Op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden, vooral op Salawatti, Misool,

Waigioe en de Aroe-eilanden en ook op de noordspits van Australië,

ontmoet men de Arara-kaketoe (Microglossus aterrimus), in een deel

van Nieuw-Guinea Rasmalos genoemd. Deze Vogel is een van de grootste

Papegaaien; zijn snavel is kolossaler dan die van eenig ander lid der

orde. Zijn plaatsing in deze onderfamilie is voornamelijk gegrond op de

kortheid en den vorm van den breeden staart en op de aanwezigheid van

een kuif op den kop; deze is echter op geheel andere wijze samengesteld

dan bij de echte Kaketoes. Door den ontzagwekkenden snavel en de

naaktheid van de wang herinnert deze Vogel aan de Araras. Eigenaardig

is de vorm van zijn tong; deze is tamelijk lang, vleezig, rolvormig,

aan de bovenzijde uitgehold en van voren afgeplat, donkerrood, aan de

spits hoornachtig en hier als 't ware met een zwart pantser bedekt;

zij kan tamelijk ver buiten den snavel uitgestoken en als een lepel

gebruikt worden; het met den snavel fijngemaakte voedsel wordt er

er mede opgenomen en naar den slokdarm vervoerd. De randen van de

tong zijn zeer beweeglijk; zij kunnen naar boven tegen elkander

aangelegd worden, zoodat de spijsbrok dan omsloten is door een buis

en gemakkelijk naar binnen glijdt.

De Rasmalos is forscher gebouwd dan de meeste Araras. Zijn vederenkleed

is effen donkerzwart met een zwakken groenachtigen weerschijn; bij

den levenden Vogel heeft het echter een grijsachtige tint, omdat het

met een meelachtig stof bedekt is. De onbevederde, rimpelige wangen

zijn rood van kleur. De kuif bestaat uit lange, smalle veeren, welker

kleur meer naar grijs zweemt dan die van het overige lichaam.

Over het leven van dezen Vogel in de vrije natuur is weinig bekend. "De

Arara-kaketoe," zegt Von Rosenberg, "is niet zeldzaam op Waigioe,

Misool, Salawatti en op de kust van Nieuw-Guinea. Meestal houdt zij

zich op in de kroon van de hoogste boomen, waar zij voortdurend in

beweging is; terwijl zij zit of met krachtige vleugelslagen hoog in de

lucht voorbijvliegt, hoort men haar ratelende stem, welke een geheel

anderen klank heeft dan die van de Witte Kaketoes. De inboorlingen

nemen de jonge Vogels uit het nest, brengen ze groot en verkoopen ze

daarna aan de handelaars. De gevangenen eten het liefst de vruchten

van den kanariboom, welker ijzerharde bolster zij gemakkelijk stuk

maken. Zij worden zeer tam. Een van deze Kaketoes, die aan een bewoner

van Amboina behoort, zwerft vliegend door de geheele stad rond en

komt te rechter tijd thuis om te eten en te slapen."

E. von Martens zag een gevangen exemplaar van deze soort op Mahai. "De

Zwarte Kaketoe," schrijft hij, "is een grappige Vogel. Stijf zittend

met haar rood aangezicht, haar kolossalen snavel en haar steeds

overeindstaande vederenpluim, doet zij denken aan een ouden generaal;

vooral door haar leelijkheid maakt zij een levendigen indruk. Zij is

stil en vervelend; bij de nadering van een vreemdeling en ook nu en

dan zonder eenige aanleiding laat zij haar krakende stem hooren." Deze

klinkt volgens Schmidt als "ra-a" en herinnert aan het kraken van

een deur.

Op Amboina ziet men dikwijls getemde Arara-kaketoes; haar prijs

bedraagt daar 20 à 25 gulden per stuk. In Europa komen zij zelden

voor. In den Amsterdamschen dierentuin was er één, die men aan allerlei

voedsel, vleesch uitgezonderd, had kunnen gewennen en die zich daarbij

wel bevond.

Het naast verwant aan de beschreven soort zijn waarschijnlijk

de Raafkaketoes (Calyptorhynchus), welker grootte in den regel

afwisselt van die van een Raaf tot die van een Kauw; wegens hare groote

vliegwerktuigen zien zij er nog grooter uit dan zij werkelijk zijn. De

opmerkelijk krachtige snavel is hooger dan lang, half-cirkelvormig

naar beneden en met de korte spits naar binnen gekromd; de pooten

zijn dik, de vleugels lang en spits; de vleugelspits steekt ver uit;

de staart is lang, breed en sterk afgerond; het zachte vederenkleed

bestaat uit breede, aan den top afgeronde veeren; die van den achterkop

zijn verlengd en vormen een achterwaarts gekromde kuif.

De overgang van de echte Kaketoes tot de Raafkaketoes vormt de

Helmkaketoe (Calyptorhynchus galeatus), die de grootte heeft van een

Woudduif. Zij is donker leikleurig zwart, met flauwe dwarsgolven,

daar iedere veer aan de spits een smallen, licht grijsachtig witten

zoom heeft; de kop, de nek, de wangen en de kuif hebben een prachtige,

karmijnroode kleur; de armpennen hebben bovendien somber metaalglanzig

groene zoomen; de onderdekveeren en de onderzijde der pennen, zoowel

van den vleugel als van den staart, zijn grauwzwart.

Over de levenswijze van de Helmkaketoe ontbreken tot dusver uitvoerige

berichten; beter kent men andere leden van haar geslacht, als welke

meest typischen vertegenwoordiger men de Raafkaketoe (Calyptorhynchus

Banksii) mag beschouwen. Zij is grooter dan alle tot dusver genoemde

Kaketoes: haar totale lengte bedraagt ongeveer 70 cM., waarvan

30 cM. op den staart komen. Het vederenkleed, de staart alleen

uitgezonderd, is bij het mannetje glanzig zwart met groenachtigen

weerschijn, bij het wijfje groenachtig zwart; de kop, de zijden van

den hals en de vleugeldekveeren zijn geel gevlekt, de onderdeelen

lichtgeel gestreept. Een breede, karmijnroode dwarsband komt bij het

mannetje op het midden van den staart voor, maar laat de middelste

staartveeren en de buitenvlag der beide buitenste veeren vrij. Bij het

wijfje treft men breede, gele, roodgeel gesprenkelde dwarsbanden aan,

die dezelfde eigenaardigheid vertoonen; ook de onderste staartdekveeren

zijn op deze wijze geteekend.

De Raafkaketoes behooren in Australië thuis, maar zijn over

verschillende districten van dit werelddeel verbreid. Zij zijn echte

boomvogels, die zich hoofdzakelijk voeden met zaden van eucalypten

en van andere boomen van haar vaderland, hoewel zij af en toe ook,

in tegenstelling met andere Papegaaien, vette maden gebruiken. Van

de overige Kaketoes verschillen zij voorts, doordat zij tot slechts

kleine vluchten van 4 à 8 stuks vereenigd zijn, en zelden, n.l. als

zij trekken of zwerven, zwermen vormen.

Voor zoover men thans weet, broeden de Raafkaketoes uitsluitend

in gaten van boomen. Zij kiezen hiervoor altijd de hoogste en

ontoegankelijkste reuzen van het woud, in den regel zulke, die zelfs

door de inboorlingen niet beklommen kunnen worden.

Behalve de mensch maken, naar men zegt, ook de Roofbuideldieren en

de groote Roofvogels met goed gevolg jacht op de Raafkaketoes. Haar

vleesch wordt door de blanke bewoners van Australië niet, door de

inboorlingen echter, evenals alle eetbare voortbrengselen van dit

arme land, zeer hoog geschat.

Gevangen Raafkaketoes komen zelden op onze dierenmarkt; meestal leven

zij in de kooi niet lang.

Het tot inleiding dienend, algemeen overzicht van de onderfamilie

heeft meer bepaaldelijk betrekking op de Kaketoes in de meer

beperkte beteekenis van het woord (Plissolophus); deze hebben een

zeer gedrongen lichaamsbouw en zijn groot of middelmatig groot;

haar grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van een

Kauw. Haar verbreidingsgebied omvat bijna alle hierboven aangeduide

landen en eilanden, waar leden van de onderfamilie voorkomen; haar

levenswijze is reeds in de inleiding geschetst.

De Moluksche Kaketoe (Plissolophus moluccensis) verdient den voorrang

als waardigste vertegenwoordigster van het geslacht. Zij en een

Australische verwant (Plissolophus galeritus) overtreffen alle

overige soorten in grootte. Haar wit, met een licht rozerood waas

overtogen kleed is zeer fraai en getooid met een prachtige kuif,

die uit meniekleurige veeren van 17 cM. lengte bestaat, welke van

onderen door witte veeren overdekt zijn. De wortelhelft van de

slagpennen en van de staartveeren is aan de onderzijde geelachtig,

de iris is donkerbruin, de kleine kring om het oog grijsachtig blauw

of blauwachtig wit, de snavel, evenals de poot, zwart, doch met een

grijs poeder bedekt, bij de in vrijheid levende exemplaren met een

pruimenblauw waas overtogen. De Moluksche Kaketoe bewoont zoo goed als

uitsluitend het eiland Ceram. Slechts zeer zelden vliegt zij naar het

eiland Amboina over, dat twee volle graadminuten verder zuidwaarts is

gelegen. Vooral zij brengt zoowel aan de kust, als in het binnenland,

in de vlakte zoowel als in het gebergte leven in het stille woud van

dit eiland, dat over 't geheel genomen niet rijk aan Vogels is.

De gevangen Moluksche Kaketoe vereenigt als 't ware alle eigenschappen

van haar familie en meer bepaaldelijk die van haar geslacht, in

zich. Zij is een prachtige Vogel; hoe langer iemand met haar verkeert,

des te meer genegenheid zal hij voor haar gevoelen. Bijna altijd is

zij reeds getemd, als zij in Europa aankomt, maar nog eenigszins

knorrig ten gevolge van de ontberingen der reis; weldra schikt

zij zich echter in de gewijzigde omstandigheden en toont zich zeer

dankbaar voor de haar bewezen vriendschap, die zij met deemoedige

gehechtheid beantwoordt. Zij is zeer opgewekt van geest en daarom zeer

beweeglijk. "Zelfs als zij rustig op haar zitstok zit," zegt Linden

zeer te recht, "toont zij minstens door het opzetten en neerleggen van

haar kuif, dat zij alles opmerkt, wat er om haar heen voorvalt; als

zij door de een of andere oorzaak tot opgewondenheid wordt vervoerd,

zet zij niet alleen de ver naar beneden hangende kuifveeren op, maar

ook die van den hals, van den nek en van de borst, die dan een groote,

buitenwaarts gerichte kraag vormen; zij breidt de vleugels half en

de staart zoover uit, dat deze op een waaier gelijkt; haar voorkomen

is dan prachtig. De roode kuifveeren, die op schitterende vlammen

gelijken, de veeren om den ondersnavel, die een baard vormen en de

eenigszins opgelichte vliegwerktuigen dragen er toe bij om te maken,

dat zij den indruk van zelfbewuste kracht wekt."

Een van de fraaiste Australische soorten is de Inka-kaketoe

(Plissolophus Leadbeateri). Hare witte veeren zijn aan den voorkop,

op het voorhoofd en aan de zijden van den hals, op het midden en aan

de onderzijde der vleugels, op het midden van den buik en aan het

wortelgedeelte van de binnenvlag der staartveeren rozerood, onder de

vleugels fraai zalmrood. Prachtig is de kuif: iedere veer is hoogrood

aan den wortel, geel gevlekt in het midden en wit aan de spits. Als

de kuifveeren neergelegd zijn, ziet men alleen hare witte spitsen;

na het oprichten dezer veeren komt haar vurig rood schitterend voor

den dag en vereenigen de gele middelvlekken zich onderling tot een

band, die dezen koptooi nog fraaier maakt.

Volgens Gould is deze sierlijke Vogel in het zuidoosten van Australië

ver verbreid; bij voorkeur houdt hij zich echter op in de hooge

eucalypten en in het struikgewas, dat in het binnenland de rivieroevers

bedekt; nooit vertoont hij zich in de buurt van het strand.

Nieuw-Zeeland, dat zoo rijk is aan eigenaardige Vogels, wordt

bewoond door een buitengewoon merkwaardig Papegaaiengeslacht:

de Nestor-kaketoes (Nestor), vertegenwoordigers van een

kleine onderfamilie van denzelfden naam (Nestorinae) tot welks

verbreidingsgebied, behalve Nieuw-Zeeland, ook nog het Norfolk- en het

Philippseiland en Nieuw-Guinea behooren. Zij is gekenmerkt door een

krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met lange, naar onderen

gekromde spits; op de washuid groeien eenige borstelige veertjes. De

krachtige pooten hebben een tamelijk langen loop en lange teenen,

die met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn. De lange, spitse

vleugels reiken in den toestand van rust ver voorbij de bovendekveeren

van den staart. Deze is middelmatig lang, slechts weinig afgerond;

de schaft van elke stuurpen heeft een naakte spits. De dikke, aan de

bovenzijde platte tong is aan de onderzijde afgerond en hier voorzien

met een reeks van korte, stijve wratten, die op de tong ongeveer

dezelfde plaats innemen als de rand van den nagel op den vinger van

den mensch. De betrekkelijk kleine kop draagt geen kuif.

Van de zes bekende soorten van Nestors zijn twee--de Norfolk-nestor

(Nestor norfolcensis), die uitsluitend het Norfolk-eiland bewoonde, en

de Langbek-Nestor (Nestor productus), die alleen op het Philippseiland

voorkwam--reeds geheel uitgeroeid. De vier overige bewonen nog steeds

de bosschen van de beide groote eilanden, waaruit Nieuw-Zeeland

bestaat, en zijn hier zoo talrijk, dat haar uitroeiing voorloopig

niet te vreezen is.

De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is die, welke door

de Maoris Kaka wordt genoemd (Nestor meridionalis). Totale lengte 47,

staartlengte 18 cM. Zijn vederenkleed, dat zeer ongelijk kan zijn,

is in den regel op voorhoofd, bovenkop en achterkop en op de teugels

witachtig grijs, op de zijden van kop en hals, in den nek, aan de kin,

de keel, den krop en de bovenborst donker omberbruin, op het onderste

deel van de wang en aan de keel purperroodbruin, aan den achterhals,

welks veeren een witten dwarsband vormen, aan den staartwortel, op

de bovendekveeren van den staart en de nog niet genoemde onderdeelen

donkerpurperkleurig roodbruin. De rug, de mantel en de bovendekveeren

van den vleugel hebben een olijfbruine met groenen weerschijn.

De Kea der inboorlingen, de Mountain-parrot (Bergpapegaai) der

kolonisten (Nestor notabilis), is grooter dan zijn zooeven beschreven

verwant. Totale lengte 50, staartlengte 20 cM. De hoofdkleur van zijn

kleed is olijfgroen.

Het door den Kaka bewoonde gebied omvat een groot deel van de

westelijke Nieuw-Zeelandsche Alpen van den voet van het gebergte tot

aan de grens der hoogstammige wouden; dat van den Kea daarentegen is

beperkt tot een tusschen 1500 en 2000 M. hoogte gelegen gordel van

de Zuidelijke Alpen, van waar hij slechts gedurende strenge winters

naar lagere oorden verhuist. Van de laatstgenoemde soort hebben

de kolonisten onaangename ervaringen opgedaan. Zij ondervonden,

dat de schapenkudden in het gebergte zonder bekende reden, door

een eigenaardige, alleen hier heerschende ziekte werden aangetast:

op verschillende plaatsen van de huid ontstonden wonden ter grootte

van een hand, die zich tot aan de spierlaag uitstrekten, door het

uitstroomende bloed de wol bedierven en niet zelden den dood van

het schaap ten gevolge hadden. Eindelijk bemerkte een herder, dat

de wonden door de Bergpapegaaien veroorzaakt worden. Een van deze

Vogels ging op een Schaap zitten en vrat het, zonder dat het stomme

dier zich van zijn kwelgeest bevrijden kon, een gat in 't lijf. Toen

de aandacht van de herders eens gevestigd was op den bedrijver van

het kwaad, werden zij bij het weiden van hun vee in 't gebergte

herhaaldelijk getuigen van dergelijke aanslagen. Eén voor één of bij

troepen kwamen de Keas, gingen op den rug van een Schaap zitten,

plukten de wol uit, wondden het dier met den snavel en vielen het

zoo lastig, dat het de kudde verliet. Nu vervolgden en kwelden zij

het door voortdurende aanvallen, totdat het, ten einde raad en geheel

uitgeput, op de zijde ging liggen, om den rug zooveel mogelijk tegen

de Vogels te beschutten; deze vraten hem dan in de zijden gaten in

't lijf en brachten hierdoor dikwijls den dood van hun slachtoffer

teweeg. Later heeft de Kea de gelukkige ontdekking gedaan, dat in

de nabijheid van de woonplaatsen der kolonisten zich gewoonlijk een

voor hem toegankelijke vleeschbewaarplaats bevindt. Zeer ingenomen

met deze uitmuntende inrichting, die hem de gelegenheid opent om

zonder moeite vleesch te krijgen, doet de Kea thans zijn best om van

deze voorraadschuren partij te trekken. Met dit doel verschijnt hij

geregeld in de nabijheid van de schapenslachterijen om er het afval,

vooral de koppen van de geslachte Schapen op te vreten, voorzoover

hij hiertoe in staat is. Ook de voorraad rund- en schapevleesch

vermindert intusschen, dank zij de vraatzucht van den Vogel, die

zelfs de schapevellen, welke te drogen hangen, niet verschoont. Men

zorgt er echter zooveel mogelijk voor, dat hij zich gewoonlijk met

afval moet behelpen. In den regel verschijnen de dieven gedurende den

nacht; gewoonlijk ondernemen zij hunne rooftochten gemeenschappelijk;

het is althans geen zeldzaamheid een troep van deze tierende Vogels

op de nok van een hut te zien zitten.

De iets kleinere Langbek-nestor (Nestor productus)--waarvan ongeveer

een dozijn opgezette voorwerpen, in verschillende verzamelingen

bewaard, de eenige overblijfselen zijn--bewoonde nog in het midden

dezer eeuw een eilandje tusschen Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië, het

Philippseiland, dat ongeveer anderhalf uur omtrek heeft. Opmerkelijk is

het, dat deze Vogel niet aangetroffen werd op het slechts anderhalf uur

verder zuidwaarts gelegen, veel grootere Norfolk-eiland. De rotsen en

de hoogste boomen van het eilandje waren zijn gewone verblijfplaatsen;

hij was zoo mak, dat het niet veel moeite kostte hem te schieten

en in strikken te vangen. Met zijn tong nam hij den honing uit de

witte bloemen van een hibiscus-soort op. (Tot een dergelijk voedsel

bepaalden zich ook de Nieuw-Zeelandsche Nestors vóór de invoering van

de schapenfokkerij in hun vaderland.) Het wijfje legde 4 witte eieren

in holle boomen. In 1851 bezat de Londensche diergaarde een levenden

Langbek-nestor; deze was niet in een kooi opgesloten en liep als een

Kraai op den grond; sla en andere saprijke planten, vruchten, room en

boter waren zijne liefste spijzen. Hij had een heesche, krakende, zeer

wanluidende stem, die min of meer op het blaffen van een Hond geleek.

Van het op Nieuw-Guinea en Salawatti levende geslacht der

Papoea-nestors (Dasyptilus) is tot dusver slechts één soort (en

deze zeer zelden) met zekerheid waargenomen. De Borstelkop of

Adelaar-papegaai (Dasyptilus Pecqueti) heeft de grootte van een

Kraai en ontleent zijn naam aan de zeer smalle, harde, lansvormige

kopveeren. Zijn vederenkleed is grootendeels zwart; rood zijn

echter het middelgedeelte der vleugels, de buik, de achterste

bovendekveeren van den staart en, naar het schijnt, soms ook de

staartpennen.--D'Alberti zag deze Vogels bij troepen van hoogstens

50 stuks op weg naar de hooge boomen, waarin zij overnachten.

Voor 't meerendeel nachtvogels zijn de Uilpapegaaien (Stringopinae),

een kleine, slechts vier soorten omvattende, tot het Australische

Rijk behoorende onderfamilie. Zij kenmerken zich vooral door de

zachtheid van hun vederenkleed en zijn het naast verwant aan de

Platstaartpapegaaien.

De Grondparkiet (Pezoporus formosus), de eenige vertegenwoordiger

van zijn geslacht, heeft de grootte van een Lijster; de staart is

echter langer dan het overige lichaam. Hij bezit krachtige pooten met

een opmerkelijk langen loop en lange teenen, die met zwakke, weinig

gekromde nagels gewapend zijn. Het vederenkleed is tamelijk bont,

ofschoon hierin slechts weinige kleuren met elkander afwisselen. De

hoofdkleur is olijfkleurig grasgroen; met uitzondering van den kop,

den hals en den staartwortel zijn alle onderdeelen met dwarslijnen,

de bovendeelen met dwarsvlekken geteekend. De veeren van den mantel,

van de schouders en van den achterrug benevens de vleugeldekveeren

zijn zwart met twee of drie smalle, gele dwarslijnen en een breeden,

groenen rand. De veeren van borst, buik en zijden zijn, evenals de

onderdekveeren van den staart, olijfkleurig geel met drie zwarte,

breede dwarsbanden en een smallen, groenen rand. De donker olijfbruine

slagpennen hebben een groene buitenvlag; de vier middelste staartpennen

zijn donkergroen, de overige olijfgeel: gene met smalle, gele, deze

op de binnenvlag met zwarte, op de buitenvlag met breedere, groene

dwarsbanden geteekend. Een smalle voorhoofdsrand is menierood. De

oogen, de snavel en de pooten zijn bruin.

De Grondparkiet is, volgens Gould, over geheel Zuid-Australië en

Tasmanië verbreid. In de noordelijke gedeelten van het Australische

vasteland heeft men hem nog niet waargenomen. Hij is een standvogel

en leeft in het door hem bewoonde gebied bijna voortdurend op den

grond; in de kroon van een boom ziet men hem uiterst zelden. Tot

verblijfplaats kiest hij onvruchtbare zandstreken, die met kort gras en

andere kruiden begroeid zijn, of met biezen bedekte veengronden. Hij

leeft hier eenzaam of paarsgewijs en zeer teruggetrokken; zonder

Hond kan men hem moeilijk opsporen. Hij loopt zeer snel en lang

achtereen op de wijze van een Snip door het gras, maakt behendig

gebruik van iedere geschikte schuilplaats en "drukt" zich soms als

een Hoen of een Moerasvogel tegen den grond, in de hoop onopgemerkt

te blijven. Alleen bij een onverwachte overrompeling maakt hij van

zijne vleugels gebruik; hij handelt dan ongeveer, zooals de Hoenderen

doen, vliegt buitengewoon snel dicht bij den grond langs, laat zich

na verscheidene zigzagzwenkingen in de lucht plotseling weer op den

bodem vallen en rent zoo vlug mogelijk verder.

De witte eieren worden op den naakten grond gelegd en door beide

ouders bebroed.

In tegenstelling met de meeste andere Papegaaien wordt de Grondparkiet

als wild zeer hoog geschat; zijn vleesch is malscher dan dat van de

Snip en komt in smaak met dat van den Kwartel overeen.

De bovenstaande levensbeschrijving is belangrijk uitgebreid door

Müller. Hoewel diens mededeelingen betrekking hebben op een andere

soort--de Holenparkiet (Geopsittacus accidentalis)--komt het mij zeer

waarschijnlijk voor, dat zij ook op den Grondparkiet toepasselijk

zijn. De Holenparkiet is een nachtvogel, die zich over dag in holen

ophoudt, welke hij eerst na zonsondergang verlaat om voedsel te

zoeken. Een gevangen exemplaar in de diergaarde van Regents-Park

hield zich over dag stil en rustig op zijn slaapplaats; zoodra de

schemering aanving, begon hij rond te loopen en te eten. Als voedsel

gebruikte hij niet alleen zaden, maar hapte, evenals de Kakapo, graag

de topspruitjes van het gras af. Hij ging nooit op een tak zitten,

maar bleef altijd op den grond, waarover hij haastig voortstapte. Zijn

stem was een schel, eentonig gefluit.

De merkwaardigste van alle Papegaaien--de Kakapo, Tarapo of Uilpapegaai

(Stringops habroptilus)--is een Nieuw Zeelandsche nachtvogel, die

sterk aan de Uilen herinnert. Om hem te kenmerken is het voldoende

te wijzen op zijn uilachtig vederenkleed en op den sluier, die zijn

aangezicht bedekt. De snavel is krachtig, dik, meer hoog dan lang;

de zeer krachtige poot heeft een langen en dikken loop en is met sterk

gekromde, spitse klauwen gewapend; de vleugels zijn kort en afgerond;

het vederenkleed is hard en grootendeels uit breede, wijdbaardige,

aan den top afgeronde veeren samengesteld; die van het voorhoofd en de

wangen zijn echter smal, bijna vezelig; lange, haarvormige schaften

omgeven straalsgewijs den snavelwortel en vormen gezamenlijk een

soort van sluier.

Daar de Kakapo niet of althans zeer gebrekkig klimt en vliegt, hoewel

hij klimvoeten en vleugels bezit, houden sommigen hem voor een weinig

gewijzigde afstammeling van de alleroudste Papegaaien. Marshall

daarentegen beschouwt den Uilpapegaai als "den modernsten vorm der

geheele orde, in dezen zin, dat hij zich in verband met eigenaardige

behoeften het meest gewijzigd en van de typische Papegaaien het

verst verwijderd heeft." "De Grondparkiet," zegt hij, "stamt af

van een klimmenden vorm en is niet, omgekeerd, de stamvader van

klimmende vormen. De Kakapo heeft duidelijke klimvoeten en deze

kunnen nooit verworven zijn door een van oudsher op den bodem

huizenden vorm." Zijne voorouders hebben de geschiktheid voor 't

klimmen langzamerhand verloren, omdat zij in het door hen bewoonde

gebied zelden of nooit boomen behoefden te bestijgen; toch hadden zij

(en hebben hunne hedendaagsche nakomelingen) het maaksel van den voet

hunner klimmende voorouders bijna onveranderd behouden.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 6 / 12 段