XI.

De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met

haar kwam een groote menigte Eskimo's.

Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie

grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood

laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.

De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo's drongen steeds

op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen,

toen plotseling van achter de boomen Edrik's lieveling, de stier,

op de Eskimo's losrende.

Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven;

de Noormannen lachten.

"Lach niet te hard!" riep Freydisa. "Heden is er een groot aantal

Eskimo's op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel

meer komen om wraak te nemen!"

"Ja," zei Helgi de Noorweger, "Freydisa is een tooverkol!"

"Heksenbloed is kwaad bloed!" antwoordde Finnbogi.

"Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!"

"Dat moeten wij allen, Freydisa! maar," ging Thorward voort zich

tot Finnbogi en Helgi wendende, "ik verzoek u mijn vrouw met rust

te laten."

De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen

voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk

voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.

Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de

rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo's zag naderen. Hij

liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig

waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo's begonnen

zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de

Eskimo's den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof

het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de

lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn's volk dacht dat het omsingeld

was, en trok zich haastig terug.

Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo's schenen bekwame

slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd

door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter

spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat

de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den

voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: "Lafaards! ja,

nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie

een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!"

Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de

Eskimo's los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de

Eskimo's te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar

hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed

te maken.

De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielen den vijand

met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand

was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo's

bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai

en waren spoedig uit het oog verdwenen.

Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen

beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn

kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun

"verdedigers" met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De

wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen

gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en

de Noorwegers.

Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen

het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt

hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en

versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen,

de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.

Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden

de vrouwen niet aanraken. "Neen," zeiden zij, "het is eigenlijk toch

al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te

bevechten, dat is beneden ons!"

Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en

versloeg met eigen hand de vrouwen.

Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo

dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen

waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren

even neerslachtig.

Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjord aan,

van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.

Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn

vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en

veroordeeld te worden.

De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder

vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien,

evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet

te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij

stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij

heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.

De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo's

en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn

op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn

kleinzoon op het hoofd en zeide: "Maar gij hieldt stand, mijn jongen!"

"Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen."

"Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen,

den rug." En de oude krijger vervolgde: "Nu is er nog een ander punt,

Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op

Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf

u ontnomen heeft, kunt terug koopen."

"Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?"

"Wat is het?"

"Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld

hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land

hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is."

Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens was te doen. Deze

lachte. "Gij zijt een slimme knaap!" riep hij verheugd.

Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen,

waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op

Leif's bevel werd de Sleipner naar Reikiavik gezonden met Thorward

en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de

Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen

bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.

De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit

Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden

na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen

waren, keerde hij zich om en zeide: "Ik zou wel eens willen weten of

ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft

veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd

vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele

van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!"

Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers

uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa's

misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot

schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en

Thorfrida's vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en

sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf

gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk

aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar

ook een tehuis kon vinden.

"Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier

in 't koude Noorden?"

"Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: "Iemands eigen

huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!" Ik moet echter eerst

naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden,

om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen."

"Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?"

"Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!--Ook moet ik kleeren hebben,

nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon

leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om

mijn zwaard in te hangen."

"Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek,

mijn zoon! wat is er?"

"Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat

hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij

opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed

ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik

mij arm voordoe."

"Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon

van Sigvald betaamt?"

"Ja moeder, dat is de eenige reden."

"Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!" zeide Thorfrida

bedroefd.

Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de

waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.

"Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het

was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij," antwoordde hij

onthutst.

"Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon

uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht."

Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf

tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan,

die hem zijn blik met woeker terug gaf.

"Wel, wie zijt gij?" riep Ulf. "Een bedelaarsjongen?"

"Mijn naam is Edrik Sigvaldson!" antwoordde deze trotsch. "Ik kwam aan

land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan

voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken."

"Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven

verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!"

Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als

man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was

Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij

naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig

keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord,

lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van

verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten

gordel. Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet

en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn

muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden

nu nog dragen.

Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had

zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.

"Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan," zeide zij met trots. "Wat

zeide graaf Ulf?"

Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.

"Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom

in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullen heden bij ons

eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!"

"Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen," antwoordde Edrik vroolijk.

Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat

voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door

Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien

den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van

aanmoediging en lof.

Toen zeide Thorfrida: "Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk

voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters

geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij

zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd

en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn

zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard

zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard

uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht

en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en

rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!"

Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner

moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede,

doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.

"Het zwaard is de vreugde van den krijgsman," zoo nam graaf Magni het

woord. "Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief,

maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of

voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God's schepselen. Het

zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt,

en altijd overwint!"

Nu nam Thorfinn het woord: "Ik heb Sigvald gekend," zeide bij, "en ik

ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns

vaders te dragen!"

Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn

leven vergat.

Edrik, de Noorman · 第 12 / 15 题