Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of
er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa
had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.
Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de
hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van
het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn,
doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in
te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden
herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond
het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne
geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.
Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om
zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht,
zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen
over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een
rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake
ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en
Thorold over de Sleipner.
De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich
in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.
Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook
Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee
broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame
zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie
schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland
zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.
In 't geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig
voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst
uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.
Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden
zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken
dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal
groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden
voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.
Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te
bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun
vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.
Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te
kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over
was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.
"Njord, mijn jongen!" zei Eirik, "spoedig komt uw rechtmatige meester,
dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen."
Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan,
en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: "Gij
zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?"
De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: "Het is een wonderlijke
hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!"
Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf
van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water
en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze
had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld
van een jongen krijgsman.
Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen
in hem de bovenhand zou krijgen--zijn genegenheid voor den hond
of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand,
en verheugd zeide Thorfinn:
"Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen
weten of hij weet hoe het te gebruiken."
Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord
kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in
het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets
en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een
boom bleef zitten.
"Halen, Njord!" riep hij toen.
De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds,
want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water
uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn
tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond
er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan
land waren gestapt. Eirik heette hen welkom in Groenland. Allen gingen
gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.
Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen
Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. "Mijn
zoon?" riep hij uit, "ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij
geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf
gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat
hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan
u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!"
Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst
van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des
morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord,
lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.
Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de
plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij
vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland,
waar zij een beer doodden.
Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat
aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het
anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met
Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij
werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in
twee zakken droegen, om den hals gebonden.
Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit:
"Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is
toch geen koren?"
"Ja, dat is het toch wel," zei Edrik. "Wild koren in grooten
overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel,
geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan."
Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels
bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.
"Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!" riep Edrik. "Deze druiven
zijn nog mooier dan de eerste."
"De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft,
maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif
liggen. Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaan zitten en het brood
en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker."
"Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij
overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren
en druiven."
Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de
schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster
onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan,
maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten
en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen
zij aan de zee.
Den volgenden morgen riep Edrik:
"Een schip!--een drakenschip!"
Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens
der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar
de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen
en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder
een woord te zeggen er in.
"Wat zijt gij voor knapen?" vroeg een der mannen.
"Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat
zijt gij voor mannen?"
"Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig."
Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op
het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.
"Welk schip is dit?" vroeg Edrik.
Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te
worden. Toch antwoordde hij:
"De Volünd.--Wie zijt gij?"
Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.
"Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?"
"Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!"
"Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn
de schepen?"
"Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik
u niet zeggen."
"Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden."
Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen
plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het
voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker
liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op
het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn,
Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.
Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de
legerplaats van Leif.
"Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijk in een
aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik
u daarheen geleiden en naar nog een betere streek."
Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen
hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten
in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen,
en voorraad te verzamelen.
"Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter
plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo's" [3].
"Zijn er veel?"
"Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest."
De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner
als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op de
Rolf-Krake bevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de
achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te
helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter,
die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den
tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.
De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek,
waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht
hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook
van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er
werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor
de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen
nacht buiten blijven.
"Ach vriend," zeide Tostig eens: "ik zou gaarne in deze vreedzame
streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand,
Thorfinn! Wat ziet gij daar?"
"Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand
liggen te slapen."
"Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en
daaronder zijn Eskimo's verborgen. Geen van hen mag ontsnappen."
Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo's werden gedood, maar één
slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd,
zagen zij een groot aantal booten met Eskimo's op hen afkomen, en een
hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid,
dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden
beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo's, en verdwenen toen met
groote snelheid.
Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn
aldus aan:
"Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is
veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo's terug komen,
dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche
voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar
mijn dagen zou willen eindigen."
Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de
plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd
door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot
hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was
met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van
hen werd nooit meer iets gehoord. [4]
Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een
groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn
zeide:
"Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met
een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen."
De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van
lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo's
schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij
hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te
kijken. Ook dezen namen de Eskimo's op, wier bleeke gezichten,
hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen
hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de
Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen,
wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord;
maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo
stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de
Eskimo's zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden
zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het
voorgebergte verdwenen.
Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik,
en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was
het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als
krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.
Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen
gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren
lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren
aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.
De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit
geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook
wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.
"Het zijn Noorweegsche gekken!" zeide zij tot Thorward. "Het is
voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten
aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder
vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken
zoudt!"
"Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u," antwoordde Thorward. "Als
er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen
verloren zijn, en ik ook."
"En gij beloofdet mij wraak...."