VIII.

Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij

elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde

in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden

krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun 't liefst

waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn,

en Njord maakte allerlei dolle sprongen.

De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de

schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag,

wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland

zou blijven.

Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij

zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden,

doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen

werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.

Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord

gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid

inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon,

reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een

prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn

vrouw Guthrida. Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie

reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.

Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd

het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder

af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den

val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood

was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als

te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:

"Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen

als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga,

mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest

op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester

Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het

wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel

mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u

allen beschermen!"

Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de

Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad,

dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er

waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen

bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven,

maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude

Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien

kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.

Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils

waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was

achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.

Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zicht dat het

eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan

land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte,

kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.

Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte

steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te

blijven, scheepten de reizigers zich weder in.

Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak

land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier

gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu

bekend als Nieuw-Schotland.

Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op,

dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij

gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en

in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden

besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen

konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen,

en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in

't kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf

hier den winter door te brengen.

Men ging met ijver aan 't werk. Boomen werden geveld om de woningen

op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm,

de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er

een groot aantal herten.

Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel

zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen

mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni,

en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden

hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een

ontdekkingstocht uit.

"Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken," zeide Edrik. "Wij zullen

het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!"

"Nooit Tyrkersland, als hij het 't eerste ziet. Hij is geen graaf,

niet waar jongens?"

"Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen

gelijk zijn."

Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort

in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den

terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis

was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden

zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:

"O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?"

De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep

er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen

plukte, welke aan struiken groeiden.

"Ik ben een Rijnlander, jongens!" riep Tyrker. "Ik zag dadelijk dat

dit een wingerd was." En hij ging voort van de druiven te eten en

drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.

De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat

zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend,

en stilden honger en dorst tegelijk.

"Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!"

"Noem dit land dan "Wijnland," als gij wilt. Maar wij moeten eenige

vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!"

Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo

waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de

vruchten beschadigd werden.

Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onder Thorfinn,

die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even

verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen

zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden

over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk;

hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land

zei hij:

"Ja, zoo zal het zijn. "Wijnland" zal voortaan de naam zijn van

dat paradijs."

Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan

inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken,

doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer

dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij

sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden

dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij

de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet

bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben

voor den winter.

Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude,

maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het

zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was

dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men

kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.

"Wel," zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, "als dit

nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de

gelukkigen, die het gevonden hebben!"

Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had

men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Men wachtte tot het

zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van

Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan

boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.

De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje

was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn,

het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd

"Snorri" gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer

Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.

De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een

stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar

Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst

naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite

hadden hun koers te vinden.

Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel

begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen

voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.

Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een

prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.

"Ahoy, daar op dek!" riep hij. "Land vooruit!"

"Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!" antwoordde Leif. Hij deed

zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank

vóór zich liggen.

Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land

nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van

Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake

een boot te water gelaten en Edrik, Nils en Osrik mochten met de

bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk

had geleden.

De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand

menschen stonden.

"Waar vandaan?" vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het

antwoord luidde: "Van Reikiavik!"

Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap

zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen

vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk

volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner

mannen.

Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot

genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij den jager uit om te

zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon

dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.

Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land

hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om

zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens,

op deze kust schipbreuk had geleden.

"Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben," antwoordde Leif. "In

den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!"

Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar

toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar

nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten,

bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide:

"Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen."

En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vonden zij eenige

mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.

Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren

riep Thorhall:

"Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien

walvisch gekregen door mijn verzen."

Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het

vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen,

deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen

gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook

werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan

boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.

Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder

verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen

te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.

Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan

boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij

allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de

hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op

Groenland gevierd werd.

Edrik, de Noorman · 第 9 / 15 题