leggen in de lente 3 of 4 witte eieren in holle boomen op de afgebeten
spanen van de wanden der holte. De uit het nest genomen jongen worden
buitengewoon tam en leeren duidelijk spreken. In de woningen der
Brazilianen ontmoet men ze zeer dikwijls; in menigte worden zij naar
de kuststeden gebracht; de zeelieden koopen ze om ze mede te nemen
naar Europa, waar zij tot de meest gewone Papegaaien behooren. Zij
worden te recht geroemd als leerzaam, tamelijk zachtzinnig en
lieftallig. Bij goede verzorging kunnen zij 20 à 30 jaren lang in 't
leven blijven. Voor ongedresseerde, pas aangevoerde exemplaren wordt
12 à 18 gulden, voor goed afgerichte, sprekende individuën 45 à 180
gulden en nog veel meer betaald. Het duurst en het meest begaafd is
de Dubbele Geelkop van de vogelhandelaars (Androglossa Levaillantii),
eveneens hoog geschat de Kleine Geelkop of Zonnepapegaai (Androglossa
ochroptera.)
De Langstaartpapegaaien (Conurinae) danken hun naam aan het bezit van
een langen of zeer langen, trapvormigen of wigvormigen staart. Bij
sommige (de Amerikaansche Parkieten) is alleen een kring om de
oogen, bij de overige (de Araras) bovendien ook een deel van de wang
onbevederd. Deze onderfamilie omvat 7 geslachten met ruim 90 soorten,
die over geheel Amerika, van Carolina tot Vuurland, verspreid zijn.
Het geslacht der Diksnavelparkieten (Bolborhynchus) omvat een
zevental soorten, welker grootte afwisselt tusschen die van een
Spreeuw en die van een Lijster; zij bewonen de westelijke, zuidelijke
en middelste landen van Zuid-Amerika. Een daarvan is de wegens zijn
eigenaardigen nestbouw merkwaardige Monniksparkiet, Kwakerparkiet
of Braziliaansche Muisparkiet (Bolborhynchus monachus). Deze bij de
liefhebbers van uitheemsche kooivogels algemeen bekende soort is voor
buitenvolières zeer geschikt wegens zijn gehardheid tegen koude en
plant zich in de gevangenschap gemakkelijk voort. Binnenshuis kan
men hem niet houden wegens zijn hevig gekrijsch. Totale lengte 27,
staartlengte 12 cM. Het vederenkleed is grasgroen, in de mantelstreek
bleek olijfbruinachtig grijs uitvloeiend; het voorhoofd, het voorste
deel van den bovenkop, de teugel, de wang, de hals en de borst zijn
lichtgrijs, de kop bruinachtig met dwarse golflijnen, de onderborst en
de buik effen lichtgrijs, de onderbuik, de schenkels, de aarsstreek
en de onderdekveeren van den staart geelachtig groen, de vleugels
van boven indigoblauw in verschillende tinten, van onderen donker
marineblauw, de staart van onderen groenachtig marineblauw.
Uit de niet zeer talrijke berichten der reizigers blijkt, dat de
Monniksparkiet in Paraguay zoowel als in de Banda-Oriental tot de meest
gewone Vogels behoort, buiten den broedtijd in vluchten van 50 à 200
stuks door het land zwerft, veel schade aanricht in de korenvelden,
vooral in de maïs-akkers, en daarom onmeedoogend vervolgd wordt.
Hij is de eenige bekende Papegaai, die groote, vrijstaande nesten
op boomen bouwt. De eerste mededeeling hierover komt van Azara; deze
maakt melding van zeer groote nesten, die dikwijls een middellijn van
meer dan 1 M. hebben, van boven dicht en van binnen met gras gevoerd
zijn; ieder nest wordt door een aantal wijfjes gemeenschappelijk
gebruikt. Dikwijls draagt één boom verscheidene nesten.
Door Darwin, Castelnau, Burmeister en andere onderzoekers worden de
mededeelingen van Azara bevestigd. Soms vormen de bouwstoffen van één
nest een flinke wagenvracht, daar het meer dan 200 KG. weegt. Eerst
begint een enkel paartje te bouwen; het gebruikt hiervoor de zeer
doornachtige takken van den tala-boom; de ingang wordt van onderen
of aan de zijde aangebracht; in 't laatstgenoemd geval wordt echter
boven de opening, uit voorzorg tegen de Opossums, een afzonderlijk dak
geplaatst. Van binnen bevat dit nest twee vertrekken, een voorportaal
en de eigenlijke broedruimte. Het wordt later door andere paartjes,
misschien kinderen en kleinkinderen van het eerste, vergroot, doch
altijd zóó, dat ieder zijne eigen appartementen heeft, welke tegen die
van het andere aangebouwd zijn, maar er niet mede samenhangen. Meer
dan 12 paartjes treft men nooit in één nest aan. Soms betrekt een
kleine soort van Eend een van de toevallig leegstaande woningen. Het
nest wordt gedurende het geheele jaar als schuilplaats gebruikt en
zoo noodig hersteld; nieuwe woningen worden er echter alleen in den
voortplantingstijd aan toegevoegd.
In den laatsten tijd is men herhaaldelijk in de gelegenheid geweest in
Europa dezen eigenaardigen nestbouw waar te nemen. Het eerst geschiedde
dit door Schmidt, toen hij proeven nam over het overwinteren van de
Papegaaien in de open lucht, welker uitkomst buitengewoon gunstig was
voor de Monniksparkieten. Deze begonnen in April van de struiken, die
in de volière groeiden, twijgen af te plukken. Hiermede bekleedden zij
het hok, waarin zij zouden nestelen, van binnen geheel. De bouwstoffen
werden met onvermoeiden ijver aangebracht door het mannetje; terwijl
het wijfje intusschen voor de reeds aanwezige rijsjes de meest
passende plaats opzocht, ze in den nestwand vlocht of ze wegwierp,
indien zij niet bruikbaar bleken te zijn.
De Langsnavelige Parkiet, de Choroy der Chilenen (Henicognathus
leptorhynchus), wordt te recht als vertegenwoordiger van een
afzonderlijk geslacht beschouwd, hoewel hij door den bouw van
de vleugels en van den staart bijna volkomen overeenstemt met de
Wigstaartparkieten. Zijn snavel is namelijk geheel anders dan die
van de overige Papegaaien, middelmatig dik, slank en veel langer dan
hoog, de bovensnavel wel tweemaal zoo lang als de ondersnavel en
zeer weinig gebogen, zijn lange, smaller uitloopende spits steekt
bijna horizontaal vooruit. De heerschende kleur van de bovendeelen
is donker olijfkleurig grasgroen, die van de onderdeelen olijfkleurig
groen; de rand van het voorhoofd, de veeren van de washuid, de teugel
en een smalle rand om het oog zijn dof koperkleurig purperrood, de
handpennen en hare dekveeren op de buitenvlag blauwachtig grijs met
zwarten rand, de stuurpennen van boven en van onderen dof koperkleurig
purperrood. De oogen hebben een goudgele iris, de snavel en de pooten
zijn blauwachtig grijs. Totale lengte 38, staartlengte 17 cM.
Deze soort is over geheel Chili tot aan de straat van Magelhaen
verbreid en komt ook op Chiloë voor. Hare vertegenwoordigers
vereenigen zich dikwijls tot zwermen van honderden en duizenden,
die door hun oorverdoovend geschreeuw lastig kunnen zijn. Daar zij
meer op den grond dan in de boomen leven, bedekken zij soms de Pampas
(maar ongelukkig ook de akkers) over een groote uitgestrektheid. Zij
zijn de gevaarlijkste vijanden van de tarwe- en maïsteelt; de
bijna rechte snavel is even goed geschikt voor het uit den grond
trekken van kiemende tarwe- of maïskorrels als van de graswortels,
die oorspronkelijk het voedsel van deze Vogels uitmaakten. Tot
groot verdriet voor den landman doen zij ook plundertochten in de
boomgaarden; zij vernielen hier de appels, uitsluitend met het doel
om de pitten op te eten. Het is dus niet te verwonderen, dat de
Chileensche boeren hen haten en zoo ijverig mogelijk vervolgen.
De Wigstaartparkieten (Conurus) hebben een sterk gekromden, zijdelings
samengedrukten snavel, wiens lengte de hoogte ongeveer evenaart,
krachtige pooten met korten loop en middelmatig lange teenen, lange,
spitse vleugels, een langen, wigvormigen staart, welks pennen van den
wortel naar de spits allengs dunner worden en van de buitenste tot de
middelste gelijkmatig in lengte toenemen, zoodat gene slechts half
zoo lang zijn als deze; het kleed is uit stijve veeren samengesteld
en vertoont op grootendeels groene grond velerlei in kleur en vorm
uiteenloopende teekeningen en gekleurde velden. De meeste soorten van
dit geslacht bewonen het binnenland van Zuid-Amerika, meer bepaaldelijk
de vochtige vlakten langs de oevers van den Amazonenstroom en zijne
bijrivieren. Zij dragen veel bij tot het verlevendigen van de wouden;
in sommige hoort men geen andere stemmen dan de hunne. Evenals alle
overige Papegaaien richten zij schade aan op de plantages, die dicht
bij de wouden gelegen zijn, op de maïsakkers echter minder dan op de
rijstvelden. Na den broedtijd verschijnen zij vaker dan gewoonlijk
in de boschranden; zij hebben dan hunne jongen bij zich, die, hoewel
zij reeds geheel volwassen zijn, door hunne ouders nog uit den krop
gevoerd worden.
Het nest wordt in holten van oude boomen gebouwd en bevat 2 of 3
witte eieren. De jongen hebben weinig te lijden van den mensch, daar
de Wigstaartparkieten volgens een in Brazilië algemeen heerschende
meening niet geschikt zijn voor africhting, nooit leeren spreken en
de gevangenschap niet licht verdragen. Slechts over weinige soorten
wordt een gunstiger oordeel geveld; deze worden, hoofdzakelijk wegens
hun zachtaardigheid, dikwijls getemd.
Tot de Wigstaartparkieten behoort de eenige Papegaai, die in
Noord-Amerika voorkomt en om deze reden, naar een deel van zijn
vaderland, Carolina-parkiet (Conurus carolinensis) wordt genoemd. Hij
is 32 cM. lang met den 15 cM. langen staart. Zijn hoofdkleur is
fraai donker grasgroen, als naar gewoonte op den rug donkerder,
aan de buikzijde meer geelachtig. Het voorhoofd en de wangen zijn
roodachtig oranje, ook de achterkop, de schouders en de slagpennen;
de nek is zuiver goudgeel.
De Carolina-parkiet kwam voorheen in Noord-Amerika tot aan het
Michigan-meer, op 42° N.B., voor en was, naar het scheen, goed bestand
tegen het dikwijls zeer ruwe klimaat van deze streken. Wilson zag
tot zijn groote verwondering in het begin van deze eeuw gedurende een
sneeuwstorm, in Februari, een vlucht van deze Vogels luid schreeuwend
langs den oever van den Ohio vliegen. Nu en dan ontmoette men ze
in nog noordelijker gewesten, in Januari zag men een grooten zwerm
van deze Vogels 25 Engelsche mijlen ten noordwesten van Albany
(New-York), dus op 43° N.B. De omstandigheden zijn echter sinds
dien tijd zeer veranderd. "Ook nu nog is hij (of was hij althans in
1874)," schrijft Marshall, "veelvuldig in Florida, tamelijk verbreid
in West-Louisiana, Arkansas en het Indianen-gebied; in Zuid-Carolina
ontmoet men hem echter bijna niet meer. Aan de landstreken ten
westen van het Alleghany-gebergte geeft hij de voorkeur boven die,
welke ten oosten van dezen bergketen op gelijke breedte gelegen
zijn; waarschijnlijk te recht wordt dit toegeschreven aan zijn
bijzondere voorliefde voor de alluviale gronden langs de kleine
rivieren en regenstroomen, voor moerassen en dichte wouden en voor
de hier veelvuldige zoute gronden. De vermindering van het aantal
Carolina-parkieten is steeds verder voortgeschreden. "Honderden van
deze prachtige Vogels," klaagt Allen, "worden iederen winter aan
den bovenloop van de St. Johnsrivier door vogelvangers van beroep
gevangen en naar de steden van het noorden gezonden, duizenden worden
volkomen noodeloos door jagers gedood." Bovendien halen zij zich
door hunne plundertochten op de akkers, waar zij nog meer vernielen
dan zij opeten, de vervolging van de boeren op den hals. Het is
dus niet te verwonderen, dat de Carolina-parkiet uit een groot deel
van de Vereenigde Staten verdwenen is. Het liefst vestigt hij zich
in gewesten, welker vruchtbare bodem begroeid is met een onkruid,
"rimpelklis" genaamd, welks zaden hij weet te bemachtigen, ondanks
de lange stekels, waarmede de vruchten gewapend zijn.
Over het leven van dit dier in de gevangenschap verhaalt Wilson het
volgende: "Daar ik begeerde te weten, of deze Papegaai zich gemakkelijk
liet temmen, besloot ik met een exemplaar, dat licht aan den vleugel
gewond was, de proef te nemen. Ik maakte een soort van kooi voor hem
gereed achter in mijn boot en wierp hem hier kliszaad toe, dat hij
onmiddellijk na zijn komst aan boord aannam. Toen ik de rivier verliet
en over land verder reisde, droeg ik hem in een zijden zakdoek mede,
in weerwil van den last, dien dit mij natuurlijk gaf. Zeer dikwijls
ontvluchtte de Papegaai uit mijn zak; ik moest dan van het paard
stappen en hem in het kreupelhout of in het moeras gaan zoeken. Toen
ik op de jachtgronden van de Indianen kwam, werd ik geregeld door
deze lieden, mannen, vrouwen en kinderen, omringd, die onder luid
gelach en blijkbaar met verwondering mijn reisgezel bekeken. De
Chickasaws noemden hem in hun taal "Kelinky," maar verwisselden
dezen naam onmiddellijk met dien van "Polly," toen zij hoorden, dat
ik den Vogel zoo noemde. Polly was later telkens het middel tot het
aanknoopen van vriendschapsbetrekkingen met dit volk. Toen ik bij mijn
vriend Dunbar was aangekomen, plaatste ik mijn gevangene in een kooi
onder de verandah. Hier riep zij weldra de voorbijvliegende vluchten
van soortgenooten aan; iederen dag zagen wij deze bij ons huis in
talrijke zwermen, die zich druk met Polly onderhielden. Een van hen,
die eveneens vleugellam was, deed ik in Polly's kooi, hetgeen haar
groote vreugde schonk. Zij kwam oogenblikkelijk op hem af, fluisterde
hem haar deelneming in zijn ongeluk toe, streelde met den snavel zijn
kop en nek en geraakte innig aan hem gehecht. Toen de nieuweling
stierf, was Polly vele dagen lang onrustig en ontroostbaar. Ik
zette een spiegel naast de plaats, waar zij gewoonlijk zat; door het
zien van haar beeld scheen haar vroegere gelukkige gemoedsstemming
terug te keeren; zij was althans een tijdlang buiten zichzelf van
vreugde. Treffend was het, te zien, hoe zij, als de avond naderde, haar
kop dicht bij het beeld in den spiegel hield en dan haar blijdschap
door gefluisterde klanken te kennen gaf. Na verloop van korten tijd
kende zij den naam, dien ik haar gegeven had en antwoordde, als zij
geroepen werd. Ook klauterde zij bij mij op, ging op mijn schouder
zitten en nam haar voedsel uit mijn mond. Zonder twijfel zou ik haar
geheel getemd hebben, als zij niet door een noodlottig toeval om 't
leven was gekomen. De arme Polly verliet op een morgen, toen ik nog
sliep, haar kooi, vloog over boord en verdronk in de golf van Mexico."
Tegenwoordig ziet men dezen Papegaai dikwijls op de vogelmarkt;
hij wordt zeer tam; men kan hem er aan gewennen in de kooi terug te
komen, nadat men hem er uitgelaten heeft. Wat verstandelijke vermogens
betreft, staat hij, volgens Rey, boven alle langstaartige Papegaaien,
die deze onderzoeker in de gevangenschap heeft waargenomen en zelfs
boven vele van de zoo hoog begaafde Kortstaarten. Nooit wordt hij
echter gemeenzaam zooals andere soorten, b.v. Loris en Kaketoes. Steeds
blijft hij wantrouwig of althans zeer voorzichtig.
De Araras (Sittace) zijn de grootste leden van hun onderfamilie, daar
hun grootte afwisselt tusschen die van een Raaf en die van een Kauw;
zij zijn kenbaar aan hun zeer krachtigen en buitengewoon grooten,
zijdelings samengedrukten snavel, welks rug sterk gekromd en in een
ver overhangende spits uitgetrokken is, voorts aan de naakte plek
op den voorkop, die den teugel, den kring om het oog en het voorste
deel van de wang omvat en zelden beperkt blijft tot een gerimpelde
huid om den ondersnavel, eindelijk ook aan den zeer langen staart.
De Araras, die men ten onrechte ook wel "Aras" noemt, zijn van
het noorden van Mexico tot aan het zuiden van Brazilië en Paraguay
verbreid, maar worden in Chili niet aangetroffen. Sommige soorten komen
in de Andes tot op een hoogte van 3500 M. voor. De Araras verschillen
van de overige Papegaaien, die zij in begaafdheid evenaren, door hun
betrekkelijk rustigen aard en door een zekeren ernst. De velerlei
boomvruchten van de door hen bewoonde wouden maken hun voornaamste
voedsel uit. Ook zij plunderen echter de akkers en richten natuurlijk
overal, waar zij veelvuldig voorkomen, groote schade aan. Als het
lente is in hun vaderland, leggen zij, bij voorkeur in het nest van
het vorige jaar, 2 eieren, die, naar het schijnt, uitsluitend door het
wijfje bebroed worden; beide ouders zijn echter zoowel aan de jongen
als aan elkander trouw en innig gehecht. De jongen worden reeds sinds
onheugelijken tijd door de Indianen uit het nest genomen en getemd, de
ouden, evenals voorheen, ter wille van hunne prachtige veeren vervolgd.
Ver verbreid is de Arakanga, Groote Geelvleugel of Macao (Sittace
coccinea), een zeer indrukwekkende Vogel van 86 cM. lengte, waarvan
32 cM. op den staart komen. De kleine veeren zijn karmijnrood, de
achterrug en de staartwortel met de boven- en onderdekveeren van den
staart fraai hemelsblauw, de hand- en armpennen met hare dekveeren en
de duimvleugel donkerblauw, de grootste bovenvleugel-dekveeren en de
lange schouderveeren oranjegeel met een groene eindvlek, de stuurpennen
karmijnrood met hemelsblauwe spits, behalve de beide buitenste paren,
die een donkerblauwe kleur hebben; de onderdekveeren van den vleugel
zijn, evenals de onderzijde van de slagpennen en stuurpennen, glanzig
karmijnrood. Het oog is geelachtig wit, de naakte wang bruinachtig
vleeschkleurig, de bovensnavel geelachtig wit, aan den onderrand van
den wortel met een zwarte vlek geteekend, de ondersnavel zwart, de voet
grijsachtig zwart. De Arakanga bewoont het noordelijkste deel van het
Zuid-Amerikaansche Rijk, van Bolivia en Noord-Brazilië tot Guatemala en
Honduras; hij komt echter ook in Peru en waarschijnlijk in Mexico voor.
Bij den Ararauna of Blauwgelen Arara (Sittace coerulea) zijn alle
bovendeelen en de dekveeren van den staart hemelsblauw, de zijden van
den hals en alle onderdeelen donker oranje; een zwarte randstreep
begrenst de wang en de kin. Het oog is groenachtig parelgrijs, het
naakte deel van de zijden van den kop bruinachtig vleeschkleurig, de
snavel zwart, de voet bruinachtig zwart. Totale lengte 97, staartlengte
52 cM. Zijn verbreidingsgebied stemt met dat van den Arakanga overeen.
De Araras zijn karakteristieke bewoners van het oerwoud. Vlakke,
met rivieren doorsneden wouden zijn hun meest geliefde
verblijfplaats. Vroeger leefden zij ook in de onmiddellijke nabijheid
van de groote steden; reeds sinds lang hebben zij zich echter voor
de opdringende bevolking moeten terugtrekken; meer of minder snel
verdwijnen zij overal, waar de planters het oerwoud ontginnen. Enkele
soorten blijven niet tot het woud beperkt, maar komen ook voor
in drogere, hoogere, door de zon verschroeide gewesten en in de
woeste, rotsachtige gebergten van de provincie Bahia. "Terwijl men de
rivieren der kustwouden bevaart," zegt de Prins Von Wied, "ziet men
deze prachtige Vogels, die onmiddellijk kenbaar zijn aan hun stem,
hun grootte en hun langen staart, zich met de groote, lange vleugels
langzaam door de hooge, donkerblauwe lucht voortroeien. Hun levenswijze
verschilt over 't algemeen niet van die der andere Papegaaien. Des
middags, op het heetst van den dag, zitten zij met ingetrokken hals
en recht naar beneden hangenden staart te rusten op de onderste,
dikke takken van een schaduwrijken boom. Reeds na een paar uren rust
begeven zij zich weer aan den arbeid. Buiten den paartijd trekken
zij in troepen rond en zoeken velerlei vruchten (van verscheidene
soorten van palmen, van den sapoecaja en van andere boomen) op welker
steenharde bolsters zij gewoonlijk de kracht van hun kolossalen
snavel beproeven. Hoe luid zij in den regel hun stem laten hooren,
toch houden zij zich, evenals alle Papegaaien, stil, zoodra zij een
boom ontdekt hebben, die de door hen gewenschte vruchten draagt,
en hierop neergestreken zijn. Hier blijkt hun aanwezigheid vooral
uit het vallen van de stukgebeten vruchtschalen."
Wanneer de Araras op een boom zitten te eten, zwijgt gewoonlijk
het geheele gezelschap; hoogstens verneemt men dan van hen zachte
geluiden, die wel eenige overeenkomst hebben met een gesprek tusschen
menschen. Steeds hoort men hun krijschende stem, als zij verontrust
worden of vliegen; het luidst schreeuwen zij, als de jager zacht
naar hen toe geslopen is en door een schot de onbezorgd etende bende
verschrikt heeft. Dan schreeuwen zij soms zóó, dat iemand hooren en
zien vergaan. Op hen hebben de woorden van Alexander von Humboldt
betrekking, waar hij zegt, dat hun geschreeuw het bruischen van den
waterval overstemt. Hun luide stem bestaat uit een zeer schril, uit
één lettergreep samengesteld geluid, dat eenige overeenkomst heeft
met de stem van onze Kraai.
Evenals alle Papegaaien zijn ook de Araras zeer trouwe
echtgenooten. Zij kiezen voor het bouwen van hun nest in het woud
altijd een hoogen boom van kolossalen omvang, waaraan zich een holle
tak of een door rotting gevormde opening bevindt, die zij dan met
hun krachtigen snavel tot de gewenschte wijdte vergrooten. In de
holte legt het wijfje, evenals de meeste soorten van Papegaaien,
2 witte eieren. De staart, die ver buiten de opening uitsteekt,
verraadt de aanwezigheid van het broedende wijfje.
Gevangen Araras schijnen van oudsher lievelingen van de Indianen
te zijn geweest. "Met levendige belangstelling," zegt Von Humboldt,
"zagen wij bij de hutten van de Indianen tamme Araras op de akkers
rondvliegen, als bij ons de Duiven. Deze Vogels zijn een waar sieraad
van het erf der Indianenhut; zij doen in pracht niet onder voor Pauwen,
Goudlakensche Fazanten, Boomhoenderen en Hokko's. Reeds Columbus had
met verwondering opgemerkt, dat de bewoners van de Antillen, in plaats
van Hoenderen, Araras of andere groote Papegaaien fokten en aten."
Aan den omgang met Araras is echter altijd eenig gevaar verbonden; maar
al te dikwijls gebruiken zij hun geduchten snavel op een ongewenschte
wijze. Toch worden zij soms zeer tam. Hoewel ze zelden zoo goed
leeren spreken als andere Papegaaien, ontbreekt hun toch volstrekt
niet alle geschiktheid hiervoor. Behoorlijk verzorgde Araras worden
in de gevangenschap zeer oud. Azara maakt melding van een exemplaar,
dat 44 jaren in één gezin geleefd had, maar toen door ouderdom zoo
verzwakt was, dat het niets anders dan gekookte maïs kon verteren.
Zoowel inboorlingen als blanken houden zich ijverig bezig met de jacht
op Araras. "Voorzichtig," zegt de Prins Von Wied, "steeds achter
dichte struiken of stammen verborgen, nadert de jager sluipend een
gezelschap van deze Vogels en doodt er dan soms verscheidene door één
schot. Daar zij, zooals reeds opgemerkt werd, gedurende het vliegen
of als zij verontrust zijn, altijd hun luide stem laten hooren, weet
de jager, waar zij zich ophouden. Hij schiet ze met groven hagel, daar
zij meestal in de kroon van een der hoogste boomen zitten. De gewonde
Vogel houdt zich met zijne krachtige klauwen dikwijls nog een tijdlang
aan de twijgen vast, voordat hij naar beneden tuimelt. Hij verschaft
den jager een gewenschte spijs en kan als rundvleesch gekookt worden;
het vleesch van de oude Vogels is taai en in het koude jaargetijde
dikwijls zeer vet; het levert echter een krachtige soep. De fraaie
veeren van den gedooden Arara worden op velerlei wijzen gebruikt;
de jager versiert er zijn hoed mede. De Brazilianen schrijven met
de slagpennen; vele wilde stammen tooien zich ook thans nog met
Arara-veeren en gebruiken de bonte slagpennen voor 't maken van hunne
pijlen. De stammen van de Lingoageral, die thans tot op zekere hoogte
beschaafd zijn, maakten eertijds velerlei versierselen van deze veeren,
die in met was gesloten doozen bewaard werden, totdat zij noodig
waren. Wanneer de Toepinamben, die het door mij bezochte deel van
de oostkust bewoonden, feestvierden, werd een gevangen, vijandelijk
krijgsman gedood en opgegeten. De persoon, die de knots hanteerde,
waarmede de doodelijke slag werd toegebracht, was met een soort van
gom bestreken, waarin overal kleine Arara-veeren vastgeplakt waren;
de kroon, die hij op het hoofd droeg, was van Arara-staartveeren
vervaardigd. Arara-veeren waren bij deze wilden het zinnebeeld van
den oorlog. Ook thans nog zijn de Indianen op dezen even natuurlijken
als fraaien tooi gesteld; het heeft den Jezuïten veel moeite gekost om
deze gewoonte bij de thans half-beschaafde kuststammen uit te roeien."