Rosella van de Australische kolonisten (Platycercus eximius), die
den omvang heeft van een groote Lijster. De kop, de keel en de borst
benevens de onderdekveeren van den staart zijn levendig karmijnrood,
de veeren van het achterste deel en van de zijden van den hals, van
den mantel en van de schouders zijn zwart met breede lichtgele zoomen,
die van de onderborst hooggeel, die van de zijden van de borst geel
met zwarte middelvlek, die van den buik, van de schenkels, van den
staartwortel en de bovendekveeren van den staart fraai lichtgroen,
vaalgeelachtig uitvloeiend, de slagpennen zwartbruin, met donkerblauwen
rand op de buitenvlag, de handpennen prachtig paarsblauw, de laatste
3 of 4 armpennen met breeden, lichtgroenen rand op de buitenvlag,
alle van onderen grijsachtig zwart; de middelste staartveeren zijn
donker olijfkleurig groen, nader bij de spits blauwachtig groen; van
de overige is de wortelhelft donkerblauw, de tophelft licht paarsblauw,
de top wit. Een witte baardvlek strekt zich van den bovensnavel tot aan
de oorstreek uit; een groote zwarte vlek versiert de voorarmstreek. De
oogen, de snavel en de pooten zijn donkerbruin. Deze fraaie Parkiet
bewoont Zuid-Australië, Nieuw-Zuid-Wales en Tasmanië; hier is hij
een van de veelvuldigst voorkomende Vogels.
Een van de soorten, die het meest afwijken van het algemeene type
der onderfamilie is de Nymfparkiet, de Corella of Kaketoepapegaai
van de Australische kolonisten (Callipsittacus Novae-Hollandiae). De
Corella is ongeveer even groot als een van onze grootste Lijsters,
maar schijnt grooter wegens haar langen, "lansvormigen" staart. Het
vederenkleed is zeer bont en bevallig geteekend; de hoofdkleur, donker
olijfkleurig grijsbruin, gaat op de onderdeelen in grijs over; de
bovenkop, de teugel en de wang zijn licht stroogeel, evenals de veeren
van de kuif, die de kruin versiert; deze hebben echter grijze spitsen;
een ronde vlek in de oorstreek is saffraanrood, van achteren door
een witten rand begrensd; de leikleurig grijze handpennen hebben een
donkerbruine binnenvlag en spits; de armpennen zijn, met uitzondering
van de laatste, wit op de buitenvlag, maar bruinzwart op de binnenvlag
en de spits; de bovendekveeren van den vleugel zijn bruinzwart,
de onderdekveeren, evenals de onderzijde van de slagpennen, zwart,
de stuurpennen aschgrauw aan den binnenrand en van onderen zwart,
met uitzondering van de beide middelste, die een grijze kleur hebben;
de bovendekveeren van den staart zijn aschgrauw, de onderdekveeren iets
donkerder. De iris is donkerbruin, de naakte ring om de oogen grijs,
de snavel zwartachtig grijs, de washuid grijs, de voet grijsbruin.
Gould, die de eerste levensbeschrijving van de Corella gegeven heeft,
trof deze fraaie Vogels zeer veelvuldig aan in de binnenlanden van
Australië. Aan de kusten zijn zij zeldzamer; althans in verhouding
tot de duizenden, die de vlakten van het binnenland bevolken, vindt
men er slechts weinige tusschen de groote bergketens en de zee. Na den
broedtijd vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen, die den bodem
over een groote uitgestrektheid bedekken of op doode eucalyptus-takken
aan den waterkant zitten. In September trekken deze zwermen naar het
zuiden, in Februari en Maart keeren ze naar het noorden terug, waar
zij in den zomer broeden. Evenals de meeste van hare verwanten voeden
de Corellas zich met graszaden; zij kunnen echter niet zonder water
en moeten zich daarom altijd in de nabijheid van stroomen ophouden;
daarom nestelen zij steeds in bosschen langs rivieroevers. Zij zijn
volstrekt niet schuw; vele worden gedood om haar smakelijk vleesch,
andere gevangen en wegens haar bevallig voorkomen en lieftalligen
aard in de kooi gehouden.
Van alle Australische Papegaaien komt de Corella (na den Zangparkiet)
het veelvuldigst op onze dierenmarkten voor. Men kan haar bij
doelmatige verzorging langer in 't leven houden dan eenige andere
Papegaai; het kost niet veel moeite om haar in de gevangenschap met
goed gevolg aan 't broeden te krijgen.
Onder alle Papegaaien, die bij ons als gevangenen voorkomen,
verdient een kleine, Australische Parkiet zonder eenig voorbehoud
de eereplaats. Men kan zich trouwens moeielijk een Papegaai
voorstellen, die beter dan hij voor kamervogel geschikt is. Andere
Parkieten bekoren ons door hunne prachtige kleuren, de Zangparkiet
(Melopsittacus undulatus), die hier bedoeld wordt, trekt ons aan door
zijn bevallig voorkomen en zijn lieftalligheid, ik zou bijna zeggen,
door zijn aanminnigheid. Schoonheid bezit hij ook in hooge mate, maar
zijn beminnelijkheid is grooter dan de pracht van zijn kleed. Hij is
een sieraad van iedere kamer en wint spoedig ieders genegenheid.
De Zangparkiet, tot dusver de eenige, bekende vertegenwoordiger van
zijn geslacht, behoort tot de kleine Papegaaien; door zijn langen
staart schijnt hij echter grooter dan hij werkelijk is. Zijn lengte
bedraagt 20 à 22 cM., zijn staart is bijna 10 cM. lang. Zijn gestalte
is zeer sierlijk, de romp slank, de snavel hooger dan lang, aan de
zijden en op den rug afgerond, de bovensnavel bijna loodrecht naar
beneden gebogen en tot een ver overhangende spits versmald, vóór
deze diep uitgesneden, de ondersnavel even hoog als de bovensnavel;
de voeten zijn slank, de vleugels lang en spits; de lange staart, welks
beide middelste veeren ver voorbij de andere uitsteken, is trapvormig,
het vederenkleed buitengewoon zacht en zeer lief geteekend, bij de
mannetjes, wijfjes en jongen weinig verschillend. Het voorhoofd, de
bovenkop, de teugel en de streek om den ondersnavel zijn zwavelgeel,
aan weerszijden begrensd en getooid door vier schelblauwe vlekken, die
aan den top van verlengde veeren voorkomen; de oorstreek, de achterkop,
de achterhals, de mantel, de schouders en de meeste bovendekveeren
van den vleugel hebben een groenachtig gele kleur; elke veer is
echter geteekend met vier zwarte dwarslijnen, die op de schouders
en de vleugeldekveeren tot twee verminderd en tevens verbreed zijn;
de achterrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart,
alsmede de onderdeelen, van de kin af, zijn prachtig grasgroen, de
handpennen en hare dekveeren dofgroen, met wigvormige, geelachtige
vlekken geteekend, de meeste armpennen aan de buitenzijde groen,
de laatste armpennen en de laatste schouderveeren bruinzwart met
breeden, gelen eindzoom, de beide lansvormige veeren van den staart
dof donkerblauw, de overige stuurpennen groenachtig blauw met breeden,
zwarten zoom aan den wortel van de binnenvlag. Het oog is lichtgeel,
de snavel hoorngeel, de poot blauwachtig groen.
Tegenwoordig weet men, dat deze Vogel in verbazend grooten getale
het geheele binnenland van Australië en wel hoofdzakelijk de met
gras begroeide vlakten bewoont en zich hier met zaden van grassen
voedt. Alle onderzoekers, die hem in de vrije natuur zagen, zijn even
eenstemmig in hun lof als de liefhebbers, die hem alleen in de kooi
leerden kennen.
Toen Gould in het begin van December de vlakten van het binnenland
bezocht, zag hij zich omgeven door Zangparkieten en besloot langen
tijd op dezelfde plaats te blijven om hunne zeden en gewoonten na te
gaan. Zij verschenen in vluchten van 20 à 100 stuks in de nabijheid
van een kleine plas om te drinken en vlogen van hier op geregelde
tijden naar de vlakten om daar de graszaden, die hun eenige voedsel
uitmaken, op te pikken. Het veelvuldigst kwamen zij in den vroegen
morgen en 's avonds, voordat het donker werd, bij het water. Gedurende
de heetste uren van den dag zaten zij bewegingloos onder de bladen van
de eucalyptus-boomen, welker stammen de holten bevatten, die destijds
door broedende paren bewoond werden. Zoolang zij zich op de boomen
rustig hielden, waren zij moeielijk te ontdekken; zoodra zij echter
de drinkplaats wilden bezoeken, gingen zij vrij en in grooten getale
zitten op de doode takken der eucalyptus-boomen of op takken, die tot
op het water afhingen. Hunne bewegingen zijn bewonderenswaardig. Zij
vliegen rechtuit en buitengewoon snel, op de wijze van Valken of
Zwaluwen, in de meeste opzichten anders dan de overige Papegaaien. Op
den bodem is hun gang betrekkelijk goed; zij klimmen in de twijgen
althans niet zonder behendigheid. Gedurende het vliegen hoort men
van hen een krijschend geluid; het vriendschappelijk gesnap van de
zittende Vogels zou men een gezang kunnen noemen, indien de tonen van
iederen zanger zich niet vermengden met die van tallooze soortgenooten,
waardoor een verward mengelmoes van tonen ontstaat.
Volgens de mededeelingen van een Duitscher, die vele jaren in
Australië woonde, worden de Zangparkieten tegen den avond in
groote, buidelvormige netten bij honderden en duizenden gevangen,
in ruwe kistkooien opgesloten en zoo aan de vogelhandelaars in de
kuststeden afgeleverd. De zorgvuldigste onder hen brengen de Vogels
bij troepjes in kleine kooien over, welker zitstokjes als de treden
van een trap achter en boven elkander gelegen zijn, opdat het grootst
mogelijk aantal Vogels in de kleinst mogelijke ruimte een plaats kan
vinden. Zulk een voor de reis bestemde kooi levert een alleraardigst
schouwspel op. Het geheele gezelschap zit in gesloten gelederen op de
zitstokjes; de eene rij van gezichten kijkt over de andere reeks van
koppen heen; aller oogen zijn op den toeschouwer gericht; iedere Vogel
schijnt om verlossing uit de nauwe gevangenis te smeeken. Twist en
strijd, die bij andere Papegaaien zoo veelvuldig voorkomen, merkt men
bij den Zangparkiet ook wel, doch altijd slechts bij uitzondering op.
De Zangparkiet is niet een van de Papegaaien, waarvan men dikwijls
opmerkt, dat zij uit droefheid over het verlies van hun lotgenoot
aan 't kwijnen gaan en sterven; hij verlangt echter gezelschap en,
zooals licht te begrijpen is, bij voorkeur dat van een soortgenoot
van een andere sekse dan de zijne. Desnoods stelt hij zich tevreden
met een kleinen Papegaai van een andere soort; nooit echter zal hij
dezen met de lieftallige teederheid behandelen, die hij jegens zijns
gelijken aan den dag legt. Het is daarom noodig deze Vogels altijd bij
paren in de kooi te houden; alleen dan toonen zij zich zoo lieftallig,
als zij zijn kunnen.
Een uitmuntende eigenschap van den Zangparkiet is zijn soberheid. Geen
enkele kamervogel verlangt zoo weinig afwisseling in zijn voeding,
als deze kleine Papegaai. Met één soort van voedsel kan hij jaren lang
toe. De graszaden van Australië vervangt men door gierst, kanariezaad
en hennep; deze bekomen hem goed. Dikwijls heeft men zonder succes
beproefd, hem aan andere zaden te gewennen. Gaarne gebruikt hij echter
sappige bladen, vooral sla, kool en dergelijke groenten. Vruchten,
suiker en andere lekkernijen versmaadt hij aanvankelijk steeds,
langzamerhand gewent hij er echter aan. Het ligt voor de hand,
dat de gemakkelijkheid, waarmede deze Vogel onderhouden kan worden,
er veel toe heeft bijgedragen, om hem in den smaak te doen vallen.
De Zangparkiet weet nog op een andere wijze de genegenheid van den
mensch te verwerven. De meeste andere Papegaaien, zelfs de soorten,
die het best geschikt zijn voor het verkeer met den mensch, zijn soms
onverdragelijk wegens hun geschreeuw, hoe beminlijk zij overigens ook
zijn. Zij, die zich door woorden voor hunne verzorgers verstaanbaar
weten te maken, kunnen dikwijls geen weerstand bieden aan de hun
aangeboren neiging tot tieren en wisselen de woorden, die zij hebben
leeren zeggen, met een afschuwelijk gekrijsch af. Geheel anders is het
met de Zangparkieten. Ook zij beschikken over een uitmuntende stem,
maar gebruiken deze nooit op een hinderlijke wijze, integendeel,
men kan altijd met genoegen naar hen luisteren. Deze Vogels, althans
de mannetjes, dragen hun naam te recht; hun gesnap is meer dan een
gekweel, het is een wel is waar eenvoudig, maar toch recht aardig
wijsje. Enkele heeft men zelfs woorden leeren naspreken.
De dierenfokker, die de Zangparkieten bij paren houdt, ze doelmatig
verzorgt, zoo weinig mogelijk stoort en hun een geschikte gelegenheid
om te nestelen verschaft, zal bijna zonder uitzondering de vreugde
smaken, dat zijne gevangenen zich voortplanten. Het mannetje is een
model-echtgenoot, bemoeit zich uitsluitend met zijn eigen wijfje en
nooit met andere wijfjes, die dezelfde kooi bewonen; hij is steeds vol
zorg voor zijn gade. Op een tak vóór den ingang van het nest gezeten,
zingt hij haar zijne fraaiste wijsjes voor; terwijl zij broedt,
vervult hij steeds met ijver en genoegen de taak om haar met voedsel
te voorzien. Nooit is hij treurig, stil of slaperig, gelijk zoovele
andere Papegaaien, maar altijd vroolijk en lieftallig.
Het wijfje zorgt uitsluitend voor het gereedmaken van het nest. Zij
bewerkt de opening van den hollen stam zoolang met den snavel,
totdat de ingang aan de gestelde eischen voldoet, knaagt vervolgens
van binnen spanen van verschillende grootte los en legt hierop,
met tusschenpoozen van 2 dagen, 4 à 8 kleine, rondachtige, glanzig
witte eieren. Zij bebroedt ze zeer ijverig gedurende 16 à 20 dagen,
verwijdert zich alleen dan voor een korte poos wanneer de dringendste
behoefte haar er toe noopt, en wordt intusschen door het mannetje
gevoederd. De jongen blijven 30 à 35 dagen in het nest en verlaten het
eerst, als zij geheel bevederd zijn. Voortdurend wordt de kinderkamer
door het wijfje zorgvuldig schoon gehouden.
Onmiddellijk nadat het eerste broedsel zelfstandig geworden is,
beginnen de oude Vogels aan een tweede, als ook deze jongen uitgevlogen
zijn, gewoonlijk aan een derde en een vierde. In den dierentuin te
Breslau heeft men waargenomen, dat een paar een vol jaar onafgebroken
broedde! Zulke gevallen behooren tot de uitzonderingen: twee broedsels
achtereen schijnt echter de regel te zijn.
Ten slotte moeten wij nog vermelden, dat de Zangparkieten ook bij
ons in de vrije natuur in 't leven kunnen blijven. Op het landgoed
van een bekenden dierenliefhebber in België, vlogen in de lente
van het jaar 1861 twee paar Zangparkieten uit een kooi weg. Weldra
verloor men ze uit het oog in de boomkronen van een groot park
en werden een tijdlang in 't geheel niet of slechts zeer vluchtig
waargenomen. Zij bleven echter ditzelfde gebied bewonen, en hadden er,
zooals later bleek, zelfs in holle boomen genesteld en een aantal
jongen grootgebracht. De eigenaar ontdekte n.l. in den herfst van
het genoemde jaar een vlucht van 10 à 12 stuks Zangparkieten in een
haverveld, waar zij van de graanvruchten smulden. Sedert dien tijd
werden de Vogels door voorzichtig voederen langzamerhand naderbij
gelokt; voor den aanvang van den winter waren er 10 stuks van gevangen.
Onder de talrijke Papegaaiensoorten, die Australië bewonen, nemen
de Kaketoes (Plissolophinae) een belangrijke plaats in. Zij vormen
een tamelijk scherp begrensde groep en worden daarom terecht in een
afzonderlijke onderfamilie vereenigd. Haar meest in 't oog vallend
kenmerk is de kuif, die den kop versiert, opgezet en neergelegd
kan worden; dit eene kenmerk is voldoende om haar van alle overige
Papegaaien (met uitzondering van den Corella) te onderscheiden. (De
naam "Kaketoe" is aan het Maleisch ontleend en beteekent, "oude
vrouw".)
Het verbreidingsgebied van de Kaketoes strekt zich uit van de
Philippijnen tot Tasmanië en van Timor, Flores en Celebes tot de
Salomonseilanden en Nieuw-Britannië. Bijna alle landen en eilanden, die
binnen deze kring gelegen zijn, worden door Kaketoes bewoond. Hoewel
enkele soorten over uitgestrekte landstreken of over verscheidene
eilanden verbreid zijn, bewonen de meeste een buitengewoon beperkt
gebied. Zij vormen voor 't meerendeel groote, dikwijls ontzaglijke
zwermen, die in bosschen van zeer verschillenden aard verblijf houden,
van hier uit over velden en dreven zwerven en in alle omstandigheden
den toeschouwer een phantastisch schoon schouwspel verschaffen.
Door hun aard en gewoonten gelijken de Kaketoes op de overige
Papegaaien; zij behooren echter tot de beminnelijkste leden van
deze orde. Verklaarbaar is het, dat zij bij den mensch uit de gunst
geraken, wanneer zij, tot zwermen van duizenden vereenigd, haar
onaangenaam gekrijsch laten hooren; toch vat ieder, die een dezer
Vogels leert kennen en op een vriendschappelijke wijze behandelt,
genegenheid voor hem op. Alle Kaketoes zijn schrandere en verstandige,
de meeste ook ernstige en zachtmoedige Vogels. Hare geestvermogens
zijn buitengewoon sterk ontwikkeld, haar nieuwsgierigheid is niet
minder groot dan haar geheugen, het eigenaardige karakter-verschil
van ieder zeer opmerkelijk. Er zijn er misschien geen twee te vinden,
die zich geheel op dezelfde wijze gedragen. De Kaketoe sluit gaarne
een innige vriendschap met den mensch, is minder valsch dan andere
Papegaaien en is erkentelijk voor de haar betoonde genegenheid, die
zij van ieder op dezelfde wijze schijnt te verlangen. Onvriendelijk en
onbeminnelijk wordt zij eerst, wanneer zij onaangename ervaringen heeft
opgedaan. De beleedigingen, die zij heeft moeten dulden, vergeet zij
niet, of niet licht: het eens gewekte wantrouwen kan moeielijk uit den
weg worden geruimd. Dit is misschien de eenige onaangename karaktertrek
van de Kaketoe; over 't geheel genomen heeft zachtaardigheid bij
haar de overhand. Zij wil liefhebben en geliefd zijn en geeft dit
weldra op alle denkbare wijzen aan haar verzorger te kennen. Zoodra
zij zich geschikt heeft in haar gevangenschap en vertrouwen voor een
mensch heeft opgevat, laat zij gaarne toe, dat men haar streelt, buigt
gewillig den kop, zoodra men een beweging maakt om haar te liefkoozen,
en gaat letterlijk met hare veeren de streelende hand te gemoet.
De Kaketoe bezit echter nog andere goede eigenschappen. Hare groote
gaven blijken niet alleen uit haar uitmuntend geheugen, maar ook
uit haar groote leerzaamheid. In dit opzicht wedijvert zij met de
meest begaafde van alle Papegaaien. Ook zij kan vrij gemakkelijk
en vlug leeren spreken, koppelt verscheidene woorden samen tot een
verstaanbaar geheel en gebruikt geheele uitdrukkingen op een passende
wijze, laat zich africhten tot kunststukjes van velerlei aard: een
zeer groot verstand kan men haar niet ontzeggen.
De stem, die de Kaketoe van nature bezit, is een afschuwelijk,
onbegrijpelijk gekrijsch. Het woord "Kaketoe" en dergelijke aangeleerde
klanken spreken de meeste op een innemend teedere wijze uit; hierdoor
trachten zij haar vriendschappelijke gezindheid of haar gedweeheid
jegens haar verzorger te kennen te geven.
Evenals de andere Papegaaien zijn ook de Kaketoes gezellig van
aard; zij zijn in den vrije natuur tot troepen vereenigd, en
blijven zelfs gedurende den broedtijd nog in zeker verband met
elkander. Den nacht brengen zij goed verborgen in de dichtste kronen
der hoogste boomen door; den morgen begroeten zij met een ver klinkend
geschreeuw. Daarna verlaten zij haar rustplaats en vliegen met lichte
vleugelslagen, dikwijls zwevend en glijdend, naar den een of anderen
vruchtdragenden akker of een dergelijk oord, waar zij voedsel hopen te
vinden. Zij trekken zooveel mogelijk partij van het door haar bewoonde
gebied. Hoewel vruchten en zaden haar voornaamste voedsel uitmaken,
eten zij ook wel kleine knollen en bollen, die zij met den langen,
gekromden bovensnavel zeer behendig uit den grond graven; ook gebruiken
zij wel paddestoelen en verzwelgen tevens, gelijk de Hoenderen doen,
kleine of middelmatig groote stukken kwarts, stellig met dezelfde
bedoeling als andere zaadetende Vogels, n.l. om het fijnmaken van het
voedsel door de spiermaag te bevorderen. Het nest treft men, al naar
het door den Vogel bewoonde terrein, in holle boomen, vooral in holle
takken, maar ook in rotsspleten aan. Het nest bevat bij 't broeden in
den regel 2 (hoogstens 3) zuiver witte, eenigszins spits toeloopende
eieren, die ongeveer zoo, groot zijn als die van een "krielkip",
maar aan hun glans gemakkelijk van deze onderscheiden kunnen worden.
Wegens de schade, die de Kaketoes overal, waar zij in grooten
getale voorkomen, aan den landbouw toebrengen, worden zij in haar
vaderland ijverig belaagd en bij honderden gedood. Uit de berichten
van ervaren reizigers blijkt, dat deze Vogels, als zij vervolgingen
moeten verduren, weldra een buitengewone voorzichtigheid toonen,
evenals andere Papegaaien of als Apen gedurende hunne rooftochten op
een echt listige wijze handelen en daarom moeielijk of in 't geheel
niet van de akkers af te houden zijn. Evenals de kolonisten maken ook
de inboorlingen van Nieuw-Holland jacht op de Kaketoes; zij doen dit
op een eigenaardige wijze. "Zij gebruiken", zegt Grey, hiervoor het
eigenaardige wapen, dat onder den naam "boemerang" bekend is, een
sikkelvormig, plat stuk hard hout, dat zij uit de hand meer dan 30
M. ver werpen; draaiend doorklieft het de lucht en treft, hoewel het
herhaaldelijk van den rechten weg afwijkt, met vrij groote zekerheid
het doel. De Kaketoes zoeken gaarne een oord op, waar prachtige, hooge
boomen een waterplas omgeven; hier ziet men ze dikwijls in ontelbare
menigte te midden van de twijgen rondklauteren of van den eenen boom
naar den anderen vliegen; gewoonlijk slapen zij hier 's nachts. Met
de grootst mogelijke voorzichtigheid moet de inboorling zich naar een
dezer slaapplaatsen begeven; hij sluipt van boom tot boom, kruipt van
den eenen struik naar den anderen en doet zijn uiterste best om zoo
weinig mogelijk de aandacht te trekken van de waakzame Vogels. Toch
wordt de naderende vijand, ondanks zijn onhoorbaren, veerkrachtigen
gang, door de Kaketoes opgemerkt; het dreigende gevaar, over welks aard
zij nog in 't onzekere verkeeren, brengt een algemeene opschudding
te weeg. Intusschen is de vervolger aan den waterkant gekomen,
waar zijn donkere gestalte zich plotseling verheft boven de planten,
waarachter hij verborgen was. Met een oorverscheurend getier stijgen
de Vogels als een witte wolk omhoog; in 't zelfde oogenblik slingert
de jager zijn wapen te midden van den zwerm. De boemerang danst met de
zonderlingste sprongen en wendingen boven den waterspiegel, verheft
zich, een kromme lijn volgend, hoe langer hoe meer en zwiert in 't
volgende oogenblik te midden van de Vogels rond. Hem wordt een tweede,
een derde, een vierde dergelijk wapen achterna gezonden. Te vergeefs
trachten de overrompelde dieren te ontvluchten; de schijnbaar aan geen
regel onderworpen baan van het werptuig brengt hen in verwarring en
verlamt hun vlucht. De eene voor, de andere na komt met den boemerang
in aanraking, hetzij dat het suizende wapen hem den hals doorsnijdt
of een vleugel verbrijzelt. Schreeuwend van pijn en woede vallen
de getroffen Vogels naar beneden, maar de jager heeft reeds zijn
doel bereikt, als de overblijvende Kaketoes tot bezinning komen en
vol schrik wegvliegen, of een schuilplaats zoeken in de dichtste
boomkronen."
Het vleesch van deze dieren is, naar men zegt, vrij goed bruikbaar,
vooral voor het bereiden van soep.
Dat het niet moeielijk is de Kaketoes levend te vangen, blijkt uit
het groot aantal exemplaren, dat naar Europa wordt gebracht. Bij
doelmatige verzorging kunnen zij bij ons vele jaren lang in 't leven
blijven; er zijn voorbeelden van bekend, dat Kaketoes langer dan 70
jaar in de kooi geleefd hebben. Zij zijn niet moeielijk te onderhouden;
langzamerhand geraken zij gewoon aan al wat de mensch eet.