Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland
te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en
eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de
waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden
een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij
liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om
nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende
de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en
wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.
Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te
keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich
met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker,
benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.
Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten
gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida
en Magni--een der grootste hoofden van het eiland--waren benoemd tot
Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging
van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan
te nemen.
Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder
zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd
om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden
zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen
van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in
't redeneeren of worstelen konden meten.
De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er,
die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat
een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en
daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den
ouden heiden.
Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden,
een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te
zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen
had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd
worden.
Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen
was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden,
behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa
hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte
een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.
Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde
men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen
Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald,
ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette
hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen,
om Edrik uit den weg te ruimen.
Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. "Zoekt de
oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?" vroeg hij lachend.
"Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte
juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!"
"Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen,
hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!"
"Ontvouw mij uw plan!"
"Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een
priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!
"Ik ben zelf een priester van Thor."
"Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de
tooveres Geirrida."
"Wil zij ons helpen?"
"Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen
vertrouwen in haar te stellen." Zoo sprekende bereikten de twee mannen
de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen,
en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude
man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch
toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.
"Neem plaats op de daïs," zeide Geirrida tot Ulf. "Gij, Thorhall! neem
dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!"
Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall
er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi,
de priester, hem op plechtigen toon aan:
"Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thor dienen. Wij
moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna
Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed
in de aderen.
"Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn,
zal ik mijn plan ontvouwen," zeide Geirrida. "Wanneer zal de groote
plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?"
"Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het
de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult
gij mij vinden onder den offersteen."
"Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende
week."
"Goed," zei Helgi. "Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met
Edrik naar het nieuw gevonden land te gaan en hem daar uit den weg
te ruimen?"
"Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin
te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels
van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij."
Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar
er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der
redeneeringen van Ulf.
Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden
morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den
wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te
vinden is.
Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en
een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht
overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor
een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers
gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.
Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en
Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij
was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in
liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij
toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden
gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om
bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend
dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.
"Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden," zei Tyrker,
"want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen
om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden."
"Ja," zei Ulf, "wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen
van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen."
"Het is een afschuwelijke gewoonte," zei Tyrker.
"Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het
niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam
voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood
op het slagveld!"
Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen
verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een
andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand,
waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.
Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van
blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig
groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd
aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturen met de reuzen, en hoe
hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed
over de aarde deed vloeien.
"Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,"
zei Tyrker. "Zeg mij, waar is het slachtoffer?"
"Hier!" riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte
hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen;
hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met
geweld ter aarde.
"Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou
werpen," zeide hij hijgend.
De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een
tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het
slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden
naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers
touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar
juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der
hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een
troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast
hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en
met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed,
en op een toon van gezag sprak:
"Houdt op!--Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste
verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is
Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul,
ik doorboor u met mijn lans!"
Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden,
doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en
allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen
wetgevers gemaakt.
De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden
bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters,
den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen
op hun altaarsteenen trachtten te offeren.
Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij
te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend
hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:
"Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot
bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat
Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen,
Asdisa! er is geld aan hem te verdienen."
Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag
van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden,
en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.
"Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd,
maar er is een machtige invloed aan 't werk!"
"Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de
verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar
iets bewegen?"
"Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan
mijn maagden."
Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale
wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de
vrouwenvertrekken geleidden.
"Er bestaat een wet," zoo begon Geirrida, "die uit Noorwegen hierheen
is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een
jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles
wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene
helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere
helft voor den jongeren broeder."
"Bij Thor's baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed
beloonen!"
"Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat
gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter
zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn
dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf
getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven."
"Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom
ontvangen!"
"Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere
voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug,
gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!"
Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa,
en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.
"Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?"
"Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde."
"Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken
heeft verlaten...."
"Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets
te vragen?"
"Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!"
"Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van
zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u
zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren."
Asdisa zadelde een der paarden en 's avonds had zij het huis harer
moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.
Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door den nood
was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten;
toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.
Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets
verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde
zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.
"Ach, moeder!" zoo begon Asdisa, "mijn lot is zoo hard. Geirrida
houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik
niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!"
"Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig
dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf
Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde."
"Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen
en te luisteren."
"De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het
geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft
het de Christenen?"
Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had
betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van
personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand
en zeide:
"Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van
zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw
vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander
lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands
in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,
voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit
huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht
is Sigvald's zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet
naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo
spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen
voor het gevaar, dat Edrik bedreigt."
Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde
dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan
koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.
"Lieve Asdisa!" zeide Thorfrida "gij zijt wel goed zooveel moeite
voor ons te doen. Het was Sigvald's liefste wensch dat Edrik de
erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche
wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis
van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen
geleiden."
Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van
graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.
"Ik vrees," zei hij, "dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat
bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden,
ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een
braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug
keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn
vrouw over spreken."
Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van
IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan
wij spreken, beslissend was.
Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje
goedgunstig aan en zeide:
"Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster
zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land
schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk
bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt."
De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden
dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en
sprenkelde het op Asdisa's hoofd, en hij noemde haar in 't openbaar
zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het
huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep,
vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten
van haar kind.
Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en
godinnen te hulp om dit verraad te straffen. "Maar," riep zij woedend
uit, "zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik
binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik
in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door
de straten stroomen!"
Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen,
niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd
over haar mildheid en zeide tot Thorhall:
"Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij
te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal
voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben,
en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen
veroordeelen wegens tooverij."
Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde
naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich
dus af en zeide: "Slim, maar schurkachtig!" en verviel toen weer in
zijn vorige neerslachtigheid.
Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen. Hij kwam,
vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met
zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij
droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk
verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!
Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel;
de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder
eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden
rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding
droeg, antwoordde hij: "Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader
bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot
mij wacht."
Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat
al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was
opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht
gevoerd zou kunnen worden.
De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de
toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt
van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte
koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni;
aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen
optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf
rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van
jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om
onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij,
de waarheid was.
Aan Magni's rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida,
terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf
en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen
waren, was de priester van Reikiavik zoowel als Helgi Fostigson van
Helgafels er bij tegenwoordig.
Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter
had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten
had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.
Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken
werd. Dat Ulf Eirik's zoon was, werd door niemand betwist; dat hij
niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis
kon maken.
Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang
alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van
wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen
drie jaar van hem kunnen terug koopen.
"En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal," schimpte Ulf.
"Waar gaat gij heen, mijn jongen?" vroeg Magni aan Edrik, toen het
rechtsgeding was afgeloopen.
"Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij
moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland
met Thorward en Freydisa."