Het naast verwant aan de vorige groep zijn de leden van de kleine, tot

het Ethiopische Rijk beperkte onderfamilie der Kortstaartpapegaaien

(Psittacinae), kenbaar aan hun korten of middelmatig langen, recht

afgesneden of zacht afgeronden staart. Zij vormen twee geslachten,

waarvan het eene--dat der Grijze Papegaaien (Psittacus)--twee soorten

omvat, die tropisch Afrika ten noorden van den evenaar bewonen, terwijl

het andere--dat der Vasa's (Coracopsis)--uit vier op Madagaskar en

de naburige eilanden inheemsche soorten bestaat.

De Grijze Papegaaien (Psittacus) hebben een krachtigen snavel, welks

rug afgerond is en niet, zooals bij de Stompstaartpapegaaien, een

overlangsche groeve vertoont; ook missen zij de inkerving (vijlgroeve),

die bij deze achter de haakvormige spits van den bovensnavel voorkomt;

de washuid is zeer breed en evenals de oogstreek en de teugel

onbevederd; de lange vleugels hebben een goed ontwikkelde spits;

de staart is middelmatig lang en bijna recht afgesneden.

De leerzaamste van alle Papegaaien is de algemeen bekende Jako

(Psittacus erithacus). Hij is gemakkelijk te beschrijven, daar op zijn

kleed slechts twee hoofdkleuren voorkomen. De staart is karmijnrood,

alle overige veeren zijn aschgrauw met eenigszins lichtere randen. Aan

den kop en den hals treden deze randen sterker op den voorgrond dan

op het overige lichaam, waardoor deze deelen lichter schijnen. Als

het fijne poeder, waarmede de veeren in den regel dicht bedekt zijn,

er afgeveegd wordt, is het kleed leikleurig zwart-blauw. Bij den

volwassen Jako is de iris geel, de snavel zwart, de voet loodkleurig

grijs. Het mannetje (totale lengte 31, staartlengte 8 cM.) is een

weinig grooter dan het wijfje. De jongen hebben een grijze iris en

valere, bruinachtig grijze veeren.

In West-Afrika reikt het verbreidingsgebied van den Jako van de

Goudkust tot Benguela (met Fernando Po en het Prinseneiland); in het

binnenland loopt de grens over het Tsad-meer en ongeveer langs de

waterscheiding van de noordelijke helft van het Kongogebied; zoodat

zij ongeveer samenvalt met die van het gebied van den oliepalm.

De Jako's zijn in West-Afrika, vooral echter aan de Goudkust, in de

Niger-delta, aan den Kameroen en den Gaboen, buitengewoon talrijk; de

natuur heeft hen hier in de ontoegankelijke wouden van het alluvium

der riviermonden veilige en aanlokkelijke woonplaatsen verschaft,

waar zij niet veel last hebben van de vervolgingen der inboorlingen

en der weinige voor hen gevaarlijke vijanden. Zij nestelen vooral

in de mangrove-wouden der kuststreken, maken gebruik van de reeds

aanwezige holten in boomen of verwijden de gaten, die zij vinden,

met hun krachtigen snavel tot geschikte broedplaatsen. De hoogste

boomen van hun gebied kiezen zij als slaapplaats uit. Iederen avond

komen hier omstreeks zonsondergang groote of kleine vluchten uit

verschillende richtingen bijeen, zoodat het aantal Vogels op één

slaapplaats dikwijls vele honderden bedraagt. Zulke plaatsen trekken

spoedig de aandacht. Het gekrijsch van de aankomende en neerstrijkende

Vogels schalt ver in het rond en verstomt eerst, als het geheel donker

geworden is. Den volgenden morgen begint het opnieuw en kondigt het

uiteengaan van het gezelschap aan. Onder voortdurend getier, gekras

en gekrijsch trekken de Grijze Papegaaien naar het binnenland, om

te smullen van de maïs, die de negers bij voorkeur op de hoogvlakten

verbouwen. Het liefst eten zij halfrijpe maïs-korrels; verschrikkelijk

zijn de verwoestingen, die zij op de akkers aanrichten.

Overal, waar de Jako voorkomt, wordt hij door de inboorlingen

gevangen, getemd en voor 't spreken afgericht; hij is bij hen een

gewoon ruilmiddel en handelsartikel.

Van alle Papegaaien, die gevangen gehouden worden, is deze de

meest gewilde; hij verdient de gunst, die hem ten deel valt, door

zachtaardigheid, leerzaamheid en gehechtheid aan zijn meester. In alle

talen wordt zijn lof verkondigd; in ieder handboek over dierkunde, ja

zelfs in ieder boek, dat een deel van het leven der dieren behandelt,

wordt hij vermeld. Tal van aardige feiten worden van hem medegedeeld,

o.a. door Levaillant, die in 1778 een dezer Papegaaien bij een

Amsterdamsch koopman aantrof: "Karel, zoo heette deze Papegaai, sprak

als Cicero; ik zou een boekdeel kunnen vullen met de fraaie gezegden,

die hij kende en die hij, zonder een syllabe te vergeten, voor mij

herhaalde. Gehoorzaam aan het bevel van zijn meester, haalde hij diens

pantoffels en de nachtmuts van de vrouw; hij riep de meid, als deze

in de kamer noodig was. Bij voorkeur hield hij zich in den winkel op

en maakte zich hier bij afwezigheid van zijn meester verdienstelijk,

door, als er een vreemdeling binnenkwam, zoolang te schreeuwen,

totdat iemand den klant kwam helpen. Hij had een uitmuntend geheugen

en kon een aantal Hollandsche volzinnen en uitdrukkingen volkomen

nauwkeurig zeggen. Eerst toen hij 60 jaar in gevangenschap geleefd

had, verzwakte zijn geheugen; hij vergat een deel van zijne gezegden,

bleef er middenin steken, haspelde de woorden dooreen of mengde deelen

van verschillende volzinnen door elkander."

Van een tammen Papegaai, die jaren lang te Salzburg en te Weenen

leefde, heeft Lenz het volgende bericht gegeven: "Jako let op alles,

wat om hem heen geschiedt, weet alles te beoordeelen, geeft een

toepasselijk antwoord, als hem iets gevraagd wordt, gehoorzaamt,

wanneer men hem iets beveelt, begroet personen bij het binnenkomen,

neemt van hen afscheid, als zij vertrekken, zegt alleen bij 't begin

van den dag "Goeden morgen," alleen bij 't einde "Goeden avond" en

vraagt om voedsel, als hij honger heeft. Ieder lid van het gezin noemt

hij bij den naam; en het eene staat meer bij hem in de gunst dan het

andere. Om mij bij zich te hebben, roept hij: "Papa kom hier!" Wat

hij zegt, zingt en fluit, klinkt alsof het van een mensch afkomstig

is. In oogenblikken van geestvervoering gaat hij aan 't improviseeren;

zijn rede maakt dan denzelfden indruk als die van een redenaar,

die men op een afstand hoort, zonder hem te kunnen verstaan.

"Nu volgt een opgave van hetgeen Jako zegt" (of liever een

vertaling van zijne Duitsche gezegden), "zingt, fluit enz.:

"Eerwaarde heer! Goeden morgen."--"Eerwaarde heer! asjeblieft een

amandel."--"Wou-je een amandel? Wou je een noot? Je krijgt wat. Daar

heb-je wat."--"Heer overste, welkom, heer overste!"--"Mevrouw! uw

gehoorzame dienaar."--"Boer, spitsboef, spitsboef, boer,

wilddief! ga-je weg? ga-je weg, ga-je naar huis, ga-je naar

huis of niet? pas op kerel!"--"Jij ploert! jij kerel, jij nare

kerel!"--"Brave Pappie, beste Pappie!"--"Je bent een beste jongen,

een opperbeste jongen!"--"Je krijgt een kokeriko, ja, je krijgt

wat."--"Nanni! Nanni!"--"Buurman! Geduld hebben! Buurman! Geduld

hebben!"--Als er aan de deur wordt geklopt, roept hij zeer luid,

zeer duidelijk en geheel als een mensch: "Binnen! Binnen! Uw dienaar,

mijnheer Brouwer, onderdanige dienaar! Blij, dat ik de eer heb, blij,

dat ik de eer heb."--Soms klopt hij zelf tegen zijn kooi en roept dan

als zoo even.--Den Koekoek bootst hij zeer goed na.--"Geef mij een

zoentje, een lekker zoentje; dan krijg-je een amandel."--"Kijk ereis

op!--Kom naar buiten!"--"Kom maar op, kom maar hier!"--"Mijn lieve

Pappie!"--"Bravo, bravissimo!"--"Bidden, laten wij nu bidden."--"Laten

wij eten!"--"Laten wij voor 't venster gaan!"--"Hieronymus,

sta op!"--"Ik ga, God zegen-je!"--"Leve de Keizer! Lang zal hij

leven!"--"Waar kom jij van daan?--Neem mij niet kwalijk, mijnheer! Ik

dacht dat je een Vogel waart!"--Als hij iets stuk bijt of in zijn

kooi iets vernielt, zegt hij: "Niet bijten! schei-uit! Wat heb-je

gedaan?"--"Wat heb-je gedaan? Pas op jij gauwdief! Jij lomperd! Pas op,

je krijgt slaag!"--"Pappie, hoe gaat het met je, Pappie?"--"Heb-je wat

te eten?"--"Smakelijk eten!"--"Bst! Bst! Wel te rusten!"--"Pappie mag

naar buiten; kom, allo kom!"--"Pappie, schiet! Schiet Pappie!"--Daarna

schiet hij door luid te roepen van "Poe!"--"Kijk, kijk, kijk,

kijk!"--"Ga naar huis! Ga-je naar huis? Allo, marsch!"--"Subiet

naar huis! Pas op, je krijgt slaag!"--Hij trekt aan een schel in

zijn kooi en roept luid: "Wie schelt daar?--Pappie!"--"Kaketoe,

kaketoe."--"Gagagaga!--Wat wou-je met je ga, ga---jij!"--"Daar

is het hondje, een lief hondje, een allerliefst hondje!"--Daarna

fluit hij den Hond.--Hij vraagt: "Hoe spreekt het hondje?" en blaft

vervolgens. Daarna roept hij: "Fluit het hondje!" en fluit den

Hond.--Als men hem beveelt: "Schiet!" dan roept hij "Poe!"--Soms

laat hij een geheel kommando hooren: "Halt! richt u! Halt! Schouder

't geweer! Aan! Hoog! Vuur! Poe! Bravo, bravissimo!"--Soms laat hij

het kommando "Vuur!" weg en roept na: "Aan! Hoog!" dadelijk: "Poe!";

dan zegt hij echter ook niet: "Bravo, bravissimo!", alsof hij weet,

dat hij een fout heeft gemaakt.--"God zegen je! A Dio! God zegen

je!" zegt hij, als de bezoekers weggaan.--"Wat wou-je? Mij slaan? Wat

wou-je? Mij slaan?" Hij begint dan geweldig te schreeuwen, alsof

hij slaag krijgt, en roept vervolgens: "Wat? slaan? Mij slaan? Pas

op, kerel! Mij slaan?"--"Ja, ja, ja, zoo gaat het in de wereld! Wel

zoo! wel zoo!" Daarna lacht hij volkomen duidelijk.--"Pappie is ziek,

de arme Pappie is ziek."--"Hoor-je Jan wel?--Goegoe! Goegoe! 't Is

Pappie!"--"Pas op, ik zal je slaan!"--Als hij de tafel ziet dekken,

of één of twee kamers verder het geluid van 't tafeldekken hoort,

roept hij dadelijk: "Laten wij gaan eten! Allo, kom, eten!"--Als

zijn meester in de naastbijgelegen of daarop volgende kamer ontbijt,

roept hij: "Kakau! je krijgt kakau. Jij krijgt ook wat!"

"De eigenaar van Jako had een Kwartel. Toen deze in de lente voor 't

eerst haar "Kwik me dit" liet hooren, keerde de Papegaai zich naar hem

om en riep: "Bravo, Pappie! Bravo!"--Om te zien, of het mogelijk zou

zijn hem ook iets te leeren zingen, koos men aanvankelijk woorden uit,

die hij reeds vroeger had leeren zeggen, zooals b.v. het volgende:

"Is het mooie Pappie daar? is het brave Pappie daar? is het lieve

Pappie daar? is het Pappie daar? Ja, ja!"--Later leerde hij het liedje

zingen: "O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagott!"--Hij

stemt ook accoorden aan, fluit een toonladder naar boven en naar

beneden zeer vlot en zuiver en fluit ook andere stukjes en trillers;

hij fluit en zingt dit alles echter niet steeds op denzelfden toon,

maar soms een halven of een geheelen toon lager of hooger, zonder

evenwel valsche tonen voort te brengen.

"Zijn meester stierf in het jaar 1853. Jako begon, oogenschijnlijk uit

heimwee naar zijn geliefde heer, te kwijnen, werd in het jaar 1854

geheel versuft in een klein bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd;

ook toen babbelde hij nog druk en zei dikwijls met treurige stem:

"Pappie is ziek, het arme Pappie is ziek". Kort daarna stierf hij."

Overbodig is het, na de bovenstaande sterk sprekende bewijzen van

verstand bij de Grijze Papegaaien nog over hunne geestvermogens uit

te wijden. Ook over hun gemoed hebben interessante waarnemingen ons

inlichtingen verschaft. "Een vriend van mij," verhaalt Wood, "zag

een Vogel van deze soort op bevallige en beminnelijke wijze de taak

van pleegmoeder vervullen bij eenige hulpbehoevende schepseltjes. In

den tuin stond een perk met eenige rozenstruiken, dat omgeven was

door een omheining van metaaldraad met slingerplanten er aan. Hier

nestelde een paar Vinken, dat voortdurend werd gevoederd door de

jegens alle dieren vriendschappelijk gezinde bewoners van het huis. De

veelvuldige bezoeken aan het rozenboschje trokken spoedig de aandacht

van Polly, den Papegaai; zij zag, dat daar voedsel werd uitgestrooid en

besloot dit goede voorbeeld na te volgen. Daar zij zich vrij bewegen

mocht, verliet zij haar kooi, bootste den loktoon van de oude Vinken

nauwkeurig na en bracht daarna herhaaldelijk met den snavel een deel

van haar voedsel naar de jongen. De ouders vonden echter de bewijzen

van genegenheid, die deze hun onbekende, groote Vogel aan hunne jongen

gaf, te hartstochtelijk en vlogen verschrikt weg. Bij de onverzorgd

achtergelaten jongen vond Polly ruimschoots gelegenheid om gevolg

te geven aan haar neiging voor het pleegmoederschap. Van stonde af

weigerde zij in haar kooi terug te keeren, maar bleef dag en nacht bij

hare pleegkinderen, voederde ze zeer zorgvuldig en smaakte het genoegen

ze groot te brengen. Toen de kleintjes het nest verlieten, gingen zij

soms op den kop en den nek van hun pleegmoeder zitten; dan gebeurde

het wel eens, dat Polly zeer ernstig met haar vracht rondging. De

Papegaai oogstte echter weinig dank voor haar goedertierenheid; daar

hare pleegkinderen, toen zij hunne vleugels hadden leeren gebruiken,

wegvlogen en nooit terugkwamen."

Een nog opmerkelijker trek uit het gemoedsleven van den Jako wordt

door Burton medegedeeld. "Bij een paar Grijze Papegaaien, die vrij

in het park mochten rondvliegen, openbaarde zich de liefde voor

kinderen op een zeer vreemdsoortige wijze. Een Kat had een van de

nesthokjes als woonplaats gekozen en zoogde hier hare jongen. Onze

Papegaaien, die waarschijnlijk niet ondernemend genoeg waren om

een eigen familie te grondvesten, schenen de jonge katjes als hunne

kinderen te beschouwen. Telkens sloop een van hen in het hokje en ging

naast de katjes zitten. Om dit te kunnen doen, moesten zij wachten,

tot de oude Kat, waarmede zij op voet van oorlog leefden, haar kroost

verliet. Zelfs wanneer de moeder thuis was, gaven de Vogels zorgvuldig

en met spanning acht op de kleintjes."

Doelmatig verzorgde, op zeer eenvoudige wijze gevoederde Jako's

bereiken een hoogen leeftijd. Levaillant maakt melding van een

exemplaar, waarvan de Amsterdamsche koopman Menikhuijsen eigenaar

was en die reeds 32 jaar in gevangenschap had geleefd, voordat hij

huisgenoot werd van zijn tegenwoordigen meester, bij wien hij het nog

41 jaren uithield. Ongeveer 4 of 5 jaar voor zijn dood begon hij zeer

te verzwakken en langzamerhand uit te teren.

De Parkieten (Palaeornithinae) bewonen de tropische gewesten van de

Oude Wereld. De meeste (28) soorten behooren tot het Indische en (26)

tot het Australische Rijk; veel minder sterk (door 9 soorten) zijn

zij in Afrika vertegenwoordigd. Onder de fraaiste, lieftalligste en

sierlijkste van alle Papegaaien verdienen de Edelparkieten (Palaeornis)

een plaats; voor 't meerendeel komen zij in Zuid-Azië voor, eenige

soorten worden bovendien ook (of uitsluitend) in Afrika gevonden. Hun

grootte wisselt af tusschen die van een Lijster en die van een Kauw. De

betrekkelijk zeer krachtige snavel is even lang als hoog, de spits van

den bovensnavel sterk naar beneden gekromd en overhangend, daarvóór

is een flauwe inkerving zichtbaar. De pooten zijn kort en krachtig,

de vleugels lang en spits; de zeer lange staart, welks pennen van

de buitenste tot de middelste sterk in lengte toenemen, bestaat

uit middelmatig breede, aan den top afgeronde veeren en is meestal

"lansvormig," d. w. z., dat de beide middelste veeren ver voorbij de

overige uitsteken.

De Halsbandparkiet (Palaeornis torquatus), is zeer sierlijk en

fijn gebouwd en fraai van kleur. Hij is zoo groot als een Lijster:

de totale lengte van het mannetje bedraagt 35 à 40 cM., waarvan meer

dan 25 cM. op den staart komen. Over 't algemeen is het vederenkleed

zeer fraai grasgroen met geelachtige tint. Deze kleur vertoont op

de kruin de meeste frischheid, is op de onderdeelen het lichtst,

op de slagpennen echter het donkerst. Aan de beide zijden van den

hals gaat zij in teer paarsblauw of hemelsblauw over; deze plek is

door een prachtig rozerooden band gescheiden van het groene gedeelte

van den hals. De beide middelste stuurpennen en de spitsen van de

overige staartveeren zijn blauw; de onderzijde van den staart en van

den vleugel is geelachtig groen. De iris heeft een geelachtig witte,

de smalle ring om het oog een roode, de voet een grijze kleur.

Van alle Papegaaien heeft de Halsbandparkiet het grootste

verbreidingsgebied, daar hij zoowel in Zuid-Azië als in Afrika

voorkomt. In Azië bewoont hij het Vóór-Indische schiereiland van

Bengalen tot Nepal en Kasjmir, van den Indus tot Tenasserim en Pegoe,

bovendien Ceylon. Hij geeft hier de voorkeur aan bebouwde gewesten en

is dus de eenige Indische Papegaai, die de nabuurschap van den mensch

opzettelijk zoekt. In vele Indische steden ziet men deze Vogels,

evenals bij ons de Kauwen, op den nok van het dak zitten; in andere

merkt men op, dat zij sommige boomen, zonder zich te bekommeren

om het gewoel van de marktbezoekers onder hen, tot plaatsen van

bijeenkomst kiezen, waarnaar zij iederen avond terugkeeren. Natuurlijk

vloeit hieruit voort, dat zij in deze streken een gevoelige schade

toebrengen aan de bezittingen van den mensch, te meer omdat er wegens

de goedaardigheid van de Hindoes en hun genegenheid voor de dieren in

't algemeen geen sprake is van ernstige maatregelen van tegenweer. Zij

worden althans niet zoo onmeedoogend vervolgd als de Carolina-parkiet,

hoewel zij evenals deze de boomgaarden plunderen en de graanvelden

verwoesten. Op sommige plaatsen vereenigen zij zich ook wel met leden

van verwante soorten en zwerven in hun gezelschap het land rond.

Een andere levenswijze hebben de iets kleinere en ook in kleur

eenigszins afwijkende Halsbandparkieten van Afrika. Hier worden zij

van 17° tot 8° N.B. in alle gewesten van het binnenland gevonden;

van de westkust tot aan den oostrand van het Abessinische gebergte

bewonen zij iedere gunstig gelegene boschachtige streek. Zij houden

zich niet uitsluitend in het uitgestrekte, onafgebroken oerwoud op,

dat in Centraal-Afrika vele vlakten bedekt, maar komen ook dikwijls

in kleinere bosschen voor, indien hier althans eenige altijd groene

boomen groeien, welker dicht bebladerde kronen hun in ieder jaargetijde

veilige rustplaatsen verschaffen.

Niet licht zal de reiziger in deze gewesten de Halsbandparkieten

voorbijzien. Ook van niet deskundigen trekken zij duidelijk genoeg

de aandacht door hun krijschend geschreeuw, dat altijd boven het

mengelmoes van stemmen van de woudbewoners uitklinkt, vooral omdat

ook deze Papegaaien geregeld in meer of minder talrijke gezelschappen

leven. Zulk een troep, die zich dikwijls met andere troepen vereenigt

en dan tot een zwerm aangroeit, heeft eenige tamarinden of andere dicht

bebladerde boomen tot woonplaats gekozen en doorkruist van hieruit

iederen dag een meer of minder groot gebied. In de morgenuren houden

de Vogels zich nog tamelijk rustig; kort na zonsopgang echter gaan zij

schreeuwend en krijschend voedsel zoeken; men ziet de zwermen dan met

snelle vlucht boven het woud zich voortreppen. Afrika's wouden zijn

betrekkelijk arm aan eetbare boomvruchten, maar de planten, die in de

schaduw der boomen groeien, zijn rijk aan zaden van allerlei soort

en deze lokken de Papegaaien naar den bodem. Alleen gedurende den

tijd, waarin de kleine, rondachtige vruchten van den Christusdoorn

rijp of de malsche peulen van de tamarinde eetbaar zijn, dalen de

Papegaaien weinig of niet op den bodem af. Niet onwaarschijnlijk is

het, dat zij ook dierlijk voedsel gebruiken; dikwijls althans heb

ik ze in de nabijheid van mierenhoopen of termietenwoningen aan 't

werk gezien en bij gevangenen een eigenaardige begeerte naar vleesch

waargenomen. Zelden ziet men ze op de akkers, die de bewoners van

Centraal-Afrika aan den rand van het woud bebouwen, hoewel gevangen

exemplaren met de voornaamste graansoorten van deze streken gemakkelijk

in 't leven gehouden kunnen worden. Blijkbaar zijn zij meer gesteld op

de vruchten en zaden van het woud dan op koorn. Tot tegen den middag

houden de leden van den zwerm zich bezig met het zoeken van voedsel;

daarna brengen zij een bezoek aan de drinkplaats, om vervolgens eenige

uren te rusten in een der genoemde dichte boomkronen. Intusschen hoort

men een druk gesnap en geschreeuw, waardoor de troep ook dan nog de

aandacht trekt, als men hem niet kan zien. Ook van deze Papegaaien

geldt, wat van de Zuid-Amerikaansche gezegd werd; men moet zich zeer

inspannen om de groene Vogels te midden van het evenzoo gekleurde

loover waar te nemen. Daarbij komt, dat zij oogenblikkelijk zwijgen bij

't opmerken van een voor hen merkwaardig verschijnsel of zachtjes

en voorzichtig wegsluipen, wanneer zij vervolging duchten. Hoe

langer men onder een boom vertoeft, uit welks kroon men het geluid

van honderden stemmen hoorde weerklinken, hoe stiller en rustiger

het daarboven wordt; ten slotte is er geen enkele Vogel meer over:

achtereenvolgens zijn alle naar een anderen dergelijken boom verhuisd,

waar zij nu door een vroolijk geschreeuw den goeden uitslag van hun

listig uitgevoerde vlucht verkondigen.

Na eenige uren van rust vliegen de Parkieten ten tweeden male uit om

spijs en drank te halen; tegen den avond vereenigen zij zich weder

op hunne lievelingsboomen en schreeuwen zoo mogelijk nog luider

dan voorheen; toen zochten zij de beste twijg voor het uitrusten,

nu trachten zij de veiligste slaapplaats te bemachtigen.

In de streken van Afrika, die ik bereisd heb, maakt alleen de

naturaliën-verzamelende Europeaan met het schietgeweer jacht op

de Halsbandparkieten; de inboorling vervolgt hen niet met zijne

wapens en vangt ze hoogstens, wanneer er kans bestaat om met de

levende Papegaaien goede zaken te doen. Hoe veelvuldig deze Vogels

ook zijn, toch is het niet gemakkelijk ze onder schot te krijgen;

met hun slimheid weten zij den geoefenden jager te leur te stellen

en zijne pogingen te verijdelen.

De vangst geschiedt niet volgens een bepaald plan. Hoogstens worden

de jonge, bijna voor 't uitvliegen geschikte Vogels uit het nest

genomen, of wordt des nachts de een of andere volwassene in een

holte van een boom overrompeld. Netten en strikken worden voor het

bemachtigen van deze dieren niet gebruikt, hoewel de inboorlingen met

deze hulpmiddelen bekend zijn. Aan den Senegal heeft de vangst, naar

't schijnt, op grootere schaal plaats; de meeste Halsbandparkieten,

die bij ons in gevangenschap gevonden worden, zijn van daar afkomstig.

Twee soorten van Edelparkieten verdienen nog vermelding, omdat

zij, behalve in Vóór- en Achter-Indië en op Ceylon, ook gevonden

worden op eenige Groote Soenda-eilanden, waar de orde der Papegaaien

schaars vertegenwoordigd is. Het zijn de op Java en Borneo voorkomende

Alexander-parkiet (Palaeornis Alexandri)--zoo genoemd, omdat het, naar

men meent, deze soort was, die door den tocht van Alexander den Grooten

naar Indië in ons werelddeel bekend werd--en de op Sumatra en Borneo

inheemsche Langstaartige Parkiet (Palaeornis longicaudatus). Deze

houdt zich het liefst op in met struiken bedekte streken, vliegt

schielijker dan zijne beide stamgenooten en maakt minder gedruisch. In

grootte evenaart hij onzen Spreeuw. De levenswijze komt met die van

hare Indische verwanten overeen; evenals deze beide veroorzaakt hij

veel schade op de rijstvelden. Alle drie worden in menigte gevangen en

levend naar Europa vervoerd. De Langstaartige Parkiet, kenbaar aan de

grootere lengte van de middelste staartveeren, wordt door de Engelschen

Plumheaded Parrakeet (Pruimkop parkiet) genoemd, omdat de fraaie,

roode kleur van den bovenkop bij hem op den achterkop in kobaltblauw

overgaat, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de vergelijking van

den geheelen kop met een blauwe pruim. Een fijne, zwarte halsband,

een zwarte baardstreep, een zwarte keelvlek en een licht blauwachtig

groene nekband scheiden den kop van de donkergroene bovenzijde en de

lichtgroene onderdeelen. De schouders hebben een roodbruine vlek. Het

wijfje is groen, haar kop aschgrauw, naar blauw zweemend, de breede

halsband geelgroen.

De Alexander-parkiet heeft in hoofdzaak dezelfde kleur als

de Halsbandparkiet, maar is zoo groot als een Kauw. Hij heeft

een rozerooden nekkraag en een groote, bruinachtig purperroode

schoudervlek.--Hij en één soort van Vleermuispapegaai zijn de

eenige vertegenwoordigers van hun orde op Java. Op Borneo komen

behalve deze en de vorige soort nog twee Papegaaien voor. Op Sumatra

vindt men dezelfde vormen als op Borneo, met uitzondering van den

Alexander-parkiet.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 3 / 12 段