men de Woudduiven
minder veelvuldig aan dan bij ons, in Spanje echter vindt men ze op
sommige plaatsen tot talrijke gezelschappen vereenigd.
De Woudduif is een echte boomvogel. In Duitschland ontmoet men
haar in alle bosschen, zoowel groote als kleine, onverschillig of
zij uit naaldboomen of uit boomen met breede bladen bestaan, in het
gebergte zoowel als in de vlakte, dicht bij de dorpen zoowel als ver
van de menschelijke woningen. Naar het schijnt, geeft zij echter aan
naaldhout de voorkeur, misschien wel alleen, omdat de zaden van dennen,
sparren en edeldennen tot hare liefste voedingsmiddelen behooren. Bij
uitzondering vestigt zij haar woonplaats soms op alleenstaande
boomen te midden van dorpen of zelfs van volkrijke steden. In het
noorden van haar verbreidingsgebied is zij een trekvogel, die op vast
bepaalde tijden vertrekt en terugkeert; ten deele reeds bij ons en
in Duitschland, meer nog in Spanje en Portugal is zij standvogel. De
Woudduif is een buitengewoon vlugge, schielijk wegvliegende en schuwe
Vogel. Zij kan goed loopen, maar doet dit niet zeer snel; het lichaam
heeft dan soms een horizontalen, soms een opgerichten stand, de hals
is voortdurend in beweging. Zij zit op den top van een boom of diep
in de kroon verborgen. Aan boomen, die ver boven de andere uitsteken
of doode takken aan den top hebben, geeft zij de voorkeur, op deze
treft men haar bijna iederen morgen aan. Zij vliegt fraai, snel en
behendig; haar vleugelslag maakt bij het opvliegen een klapperend
en in de lucht een fluitend gedruisch. Reeds op een grooten afstand
kan men de Woudduif niet slechts aan haar grootte, maar ook aan haar
langen staart en aan de witte vlekken op de vleugels van de verwante
soorten onderkennen.
Het echtpaar brengt den nacht door in de nabijheid van het nest. Vroeg,
vóór het aanbreken van den dag is het reeds wakker: de doffer begeeft
zich dan naar zijn lievelingsboom. Hier begint hij in de schemering
te roekoeken; zijn geluid gelijkt op dat van de Veldduif, maar is
krachtiger; het klinkt bijna als "roekkoekkoek" en "koekkoekoe" of
"roekoekoe-koekoe." Hij zit intusschen stil op een tak, maar blaast
den hals op en beweegt deze. Ieder geroekoe wordt drie- of viermaal
achtereenvolgens herhaald. De doffers uit de buurt worden hierdoor
bijeengelokt; zij zetten zich op naburige boomen neer en houden nu
met elkander een wedstrijd in het roekoeken.
Het mannetje en het wijfje sleepen, zoodra de plaats voor het nest
bepaald is, de bouwstoffen aan; deze worden echter door het wijfje
verwerkt. Het nest bestaat uit dorre rijsjes van sparren, dennen,
zilversparren en beuken of uit de twijgen van een dezer boomsoorten;
het is zoo los en slecht gebouwd, dat men niet zelden de eieren er van
onderen doorheen ziet schemeren; het is plat, alleen op de plaats waar
de eieren liggen, hol en heeft een middellijn van 30 à 40 cM. Hoewel
het zeer slecht gebouwd is, ligt het toch zeer vast en is tegen weer
en wind bestand. De twee langwerpige, aan beide einden op gelijke
wijze afgeronde eieren, die een dunne en oneffene, glanzig witte
schaal hebben, vindt men van de laatste helft van April tot aan de
laatste helft van Juli in het nest. Zij worden door het mannetje en
het wijfje om beurten bebroed. Opmerkelijk is de geringe gehechtheid
van de Woudduif aan hare eieren. Als men de broedende Woudduif van
het nest jaagt, kan men de eieren gerust dadelijk medenemen, want zij
laat ze stellig in den steek. Jegens de jongen is haar liefde grooter,
maar toch niet zoo groot als bij andere Vogels.
Het liefste voedsel van de Woudduif zijn de zaden van verschillende
soorten van naaldboomen; met deze vindt men gedurende den geheelen
zomer haar krop gevuld. Zij zoekt ze niet slechts van den grond op,
maar haalt ze ook tusschen de uiteengeweken schubben van de pijnkegels
weg. Bovendien eet zij graan en graszaden, bij uitzondering Slakken
en Regenwormen, in het laatst van den zomer ook boschbessen en in
bosschen met breedbladige boomen, eikels en beukels.
De weinige graankorrels, die de Woudduif van den akker opzoekt en
die anders toch bederven zouden, mag men haar wel gunnen; maar ook
deze kleine inbreuk op de bezittingen van den mensch vergoedt zij
duizendvoudig door het opeten van zaden van allerlei soorten van
onkruid.--Buiten den mensch heeft deze voorzichtige Vogel weinig
vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden. De Havik en de
Slechtvalk of de groote verwanten van den laatstgenoemden Roofvogel
vangen vaak oude Duiven; het leven van de jongen wordt bedreigd
door Boschkatten, Boommarters en Eekhoorntjes, misschien ook door
Sperwer-wijfjes en 's nachts door den Grooten Ooruil.