De Vleermuispapegaaien (Coryllis of Loriculus), die door sommige

dierkundigen bij de Honigpapegaaien worden gevoegd, hoewel hun tong

niet met haarvormige vezels bezet is, vinden bij Marshall onder de

Parkieten een plaats. Hun snavel is zeer zwak, veel langer dan hoog,

zijdelings samengedrukt; de pooten zijn kort en krachtig; de vleugels,

die in den toestand van rust meer dan de helft van den staart bedekken,

zijn lang; de eenigszins afgeronde staart is kort, het vederenkleed

hard en dicht, uit langbaardige veeren samengesteld; zijn hoofdkleur

is fraai groen; hierop komen de roode, gele en blauwe vlekken van

den bovenkop en de keel en ook de steeds roode staartwortel goed uit.

Dit geslacht bevat ongeveer 20 soorten, die veel op elkander gelijken,

bewoners van de Indo-Maleische en Papoeaansche landen en eilanden:

hun verbreidingsgebied strekt zich van Ceylon tot Malabar en van

het schiereiland Malakka tot Nieuw-Guinea uit; zij komen echter

binnen dezen uitgestrekten kring niet overal, doch slechts sporadisch

voor. Uitvoerige berichten over hun leven in de vrije natuur ontbreken

tot dusver; het is echter gebleken, dat zij boomvogels zijn in de meest

uitgestrekte beteekenis van het woord, zich soms in ontelbare menigte

tot zwermen vereenigen en zich voeden met bessen, bloesems van boomen,

knoppen en zaden. Om te rusten gaan zij op de wijze van de Vleermuizen

aan de pooten hangen: zij vliegen weinig, maar goed, zingen lief en

nestelen in holle boomen. Door de bewoners van hun vaderland worden

zij dikwijls in gevangenschap gehouden; zij zijn echter zeer weekelijk

en komen daarom bij ons zelden als kooivogels voor.

Het Blauwkroontje (Coryllis galgulus), op Sumatra Selindi

genoemd, is ongeveer zoo groot als onze Ringmusch, zijn kleed

grootendeels grasgroen, een ronde vlek op het midden van de kruin

donker ultramarijnblauw, een driehoekige, met de spits naar onderen

gerichte vlek op den rug oranjekleurig; een groote, langwerpig ronde

dwarsvlek op de keel is schel karmijnrood, evenals de staartwortel

en de bovendekveeren van den staart; een smalle dwarsstreep op den

onderrug boven den rooden staartwortel is hooggeel, evenals de zoomen

van de onderste veeren aan de zijden van den schenkel; de binnenvlag

van de slagpennen is zwart, de onderzijde van de slag- en stuurpennen

marineblauw; de onderdekveeren van den staart zijn groen.

Voor zoover men tot dusver heeft kunnen nagaan, komt deze soort

uitsluitend op Borneo, Sumatra, Banka en de zuidspits van het

Maleische Schiereiland voor. Deze, en vermoedelijk ook alle overige

Vleermuispapegaaien, behooren tot de lieftalligste leden van de

geheele orde; het zijn alleraardigste Vogels; men merkt bij hen een

verrukkelijke, argelooze gemeenzaamheid op; zij zijn beweeglijk,

maar niet wild; zij zingen snappend of snappen zingend, zonder

door een luid gillend geschreeuw of gekrijsch ons een onaangename

gewaarwording te verschaffen. Zij bewegen zich op een bijzonder

sierlijke en gemakkelijke wijze. Haastig trippelend maar niet waggelend

loopen zij over den grond; zonder schroom doen zij sprongen, die voor

hunne korte pootjes vervaarlijk groot schijnen; zij klimmen snel en

behendig bij de traliën van hun kooi op en neer, waarbij zoowel de

snavel als de pooten hun taak uitstekend vervullen.

Als zij rusten willen, nemen zij slechts bij uitzondering de gewone

houding van de Papegaaien aan, in den regel (en gedurende het slapen

altijd) klemmen zij zich, als Vleermuizen, met de pooten vast aan

den bovenwand van de kooi of aan een dorren tak en laten niet alleen

den romp, maar ook den kop recht naar beneden hangen, zoodat de rug,

de ingetrokken hals, de kruin en de snavel in een rechte lijn komen

te liggen; de staart is, waarschijnlijk om hem nergens tegen te

stooten, scheef naar achteren en naar boven gebogen; de veeren zijn

achteloos opgericht. De fraaie diertjes zien er nu geheel anders uit

dan gewoonlijk; zij lijken dubbel zoo dik als gedurende het zitten

en zijn bijna bolvormig.

Bij den Javaanschen Vleermuispapegaai (Coryllis pusilla) is de

kruin van dezelfde kleur als de meeste overige lichaamsdeelen,

n.l. grasgroen; op den krop komt een groote, hooggele vlek voor;

de geheele teekening bestaat uit rood en geel.

Op Sumatra en Borneo, leeft het Malakka-parkietje (Psittinus

incertus), de Tanau der inboorlingen, de eenige soort van zijn

geslacht. Het bereikt de grootte van een Spreeuw; de hoofdkleur van

het vederenkleed is blauw-grijs, de mantel echter zwart, de achterrug

donker kobaltblauw; de vleugels zijn grootendeels groen, de zijden

van den romp en de onderdekveeren van de vleugels ponceau-rood, de

staartpennen grootendeels groenachtig geel: de bek is koraalrood. "Het

is een aardig gezicht," schrijft Snelleman, "deze Parkieten netjes

naast elkander op een tak boven het water te zien zitten. Op de boomen

langs de Batang-Silago zijn zij zeer algemeen, meestal in troepjes van

10 tot 20 stuks. Zij zijn niet schuw, maar worden het spoedig door het

schieten en keeren dan geruimen tijd niet tot denzelfden boom terug."

Nauw verwant aan de Vleermuispapegaaien, die zij als 't ware in

Afrika vervangen, zijn de welbekende Inséparables, de Love-birds der

Engelschen (Agapornis). De vijf soorten van dit geslacht zijn niet of

weinig grooter dan een Musch; zij hebben een gedrongen lichaamsbouw

en een korten, flauw afgeronden staart. Hun hoofdkleur is groen, de

staartwortel is meestal blauw. Zij onderscheiden zich door hun groote

neiging tot gezelligheid, die zij ook in de kooi openbaren door zich

tegen een soortgenoot aan te vleien en dezen te liefkoozen. De meest

bekende zijn: het Roodkopje (Agapornis pullaria) van de Goudkust,

met lichtrood gelaat en keel, het Rozenkopje (Agapornis roseicollis)

van Zuid-Afrika, met rozerood gelaat, voorhals en een schel rood

voorhoofd, en het Grijskopje (Agapornis cana) van Madagaskar, met

grijzen kop, hals en borst. De wijfjes van de beide eerstgenoemde

soorten zijn door de geringere uitgestrektheid en de eenigszins

mattere tint van het rood van het mannetje te onderscheiden; bij het

wijfje van het Grijskopje zijn ook de kop en de hals groen. Vooral

van de laatstgenoemde soort worden sedert eenigen tijd duizenden

naar Europa gebracht, waar zij voor f 6 per paar koopers vinden (de

andere soorten zijn duurder). Alle verdragen, als zij met gierst en

kanariezaad gevoerd worden, de gevangenschap goed en broeden zelfs

in de kooi. Het toeval maakte mij bekend met hetgeen zij hierbij

noodig hebben. De paartjes, die ik verzorgde, overlaadden elkander

met liefkoozingen, maar gingen niet aan 't broeden. Jegens de andere

bewoners van de volière gedroegen zij zich even onverdraagzaam, als zij

voor elkander lief waren. "Onophoudelijk gingen zij hunne nesthokjes in

en uit, maar schenen deze meer als schuilhoeken, dan als nestplaatsen

te beschouwen. Zij waren ongetwijfeld broedsch, maar er ontbrak hun

iets. Ik kwam op het denkbeeld, dat zij knoppen als voedsel zouden

verlangen en liet hun groene, bebladerde wilgentakken geven. Weinige

minuten later zaten zij er reeds op, ontbladerden ze schielijk en

knaagden aan de knoppen en de schors. In den beginne schreef ik ook

deze bedrijvigheid aan vernielzucht toe; het bleek mij echter weldra,

dat het hun om bouwstoffen voor hun nest te doen was. Behendig schilden

zij een stuk schors van 6 à 10 cM. lengte af, vatten het zoo met den

snavel aan, dat het eene einde er ongeveer 3 cM. ver uitstak, zetten

de staartwortelveeren op, staken het stuk schors er tusschen, zoo dat

dit zitten bleef, toen de veeren weer neergelegd werden. Een tweede,

derde, zesde, achtste splinter werd op dezelfde wijze afgeknaagd

en tusschen de veeren bevestigd; menig stukje viel op den grond en

werd daar vergeten, menig ander werd er door het al te voortvarende

mannetje weer uitgehaald, ten slotte waren er toch genoeg blijven

zitten; het wijfje vloog langzaam en voorzichtig naar het nesthokje,

sloop er volgeladen in en kwam zonder haar last terug. Weinige dagen

nadat de Vogels begonnen waren bouwstoffen in het nest te brengen,

begon het wijfje eieren te leggen, daarna te broeden; hoe lang dit

duurde, weet ik niet, daar ik de ouden door het onderzoeken van het

nest niet lastig wilde vallen. Het nest was, gelijk mij later bleek,

netjes vervaardigd van strookjes schors en had den vorm van een hollen

kogel, waaraan ongeveer een derde deel van den wand ontbrak.

De Borsteltongigen, Honigpapegaaien of Loris (Trichoglossinae), die de

vijfde onderfamilie vormen, onderscheiden zich door den afwijkenden

bouw van de tong. Het voorste vierde gedeelte (of de kleinste helft)

van dit orgaan draagt, zoover het vrij is, dicht bijeenstaande

borstels van 1.5 à 2 mM. lengte en ovaal op de dwarse doorsnede;

deze zijn in reeksen geplaatst, welke evenwijdig loopen met de randen

van de tong en slechts kleine tusschenruimten overlaten; zij bestaan

uit vaatrijke, slanke, kegelvormige papillen, die, met een minstens

tweemaal zoo lange, hoornachtige laag bedekt, een soort van borstel

of kwast vormen, welker 250 à 300 haren aan de spits door het gebruik

altijd meer of min gespleten en in fijnere vezels verdeeld zijn.

Volgens de nagenoeg eenstemmige berichten van de reizigers, die de

dierenwereld van Australië en Polynesië hebben nagegaan, leven de

eigenaars van deze merkwaardige tong, evenals sommige andere Papegaaien

(Coryllis, Platycercus), van den honig der bloemen van boomen,

vooral van palmen; zij gebruiken dit sap in zoo groote hoeveelheid,

dat uit den snavel de geschoten exemplaren dikwijls een eetlepel vol

honig wegvloeit. Ook wordt bericht, dat de maag van deze diertjes

zeer klein en dunwandig is. Sommige eten ook de bloemen zelve. In de

maag van enkele werden zaden gevonden.

Marshall zegt van de voedingswijze der Honigpapegaaien: "Gaarne

wil ik erkennen, dat deze Vogels honig uit de bloemen opnemen, op

gelijke wijze als de Ceylonsche Vleermuispapegaai (Coryllis indicus)

van het gegiste sap van den suikerpalm (Caryota urens), dat daar

"toddy" wordt genoemd, soms meer neemt dan hij verdragen kan, zoodat

hij het bewustzijn verliest en in dezen toestand een gemakkelijke

buit wordt voor de inboorlingen. Ik kan echter niet toegeven, dat

de honig voor deze dieren een echt voedingsmiddel en iets meer dan

een genotmiddel is. Geen enkel dier kan van honig alleen leven, daar

hierin geen eiwitstoffen voorkomen. Bovendien kan men zich moeielijk

voorstellen, dat zij een breede, borstelvormige tong zouden bezitten,

indien dit orgaan uitsluitend voor het verkrijgen van honig uit de

nectariën van de planten moest dienen. Beide bezwaren worden echter

uit den weg geruimd, als wij aannemen, dat de Honigpapegaaien wel af

en toe voor hun genoegen honig gebruiken, maar dat hun voornaamste

voedsel, evenals dat van de Bijen, uit stuifmeel bestaat. Van een

tot de Waaierparkieten behoorende soort (Platycercus erythropterus)

is dit met zekerheid gebleken. Geen instrument kan geschikter zijn om

het stuifmeel te verkrijgen, om dit als 't ware bijeen te borstelen,

dan een tong, zooals hierboven beschreven werd. Niet zelden worden

Honigparkieten geschoten, welker kop geheel bepoederd is met geel

stuifmeel hetgeen trouwens ook zou kunnen voorkomen, als deze

diertjes alleen op den honig aasden. De kleine Papegaaien zouden

dus bij sommige bloemen dezelfde rol spelen, als gewoonlijk door de

Insecten (en in Amerika soms ook door de Kolibries) wordt vervuld,

n.l. door het overbrengen van het stuifmeel van den eenen boom naar

den anderen tot de bevruchting van eicellen der planten medewerken."

De 9 geslachten met ruim 60 soorten van deze onderfamilie behooren

uitsluitend in 't Australische Rijk thuis; de meeste op Nieuw-Guinea

en de naburige eilanden, andere op de Molukken en Timor, twee

soorten op Celebes; ook op Nieuwholland en Tasmanië worden enkele

soorten gevonden; de overige zijn over verscheidene Polynesische

eilandengroepen verdeeld.

De Breedstaartloris (o. a. Domicella) zijn slank gebouwde Papegaaien,

welker grootte afwisselt tusschen die van een Musch en die van een

Kauw; de snavel is even hoog als lang, zijdelings samengedrukt met

afgeronden, smallen rug, zonder tandinkerving en zonder vijlgroeven;

de staart is sterk afgerond of eenigszins trapvormig, uit breede,

aan de spits steeds afgeronde pennen samengesteld; de veeren zijn

schitterend van kleur, in den regel rood met blauw afwisselend, soms

effen zwart of blauw; de snavel is hooggeel of zwart, de voet steeds

donker gekleurd.

Een sinds lang bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de

Zwartkoplori, de Kastorie der Amboneezen, de Loerie of Ninrie van

de bewoners van Ceram (Domicella atricapilla). De hoofdkleur van het

vederenkleed is prachtig karmijnrood, de bovenkop paarsachtig zwart,

op het voorhoofd in donkerzwart, op den achterkop in donkerviolet

overgaande; een breede dwarsstreep op den krop, die zich soms tot op de

borst uitstrekt, heeft een sprekend hooggele kleur. De vleugelbocht is

blauw, elke veer met een witachtigen eindzoom; de vleugels zijn donker

grasgroen, in de schouderstreek bruinachtig geelgroen uitvloeiend,

de onderschenkelveeren korenbloemblauw.

Deze fraaie Vogel bewoont uitsluitend Ceram en Amboina en komt hier

zoowel in het stille woud als in de buurt van menschelijke woningen

veelvuldig voor. Zijn voedsel bestaat, behalve uit honig, uit weeke

boomvruchten, vooral uit die van de pisang. Hij nestelt in holle

boomen; de eieren zijn, zooals bij alle Papegaaien, glanzig wit en

een weinig grooter dan die van den Merel.

"Op Amboina," schrijft Von Rosenberg, "vindt men geen Vogel

veelvuldiger in gevangenschap dan de Zwartkoplori, in de stad Amboina

bijna in ieder huis, in iedere hut. Zij is de lievelingsvogel van de

Amboineezen en verdient deze voorkeur zoowel door haar schoonheid

en zachtaardigheid als door haar leerzaamheid. Zij leert tamelijk

vlug spreken en is dan de trots van haar eigenaar. Beneden de 8 of 10

gulden is zulk een afgerichte Vogel, die vóór dien tijd slechts 1 1/2

à 2 gulden waard was, niet te koop. Men voedt deze Loris met rauwe en

gekookte rijst, in water geweekte sago en pisangvruchten; dagelijks

moeten zij versch water hebben, daar zij veel drinken en vooral graag

baden, waarbij zij al hare veeren nat maken. Ook haar is het woord

"Lori" aangeleerd en niet van nature eigen." In Europa komen zij niet

al te zelden in de kooi voor; zij vereischen nog al eenige zorg, wat

de warmte van de omgeving en de keuze van het voedsel betreft. Men

heeft haar hier nog niet met goed gevolg aan 't broeden kunnen krijgen.

De Wigstaartloris of Honigparkieten (o.a. Trichoglossus) verschillen

van de vorige vooral door den wigvormigen staart, welks pennen

aan den wortel tamelijk breed zijn en naar de afgeronde spits

allengs smaller worden. In de kleur van het glanzige vederenkleed

heeft aan de rugzijde groen, aan de buikzijde rood de overhand;

hier is gewoonlijk een uit donkere vlekken bestaande teekening,

ginds een lichtere dwarsband in den nek aanwezig. Het vasteland van

Australië is het brandpunt van het verbreidingsgebied dezer Vogels,

dat in Van-Diemensland zijn zuidelijke grens bereikt, terwijl de

noordelijke op de Moluksche eilanden Halmaheira en Moretai te zoeken

is; in westelijke richting verbreiden zij zich tot Soembawa en

Flores, in oostelijke tot Nieuw-Caledonië, de Nieuw-Hebriden en de

Salomonseilanden. Een hoofdtrek van hun karakter is de neiging tot

gezelligheid. Meer dan andere Papegaaien zijn zij door gelijkheid

van levenswijze en gelijksoortigheid van voedsel vereenigd; op een

en denzelfden boom ziet men drie of vier van de meest verschillende

soorten op vreedzame wijze met elkander verkeeren. Evenals de meeste

Australische Papegaaien zijn ook zij gedwongen om te trekken, vooral

de in 't Zuiden broedende soorten komen en gaan ieder jaar met een

zekere regelmatigheid. Op hunne reizen vereenigen zij zich dikwijls in

ontelbare menigte tot zwermen, die zoo dicht ineengedrongen zijn, dat

zij op een wolk gelijken, gemeenschappelijk verschillende zwenkingen

uitvoeren en door hun geschreeuw, dat op een korten afstand werkelijk

oorverdoovend is, reeds van verre de aandacht trekken. Zij broeden

gezellig in holle boomen.

De inboorlingen van Australië tooien zich met de aan een snoer

geregen koppen van Honigparkieten. De kolonisten jagen ze alleen

om ze in de kooi te houden; men kan ze met zaden voeden en lang in

't leven houden; sommige broeden in de gevangenis; zelfs in Europa

is dit voorgekomen. Hun vleesch is hard en taai en heeft bovendien

een onaangenamen reuk.

Het veelvuldigst ziet men in onze kooien de Veelkleurige Lori of

Swainsonlori (Trichoglossus Novae-Hollandiae); een van de grootste

soorten der groep, ongeveer even groot als de Carolina-parkiet;

de kop, de wangen en de keel zijn paarsblauw, de achterhals, de

mantel, de staartwortel, de vleugels en de staart donker grasgroen,

de veeren van den bovenrug in het midden geel, aan den wortel rood,

die van den nek vormen een onduidelijken, geelgroenen halsband;

de kop, de borst en de onderdekveeren van den vleugel zijn fraai

vermiljoenrood met onregelmatige, breede, lichtere en donkere,

dwarse golvingen, de zijden van de borst hooggeel, de buikveeren

donkerblauw, aan den wortel rood, de veeren van de zijden van den

buik rood met blauwe eindvlek, de schenkels, de aarsstreek en de

onderdekveeren van den staart grasgroen (elke veer afzonderlijk

aan den wortel rood, in 't midden geel, aan de spits groen), de

slagpennen aan de binnenzijde zwart, in het midden met een breede,

gele vlek geteekend, de staartveeren aan de onderzijde citroengeel,

bij den wortel met eenigszins roodachtige tint. De iris is oranjerood,

de snavel bloedrood, de washuid donkerbruin, de poot vaalbruin. Deze

prachtige Vogel bewoont de eucalyptus-wouden van geheel Nieuw-Holland

en Van-Diemensland en voedt zich met honig en stuifmeel. Hij is veel

levendiger en hartstochtelijker van aard dan de Breedstaartloris.

De kleine onderfamilie van de Dwergpapegaaien (Micropsittacinae)

draagt haar naam te recht, hoewel het kleinste lid der orde (Coryllis

exilis) tot het geslacht der Vleermuispapegaaien behoort. Het

veelvuldigst zijn zij op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden;

Nieuw-Holland is het zuidelijkst, Leçon het noordelijkst deel van

hun verbreidingsgebied. Door hun snavel gelijken zij op de Kaketoes.

De Spechtpapegaaien of Dwergkaketoes (Nasiterna) hebben een zeer

krachtigen snavel, veel hooger dan lang, met sterk naar beneden

gekromde bovenhelft, die vóór de spits een diepe, scherphoekige

insnijding vertoont. De korte, afgeronde staart is merkwaardig,

doordat de schaften der pennen bij den top baardeloos zijn en als

stijve, eenigszins benedenwaarts gekromde spitsen voorbij de vlag

uitsteken. Men vermoedt, dat deze vogeltjes op soortgelijke wijze als

de Spechten klimmen, waarbij de bijzonder dunne teenen, welker lengte

het dubbele is van die van den loop, goede diensten kunnen bewijzen,

hoewel de klauwen zwak en weinig gekromd zijn.

Een van de vroegst bekende vertegenwoordigers der onderfamilie is de

Roodborstige Dwergkaketoe (Nasiterna pygmaea), die ongeveer zoo groot

is als ons Sijsje. De groene kleur heeft bij hem de overhand; zij

gaat op den bovenkop in geel, op het aangezicht in geelbruin over; de

onderdeelen zijn lichter, het midden van borst en buik is roodachtig;

de pooten zijn geelbruin. De beide middelste staartpennen zijn blauw,

de overige zwart met gele spitsen.

Geheel tot het Australische Rijk beperkt is de onderfamilie der

Platstaartpapegaaien (Platycercinae), die ruim 70 soorten omvat. Het

brandpunt van haar verbreidingsgebied is Nieuw-Holland; noordwaarts

en westwaarts strekt het zich uit tot de Molukken en Timor, oostwaarts

tot de Gezelschapseilanden, zuidwaarts tot het Macquarie-eiland, waar

de Papegaaisoort leeft, die zich het dichtst bij de pool ophoudt. De

leden van deze groep hebben een kleinen of tamelijk kleinen snavel,

welks washuid gewoonlijk bevederd is. Van hun in den regel langen,

duidelijk wigvormigen staart verlengen zich meestal de vier middelste

pennen, die onderling in lengte overeenkomen, voorbij de overige,

die naar weerszijden trapsgewijs in lengte afnemen.

Het soortenrijkste en meest typische geslacht van deze onderfamilie

is dat der Waaierparkieten (Platycercus), zoo genoemd omdat zij in

Nieuw-Holland en Tasmanië hunne naaste verwanten eveneens daar en in

andere deelen van het Australische Rijk, een soortgelijken indruk

maken als de Edelparkieten in het Ethiopische en het Indische. Zij

kenmerken zich door de in 't oogvallende breedte hunner aan de spits

afgeronde staartpennen (die niet van den wortel tot de spits smaller

worden), den korten, krachtigen snavel, die bijna altijd meer hoog is

dan lang, de zwakke pooten met betrekkelijk langen loop, de spitse

en lange vleugels en het zachte, in den regel zeer bonte, slechts

bij uitzondering alleen groen en rood gekleurde vederenkleed. Hun

grootte wisselt af van die eener Lijster tot die eener Kraai.

Er ontbreekt nog veel aan onze kennis van de levenswijze dezer door

kleurenpracht en lieftallige inborst aantrekkelijke Vogels. Uit

de onderzoekingen van Gould en anderen is gebleken, dat de

Waaierparkieten, evenals de meeste hunner in Australië levende

verwanten, zich meer op den grond dan in boomen ophouden. In Australië

bewonen zij de uitgestrekte, op parken gelijkende vlakten, die hun in

sommige jaren rijkelijk voedsel verschaffen, maar in andere veel te

weinig opleveren, zoodat zij, evenals de Corellas, de Zangparkieten

en de Grasparkieten (Euphemia), gedwongen zijn om meer of minder

verre, aan geen regel gebonden reizen te ondernemen. Zij vliegen

uitmuntend, zijn ook in het loopen zeer goed ervaren, maar staan, wat

hun geschiktheid om te klimmen betreft, bij hunne verwanten merkbaar

achter. Door hun stem onderscheiden zij zich gunstig van de meeste

overige Papegaaien. Onaangename, krijschende, gillende of krassende

geluiden hoort men zelden van hen, vaker een aangenaam gefluit en

niet zelden een welluidend gezang of een zangerig gesnap. Hunne

geestvermogens zijn minder goed ontwikkeld dan die van andere

Papegaaien. Tamelijk ongeregeld zwerven zij bij vluchten door het land,

komen ook in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen en

zelfs in de steden, zijn gedurende de morgen- en avonduren gezellig

op den bodem bezig en zoeken hier hun voedsel, dat uit allerlei

zaden van grassen bestaat. Als de broedtijd nadert, verspreiden de

leden der troepen zich min of meer, al naar de schaarschte of de

overvloed van holle boomen hen hiertoe in staat stelt. In zulk een

holte legt het wijfje op het met den snavel losgebeten, vermolmde

hout of op eenige door haar aangevoerde, lichte bouwstoffen 4 à 8

(volgens eenige berichtgevers soms niet minder dan 12) glanzig witte

eieren; met groote zelfverloochening bebroedt zij ze, naar het schijnt,

zonder hulp van het mannetje. De beide ouders houden zich vervolgens

gezamenlijk bezig met het grootbrengen van hun talrijk kroost en

hervatten hunne zwerftochten, als de jongen zoo ver ontwikkeld zijn,

dat zij hen kunnen volgen.

Sedert vele tientallen van jaren brengt ieder van Australië komend

schip, dat levende Vogels vervoert, ook Waaierparkieten op onze

dierenmarkt. Deze fraaie, voor een deel prachtig gekleurde Vogels

trekken sterk de aandacht; de vogelliefhebbers ondervonden echter

spoedig, dat het buitengewoon moeielijk is, Platstaartpapegaaien in

de kooi te houden, of liever, dat wij tot dusver nog niet weten, hoe

deze Vogels verzorgd moeten worden. Zij verdragen de gevangenschap

veel minder goed dan alle andere leden der orde.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 4 / 12 段