IX.

Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland

te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en

eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de

waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden

een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij

liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om

nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende

de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en

wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.

Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te

keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich

met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker,

benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.

Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten

gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida

en Magni--een der grootste hoofden van het eiland--waren benoemd tot

Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging

van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan

te nemen.

Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder

zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd

om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden

zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen

van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in

't redeneeren of worstelen konden meten.

De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er,

die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat

een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en

daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den

ouden heiden.

Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden,

een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te

zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen

had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd

worden.

Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen

was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden,

behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa

hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte

een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.

Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde

men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen

Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald,

ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette

hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen,

om Edrik uit den weg te ruimen.

Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. "Zoekt de

oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?" vroeg hij lachend.

"Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte

juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!"

"Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen,

hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!"

"Ontvouw mij uw plan!"

"Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een

priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!

"Ik ben zelf een priester van Thor."

"Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de

tooveres Geirrida."

"Wil zij ons helpen?"

"Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen

vertrouwen in haar te stellen." Zoo sprekende bereikten de twee mannen

de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen,

en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude

man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch

toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.

"Neem plaats op de daïs," zeide Geirrida tot Ulf. "Gij, Thorhall! neem

dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!"

Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall

er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi,

de priester, hem op plechtigen toon aan:

"Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thor dienen. Wij

moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna

Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed

in de aderen.

"Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn,

zal ik mijn plan ontvouwen," zeide Geirrida. "Wanneer zal de groote

plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?"

"Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het

de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult

gij mij vinden onder den offersteen."

"Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende

week."

"Goed," zei Helgi. "Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met

Edrik naar het nieuw gevonden land te gaan en hem daar uit den weg

te ruimen?"

"Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin

te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels

van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij."

Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar

er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der

redeneeringen van Ulf.

Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden

morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den

wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te

vinden is.

Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en

een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht

overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor

een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers

gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.

Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en

Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij

was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in

liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij

toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden

gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om

bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend

dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.

"Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden," zei Tyrker,

"want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen

om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden."

"Ja," zei Ulf, "wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen

van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen."

"Het is een afschuwelijke gewoonte," zei Tyrker.

"Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het

niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam

voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood

op het slagveld!"

Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen

verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een

andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand,

waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.

Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van

blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig

groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd

aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturen met de reuzen, en hoe

hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed

over de aarde deed vloeien.

"Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,"

zei Tyrker. "Zeg mij, waar is het slachtoffer?"

"Hier!" riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte

hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen;

hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met

geweld ter aarde.

"Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou

werpen," zeide hij hijgend.

De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een

tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het

slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden

naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers

touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar

juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der

hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een

troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast

hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en

met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed,

en op een toon van gezag sprak:

"Houdt op!--Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste

verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is

Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul,

ik doorboor u met mijn lans!"

Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden,

doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en

allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen

wetgevers gemaakt.

De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden

bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters,

den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen

op hun altaarsteenen trachtten te offeren.

Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij

te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend

hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:

"Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot

bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat

Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen,

Asdisa! er is geld aan hem te verdienen."

Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag

van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden,

en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.

"Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd,

maar er is een machtige invloed aan 't werk!"

"Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de

verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar

iets bewegen?"

"Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan

mijn maagden."

Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale

wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de

vrouwenvertrekken geleidden.

"Er bestaat een wet," zoo begon Geirrida, "die uit Noorwegen hierheen

is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een

jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles

wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene

helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere

helft voor den jongeren broeder."

"Bij Thor's baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed

beloonen!"

"Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat

gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter

zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn

dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf

getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven."

"Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom

ontvangen!"

"Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere

voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug,

gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!"

Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa,

en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.

"Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?"

"Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde."

"Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken

heeft verlaten...."

"Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets

te vragen?"

"Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!"

"Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van

zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u

zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren."

Asdisa zadelde een der paarden en 's avonds had zij het huis harer

moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.

Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door den nood

was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten;

toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.

Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets

verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde

zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.

"Ach, moeder!" zoo begon Asdisa, "mijn lot is zoo hard. Geirrida

houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik

niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!"

"Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig

dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf

Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde."

"Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen

en te luisteren."

"De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het

geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft

het de Christenen?"

Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had

betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van

personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand

en zeide:

"Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van

zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw

vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander

lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands

in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,

voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit

huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht

is Sigvald's zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet

naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo

spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen

voor het gevaar, dat Edrik bedreigt."

Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde

dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan

koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.

"Lieve Asdisa!" zeide Thorfrida "gij zijt wel goed zooveel moeite

voor ons te doen. Het was Sigvald's liefste wensch dat Edrik de

erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche

wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis

van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen

geleiden."

Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van

graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.

"Ik vrees," zei hij, "dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat

bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden,

ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een

braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug

keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn

vrouw over spreken."

Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van

IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan

wij spreken, beslissend was.

Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje

goedgunstig aan en zeide:

"Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster

zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land

schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk

bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt."

De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden

dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en

sprenkelde het op Asdisa's hoofd, en hij noemde haar in 't openbaar

zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het

huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep,

vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten

van haar kind.

Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en

godinnen te hulp om dit verraad te straffen. "Maar," riep zij woedend

uit, "zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik

binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik

in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door

de straten stroomen!"

Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen,

niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd

over haar mildheid en zeide tot Thorhall:

"Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij

te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal

voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben,

en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen

veroordeelen wegens tooverij."

Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde

naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich

dus af en zeide: "Slim, maar schurkachtig!" en verviel toen weer in

zijn vorige neerslachtigheid.

Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen. Hij kwam,

vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met

zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij

droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk

verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!

Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel;

de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder

eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden

rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding

droeg, antwoordde hij: "Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader

bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot

mij wacht."

Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat

al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was

opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht

gevoerd zou kunnen worden.

De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de

toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt

van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte

koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni;

aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen

optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf

rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van

jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om

onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij,

de waarheid was.

Aan Magni's rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida,

terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf

en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen

waren, was de priester van Reikiavik zoowel als Helgi Fostigson van

Helgafels er bij tegenwoordig.

Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter

had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten

had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.

Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken

werd. Dat Ulf Eirik's zoon was, werd door niemand betwist; dat hij

niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis

kon maken.

Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang

alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van

wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen

drie jaar van hem kunnen terug koopen.

"En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal," schimpte Ulf.

"Waar gaat gij heen, mijn jongen?" vroeg Magni aan Edrik, toen het

rechtsgeding was afgeloopen.

"Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij

moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland

met Thorward en Freydisa."

Edrik, de Noorman · 第 10 / 15 题