Tot dezelfde uitkomst leidt het onderzoek van de werktuigen voor

het vliegen. Deze zijn bij den Kakapo veel gebrekkiger ontwikkeld

dan men na oppervlakkige beschouwing van den Vogel zou vermoeden. De

groote borstspieren, die door haar samentrekking den neerwaartschen

slag van den vleugel teweegbrengen, en de kam op het borstbeen,

waaraan deze spieren ontspringen zijn "rudimentair". Hetzelfde valt

op te merken van het vorkbeen, dat door vergroeiing van het voorste

paar sleutelbeenderen ontstaat en gewoonlijk het schouderblad met

den voorsten top van het borstbeen verbindt. Hoewel steeds aanwezig

bij de Vogels, die goed kunnen vliegen, heeft het voor deze beweging

een minder belangrijke beteekenis dan de vroeger genoemde organen. De

gebrekkige ontwikkeling en zelfs de afwezigheid van het vorkbeen gaat

niet noodzakelijk gepaard met het volkomen gemis van de geschiktheid

voor 't vliegen. De Kakapo is dan ook in zijn orde niet de eenige,

die deze afwijking vertoont. Volgens Finsch ontbreekt het vorkbeen

(twijfelachtige gevallen en tegenstrijdige opgaven buiten rekening

gelaten) bij 18 soorten van het Australische Rijk (waaronder de

Kakapo), voorts bij één soort van het Ethiopische en één van het

Zuid-Amerikaansche Rijk. Zelfs zeer nauw verwante soorten kunnen door

het al of niet bezitten van het vorkbeen onderling verschillen. Dit

been heeft bij het vliegen een bepaalde rol te vervullen: het is een

soort van veer, die, tusschen de bovenste gedeelten der beide vleugels

gelegen, door haar elasticiteit op passieve wijze weerstand biedt aan

de beenderen van de voorste ledematen, wanneer zij door de werking der

borstspieren naar elkander toe bewogen worden; het vorkbeen verhindert

dus een te groote toenadering van de vleugels. Dat het gemis van

het vorkbeen dikwijls het gevolg is van het te loor gaan (of althans

gebrekkig worden) van het vermogen om te vliegen, blijkt o.a. bij den

Struis en bij het bonte mengelmoes van Vogels, dat vroeger met den

Struis de orde van de "Loopvogels" vormde, zoo ook bij den Kakapo. [De

Platstaartpapegaaien evenwel, die het vorkbeen missen (en dit is het

geval bij twee derden van alle soorten, o.a. bij den Zangparkiet),

vliegen even goed of (zoo niet even slecht, dan toch, omdat zij een

eiland bewonen) even zelden en over even korte afstanden als de soorten

met goed ontwikkeld vorkbeen]. De slotsom van Marshall's betoog luidt:

"De teruggang in ontwikkeling van alle vliegorganen van den Kakapo (het

ontbreken van het vorkbeen, het gedeeltelijk verdwijnen van den kam op

het borstbeen, van de borstspieren enz.) is een secundair verschijnsel,

hier, zoowel als bij de zoogenaamde "Loopvogels", bij den Reuzenalk,

bij den Dodo enz. De voorouders van den Kakapo waren niet slechts

voor het klimmen, maar ook voor het vliegen goed uitgerust. Alle

ongewone eigenaardigheden van den Uilpapegaai zijn het resultaat van

wijzigingen, die zijne voorouders ondergaan hebben, terwijl zij allengs

geschikt werden voor het leven op den grond van een eiland zonder

roofdieren. Ook andere eigenaardigheden van dit merkwaardige wezen,

n.l. die, welke in verband staan met zijn nachtelijke levenswijze,

berusten op "teruggaande ontwikkeling". Mijn slotsom is dus, dat

Stringops niet de oudste stamvorm van de Papegaaien is, maar een tak

van dezen stam, die zich door langzaam voortschrijdende wijzigingen

van de levenswijze in tegengestelde (teruggaande) richting ontwikkeld

heeft."

De Kakapo behoort tot de grootste Papegaaien en evenaart wegens zijn

goed gevuld vederenkleed in omvang bijna den Grooten Ooruil. Bij

het mannetje is de geheele bovenzijde helder olijfkleurig groen,

de onderzijde olijfgeel, iedere veer met onduidelijke, donkerbruine

dwarsbanden geteekend. De uilachtige sluier en de kin hebben een

helder stroogele kleur. De staartpennen en de buitenvlag van de

slagpennen zijn olijfkleurig geelbruin, zwart gemarmerd; de onderste

staartdekveeren zijn bijna effen olijfgroen.

Hoewel Nieuw-Zeeland ons sinds lang bekend is geweest, zijn wij

van het bestaan van den Kakapo eerst sedert betrekkelijk korten tijd

onderricht en is onze kennis van zijn levenswijze van jongen datum. Het

eerst leerde men den merkwaardigen Vogel kennen door den opschik der

inboorlingen waarvan de groene veeren en de koppen van Kakapo's een

belangrijk deel uitmaakten. Hun verblijfplaats en levenswijze werkten

mede om hen aan de waarneming te onttrekken; het eerste vel kwam niet

voor 1845 in Europa aan. In de halve eeuw, die sedert verloopen is,

hebben wij den Kakapo tamelijk nauwkeurig leeren kennen. Behalve aan

Von Haast hebben wij vooral aan Lyall en Sir George Grey berichten

over de levenswijze van dit dier te danken. "Hoogst opmerkelijk is

het," schrijft Von Haast, "dat de Kakapo, behalve in het dal van de

Makarora-rivier, die het Wanaka-meer vormt, nergens aan de oostzijde

van de Alpen gevonden wordt, hoewel ook in deze gewesten groote wouden

voorkomen. Tot de districten ten westen van den hoofdketen beperkt,

overschrijdt hij dezen, naar het schijnt, alleen door den lagen, met

bosch bedekten pas, die het bronnengebied van de Haast-rivier met dat

van den Makarora verbindt; bij het bereiken van de uitmonding dezer

rivier in het Wanaka-meer werd zijn verder voortdringen waarschijnlijk

gestuit door het ophouden van het woud. In het dal en het woud van den

Makarora is hij zeer veelvuldig, ofschoon hier talrijke werklieden

met het vellen van boomen bezig zijn. Toen wij aan den rand van dit

woud gekampeerd waren, hoorden wij voortdurend zijn stem; geen der

werklieden vermoedde echter de nabijheid van zulk een grooten Vogel,

hoewel zijn eigenaardig, schel geschreeuw dikwijls hun aandacht had

getrokken. Minder talrijk komt hij voor in het Wilkin-dal (waar ik,

terloops zij dit hier opgemerkt, sporen van Wilde Honden aantrof). In

het Hunter-dal, dat er slechts door een niet zeer hoogen bergketen met

eenige lage zadels van gescheiden is, ziet men van zijn aanwezigheid

geen spoor, ofschoon de groote beukenwouden van dit dal hem een

geschikte verblijfplaats zouden leveren."

"De eerste plaats, waar wij deze Vogels aantroffen," zegt Lyall,

"was een heuvel van ongeveer 1200 M. hoogte boven den zeespiegel;

wij ontmoetten ze echter ook, gezellig levend, op vlakke plaatsen in

de nabijheid van riviermonden, niet ver van de zee. Op zulke plaatsen

kon men zijne voetpaden vinden. Zij zijn ongeveer 30 M. wijd, in den

regel neergedrukt tot aan den rand, die 5 à 7 cM. diep in het mos

doordringt en kruisen elkander gewoonlijk rechthoekig. Dikwijls komen

zij zoozeer met die van menschen overeen, dat wij ze aanvankelijk

aan de aanwezigheid van inboorlingen meenden te moeten toeschrijven.

"De Kakapo bewoont holen onder boomwortels en wordt ook wel onder

overhangende rotsen opgemerkt. Daar de wortels van vele soorten van

Nieuw-Zeelandsche boomen voor een deel boven den grond uitsteken,

worden er zeer dikwijls holten onder gevonden; het kwam ons echter

voor, dat deze op de plaatsen, waar wij den Kakapo aantroffen,

gedeeltelijk verwijd waren, hoewel wij te vergeefs in de buurt naar de

uitgegraven aarde zochten." Dikwijls hebben de holen twee openingen;

soms waren de daarboven staande boomen tot op een zekere hoogte

hol. Over dag krijgt men den Kakapo alleen dan te zien, wanneer men

hem uit zijn woning verdrijft. "Alleen met Honden," zegt Lyall verder,

"konden wij hem opsporen. Vóór het invoeren der Honden en toen de Vogel

in de bewoonde gedeelten der eilanden nog veelvuldig voorkwam, vingen

de inboorlingen hem gewoonlijk 's nachts bij fakkellicht. Tegenwoordig

zit een ras van halfwilde Honden, dat de noordelijke gewesten van

het Zuidereiland bewoont, den Kakapo voortdurend op de hielen en is

hij daar bijna geheel uitgeroeid.

"Vroeger vermoedde men, dat de Kakapo een nachtelijke levenswijze

zou hebben; naar ik meen, geven mijne ervaringen aanleiding tot de

overtuiging, dat dit niet altijd het geval is. Wel hoort men gewoonlijk

één uur na zonsondergang, als onder het dichte bladerengewelf een

ondoordringbare duisternis heerscht, van alle zijden zijn stem

weerklinken; hij begint dan rond te zwerven (en kwam eens omstreeks

dezen tijd, aangelokt door het licht, dicht bij onze tent, waar hij

door onzen Hond gevangen werd); wij troffen hem echter ook tweemaal

over dag aan, bezig met eten en zeer waakzaam tegen een naderend

gevaar. De eerste maal gebeurde dit op een namiddag bij bewolkten

hemel in het open woud, toen wij van de westkust terugkwamen. Niet

ver van de Haast-rivier zat een Kakapo op een omgevallen boom; hij

verdween schielijk, toen wij nader kwamen, maar werd toch door den

Hond gevangen. Ten tweeden male zagen wij er één op klaarlichten dag,

toen wij door een diepe rotskloof gingen, 3 M. boven den bodem op

een fuchsiaboom zittend, welks bessen hij at. Ons ziende, liet hij

zich op den grond vallen, alsof hij uit den boom geschoten was en

verdween onder de naburige, groote rotsblokken. Het trof ons zeer,

dat de Vogel geen gebruik maakte van zijne vleugels en ze zelfs niet

eens uit spreidde om den schok van den val te breken. Om te weten,

of hij in 't geheel niet zou vliegen of fladderen, wanneer hij vervolg

werd, liet ik een Kakapo, die, zonder gewond te worden, door den Hond

gevangen was, op een groote, vrije, met steentjes bedekte plaats los;

hij had hier ruimte genoeg om zich met behulp van zijne vleugels

in de lucht te verheffen, indien hiervoor een groote ruimte noodig

was. Tot mijn verwondering liep hij eenvoudig naar het naastbijgelegen

kreupelbosch; hij deed het sneller dan ik met het oog op zijne teenen

en zijn plompe gedaante verwacht zou hebben; zijne bewegingen geleken

op die van de Hoenderachtige Vogels." Lyall heeft den Kakapo echter

zien vliegen, hoewel slechts over een onbeduidenden afstand. "Op onze

jachttochten," zegt hij, "zagen wij den Kakapo alleen dan vliegen,

als hij in een hollen boom was geklommen om hoogerop een uitweg te

zoeken. Van hier vloog hij dan in den regel naar een lageren boom

en klom bij dezen schielijk omhoog, waarbij hij ook van zijn staart

gebruik maakte. Het geluid van den Kakapo is een heesch gekras, dat in

een wanluidend gekrijsch overgaat, als de Vogel opgewonden of hongerig

is. De maag van de door ons gedoode Kakapo's bevatte een lichtgroene,

soms nagenoeg witte, gelijkaardige massa, zonder eenig spoor van

vezels. Ongetwijfeld bestaat hun voedsel ten deele uit wortels,

ten deele ook uit bladen en jonge spruitjes van verschillende planten.

"Een eigenaardigheid van den Kakapo, misschien een gevolg van zijn

plantaardig dieet, is, dat hij, in plaats van olieachtig, week vet,

zooals bij andere Vogels onder de huid voorkomt, veel vast, wit vet

heeft; zijn vleesch is veel steviger en beter dan dat van de andere

Papegaaien; het smaakt uitmuntend."

Van de voortplanting meldt Lyall het volgende: "Gedurende de laatste

helft van Februari en de eerste helft van Maart, welken tijd wij

te midden van de woonplaatsen der Kakapo's doorbrachten, vond ik

in vele zijner holen jongen, dikwijls slechts één, nooit meer dan

twee. Gewoonlijk, maar toch niet altijd, werd één oude Vogel tegelijk

met de jongen in het hol aangetroffen. Een eigenlijk nest is niet

voorhanden; de Kakapo graaft eenvoudig een ondiep kuiltje in de droge

massa vermolmd hout. Het ei is zuiver wit, ongeveer zoo groot als dat

van een Duif. De jongen, die wij vonden, waren van zeer verschillenden

leeftijd, eenige bijna geheel bevederd, andere nog met dons bedekt.

"De Kakapo is een goedaardige en schrandere Vogel; hij vat een warme

genegenheid op voor personen, die hem goed behandelen en geeft deze

te kennen door bij hen op te klimmen en zich tegen hen te wrijven;

bovendien is hij in hooge mate gezellig en speelsch. Werkelijk,

zou hij, indien hij zijn omgeving niet zoo erg bevuilde, een betere

metgezel zijn dan alle andere mij bekende Vogels; het openbaren

van genegenheid door speelschheid en liefkoozingen ligt meer in den

aard van een Hond dan in dien van een Vogel."--"Zijn speelschheid,"

schrijft Sale, "is merkwaardig. Hij komt uit een hoek van de kamer

aanloopen, vat mijn hand met de klauwen en den snavel, wentelt zich,

de hand vasthoudend, als een katje over den grond en loopt terug om

zich tot een nieuwen aanval te laten uitnoodigen. Zijn spel wordt

soms een weinig woest; door de geringste terechtwijzing kan men hem

echter dadelijk tot bedaren brengen."

DERDE ORDE.

DE DUIFVOGELS (Peliornithes).

In de buurt van de Papegaaien, tusschen de Pluviervogels en de

Hoendervogels is de plaats van de Duifvogels. Deze orde en haar

eenige gelijknamige onderorde (Columbiformes) omvat twee familiën,

die tot dusver meestal gescheiden werden: de Duiven (Columbidae),

welker verbreidingsgebied zich over alle faunistische Rijken uitstrekt,

en de Zandhoenderen (Pteroclidae), die tot de Oude Wereld beperkt zijn.

De Duiven (Columbidae) zijn middelmatig groote Vogels, met kleinen

kop, korten hals en een uit groote en harde veeren samengesteld

kleed. De snavel is steeds kort, bij de meeste soorten ook zwak,

hooger dan breed, aan den rand ingetrokken, soms zelfs uiteenwijkend,

aan den wortel zacht; slechts aan de spits hoornachtig, hier een weinig

gezwollen, gewelfd en flauw haakvormig gebogen. Bij enkele soorten is

de snavel krachtiger, dikker, harder--bij uitzondering ook wel zeer

gewelfd en de onderkaak bij de spits zelfs getand. De neusgaten liggen

tamelijk ver naar voren, zijn gewoonlijk spleetvormig en dikwijls door

een gezwollen, kraakbeenige, met washuid bekleede schub bedekt. De

korte voet is vierteenig, zijn loop zelden hooger dan de middelste

voorteen lang is, bij uitzondering niet lager dan even onder het

spronggewricht bevederd; de teenen, waarvan er drie naar voren staan,

zijn tot aan hun gewrichtsverbinding met den loop van een gescheiden

of hoogstens door een zeer kort spanvlies gedeeltelijk verbonden,

de klauwen dik, maar kort, meestal ook weinig gebogen; de loop

is van voren met korte dwarsschilden, van achteren netsgewijs met

schubben bekleed. De vleugel bestaat uit harde slagpennen, waarvan

er 11 à 15 aan den voorarm, 10 aan de hand zitten; van deze steekt

de tweede voorbij de andere uit. De staart bestaat in den regel uit

12, bij uitzondering uit 14 à 16 pennen; hij is meestal kort en zwak

afgerond, soms echter lang en dan gewoonlijk naar de zijden trapsgewijs

afgekort. De stijve en harde veeren liggen tamelijk glad tegen het

lichaam aan; iedere veer afzonderlijk is betrekkelijk groot, breed

afgerond en bij den wortel donzig. Zachte kleuren hebben de overhand,

levendige, sterk sprekende zijn echter volstrekt niet zeldzaam;

vooral de hals en de vleugeldekveeren iriseeren dikwijls met de

prachtigste metaalkleuren. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat

bij de meeste soorten weinig verschil; de jongen onderscheiden zich

echter gewoonlijk van de ouden. Van hun grootte valt op te merken,

dat de grootste der thans bekende Duifvogels een kleinen Kalkoen,

de kleinste een Leeuwerik ongeveer evenaart.

Van het inwendig samenstel verdient, volgens Nitzsch vermelding,

dat de Duiven in verschillende opzichten--vooral door den vorm van

borstbeen, vorkbeen, voorarm, bekken, maag, luchtpijp, enz.--een niet

geringe overeenkomst met de Hoenderen vertoonen, in andere opzichten

trouwens zeer duidelijk van hen verschillen. De slokdarm verwijdt

zich tot een echten krop, welks wand in den broedtijd dikker wordt

en dan aan zijn binnenste oppervlakte netvormige plooien en mazen

vertoont, die (ten gevolge van den vermeerderden toevoer van bloed

naar de vaten) in dien tijd een melkachtige stof afscheiden, welke

het eerste voedsel van de jongen is. Hierdoor verschillen de Duiven

van alle overige bekende Vogels.

Er is reden om de Duiven begaafd te noemen. Zij loopen goed; hoewel zij

geen bijzonder snellen gang hebben, kunnen zij dien lang volhouden;

bij elken stap knikken zij echter met den kop, omdat hare pooten

kort zijn. Enkele soorten loopen op de wijze van Hoenderen zeer

snel; andere kunnen zich op den bodem niet goed redden, maar des

te beter op de twijgen der boomen. Zij, die het best kunnen loopen,

vliegen het slechtst; verreweg de meeste echter hebben een snelle en

krachtige vlucht, die zich door behendige, snelle wendingen kenmerkt

en gewoonlijk met een luid, fluitend gedruisch gepaard gaat. Dat de

Duiven uit eigen beweging soms zwemmen, heb ik in Egypte waargenomen;

dat zij in den grootsten nood zelfs duiken, hebben Naumann en E. von

Homeyer opgemerkt. Over 't algemeen is er tusschen de stemmen van de

verschillende Duiven veel overeenkomst waar te nemen; bij vergelijking

van deze geluiden merkt men echter ook verscheidenheid op. De meeste

Duiven "roekoeken", d.w.z. laten kort afgebroken, hol klinkende, zware

geluiden hooren, waarin de klonk "roek" of "roeks" de overhand heeft;

andere "kirren", brengen zachte, trillende tonen voort, welker klank

aan den wortel van het genoemde werkwoord herinnert; enkele soorten

huilen, andere lachen; eenige geven zeer klankvolle, goed afgeronde,

aangename geluiden ten beste, andere knorren afschuwelijk. Onder hare

zinnen staat ongetwijfeld het gezicht bovenaan, zooals het betrekkelijk

groote, goed gebouwde en dikwijls zeer fraai gekleurde oog, dat veel

uitdrukking heeft, reeds laat vermoeden; eveneens voortreffelijk is het

gehoor, over welks scherpte men gemakkelijk een bepaald oordeel kan

verkrijgen; waarschijnlijk zijn ook de smaak, de reuk en het gevoel

betrekkelijk fijn. De geestesgaven van de Duiven heeft men, verleid

door haar meer schijnbare dan werkelijke lieftalligheid, dikwijls

zeer overschat. De Duiven zijn in den regel schuw en voorzichtig,

onderscheiden echter een wezenlijk bestaand van een denkbeeldig gevaar

niet zoo scherp als andere Vogels; zij nemen altijd het wisse voor

het onwisse en ontwijken daarom den boer of den schaapherder even

angstvallig als den jager. Het kost moeite ze werkelijk te temmen,

omdat haar geschiktheid om te oordeelen gering en haar geheugen (op

zijn zachtst uitgedrukt) niet voortreffelijk is. Toch verdienen de

Duiven, ook wat hare geestvermogens betreft, duidelijk den voorrang

boven de Hoenderachtigen en Pluviervogels.

In hare handelingen is zooveel aantrekkelijks, dat zij reeds sinds

overouden tijd als zinnebeelden beschouwd werden; zelfs is haar de

eer ten deel gevallen, dat men bovenzinnelijke begrippen in haar

gedaante voorstelde. Voor het onbevangen oog vertoont zich haar aard

in een minder gunstig licht. Vele, maar geenszins alle Duiven houden

van gezelligheid en leven paarsgewijs: het is echter zeer de vraag,

of de leden van een paar werkelijk levenslang vereenigd blijven,

zooals gewoonlijk aangenomen wordt. Ronduit afschuwelijk vinden wij de

trouweloosheid van vele Duiven jegens haar gebroed: niet slechts de

eieren, maar zelfs de reeds uit den dop gekomen jongen verlaten zij,

wanneer zij gestoord worden en hierdoor argwaan krijgen. Ook kan men

haar niet vrijpleiten van nijd en afgunst; de hebzucht brengt bij haar

ieder kameraadschappelijk gevoel tot zwijgen: het door haar gevonden

voedsel bedekken zij met de vleugels, terwijl daarentegen de veel

lager geschatte Hoenderen in een dergelijk geval hunne metgezellen

bij zich roepen.

De Duiven (waarvan men ongeveer 400 soorten onderscheidt) zijn

wereldburgers in de meest uitgestrekte beteekenis van het woord. Zij

bewonen alle werelddeelen, alle hoogte- en breedtegordels, maar geven

de voorkeur aan het woud; die, welke zich op kale rotsen vestigen,

behooren tot de uitzonderingen. Zij houden van de nabijheid van 't

water en vermijden waterlooze gewesten, waarmede echter niet bedoeld

wordt, dat zij hier geheel ontbreken; daar haar vaardigheid in 't

vliegen haar in staat stelt om dagelijks verafgelegen drinkplaatsen te

bezoeken. Haar grootste ontwikkeling vertoont deze orde op de groote

en kleine eilanden van de Stille Zuidzee; over 't algemeen trouwens

herbergen de eilanden naar evenredigheid meer Duiven dan de groote

vastelanden. De Soenda-eilanden, Philippijnen, Molukken zijn rijk

aan afwijkende en prachtige soorten; in aanzienlijken getale bewonen

zij Australië en Nieuw-Guinea; weinig minder sterk vertegenwoordigd

zijn zij in Indië en Zuid-China. In Afrika is het aantal soorten

minder groot dan in Azië; iedere soort wordt echter zeer veelvuldig

aangetroffen; men ontmoet hier allerwege Duiven, zelfs nog midden in

de woestijn. In de wouden van de steppe ziet men ze hier en daar als

't ware op iederen boom; in de oerwouden is het roeksen, kirren,

huilen enz. van de Duiven een zoo gewone muziek, dat het geluid van

alle andere Vogels er bijna door overstemd wordt; een enkele bron, een

waterplas in de steppe, dient gedurende meer of minder langen tijd als

verzamelplaats voor honderdduizenden van deze snelvliegende Vogels, die

betrekkelijk weinig behoeften hebben. Amerika, vooral het zuiden van

dit werelddeel, is het vaderland van meer dan het derde deel van alle

tot dusver bekende Duiven. Op grond van haar bekende voorliefde voor

het verblijf op eilanden, zijn zij in Middel-Amerika nog veelvuldiger

dan in Brazilië. Bij het nagaan van hare verblijfplaatsen blijkt

het, dat de verschillende soorten de wereld onder elkander verdeeld

hebben. Terwijl sommige uitsluitend boomvogels zijn en hoogstens om

te drinken op den bodem komen, brengen andere hier haar geheele leven

door of begeven zich hoogstens voor korten tijd op lage boomtakken;

terwijl deze het donkere woud bevolken, vestigen gene zich in het

lichte struikgewas der steppe; weer andere huizen slechts op rotsen,

of alleen in lage struiken, uitsluitend op kleine eilanden, enz.

Alle in het noorden levende soorten zijn trekvogels, de bewoners van

zuidelijke gewesten zwerf- of standvogels. Deze leven hoogstens in

kleine troepen, gewoonlijk echter bij paren; de overige vereenigen

zich slechts gedurende den trektijd tot groote zwermen; andere

vormen jaar in jaar uit talrijke genootschappen; de leden van

sommige soorten vereenigen zich tot ontzaglijke scharen, die

volgens betrouwbare schattingen veel talrijker zijn dan bij eenige

andere Vogelgroep. Zelden trekken zij ver weg; de Europeesche Duiven

b.v. begeven zich hoogstens naar Noord-Afrika, maar blijven meestal

reeds in Zuid-Europa. Hun voedsel ontleenen zij bijna uitsluitend

aan het plantenrijk. In den krop heeft men bij enkele soorten kleine

huisjesslakken, Wormen en rupsen gevonden; ook weet men, dat zij

haar eigen Luizen opeten; de hoeveelheid dierlijk voedsel, die zij

gebruiken, is in allen gevalle zeer gering. Zaden en wortelknollen

van allerlei soort vormen het voedsel van de meerderheid; de leden

van sommige familiën of onderfamiliën voeden zich met de bessen en

vruchten, die het woud oplevert. Vele soorten zijn zeer gesteld op

zouthoudenden grond. De Duiven, die harde zaden eten, slikken tot

bevordering van de spijsvertering kleine stukjes kwarts en andere

harde voorwerpen door; de wijfjes, die eieren zullen leggen, gebruiken

ook kalk. Zij hebben veel water noodig, omdat dit niet alleen voor

het lesschen van den dorst, maar ook voor het verweeken van de harde

zaden moet dienen.

Voor zoover men weet, broeden alle Duiven meer dan eens in het

jaar. Het nest wordt op verschillende plaatsen gebouwd: te midden

van de twijgen van boomen en struiken, soms hoog, soms laag boven den

grond, in holen van 't gesteente en gaten van boomen, op dikke takken,

op afgeknotte stammen, zelden op den vlakken grond. Het is slecht

gebouwd van eenige weinige dorre twijgen, die onsamenhangend en slordig

opeengestapeld zijn; dikwijls is het zoo los ineengevoegd, dat men niet

begrijpt, hoe het weerstand kan bieden aan weer en wind. Het nest bevat

witte eieren. Gedurende den paartijd streeft de doffer zeer ijverig

naar de gunst van de duif. Beide ouders houden zich met het broeden

bezig; de doffer vervult zijn taak niet zonder morren, omdat het

stilzitten hem hoogst onaangenaam schijnt te zijn. Nadat de eieren 14 à

20 dagen bebroed zijn, komen de jongen te voorschijn; zij zijn klein,

hulpbehoevend, blind en schaarsch bekleed met geel dons; zij blijven

in het nest, totdat zij in staat zijn om te vliegen. Aanvankelijk

worden zij gevoed of liever "gepropt" met de kaasachtige stof, die uit

de wanden van den krop afkomstig is, later met in de krop geweekte,

nog later met harde zaden. Zij ontwikkelen zich schielijk: reeds na

het eerste levensjaar zijn zij voor de voortplanting geschikt.

Alle Duiven, althans de inheemsche, moeten als nuttige Vogels beschouwd

worden. Snell heeft zich door nauwgezette en moeielijke onderzoekingen

overtuigd, dat zij wel is waar enkele graankorrels opzoeken, die anders

bederven zouden, maar toch over 't algemeen zich bijna uitsluitend

voeden met onkruiden, die voor den landbouw nadeelig zijn, waardoor

zij ons een waarlijk onberekenbaar voordeel aanbrengen.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 7 / 12 段