XII.

De voornaamste hoofden van het eiland waren bijeengeroepen voor de

Ting waar belangrijke zaken altijd beslist moesten worden.

De rechters waren reeds vroeg bijeen; de beschuldigden--Freydisa en

haar echtgenoot--hadden hun zitplaatsen vóór den Steen des oordeels,

binnen den middelsten kring. Haco Oloffson, een beroemd Noorweegsch

rechtsgeleerde, was opzettelijk overgekomen om de vervolging te leiden,

daar de vermoorde lieden Noorwegers waren. Niemand kon de ongelukkige

vrouw verdedigen, en het eenige dat haar advocaat ten haren gunste

kon aanvoeren, namelijk dat zij Christinne was, getuigde nog tegen

haar. "Want," zeide Magni, de opperrechter, "het Christendom mag

niet gebruikt worden als dekkleed voor een misdaad, waarmede geen der

heidenen op het eiland zijn geweten zou hebben willen bezwaren. Haar

vonnis had eigenlijk een wreede marteldood moeten zijn, maar als

een christelijk rechter ben ik er tegen. Toch, zij is dood voor ons;

zij is niet meer geschikt met onze vrouwen te verkeeren. Haar vonnis

zij verbanning. Zij zal wonen daar, waar haar grootmoeder, de heks,

eens gewoond heeft. Twee slaven zullen haar bedienen, maar zij mag

nooit de grenzen van dit kleine landgoed overschrijden. Mocht zij

het wagen zich buiten de aangewezen grenzen te begeven, dan zal zij

levend in den krater van de Hekla geworpen worden!"

Nu volgde het rechtsgeding tegen Thorward, die bekende dat hij de

twee Noorwegers met hun gevolg gedood had.

"Waart gij daartoe niet verleid door den raad van uw vrouw?"

"Ik ben hier om te bekennen of ik Helgi en Finnbogi verslagen heb of

niet. De vraag is niet, waarom ik ze vermoord heb, maar of ik het

gedaan heb. Ik beken dat ik het gedaan heb, en daarmee is de zaak,

geloof ik, afgedaan!"

De vraag of Thorward schuldig was of niet, was opgelost door zijn

bekentenis. Maar zijn straf? Dit was een zaak van ernstige overweging,

en men was het niet spoedig over het vonnis eens. Hij had onder den

invloed van Freydisa gehandeld en was niet zoo strafbaar als wanneer

hij het gedaan had om zijn eigen wraakzucht te voldoen. Ook had Edrik

aangetoond, hoe hij geweigerd had de vrouwen te verslaan.

"Daarom beslissen wij," zei Magni, "dat Thorward de gewone boete zal

betalen, voor manslag bepaald. Daarbij wordt hij uit de Scandinavische

landen verbannen; doch hij kan zeilen naar het land, dat hij verkiest."

Dit vonnis werd toegejuicht en toen werd de zaak behandeld tusschen

Edrik Sigvaldson en Ulf Eirikson, die de landen bezat welke vroeger

aan Sigvald Eirikson, Ulfs broeder hadden toebehoord. Ulf vroeg verlof

zich te mogen verdedigen, hetgeen hem dadelijk werd toegestaan.

"Graaf Magni! hoofdlieden, krijgers, kooplieden, en vrienden! Ik

sta hier voor u in de Ting, beschuldigd dat ik Edrik zijn vaderlijk

erfdeel heb ontstolen, terwijl ik slechts heb genomen wat mij toekwam,

namelijk de helft van wat zijn vader naliet. Mijn vader weigerde mij

wat mij toekwam, evengoed als aan mijn broeders. Ik kan aanspraak

maken op de helft van mijns broeders land, en dat heb ik gedaan--de

andere helft is voor Edrik!"

"Hij mag die helft terugkoopen!" zeide Magni.

"Ik heb mijn neef als bedelaar gekleed gezien met het voornemen door

den een of anderen streek in 't geheel niet te betalen!"

"Hoe?" riep graaf Magni uit, "was hij voornemens u te bedriegen?"

"Ja, dat is zoo. Vraag het hem maar!"

"Ja, het is waar!" zeide Edrik. "Ik trok een eenvoudige kleeding aan

om te bedriegen, en ik schaam mij daarover diep!"

In de vergadering werd een gemompel gehoord en allen keken Edrik met

ongeveinsde verbazing aan.

Op triomfeerenden toon ging Ulf voort: "Sprak ik de waarheid niet? Nu

krijgt hij geen land van mij op crediet, al heeft hij nog zoo'n

mooi met goud geboord kleed aan. De bedelaar bezit geen mark goud,

hoeveel minder tweehonderd!"

"Zoudt gij dan het land aan Edrik willen verkoopen voor die som?"

"Ja, maar niet op crediet."

"Wat zegt gij er van, Edrik Sigvaldson? Wilt gij Ulf Eirikson

tweehonderd mark betalen om het land uws vaders terug te krijgen?"

"Ja, dat wil ik!"

"Wanneer wilt gij die tweehonderd mark voldoen?"

"Morgen, als Ulf het verlangt. Maar is dit aanbod verbindend? Morgen,

kan hij meer vragen."

"Dat kan hij niet. Een bod, dat voor de Ting gedaan wordt, is

verbindend."

Ulf zag nu, dat Edrik het ernstig meende.

"O!" riep hij uit, "wat ben ik toch dom geweest! Maar gij zult toch

allen wel inzien dat ik het aanbod slechts gedaan heb om u te toonen,

dat hij die som niet eens hebben kon. Gij weet toch wel dat de helft

van Sigvalds landen minstens duizend mark waard is?"

De vergadering wilde er echter niets van hooren. Ulf was woedend;

hij hield vol dat hij bedrogen was, dat hij daardoor een verkeerde

meening had opgevat van het vermogen van zijn neef, en dat dit invloed

had gehad op zijn aanbod.

Edrik vroeg verlof een paar woorden te zeggen, en dit werd

hem toegestaan. "Dat de vergadering mij het land toewijst voor

tweehonderd mark, is mij zeer aangenaam, vooral, als ik er aan denk,

hoe ik het bijna verloren had. Doch ik ben Edrik Sigvaldson! en ik

mag den naam mijns vaders niet bevlekken met iets, dat ook maar naar

laagheid zweemt. Daarom verzoek ik de vergadering mij toe te staan,

Ulf duizend mark te betalen, en hem een gedeelte land af te staan,

dat mij toebehoort te Langa Ness."

Nu nam echter Magni het woord, "Ulf," zeide hij, "er zijn twee

punten in deze wet, die tegen uw zaak zijn; ten eerste dat hij,

die aanspraak maakt op de erfenis, dit doet na zijns vaders dood. Nu

leeft Eirik Thorwaldson nog en dit punt is dus stellig niet ten gunste

van Ulf Eirikson. Ten tweede veronderstelt de wet dat den zoon op

onrechtvaardige wijze zijn land onthouden wordt. Op dit punt is de

wet evenzeer niet op Ulf Eirikson van toepassing, want Ulf, gij zijt

niet waardig het land te bezitten van Sigvald Eirikson! Daarom moet

het vonnis van de Ting zijn, dat gij geen recht hebt op Edriks land,

en het dus niet moogt verkoopen. Dat Edrik Sigvaldson u een stuk

land beloofd heeft, hebben wij allen gehoord, en hij zal zijn belofte

houden; maar hij mag u geen geld betalen!"

Al de aanwezigen juichten hem toe, en de zwaarden werden tegen de

schilden geslagen. Aldus werd besloten dat Ulf het land aan Edrik moest

teruggeven zonder andere vergoeding dan het stuk land te Langa Ness.

Edriks moeder zou dus weer in haar geliefd huis te Groendal gaan wonen,

terwijl hij naar Noorwegen zou oversteken om te zien, hoe groot zijn

aandeel was in de lading, die uit Wijnland was meegebracht.

Onder de volgelingen van Thorfinn bevond zich een krijgsman, die zich

door kalmte, bekwaamheid en oordeel onderscheiden had. Hij was een

Christen, maar toch was nog veel van het vroeger geleerde bij hem

blijven hangen. Hij geloofde nog steeds aan tooverij, en dit geloof

was onder de nieuw bekeerden algemeener dan men wel denken zou. Hij

heette Oleg, de Zwarte, en van hem hoorde Thorfinn de voorspelling

van Geirrida, dat hij, die door een beer was verzorgd, door een wolf

verraden en ten val gebracht zou worden.

Thorfinn vertelde dit aan graaf Magni in tegenwoordigheid van diens

vrouw en Asdisa. Deze zeide dadelijk: "Ik geloof dat ik de beteekenis

weet. Ik ben zoo lang bij haar geweest, dat ik wel begrijp wat haar

geheimzinnige woorden beteekenen. De jongeling, die eerst door een

beer verzorgd werd, is Edrik Sigvaldson, die met Byarn, den beer,

naar zee is geweest, en zich nu in groot gevaar bevindt, dat hem

dreigt van den kant van een man, Ulf (Wolf) genaamd, die geen steen

op elkander wil laten om wraak te nemen op den zoon zijns broeders."

Thorfinn lachte. "Gij zijt zelf bijna een tooverheks, Asdisa! Het was

dom van mij de verborgen meening der namen niet te begrijpen. Neem

dezen gouden armband van mij aan; want ik ben u dankbaar."

Thorfinn vertrok met Edrik naar Dronthjem (Drontheim) de hoofdstad van

Noorwegen, toen een bloeiende handelstad, waar kooplieden uit Bremen,

uit Londen en Parijs elkander verdrongen.

De begroeting tusschen Thorfinn en den koning was zeer hartelijk;

Olaf was vriendelijk tegen allen, behalve tegen Edrik. Thorfinn en

de overigen werden door Olaf ten eten genoodigd, maar Edrik was niet

in de uitnoodiging begrepen.

Verdrietig en teleurgesteld verliet hij de hal, ging naar de

aanlegplaats en roeide naar de Rolf-Krake. Hij zocht zijn troost bij

Njord, die een volwassen hond was geworden.

Er heerschte groote drukte aan land toen het bekend werd, dat

deze twee schepen bevracht waren met waren uit onbekende westelijke

landen. Langs het gedeelte der kust, waar de Rolf-Krake en de Sleipner

geankerd lagen, was een wacht geplaatst, om te zorgen dat niemand met

oneerlijke bedoelingen aan boord kon gaan, terwijl de eigenaars feest

vierden in Olaf's hal. Bovendien waren op elk schip twee krijgslieden

achtergebleven, om te beletten dat vreemden aan boord kwamen.

"Als gij hier in mijn plaats blijft, ga ik aan land!" zoo sprak een

der wachters Edrik aan.

"Ga, Oleg! en als gij soms mijn vriend Nils mocht ontmoeten, zeg hem

dan, dat ik hem hier wacht."

"Ik zal het zeggen als ik hem zie; doch je weet dat niemand na het

ondergaan der zon de kust mag verlaten. Neem uw strijdbijl, en kijk

goed uit vriend, tot Anders Andersson wakker wordt."

De tweede wachter werd door het geplas der riemen wakker. "Dat is

een mooi ding!" riep hij uit, "daar gaat hij, en laat mij alleen!"

"Ik ben aan boord, Anders! Slaap gerust door, ik zal waken,"

antwoordde Edrik.

"Ik ben niet slaperig, Edrik Sigvaldson! het is mijn beurt om te

waken."

De krijgsman ging gerustgesteld naar voren, en viel toch in

slaap. Edrik speelde wat met Njord, doch door de stilte rondom hem

vielen ook hem de oogen toe.

Op den afstand van een kabellengte lag een klein vaartuig. Oleg en

Anders hadden het reeds lang in het oog gehad. Daar vertrok een bootje

van de landingsplaats. Moet de roeier naar de Rolf-Krake? Het kan zijn,

want een touw hangt van het boord en hij maakt zijn bootje er aan vast,

en klimt als een kat aan boord.

Wat houdt die man tusschen zijn tanden, terwijl hij aan boord

klimt? Het is een dolk! Reeds houdt hij hem omhoog om hem den slapenden

Edrik in het hart te stooten, als plotseling een groote hond opspringt

van de zijde van den slaper. Een korte worsteling volgt, en hond en

moordenaar storten in het water. Andersson vliegt op en ziet hoe de

hond een man boven water houdt.

Ook Edrik was ontwaakt en samen trokken zij den onverwachten bezoeker

aan boord, doch om den hond een touw om het lichaam te binden was

Edrik genoodzaakt te water te gaan. Weldra was hij echter weder op

het dek, en daar lag zijn onbekende vijand voorover, terwijl Njord

hem met den poot onderhield.

"Een schurkachtige aanslag!" zei Anders.

"Ik begrijp er niets van," antwoordde Edrik; "ook koning Olaf was

zoo knorrig als een gewonde beer."

Intusschen bekeek hij zijn gevangene nauwkeuriger, en riep uit: "Gij

hier, Ulf Eirikson? Wildet gij mij het leven benemen? Dat is laag! Ik

wilde wel, dat het iemand anders was, want wat moet ik nu met u doen?"

"Laat mij hem den schedel kloven!" zei Anders.

"Neen, Anders! dat gaat niet. Hij is de broeder mijns vaders!"

"Laat hij dan maar weer in zijn boot gaan, dan kan hij wegroeien."

"Ja, zoo zal het zijn. Ga, Ulf Eirikson! ik schenk u het leven!"

Haastig klom Ulf over boord, en Edrik en Anders zagen hoe hij naar

het vreemde vaartuig roeide.

Na een oogenblik stilte zeide Edrik:

"Anders! beloof mij één ding; vertel nooit iets van dezen aanslag aan

wien ook. Wij moeten onze vijanden vergeven, leert het Christendom."

"Juist! Maar hij is mijn vijand niet, en daarom zal ik spreken."

Den volgenden dag kwam Thorfinn aan boord om de lading te

lossen. Zoodra hij Edrik zag, zeide hij:

"Wat hebt gij jegens koning Olaf misdreven? Hij is gewoonlijk

vriendelijk en openhartig; zeg mij toch wat gij gedaan hebt."

"Ik heb niets gedaan," antwoordde Edrik. "Als Olaf iets kwaads van

mij denkt, vergist hij zich. Doch ik zal mij troosten; ik heb mij de

liefde verworven van mannen, beter dan hij is!"

"Wie is beter dan ik ben?" riep eensklaps een man van een eenigszins

zonderling voorkomen. Zijn haar was lang en geel van kleur, met hier

en daar een gouden schittering, welke het zeer mooi maakte. Hij

droeg een blauwe muts met gouden rand, doch zijn armen waren niet

versierd met gouden armbanden, die den trots uitmaakten der Noorsche

krijgers. Ongemerkt was hij bij al de drukte aan boord gekomen,

en had zoo alles gehoord.

"Wie is beter dan ik?" vroeg hij nogmaals.

"Ik wist niet dat gij hier waart, koning Olaf!" antwoordde Edrik,

"doch ik zal u zeggen wie ik bedoel. Gissur en ook Yalto, die zooveel

hebben gedaan om de heidenen tot het Christendom te bekeeren."

"En ik dan?"

"Gij hebt het gedaan door het zwaard, en zij door liefde!"

"Bij alle heiligen! gij spreekt waarheid. Zijt gij Christen?"

"Ja, en ik ben dankbaar dat ik het kan bevestigen."

"Gij spreekt stout, knaap!"

"Dat weet ik, koning Olaf! Mijn Christendom is mij meer waard dan al

mijn bezittingen."

"Wie heeft u zoo leeren spreken?"

"Gissur, en mijn lieve moeder!"

"Gij zijt een eerlijke knaap, en het spijt mij dat ik aan de

inblazingen van sommigen heb gehoor gegeven. Volg mij, gij zult heden

mijn gast zijn!"

Nauwelijks echter zaten zij in de boot, of Njord sprong te water,

om zijn jongen meester te volgen. Olaf was verwonderd over de

gemakkelijkheid waarmede het reusachtige dier zich in het water bewoog.

"Wat een vreemd dier! Is het uw hond, Edrik?" vroeg hij.

"Ik heb hem van New-Foundland meegebracht, koning Olaf!"

"Verkoop hem mij!"

"Dat mag ik niet, want hij behoort Eirik, den Rooden, mijn grootvader."

"Die nog altijd op IJsland woont? Nu, dan zullen wij er wel eens

nader over spreken!"

Ook Thorfinn en zijn krijgslieden kwamen het middagmaal gebruiken

in de gastvrije hal van den koning. Edrik sneed zijn vleesch, naar

de gewoonte dier tijden, met den dolk, welken hij in den gordel

droeg. Nauwelijks had de koning hem gezien, of hij riep uit:

"Bij alle heiligen! wie gaf u mijn dolk, vriend Edrik?"

Edrik kreeg een kleur, want hij herinnerde zich dat het de dolk was,

waarmede Ulf hem had willen vermoorden. Verlegen antwoordde hij:

"Hij werd mijn eigendom door het recht van verovering, doch als gij

hem opeischt, hier is hij, koning!"

"Dat is geen antwoord op mijn vraag, Edrik? Hoe komt gij aan dit

wapen? Moogt gij het mij niet zeggen? Is hier geen krijgsman, die

mij inlichtingen kan geven?"

Nu stond Anders Andersson op en sprak:

"Het is de dolk, waarmede zijn oom Ulf hem wilde vermoorden. Als de

hond hem niet had gered, dan was Edrik Sigvaldson nu een lijk!"

"Goed, nu begrijp ik, waarom Edrik zweeg, en zijn hond niet wil

verkoopen.--Krijgslieden! ledigt met mij een vollen hoorn op het

welzijn van graaf Edrik Sigvaldson! Hij zal naast mij strijden tegen

koning Knut van Denemarken."

Van alle kanten klonken toejuichingen, doch Edrik sprak:

"Nu kan ik niet met u trekken, koning Olaf! Ik heb beloofd naar mijn

moeder terug te keeren, om als een goed zoon haar levensdagen te

veraangenamen. Bovendien rust op mij de heilige plicht den ouden Eirik

van Groenland te halen, en zoo mogelijk een Christen van hem te maken!"

"Geef mij de hand, Edrik! Laten wij vrienden blijven en... Ha! wie

durft ons feest verstoren?"

Een renbode trad haastig binnen en meldde den koning, dat Knut van

Denemarken een machtige vloot had verzameld, en dat hij van plan was

Noorwegen en Engeland te veroveren, om zoo een groot rijk te stichten.

"Koning Knut zal mij gereed vinden hem te ontvangen. Neem plaats aan

onzen disch, krijgsman! en deel in onze feestvreugde!"

Zoo duurde het feest tot den avond, waarna de gasten vertrokken. De

maan scheen helder. Edrik beklom een rots en tuurde over de

wijde zee in de richting van IJsland, waar zijn lieve moeder hem

wachtte. Plotseling gevoelde hij een geweldigen stoot, en stortte van

een hoogte van meer dan honderd voet in zee, welke daar gelukkig zeer

diep was....

Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op een bos stroo in de

hut eens visschers, en naast hem zat zijn trouwe Njord. De visscher

vertelde hem, dat hij, eenige dagen geleden, met zijn boot op zee

zijnde, een grooten, zwarten kop boven water had gezien. In de hoop

een zeehond te verrassen, was hij zachtjes genaderd, doch tot zijn

verwondering had hij bemerkt, dat het een hond was, die een mensch

boven water hield. Met moeite had hij den drenkeling en den vermoeiden

hond binnen boord gehaald, en vervolgens naar zijn hut gebracht.

Wat waren koning Olaf en Thorfinn en alle anderen ongerust over het

verdwijnen van Edrik, te meer daar ook Ulf met zijn schip verdwenen

was. Dagen verliepen, totdat eindelijk Tostig, 's konings jager, bij

toeval de hut van den visscher binnentrad, en daar Edrik en Njord vond.

Bij de trouwe zorg van zijn vrienden, herstelde de geredde vrij spoedig

en Njord werd de held van den dag. Koning Olaf was woedend. "Dat is

het werk van den snooden Ulf!" riep hij uit. "Ga, Hjalman! vergezel

mijn vriend Thorfinn met uw schip naar IJsland, en breng mij den

lafaard levend of dood!"

De schepen waren gereed uit te zeilen. De lading was tegen een

ongehoord hoogen prijs verkocht, en koning Olaf nam van allen een

hartelijk afscheid. Nils bleef echter in zijn bijzonderen dienst.

De wind was gunstig en na acht dagen bereikten onze reizigers in

welstand Reikiavik.

De vreugde was algemeen, te meer daar Ulf reeds vijf dagen te voren

was aangekomen en de tijding had gebracht van Edrik's dood. Hij

maakte nu aanspraak op de bezittingen van Sigvald, doch Magni had

de zaak wijselijk uitgesteld tot de schepen uit Noorwegen zouden

zijn teruggekomen.

Drie dagen later was de Ting bijeen, waar Ulf gedaagd was om tegenover

Edrik gehoord te worden. Het weder was stormachtig en een dof,

onderaardsch gerommel deed den grond schudden. Boven de Hekla hing

een donkere wolk, soms helder gekleurd door den weerschijn van het

vuur. De vulkaan was weder in werking.

Toch waren allen, aan hun plicht getrouw, opgekomen. Ulf echter was

niet verschenen en men kon hem nergens vinden. De zaak ging natuurlijk

door, en Ulf werd veroordeeld aan Hjalman uitgeleverd te worden,

die hem naar koning Olaf zou brengen.

Sommige edelen moesten den kant van den vuurspuwenden berg

uit. Gelukkig werd de wind zuidwest, zoodat zij geen last van

den rook hadden. Na twee dagen bereikten zij het huis van Unna,

de tooverkol, waar nu haar kleindochter Freydisa woonde. De woning

had veel van de uitbarsting geleden, en was gedeeltelijk door lava

en asch overdekt. Bekommerd over het lot der bewoonster, waagden

de mannen het er binnen te dringen, doch stonden roerloos bij het

verschrikkelijk schouwspel, dat hun oog trof.

Een der muren was bij den aandrang der lava bezweken, en de stroom

had zich een weg door de vertrekken gebaand. Bij de deur lag het half

verkoolde lijk van Ulf, en een weinig verder de lijken van Geirrida

en Freydisa....

Maar laat ons dit vreeselijk tooneel verlaten en naar Groenland

oversteken. De winter is sinds voorbijgegaan en het is lente geworden.

Bij Eiriks-fjord staat een slank jongeling, en op zijn arm steunt een

oud man, wiens lange gestalte aantoont dat hij eenmaal een geducht

krijger was.

"Ja, breng mij naar IJsland, naar Groendal, Edrik! Ik verlang uw

moeder weder te zien, vóór dat ik met mijn paard en wapenrusting

rusten zal in den groenen graf heuvel bij de zee!"

"Spreek zoo niet, Eirik Thornwaldson! uw lichaam is nog sterk, en vóór

dien tijd zullen uw oogen geopend zijn voor het licht der waarheid!"

"Mijn zoon, ik ben de laatste van Odin's krijgers. Nergens rooken

zijn altaren meer! Doch ik hoor u gaarne spreken. Ik wil nog veel

naar u luisteren voor ik de runen op mijn borst snijd, en doodbloed

naar Odin."

Eirik, de Roode, sneed echter geen runen op zijn borst. Nog twee

gelukkige jaren leefde hij bij Thorfrida en haar zoon, en bouwde

een Christenkerk te Groendal. Daar, in de schaduw van het kruis,

werd hij begraven, niet langer een krijger van Odin, maar bekeerd

tot het geloof van vrede en liefde door zijn kleinzoon,

Edrik, de Noorman · 第 13 / 15 题