De voortplanting der Papegaaien heeft plaats in de maanden,

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

TWEEDE ORDE.

DE PAPEGAAIEN (Psittacornithes).

"De groote orde der Papegaaien" schrijft W. Marshall, "welker talrijke

(omstreeks 450!) soorten over minstens 50 geslachten verdeeld zijn,

is een van de best begrensde en meest afgeronde vogelgroepen--een

van die, welke de minste, ware of schijnbare overgangen tot andere

orden aanbieden.

"Wel werden volgens een vroegere zienswijze de Papegaaien met

de Spechten en de Koekoekvogels onder den naam van "Klimvogels"

vereenigd; zulk een samenvoeging, die geheel op zuiver uitwendige

eigenaardigheden van organisatie berust, op kenmerken, verworven

doordat de bedoelde Vogels op soortgelijke wijze voor gelijksoortige

levensomstandigheden geschikt geworden zijn, kan echter geen stand

houden tegenover de hedendaagsche wetenschappelijke begrippen.

"Een Papegaai is een Klimvogel! Zeer zeker--en een Specht ook, maar

ieder hunner is Klimvogel op zijn eigen wijze, en deze wijzen loopen

zeer uiteen. Daar echter de verschillende wijzen van klimmen een

grootere innerlijke overeenkomst met elkander hebben dan b.v. de wijzen

van loopen of de wijzen van zwemmen, is het niet te verwonderen, dat de

gewoonte van klimmen tot op zekere hoogte een oppervlakkige, schijnbare

overeenstemming van kenmerken heeft doen ontstaan. Dit geeft ons echter

evenmin het recht, om deze overigens zoo uiteenloopende wezens met

elkander te vereenigen als de lichaamsvorm en de bouw der ledematen

van de Visschen, Ichthyosauriërs en Walvisschen (welker buitengewoon

merkwaardige overeenstemming uit het verblijf en de beweging in het

water af te leiden is) voldoende kan en mag geacht worden om deze drie

groepen van Gewervelde Dieren in het stelsel eenigszins, hoe weinig dan

ook, nader bij elkander te plaatsen. Wij glimlachen over de naïveteit,

die onze voorgangers uit vroegere eeuwen toonden, door de Vleermuis

onder de Vogels te rekenen, en waarvan Gessner blijken gaf, door in

de eerste afdeeling van het aan dit dier gewijde hoofdstuk "over de

gedaante van dezen Vogel" te handelen. Dergelijke dwalingen komen

echter ook in onze dierkundige leerboeken in menigte voor en zijn

met het oog op de hedendaagsche onderzoekingsmethoden en de hierdoor

verkregen resultaten minder verschoonbaar dan de misvattingen van de

vaders der wetenschap in vroegere eeuwen."

Het meest in 't oog vallende kenteeken van de Papegaaien is de snavel,

die zich van alle andere vogelsnavels onderscheidt, hoe groot ook

zijn overeenkomst met enkele daarvan moge schijnen. Bij een eerste,

oppervlakkige beschouwing zou men kunnen denken aan eenige gelijkenis

op den snavel van den Roofvogel; die van de Papegaaien is echter

aanmerkelijk dikker en forscher, naar verhouding hooger en over

't geheel genomen evenrediger van vorm. Vermeldenswaardig is de

aanwezigheid van een "washuid", d.i. van een onbevederd, maar toch

niet hoornachtig, door den naam voldoende gekarakteriseerd gedeelte,

dat als een zadel op den wortel van den bovensnavel ligt en, behalve

bij de Papegaaien, alleen nog bij de Dagroofvogels en de Uilen

voorkomt. Over den bouw van dezen snavel geven wij het woord aan

Burmeister: "Op den bovensnavel van de Papegaaien merkt men een wel

is waar smalle, maar toch scherp aangeduide rugstrook op, van welke

naar weerskanten de matig gewelfde zijstukken dakvormig naar beneden

loopen. Naar achteren gaan zij onmerkbaar over in de korte, vooral

onder het neusgat met stijve, borstelige veertjes schaars begroeide

washuid, die zich naar den mondhoek terugtrekt. Het neusgat is naar

boven gericht, in de washuid gelegen, cirkelrond en door een gezwollen

rand omgeven. De tot den bovensnavel behoorende rand van de mondspleet

heeft gewoonlijk in het midden een stomp, maar krachtig, tandvormig

uitsteeksel, dat van voren scherper begrensd is dan van achteren. De

haakvormige spits is zeer lang en aan de zwak uitgeholde, binnenste

oppervlakte bij wijze van een vijl gestreept. De aanmerkelijk kortere

ondersnavel ziet er dik, korfvormig uit, is slechts weinig lager of

zelfs hooger dan de bovensnavel en in 't midden van de onderzijde

dikwijls met een flauwe, overlangsche kant voorzien, die de kinhoek

aanduidt. Nevens dezen strekken zich op een tamelijk grooten afstand

aan weerszijden nog twee zijkanten uit, die iets verder naar voren

zich vereenigen en den breeden, hoogen en scherpen, snijdenden rand

van het voorste gedeelte van den ondersnavel begrenzen. De mondrand,

die vóór deze grens aan weerszijden (in overeenstemming met den tand

van den bovensnavel) diep uitgesneden is, neemt van hier naar achteren

langzamerhand in hoogte toe. De zijden van den ondersnavel zijn meer

of min gewelfd."

Niet minder eigenaardig is de bouw van de ledematen en het inwendig

maaksel van de Papegaaien. "De pooten zijn dik, forsch, vleezig,

maar nooit hoog; de loop is veel korter dan de middelste teen

(of buitenste voorteen) en altijd slechts met kleine, schubvormige

plaatjes bekleed. De tamelijk lange teenen, waarvan de buitenste en

de binnenste naar achteren zijn gericht, hebben een stevige zool,

maar alleen aan de spits een duidelijken bal; aan de bovenzijde zijn

zij bekleed als de loop; de schubben worden echter nader bij de spits

allengs grooter en gaan op het laatste teenlid vóór de klauw in korte

plaat- of gordelvormige schilden over. De binnenste voorteen heeft

gewoonlijk de kleinste klauw; die van den binnensten achterteen is

in den regel niet veel grooter; de grootste klauw komt voor aan den

buitensten voorteen; die van den buitensten achterteen doet echter

slechts weinig voor hem onder."

De vliegwerktuigen zijn doorgaans goed ontwikkeld, de vleugels groot

en scherp; de slagpennen, welker aantal tusschen 19 en 22 afwisselt

(waarbij 10 handpennen) meestal echter 20 bedraagt, onderscheiden

zich door de stijfheid van de schaft en de breedte van de vlag. De

twaalf stuurpennen verschillen zeer, wat betreft haar vorm en lengte;

de gedaante van den staart biedt daarom veel afwisseling aan.

De bekleeding van den stam bestaat bij de Papegaaien uit een

betrekkelijk gering aantal buitenveeren of contourveeren, met

donsveeren er tusschen; de eerstgenoemde staan dus verspreid op

duidelijk begrensde, maar in vorm zeer verschillende vedervelden;

aan de buitenzijde hebben zij een groote bijveder. In de kleur van

het kleed bestaat, bij alle verscheidenheid in de details, tusschen

de leden der orde groote overeenstemming. De meest voorkomende

kleur is een meer of minder prachtig bladgroen; er zijn echter

ook hyacintblauwe, purperroode, goudgele en somber gekleurde

Papegaaien. Karakteristiek is de verdeeling van de kleuren op het

kleed van de Papegaaien (de aanwezigheid van kleurvelden zou men

misschien mogen zeggen), het veelvuldig voorkomen van complementaire

of aanvullingskleuren op de boven- en onderzijde (blauwachtig violet,

donkerblauw, lichtblauw of groen op de bovendeelen, lichtgeel, oranje,

vermiljoenrood, purper op de onderdeelen), welke tegenstelling zelfs

aan iedere afzonderlijke slag- of stuurpen in 't oog valt, niet minder

eigenaardig het bedekt zijn van schitterende kleuren door minder

levendige, zooals b.v. bij enkele Kakatoes, waar de vermiljoenroode of

gele kleur van de donsveeren en van de wortelgedeelten der buitenveeren

bijna niet zichtbaar is wegens de witheid der topgedeelten dezer

veeren. Meestal, maar volstrekt niet altijd, zijn het mannetje en

het wijfje gelijk van kleur.

Het inwendig maaksel van de Papegaaien is eveneens zeer merkwaardig;

vooral in het skelet zijn vele eigenaardigheden waar te nemen. Van

de weeke deelen verdient vooral de tong vermelding, daar zij zich,

behalve door kortheid, dikte en zachtheid, soms ook door talrijke,

draadvormige wratjes aan de spits onderscheidt. De slokdarm is

tot een krop verwijd; de kliermaag is door een glad gedeelte van de

spiermaag gescheiden, de laatstgenoemde heeft slappe wanden en is aan

de binnenzijde bijna ruig; de galblaas en de blinde darmen ontbreken;

de darm is gewoonlijk tweemaal zoo lang als de afstand tusschen mond

en aars. Drie paar spieren komen aan het onderste strottenhoofd voor.

Het weinige, wat hier van den lichaamsbouw der Papegaaien gezegd kan

worden, moge voldoende zijn om aan te toonen, dat zij een volkomen

zelfstandige, van de andere leden der klasse duidelijk gescheiden groep

vormen. Zulk een groep noemen wij een "orde", d.w.z. een in zich zelf

geordend geheel, dat niet behoorlijk aan andere afdeelingen toegevoegd

kan worden. Van minder belang is het voor den lezer te vernemen,

waarom wij alle leden dezer orde als één familie beschouwen en aan

de afdeelingen dezer familie--die gevoeglijk den naam der orde kan

dragen: Papegaaien (Psittacidae)--den rang van onderfamiliën toekennen.

Dat de Papegaaien een op zich zelf staande groep vormen, blijkt echter

niet alleen uit hun lichaamsbouw, maar ook uit hun levenswijze; uit

hun aard en hunne gewoonten, uit hunne handelingen. Het leven staat

met den lichaamsbouw in 't nauwste verband; het moet dus bij hen wel

eigenaardig zijn als de gestalte.

De groote soorten zijn bij het opvliegen log van beweging, maar

reppen zich vervolgens in snelle vaart vooruit; de kleine soorten

zijn behendiger. Vele Papegaaien schijnen vreemdelingen te zijn op

den bodem en hompelen hier meer dan zij gaan; er zijn echter ook

Grondpapegaaien, die even snel en vaardig loopen als de strandvogels:

de gang van den Australischen Grondparkiet wordt met dien van een Snip

vergeleken. Het huppelen op de twijgen valt den Papegaaien moeielijk,

geenszins echter de beweging op de takken. Over groote tusschenruimten

vliegen, over geringe klimmen zij heen; sommige doen dit tamelijk

onbeholpen. Zij maken hierbij gebruik van den snavel en de pooten;

bij de andere Vogels kunnen alleen de pooten bij 't klimmen dienst

doen.--Men kan gerust zeggen, dat de Papegaaien hunne lichaamsdeelen

goed weten te gebruiken: twee daarvan, namelijk de voet en de snavel,

hebben zelfs een veel uitgestrektere taak te vervullen dan bij alle

overige Vogels. De voet herinnert eenigszins aan een hand; hij bewijst

althans soortgelijke diensten. De snavel, die bij de meeste Vogels

de hand vervangen moet, is bij de Papegaaien veel beweeglijker en

wordt ook op meer verschillende wijzen gebruikt dan bij de overige

Vogels. Ook de Papegaai neemt met den snavel voorwerpen van den bodem

op en plukt er vruchten mede af; hij kan hiermede vruchten en zaden

kraken en zich tegen zijne vijanden verweren; bovendien kan hij er

een soortgelijken arbeid mede verrichten als een Knaagdier met de

snijtanden: hout afbreken, stukbijten en in vezels verdeelen; ook bij

't klimmen bewijst dit werktuig hem uitmuntende diensten.

De stem van de Papegaaien is krachtig, dikwijls krijschend, maar

toch niet zonder eenige welluidendheid, bij vele soorten is zij zeer

buigzaam en ontegenzeggelijk vol uitdrukking. Als leden van groote

soorten tot gezelschappen vereenigd zijn en gezamenlijk schreeuwen,

maken zij trouwens een voor menschelijke hoorders bijna onverdragelijk

leven. Enkele soorten brengen een blaffend, andere een fluitend,

nog andere een spinnend, weer andere een zacht knorrend geluid voort;

sommige laten korte, helder klinkende kreten, enkele kwakende geluiden,

verscheidene krijschende klanken hooren. Eenige soorten kweelen hunne

wijfjes zulke allerliefste liedjes voor, dat men ze tot de Zangers

zou rekenen, als zij geen Papegaaien waren; andere soorten leeren zoo

zuiver fluiten, dat zij een Goudvink in de schaduw stellen. Het talent

van de Papegaaien voor de nabootsing van menschelijke geluiden en

woorden is bekend. Zij overtreffen in dit opzicht alle overige dieren;

hun bekwaamheid is bewonderenswaardig, grenst aan 't ongeloofelijke:

zij snappen niet, maar spreken.

De Papegaaien bewonen alle werelddeelen met uitzondering van

Europa. Van de 429 door Marshall in 1889 opgenoemde soorten,

waarvan het vaderland bekend is, komen er 161 voor in Amerika,

213 in Australië met de Papoea-eilanden, de Molukken en de

eilandengroepen van de Zuidzee, 25 in Afrika en 30 in Zuid-Azië

met de Soenda-eilanden. Verreweg de meeste behooren tusschen de

keerkringen thuis. Een Amerikaansche soort--de Carolina-parkiet

(Conurus carolinensis)--werd tot op 43° N.B. waargenomen; de in

rotsholen broedende Patagonische Diksnavelparkiet (Bolborhynchus

patagonus) wordt op 54° Z.B. in de "onherbergzame woestenijen"

van Vuurland aangetroffen; op het Macquarie-eiland, ten zuiden van

Australië, leeft een soort van Waaierparkiet (Cyanorhamphus) op 54°

Z.B. In Afrika en Azië echter overschrijden de Papegaaien de grenzen

van den heeten aardgordel weinig of niet, in West-Afrika b.v. komen

zij niet ver boven 16° N.B., in Oost-Afrika niet noordelijker dan 15°

N.B. voor. In het zuidelijk halfrond verwijderen zij zich verder van

den evenaar; in Azië worden eenige soorten in den gematigden aardgordel

aangetroffen. Over 't algemeen zijn zij tot de wouden beperkt, hoewel

geenszins uitsluitend; daar enkele soorten ook boomlooze vlakten,

b.v. steppen, bewonen, andere (in de Andes) tot boven de grens van den

boomgroei, tot meer dan 3000 M. hoogte, stijgen; even hoog komen zij in

Abessinië en tijdelijk ook in den Himalaja. In Noordoost-Afrika heeft

het de aandacht getrokken, dat zij zoo goed als uitsluitend voorkomen

in oorden, waar ook Apen gevonden worden en dus in zekeren zin als

onafscheidelijke metgezellen van deze moeten worden beschouwd. Hoe

ontzaglijker de wouden zijn, d. w. z. hoe weelderiger de plantengroei

is, des te veelvuldiger zijn zij. "De Papegaaien," zegt de Prins Von

Wied, "maken in de tropische wouden een groot, ik zou kunnen zeggen,

het grootste deel van de vogelenwereld uit." Ditzelfde geldt voor

Australië, voor vele gewesten van Indië en gedeeltelijk ook voor

Afrika. Hier zijn zij zoo overvloedig als bij ons de Kraaien, daar

zijn zij zoo algemeen als in Nederland de Musschen.

En, zij verstaan de kunst om de aandacht te trekken. Zij tooien

de wouden en vervullen ze met hun geschreeuw. "De Papegaaien,"

zegt de Prins Von Wied, "verfraaien met hunne kwistig gekleurde

veeren de donkere schaduwen van de tropische wouden."--"Het is

onmogelijk," verzekert Gould, "de bekoring te beschrijven van het

schouwspel, dat sommige Papegaaien, vooral de hoogroode soorten,

verschaffen, wanneer zij bij vluchten tusschen de zilverbladige

acacias van Australië dartelen. Hun prachtig kleed maakt in deze

omgeving een verwonderlijk schoon effect."--"De Kakatoes," zegt

Mitchell vol geestdrift, "veranderen de hoogten, waarop zij leven, in

verrukkelijk schoone lusthoven."--"Ik heb," bericht Audubon "boomtakken

zoo volkomen bedekt gezien met Papegaaien, dat er geen plaatsje

onbezet bleef."--"'s Morgens en 's avonds," verzekert Schomburgk,

"ziet men een ontelbare menigte Papegaaien op aanzienlijke hoogte

onder onverdraaglijk geschreeuw voorbijtrekken. Op een namiddag

zag ik eens zulk een reusachtigen zwerm neerstrijken op de boomen

langs den oever; de twijgen bogen diep onder het gewicht van de

Vogels."--Hetzelfde valt op te merken in de boschrijke gedeelten van

West-Afrika. Pechuel-Loesche schrijft uit Loango: "In aantal worden

alle woudbewoners overtroffen door de Grijze Papegaaien, die vooral

in de Koeïloe-vlakte in ontzaglijke menigte voorkomen. 's Avonds

trekken zij, nu eens wijd en zijd verspreid, dan weer tot ongeordend

vliegende zwermen vereenigd, den loop van den stroom volgend, over

het woud naar hunne slaapplaatsen verderop in het land. Dan worden

alle overige geluiden van dieren nagenoeg geheel overstemd door het

onophoudelijke gekrijsch, het vroolijke gesnap en gefluit van deze

Vogels; alleen het grove, heesche trompetgeluid van een soort van

Ibis klinkt nog boven dit mengelmoes van tonen uit."

Buiten den broedtijd zijn de meeste Papegaaien tot troepen of tot

buitengewoon talrijke zwermen vereenigd. Zij kiezen een bepaald deel

van het woud als woonplaats en zwerven van hier uitgaande iederen dag

door een uitgestrekt gebied rond. De troepen blijven trouw bijeen en

deelen met elkander lief en leed. Gelijktijdig verlaten zij in den

vroegen morgen hun slaapplaats, strijken op een boom of op een akker

neer om zich met de daar aanwezige vruchten te voeden, zetten wachten

uit, die voor de veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken,

geven nauwkeurig acht op hunne waarschuwingen, nemen alle tegelijk of

kort achtereenvolgens de vlucht, verleenen elkander trouw bijstand

in tijd van gevaar en hulp naar vermogen in andere omstandigheden,

komen gezamenlijk op dezelfde slaapplaats aan, gebruiken deze, zoo

goed als dit gaan kan, in gemeenschap, en broeden zelfs, voor zoover

dit mogelijk is, gezellig.

Hunne slaapplaatsen zijn zeer verschillend: soms dient hiervoor een

dichte boomkroon, soms een rotswand met uithollingen, soms een holle

boom. Het schijnt, dat zij aan de laatstgenoemde slaapgelegenheid

de voorkeur geven. "Zijn slaapplaats," zegt Audubon van den

Carolina-parkiet, "is een holle boom of een nestgat, dat door een

groote soort van Specht is uitgehouwen, ingeval dit niet door de

rechtmatige eigenaars wordt bewoond. In de schemering kan men in de

buurt van oude, holle sycomoren of dergelijke boomen talrijke vluchten

van deze Papegaaien bijeen zien komen. Zij gaan vlak voor de holte aan

de schors hangen, om achtereenvolgens naar binnen te sluipen en in den

boom den nacht door te brengen. Als zulk een holte niet voldoende is

voor het aantal slapers, hechten de overige zich met den snavel en de

klauwen vóór den ingang aan de schors. Het heeft er dan allen schijn

van, dat het gewicht van het lichaam geheel door den snavel gedragen

wordt. Met een verrekijker heb ik echter tot mijn geruststelling het

tegendeel kunnen opmerken."

Behalve aan een veilige slaapplaats hebben de Papegaaien behoefte aan

boomen met dichte kroon, om zich volkomen op hun gemak te gevoelen. Het

is hun minder te doen om beschutting tegen weer en wind dan om goede

schuilplaatsen. Hoewel zij bijzonder veel van warmte houden, zijn zij

toch niet zeer bevreesd voor koude en nog minder, althans tijdelijk,

voor nat weer. "Gedurende tropische onweersregens, die soms zoo

hevig zijn, dat zij de lucht verduisteren," zegt de Prins Von Wied,

"ziet men de Papegaaien dikwijls onbeweeglijk op doode takken van

de hoogste boomtoppen zitten; vroolijk weerklinkt hun stem, terwijl

het water bij hen neerstroomt. Al zijn ook in de nabijheid dicht

loover en dikke takken te vinden, zij blijven liever aan den warmen

onweersregen blootgesteld. Zoodra echter de bui ophoudt, beginnen

zij hun dicht vederenkleed van het vocht te bevrijden." Anders is

het gesteld bij mooi weder. Dan geven zij duidelijk de voorkeur aan

de dichtst vertakte boomen, hetzij om zich tegen de zonnestralen te

beschutten, hetzij om zich te verbergen. Dit laatste doen zij stellig,

zoodra zij onraad bespeuren. Zij weten, welk een goede bescherming

zij, wegens hun met de kleur van bladen overeenkomenden tooi van

een dichtbebladerde boomkroon kunnen verwachten. Zij zijn hier niet

gemakkelijk te ontdekken. Men weet, dat een vijftigtal Papegaaien

op een boom vereenigd zijn, maar men ziet er geen enkelen van. Bij

het schuilhoekje spelen komt trouwens niet alleen de kleur van het

vederenkleed goed te pas, maar ook de sluwheid, die aan nagenoeg alle

Papegaaien eigen is.

Het voedsel van de Papegaaien bestaat hoofdzakelijk uit vruchten

en zaden. Vele Loris gebruiken echter weinig of niets anders dan

honig en stuifmeel uit bloemen en misschien ook de Insecten die in

de bloemen voorkomen; de Araras en andere Papegaaien met wigvormige

staart (Conurinae) eten, behalve vruchten en zaden, ook wel knoppen en

bloemen van boomen; enkele Kaketoes doen gaarne haar maal met larven

van Insecten, Wormen en dergelijke kleine dieren. Het is trouwens

volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat de groote soorten van deze orde

veel meer dierlijk voedsel gebruiken dan men meent. Een reden voor dit

vermoeden zou men kunnen vinden in de moordlust van sommige Papegaaien

en ook in de gretigheid, welke gevangene exemplaren voor vleeschkost

toonen, zoodra zij dezen eenige malen geproefd hebben.

Vermakelijk is het, de Papegaaien gedurende hunne rooftochten in de

vruchtboomen en akkers te bespieden. De wijze, waarop zij in dit

geval en bij het zoeken van voedsel in 't algemeen te werk gaan,

wettigen tot op zekere hoogte de benaming "bevederde Apen". De list

en bedachtzaamheid, waarmede zij hunne rooverijen plegen, trekken de

aandacht van iederen waarnemer. Een met rijpe vruchten beladen boom,

een akker, welks producten zich goed ontwikkeld hebben, lokt hen zelfs

van verre aan. "Door allerlei vruchten, die zeer in hun smaak vallen,"

zegt de Prins Von Wied, "worden de overigens zoo schuwe Araras bewogen

zich ver buiten de grenzen harer wouden te begeven." De Honigparkieten

vond Gould uitsluitend op eucalypten, welker stuifmeel- en honigrijke

bloemen hun het gewenschte voedsel in voldoende hoeveelheid

verschaffen, nooit op andere boomen. Alle groote soorten zijn hoogst

voorzichtig bij het zoeken van hun levensonderhoud; zelfs in het woud

gedragen zij zich soms als gedurende een rooftocht. "Bij vluchten en

met oorverdoovend geschreeuw," bericht Pöppig, "strijken de groote,

goudgroene Araras van de Andes neer op de vuurroode erythrinen en gele

tachias, welker bloemen zij gaarne eten. Zij zijn echter listig genoeg

om te begrijpen, dat hun gekrijsch hen aan gevaar blootstelt, wanneer

zij een akker met rijpende maïs beginnen te plunderen. Ieder hunner

bedwingt dan zijn neiging tot tieren, zoodat er slechts onderdrukte,

knorrende geluiden gehoord worden, terwijl het vernielingswerk met

ongeloofelijken spoed voortgezet wordt. Het is voor den jager of den

vertoornden Indiaan geen gemakkelijk werk de sluwe dieven te naderen,

daar altijd een paar van de oudste Vogels op de hoogste boomen de

wacht houden. Het eerste waarschuwende sein wordt beantwoord door

een algemeenen, halfluiden kreet van de gestoorde plunderaars; bij

het tweede signaal vlucht de geheele zwerm, doch slechts om na het

vertrek van den vijand dadelijk zijn verderfelijk werk te hervatten."

Ongeloofelijk groot zijn de verwoestingen, die de Papegaaien op de

akkers en in de tuinen aanrichten; zij rechtvaardigen de ernstige

maatregelen van tegenweer, die door den mensch genomen worden. Nagenoeg

alles is van hun gading, niets is beveiligd tegen hunne aanvallen. "Zij

en vooral de groote Araras," zegt de Prins Von Wied, "versplinteren

met hun reusachtigen snavel de hardste vruchtwanden"; niet minder

goed is dit orgaan geschikt voor het verwerken van weeke vruchten

of kleine zaden. De aan een vijl herinnerende achterzijde van de

haakvormige bovensnavelspits maakt het vasthouden van voedingstoffen

met gladde oppervlakte of van kleinen omvang bijzonder gemakkelijk;

de beweeglijkheid van de tong bewijst hierbij belangrijke diensten. In

een oogwenk is een noot gekraakt, een aar van hare vruchten beroofd,

een zaadkorrel ontbolsterd. Als de snavel dit werk alleen niet af kan,

wordt ook de poot te hulp genomen; de hiermede vastgehouden spijs

wordt behendig naar den mond gebracht. Evenals de Apen, vernielen

zij veel meer dan zij verslinden.

Na den maaltijd vliegen de Papegaaien naar de plaatsen, waar zij

drinken en baden. Zij drinken veel, ook wel zout of althans brak

water. Wanneer er gelegenheid toe bestaat, laten zij zich nat regenen,

overigens begeven zij zich om te baden naar poelen; zij "gullen"

graag in het zand, evenals de Hoenderen en bedekken daardoor hunne

veeren met een laag stof; ook kruipen zij wel in de nestholen van de

Groote IJsvogels om hetzelfde doel te bereiken. Zij zoeken zouthoudende

aarde op en bezoeken geregeld de zoute poelen in het woud.

De voortplanting der Papegaaien heeft plaats in de maanden, die in

hun vaderland met onze lente overeenkomen en aan het rijp worden der

vruchten voorafgaan. Naar het schijnt, broeden de groote soorten

slechts éénmaal in het jaar en leggen zij niet meer dan 2 eieren;

de Australische Graspapegaaien en de andere Waaierparkieten in 't

algemeen vormen echter een uitzondering op dezen regel: zij leggen

in den regel 3 of 4, enkele zelfs 6 à 10 eieren en broeden, zooals

uit waarnemingen aan gevangenen gebleken is, twee- of driemaal per

jaar. Ook de Kaketoes leggen soms, de Jako, de Edelparkieten en andere

soorten in den regel meer dan 2 eieren, maar broeden waarschijnlijk

slechts éénmaal per jaar. De eieren zijn altijd wit van kleur, glad

van schaal en rondachtig.

De Papegaaien nestelen bij voorkeur, doch niet uitsluitend in holle

boomen. Eenige Amerikaansche soorten broeden in gaten van den grond of

van rotsen; de Indische Halsbandparkiet maakt hiervoor, volgens Jerdon,

dikwijls gebruik van holten in oude gebouwen enz.; de Monnikspapegaai

bouwt van dikke takken groote, lompe nesten; de Grondparkieten leggen

hunne eieren op den naakten bodem. Van alle kan men zeggen, dat zij

in groote troepen en soms in ontzaglijke zwermen bij elkander nestelen.

Niet altijd vinden de Papegaaien een boom, welks holte door den arbeid

van een Specht of door een gunstig toeval reeds dadelijk geschikt is om

hun nest te bevatten, vaak moeten zij zelf aan 't werk om een woning

voor hun kroost te verkrijgen. Opnieuw blijkt dan de geschiktheid

van hun snavel voor velerlei doeleinden. Met dit werktuig verwijdt de

Papegaai, vooral het wijfje, een kleine opening in den stam, totdat

zij een behoorlijken toegang verschaft naar het door vermolming week

geworden hout. Bij dezen arbeid geeft de Vogel, die zich als een Specht

aan de schors vasthoudt, bewijzen van groote behendigheid; meer knagend

dan snijdend met den snavel, neemt hij den eenen spaan na den anderen

van het hout af, tot het huis gereed is. Het duurt dikwijls weken,

voordat de met groote volharding werkende Vogel dit doel bereikt

heeft. Het hol is trouwens de hoofdzaak; van het nest wordt niet veel

werk gemaakt. Zelfs een holte, die veel te wenschen overlaat, bevredigt

de bescheidene eischen van den broedenden Papegaai b.v. in het geval,

dat Pöppig op de volgende wijze beschrijft: "Tegen den witten stam van

een irimi-palm ziet men een glanzigen staart van hemelsblauwe veeren;

deze verraadt de aanwezigheid van den Gelen Arara, die daar bezig is,

het door een Specht begonnen gat te verwijden tot een nestholte,

die echter niet groot genoeg is om den pronkstaart van een halve

meter lengte te bevatten; bij 't broeden hangt deze er buiten."

In den regel broeden het mannetje en het wijfje om beurten. Bij de

kleine soorten, zooals bij de Zangparkiet, bedraagt de broedtijd 16

à 18 dagen; bij andere Papegaaien zag men de jongen eerst na 19, 23,

25 dagen uit den dop komen; hoe lang de Araras broeden, is onbekend. De

jongen, die aanvankelijk buitengewoon hulpbehoevend zijn, ontwikkelen

zich merkwaardig snel. Aanvankelijk hebben zij zeer weinig dons op

de huid; na 5 of 6 dagen breken de eerste vederstoppels door; op den

8en of 10en levensdag gaan de oogen open. Zingparkieten heeft men op

den 33en dag na het verlaten van de eischaal uit het nest zien komen;

2 dagen later vlogen zij rond.

De beide ouders voorzien hunne jongen met voedsel en voederen hen ook

nog eenigen tijd na het uitvliegen. Het voedsel wordt, wanneer het

uit zaden bestaat, in den bek van de jongen uitgebraakt, nadat het

vooraf in den krop van de ouders geweekt is. Schomburgk zag een paar,

dat in de nabijheid van zijn kamp in het woud nestelde, de jongen

slechts twee maal per dag voederen, n.l. om 11 uur 's voormiddags en

om 5 uur 's namiddags. "Indien zij bemerkten, dat op hen gelet werd,

streken zij bij hun komst eerst neder op een tak in de nabijheid van

het nestgat en bleven hier rustig zitten, totdat hun de gelegenheid

gunstig scheen om onbemerkt naar binnen te sluipen." De ouders zijn

vol van teedere zorg voor het welzijn hunner kinderen, die zij bij

dreigend gevaar met zelfopofferenden moed verdedigen; zij doen dit

zelfs in de kooi en tegen een verzorger, voor wien zij overigens zeer

veel genegenheid gevoelen. Eenige soorten dragen met dezelfde liefde,

die zij aan hunne eigene jongen wijden, ook zorg voor jongen, die

geen ouders hebben: niet alleen voor hulpbehoevende wezens van hun

eigen soort, maar ook voor vreemdelingen.

Gemiddeld heeft, naar het schijnt, het vederenkleed van

de Papegaaien reeds in het tweede levensjaar zijn volledige

ontwikkeling en kleurenpracht bereikt; ook voor de voortplanting

zijn zij dan geschikt. Ondanks hunne korte jeugd duurt hun leven vele

jaren. Gevangene exemplaren hebben soms de familie, in welker kring

zij hunne jonge jaren doorbrachten, tal van jaren overleefd; zij hebben

volgens een Amerikaansche overlevering, een geheel volk zien uitsterven

en te niet gaan. "Het is waarschijnlijk," bericht A. von Humboldt,

"dat het uitsterven van de laatste familie der Atoeren eerst voor

korten tijd heeft plaats gehad, want in Maipoeres leeft nog een oude

Papegaai, wiens woorden men volgens de verzekering der inboorlingen

niet verstaan kan, omdat hij de taal der Atoeren spreekt."

Het is wel mogelijk, dat de meeste groote Papegaaien op hoogen leeftijd

een natuurlijken dood sterven. Ook zij hebben vijanden, doch geen

ergere dan de mensch. De meeste zullen door hun schranderheid wel

in staat zijn om aan de vervolgingen der Roofdieren te ontkomen;

andere zullen zich waarschijnlijk tegen de roovers, die hen op

hunne moeielijk bereikbare rustplaatsen najagen, voldoende kunnen

verdedigen. Vermoedelijk echter worden de kleine soorten dikwijls de

prooi van Valken of van klimmende, van roof levende Zoogdieren. Tegen

den mensch zijn trouwens zoomin de groote als de kleine Papegaaien

bestand.

De Papegaaien worden allerwege vervolgd door den mensch, die met een

soort van hartstochtelijken ijver jacht op hen maakt. Dit geschiedt

zoowel om van de gedoode of gevangen dieren partij te trekken, als

wegens de schade, die hun roofzucht aanricht en die overal voelbaar

is, waar de in kultuur gebrachte velden grenzen aan wouden, die door

Papegaaien bewoond worden. "Men moet niet meenen," zegt Audubon,

"dat alle misdrijven waaraan de Papegaaien zich jegens de planters

schuldig maken, ongestraft blijven. Integendeel de diefachtige

Vogels worden wegens hunne strooperijen op de eigendommen van de

landbouwers door deze in grooten getale gedood. De op wraak zinnende

boer, die met het geladen geweer in de hand komt aansluipen, doet 8

of 10 van de plunderaars bij het eerste schot in 't zand bijten. De

overlevende stijgen omhoog, schreeuwen luid, vliegen 4 of 5 minuten

lang in kringen rond, keeren naar de lijken van hunne kameraads terug,

omzwermen deze met luid jammergeschreeuw en vallen als slachtoffers

van hun gehechtheid; dit gaat zoo voort, totdat er zoo weinige

overblijven, dat de boer het niet meer de moeite waard acht, aan hen

zijn kruid en lood te verspillen. Ik heb in den loop van weinige uren

er verscheidene honderden op deze wijze verdelgd en korven gevuld met

den buit. Die, welke aangeschoten zijn, weten trouwens hun leven goed

te verdedigen en brengen met hun scherpen snavel gevaarlijke wonden

toe." Het vleesch van de buitgemaakte Papegaaien wordt, hoewel het

hard en taai is, toch graag gegeten of althans tot het bereiden van

een krachtige soep gebruikt. Schomburgk roemt de papegaaiensoep,

op grond van persoonlijke ervaring, als een uitmuntend gerecht.

Nog vaker wordt op deze Vogels jacht gemaakt ter wille van hunne

fraaie veeren, "Niets is natuurlijker," zegt de Prins Von Wied, "dan

deze zeer eenvoudige en fraaie vorm van opschik, die al spoedig in het

brein van den wilde zal zijn opgekomen. Zeer smaakvol zijn de grove,

door volkomen onbeschaafde volken van veeren vervaardigde versierselen,

die wij door de berichten van de reizigers in verschillende deelen van

de wereld hebben leeren kennen. Vele Braziliaansche oervolken hebben

zich in dit opzicht bijzonder onderscheiden."--De Papegaaien zijn

de oorzaak geweest van een gebeurtenis van groote beteekenis voor de

wereldgeschiedenis. Deze Vogels hebben, zij het dan ook onwillekeurig,

een belangrijken invloed geoefend op een der omwentelingen, die het

tijdvak der middeleeuwen begrenzen. Een vlucht Papegaaien hielp Amerika

ontdekken. Pinzon, metgezel van den grooten Genuees en onderbevelhebber

op zijn vloot, had sterk aangedrongen op een verandering in den tot

dusver gevolgden koers der schepen. "Een ingeving," verzekerde hij,

"zegt mij, dat wij anders moeten sturen."--"Deze ingeving en de

hieruit voortvloeiende meening," leert ons Von Humboldt, "had Pinzon,

gelijk een oude matroos aan de erfgenamen van Columbus verhaalde, te

danken aan een vlucht Papegaaien, die hij 's avonds in zuid-westelijke

richting had zien vliegen, om, zooals hij kon vermoeden, in een bosch

op het land te gaan overnachten.--Nooit heeft het letten op de wijze

van vliegen der Vogels gewichtiger gevolgen gehad. Er is reden voor de

bewering, dat hierdoor een beslissing werd uitgelokt over de plaats,

waar de eerste volkplantingen in het nieuwe vasteland gevestigd zouden

worden, en hieruit is de wijze van verdeeling van de Nieuwe Wereld

tusschen de Germaansche en de Romaansche volkeren voortgevloeid."

Het voordeel, dat de Papegaaien ons verschaffen, is geheel

van denzelfden aard, als dat, hetwelk wij van de Apen weten te

verkrijgen. Niet slechts door het gebruik, dat van hun kleed gemaakt

wordt, maar ook als gezellige huisgenooten zijn deze Vogels ons

nuttig. Ondanks hunne hebbelijkheden hebben zij onze genegenheid

gewonnen. Uit ingenomenheid met hunne fraaie veeren en met hun

schrander brein dulden wij hun gekrijsch en vergeven wij hen het

misbruik, dat zij maar al te dikwijls maken van hun snavel, dit

uitmuntend vernielingswerktuig, waartegen, hoe ongeloofelijk zulks

ook moge klinken, zelfs het ijzer niet bestand is.

De temming van de Papegaaien herinnert in sommige opzichten aan de

onderwerping onzer huisdieren. Zij heeft reeds in overouden tijd plaats

gehad. Op de oud-Egyptische gedenkteekenen ontbreken de afbeeldingen

van deze dieren nog volkomen; ook in den Bijbel wordt van hen geen

melding gemaakt. Onesikristos, opperstuurman van het schip, waarop

Alexander de Groote den Indus bevoer, leerde ze in Indië kennen als

getemde huisgenooten van de inboorlingen en bracht eenige van deze

Vogels levend naar Griekenland. Later werden zij veelvuldig naar

Rome vervoerd. De Romeinen waren zoo verrukt over de schoonheid en

schranderheid hunner nieuwe gunstelingen, dat strenge zedenmeesters

het noodig achten deze liefhebberij in 't openbaar aan de kaak te

stellen. "O ongelukkig Rome!" riep Marcus Portius Cato uit. "Welke

tijden beleven wij nu? De vrouwen voederen Honden op hun schoot en

de mannen dragen Papegaaien op de hand!"--Men plaatste de zeldzame

Indische Vogels in kooien van zilver, schildpad en ivoor, liet ze

door bepaaldelijk hiervoor aangestelde onderwijzers africhten, leerde

hun o. a. het woord "Caesar" uitspreken en gebruikte eigenaardige

werktuigen bij hun onderricht. De prijs van een Papegaai, die spreken

had geleerd, was dikwijls hooger dan die van een slaaf. Ovidius keurde

dit dier de eer van een poëtische lofrede waardig. Heliogabalus wist

zijne gasten niets kostbaarders voor te zetten dan papegaaiekoppen. Nog

onder Nero's regeering kende men waarschijnlijk geen andere dan

Indische soorten; later zullen misschien ook wel Afrikaansche soorten

ingevoerd zijn. In ons vaderland verschenen zij voor 't eerst ten

tijde van de kruistochten in de huizen van rijke lieden; ook hier

werden zij tot spreken afgericht.

In Amerika vonden de eerste ontdekkers getemde Papegaaien in en vóór

de hutten der inboorlingen. Schomburgk bericht, dat men ze ook thans

nog vrij laat vliegen, zonder ze te kortwieken. "Ik zag verscheidene

tamme Papegaaien," schrijft hij, "zich 's morgens voegen bij de

vluchten der wilde, die over het dorp heenvlogen; 's avonds bij hun

terugkomst gingen zij weer op de hut van hun meester zitten." Uit

Schomburgk's mededeelingen blijkt dat de Papegaaien op soortgelijke

wijze deel uitmaken van de nederzettingen der Indianen in het woud,

als de Hoenderen van onze boerderijen. "Opmerkelijk is de genegenheid

van de tamme Papegaaien voor kinderen. Zelden heb ik een troepje

spelende Indiaansche kinderen gezien, die geen Apen en Papegaaien

bij zich hadden. Deze leeren spoedig alle geluiden, die zij in hun

omgeving hooren, nabootsen: het geblaf van de Honden, het schreien

en het lachen der kinderen, enz."

In vergelijking met hunne vrij rondvliegende verwanten bij de hutten

der Indianen, hebben de voor Europa bestemde tamme Papegaaien zeer

zeker een treurig lot. Het zwaarst is hun lijden, voordat zij hun

bestemmingsplaats bereiken. Weinig meer dan de helft van alle

Papegaaien, die aan boord van een schip gebracht worden, komen

de langdurige zeereis te boven; van die, welke gelukkig in Europa

aangekomen zijn, bezwijken nog vele in de donkere, vuile, verpeste

magazijnen van sommige handelaars. Eerst wanneer de Vogel doelmatig

verzorgd wordt, verbetert zijn toestand; dan is hij echter dikwijls

menschenschuw, wantrouwig, opvliegend en kwaadaardig geworden,

welke onaangename eigenschappen hij door vriendelijke behandeling

mettertijd verliest.

Hij is echter schrander en leert spoedig zich te schikken in de

veranderde omstandigheden. In de eerste plaats geraakt hij gewoon aan

allerlei kost. In plaats van de sappige vruchten en zaden van zijne

vaderlandsche wouden, worden hem vreemde spijzen door den mensch

aangeboden. Deze behagen hem des te beter, naarmate hij er meer van

leert kennen. Aanvankelijk is hij tevreden met hennep- of kanariezaad,

weldra echter verlangt hij meer. Door hem zoetigheden te geven, maakt

men hem tot een verwenden lekkerbek, die geen eenvoudig voedsel meer

lust. Men kan hem gewennen aan bijna alle stoffen, die de mensch

gebruikt, ook aan koffie, thee, wijn, bier en dergelijke, hij gaat

zich zelfs aan sterken drank te buiten. Alleen op de kleinste soorten

van de orde is deze beschrijving niet toepasselijk; zij willen geen

ander voedsel hebben dan kruiden en zaden. Naar men beweert, zou het

voederen met dierlijk voedsel de oorzaak zijn van een onhebbelijkheid,

die bij vele gevangen Papegaaien voorkomt; deze dieren trekken zich

namelijk de veeren uit en plukken zich soms volkomen kaal. Zij gaan

de ontwikkeling van de nieuwe veeren met belangstelling na en laten

zich, hoewel zij voor straf hoogst gevoelig zijn, hierdoor van hun

voornemen om ze uit te plukken niet afhouden. Sommige waarnemers

meenen, dat de aanleiding tot de genoemde slechte gewoonte te zoeken

is in de prikkeling van de huid door ongedierte. Anderen schrijven het

veerenplukken eenvoudig toe aan de verveling, waardoor de Papegaaien,

die in de vrije natuur zoo bedrijvig waren, in de gevangenschap gekweld

worden. Men beweert, dat de Vogels zich niet meer zullen schuldig maken

aan deze zelfverminking, wanneer zij voortdurend over een voldoende

hoeveelheid zacht hout kunnen beschikken en in het stukmaken hiervan

tijdverdrijf vinden.--Van groot belang is de keuze van een voor hen

geschikt voedsel. De ervaring heeft geleerd, dat de meeste groote

Papegaaiensoorten behoorlijk gevoed kunnen worden met hennep, hard

gekookte rijst, haver, maïs, salade, kool en vruchten, de kleinere

met gierst, kanariezaad, salade en plantenbladen. Bittere amandels

en peterselie zijn vergiftig voor hen.

Evenals onder alle hoog ontwikkelde dieren zijn er ook onder de

vertegenwoordigers van dezelfde soort van Papegaaien meer of minder

leerzame of, wat op hetzelfde neerkomt, meer of minder begaafde

individuen. De eene leert snel en veel, de andere langzaam en weinig,

de derde in 't geheel niets. Een methodisch, onderricht vermag echter

ook bij hen veel, zeer veel. Hun voortreffelijk geheugen komt hun

hierbij uitmuntend te pas. De indrukken, die zij ontvangen hebben,

bewaren zij jaren lang. Voor het leeren spreken is het bezit van een

goed herinneringsvermogen even belangrijk als de beweeglijkheid van

de tong, die hun tot het nabootsen van het stemgeluid van den mensch

in staat stelt. Zij nemen een begrip in zich op en leeren het woord,

waardoor het wordt voorgesteld; langzamerhand maken zij zich meer

begrippen en meer woorden eigen; hun bevattingsvermogen neemt toe,

naarmate het geoefend wordt. Volstrekt noodig is het, dat de Vogel,

zoolang het onderricht duurt, streng opgesloten wordt gehouden; meer

vrijheid mag men hem eerst gunnen, wanneer zijn opvoeding nagenoeg

voltooid is.

Daarentegen is het volstrekt noodig de vrijheid van de Papegaaien zoo

weinig mogelijk te beperken, wanneer zij den vurigsten wensch van den

waren liefhebber bevredigen zullen door in de kooi te broeden. Dat

dit in de gevangenschap zelden gebeurt, is ongetwijfeld hieraan te

wijten, dat aan den genoemden eisch niet behoorlijk voldaan wordt. Het

is voldoende gebleken, dat het niet moeielijk is, de voorwaarden te

verwezenlijken, waaronder de tamme Papegaaien zich voortplanten. In

de allereerste plaats moet men het paartje hiervoor ruimte, rust en

een geschikten boom voor broedplaats verschaffen.

Marshall verdeelt de familie van de Papegaaien in 10 onderfamiliën,

waarvan de eerste de Stompstaartpapegaaien (Pionidae) bevat; deze

kenmerken zich door den korten of middelmatig langen, breeden en recht

afgesneden staart. Voor 't meerendeel (8 geslachten met 70 soorten)

bewonen zij de keerkringsgewesten van Amerika; slechts één geslacht

(Poeocephalus, met 10 soorten) behoort in Afrika thuis.

Misschien niet de fraaist gekleurde, maar toch een der opmerkelijkste

leden van deze rijke onderfamilie is de Waaierpapegaai (Deroplyus

accipitrinus), de eenige vertegenwoordiger van zijn geslacht. De

veeren van den achterhals en van de zijden van den hals, van de

geheele bovenzijde en van de schenkels zijn schitterend donkergroen,

die van den voorkop en van den bovenkop licht bruinachtig geel. De

achterkop en de nek zijn bezet met breede, zeer verlengde veeren, die

opgezet kunnen worden en dan achter den kop als een waaiervormige,

tot aan de keel zich uitstrekkende kraag prijken; zij zijn donker

karmijnrood met viooltjeskleurige tint, iedere veer aan den wortel

vaalbruin en aan den top met breeden, blauwen zoom. Dezelfde kleur en

teekening hebben alle veeren van de onderzijde met uitzondering van

die, welke de zijden van de borst bedekken, daar deze groen gezoomd

zijn. De handpennen en hare dekveeren zijn zwart, de armpennen,

met uitzondering van de drie laatste, die geheel groen zijn, aan de

wortelhelft zwart; de staartpennen zijn groen, met uitzondering van

de buitenste, die een zwarte binnenvlag en een donker zwartblauwe

buitenvlag hebben. Totale lengte 27, staartlengte 14 cM.

Het verbreidingsgebied van deze soort, voor zoover thans bekend,

omvat de wouden bij den Amazonenstroom, Suriname en andere deelen

van Guyana; overal is zij, naar het schijnt, minder veelvuldig dan

andere vormen van dezelfde orde.

De Amazonen, Amazoonpapegaaien of Groene Papegaaien (Androglossus)

zijn groote of middelmatig groote Vogels van gedrongen lichaamsbouw met

zeer krachtigen, matig gewelfden snavel, welks rug niet, zooals bij

het vorige geslacht, over zijn geheele lengte, maar alleen aan zijn

achterste gedeelte een door scherpe kanten begrensde, overlangsche

groeve vertoont, met middelmatig lange vleugels, welker spits weinig

of niet achter den staartwortel uitsteekt en met middelmatig langen,

aan de spits afgeronden staart; de kleine veeren zijn stijf en breed

en eindigen stomp. Evenals bij het vorige geslacht is ook hier de

washuid onbevederd; het oog is met een naakten kring omgeven. De

hoofdkleur van het vederenkleed is groen met rood, blauw en geel

afgezet; de groene kleur strekt zich ook uit over de onderdekveeren

van den staart, die bij de leden van het vorige geslacht rood zijn.

Als brandpunt van het verbreidingsgebied van de Amazonen, dat zich

van de La-Platastaten tot aan het zuiden van Mexico uitstrekt, moet

men de oeverlanden van den Amazonenstroom beschouwen; eenige soorten

bewonen de West-Indische eilanden en komen, gedeeltelijk althans,

niet anders dan op één enkel, soms betrekkelijk klein eiland voor.

De middelmatig groote soorten, die gewoonlijk onder den naam van

Amazonen (veelal over Suriname) levend tot ons komen (Androglossa

amazonica en aestiva) vertoonen slechts geringe kleursverschillen

(o. a. van de vleugelbocht: bij gene groen, bij deze rood). Totale

lengte 35, vleugel 19, staart 10 cM. Bij de eerstgenoemde loopt

over het voorhoofd een breede, paarsblauwe streep; de bovenkop en de

wangen zijn hooggeel, de handwortel geel, de eerste handpen zwart,

de overige handpennen aan den wortel van de buitenvlag dofgroen,

verderop indigoblauw, de 2e en 3e en 4e armpen aan den wortel groen,

in 't midden vermiljoenrood, aan de spits indigoblauw, de overige

armpennen (met uitzondering van de beide laatste, die geheel groen

zijn) op de buitenvlag groen, op de binnenvlag zwart en aan de spits

blauw; de vier buitenste staartveeren van iedere zijde op de binnenvlag

licht vermiljoenrood, aan de spits groenachtig geel; de vijfde stuurpen

heeft een roode vlek op de groene binnenvlag. Van onderen gezien is

de staart dof vermiljoenrood met een groenen dwarsband in 't midden en

een breeden, geelgroenen zoom aan de spits. De iris is vermiljoenrood,

de snavel geel, aan de spits donkerbruin, de poot bruinachtig.

Deze soort is van 't midden van Brazilië noordwaarts over Guyana tot

Trinidad en westwaarts tot Bogota, Ecuador en Venezuela verbreid.

"In alle gewesten van de oostkust van Brazilië, die ik doorreisde,"

zegt de Prins Von Wied, "is deze Papegaai een der meest

algemeene. Overal waar dichte oerwouden aan mangrove-moerassen en

riviermonden grenzen, vond ik hem in menigte, want hij broedt zoowel

hier als daar en houdt, naar het schijnt, veel van de vruchten

der mangrove. Reeds in de met groote wouden bedekte omstreken van

Rio de Janeiro treft men deze Papegaaien in grooten getale aan; wij

hebben ze echter ook aan de noordelijke rivieren gevonden en, vooral

's morgens en 's avonds, hun luide stem gehoord in de moerassige

kreupelhoutbosschen van de riviermonden, die dikwijls door den vloed

onder water gezet worden. Ik heb in de wouden troepen van Kortstaartige

Papegaaien bijeen gezien, die ik bijna ontelbaar zou mogen noemen;

het geheele woud wemelde er van en was vervuld van hun buitengewoon

geschreeuw. Zulke vereenigingen van Papegaaien zijn wel talrijk,

maar toch nog niet te vergelijken met de ontzaglijke zwermen van

Trekduiven in Noord-Amerika. Als Amazonen in het oerwoud op een hoogen,

dicht bebladerden boom zitten, kost het dikwijls moeite ze te zien. De

groene kleur beschut haar tegen ontdekking; men wordt haar aanwezigheid

echter gewaar door het naar beneden vallen van de vruchtschillen en

pitten. Zoolang zij eten, houden zij zich stil, zoodra zij opgejaagd

worden, verneemt men dadelijk haar luide stem. Zij worden in menigte

geschoten, omdat zij een krachtig maal verschaffen; een papegaaiensoep

is niet slechts in Brazilië, maar ook in Suriname een gewild gerecht."

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels · 第 1 / 12 段