Le condon, c'est la loi, ma fille, et les prophètes!"

De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken

van den naam Condon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband

kan worden gebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak

niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding

beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen

enkelen Condon vermeld in de boeken van het College of Physicians,

en wat de boeken van het College of Surgeons betreft, waarvan

de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr,

de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben,

verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende

uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere

zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl

(Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212),

dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van

den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II,

die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een

schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is

een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt,

maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan

komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk,

dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten

slotte, dat hij afgeleid is van "condus"--dat, wat bewaart--en, in

overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.

De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden

door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch,

Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch, Sexual

Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès, Indiscretions

de l'Histoire, p. 121, etc.

De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie

is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van

beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming

van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich

veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende

tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige

meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.

Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het

voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is,

schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel

van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen,

wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger

worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van

miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen

gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de

wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk

zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een

zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide

[430] dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te

wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke

zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het

gevraagde als een misdaad beschouwde.

Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoon is

in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan

niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht

overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet

dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een

groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt

bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich

rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben,

en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls

de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de

Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en

zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde

vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid

voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn

jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel

voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten,

berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid

van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren

van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke

gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk

veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen

niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in

Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale

verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene

maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland,

waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan

en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving

minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt

wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt

voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen,

als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens

misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het

wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij

het vervolgen van het vergrijp.

Brouardel (op. cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in

New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt

wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die

zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte

om miskraam op te wekken "zulke groote verhoudingen aangenomen

heeft, dat het haast niet te gelooven is", terwijl "een onnoemelijk

aantal van gevallen" nooit aan het licht komen. "Het is zoo snel

toegenomen in onzen tijd en in onze generatie", zegt Scott,

"dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van

alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate,

waarin het doorgevoerd wordt". (De bewering, dat zij, die het

afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen "conscientieuse personen"

zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering

heeft plaats gevonden na 1840. Het Michigan Special Committee on

Criminal Abortion berichtte in 1881, dat uit een correspondentie

met bijna honderd medici bleek, dat de faculteit te hooren kreeg

van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen;

bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd

worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde

verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter,

die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke

opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint

beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij,

en zelfs als een weldoener.

Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke

toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral

duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een

schrijver in het British Medical Journal (April 9, 1904, p. 865)

vindt afdrijven "gezond en systematisch", en geeft vier gevallen,

die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen

òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te

doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin

en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende

te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen

krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het

innemen van "Vrouwenpillen", die kleine porties lood bevatten,

en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen,

hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall,

van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft

("The Increasing Use of Lead as an Abortifacient", British Medical

Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten

tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat

het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt

voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot

den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden

van economische crisissen (vergelijk G. Newman, Infant Mortality,

p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot

beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.

Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de

afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in de Société de

Médecine Légale in Parijs, Archives d'Anthropologie Criminelle,

Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Société

d'Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het

percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en

1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de

helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk

wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze,

Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd,

erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar;

zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een

boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een

dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden

(A. Hamon, La France en 1891, blz. 629-631). De publieke opinie

in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen,

die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden

voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent

vrijgesproken (Eugène Bausset, L'Avortement Criminel, Thèse de

Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar

de gevangenis gezonden.

In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook

zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen

van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht

werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook

Elisabeth Zanzinger, Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5;

en Sexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).

Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat

het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en

zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige

miskraam absoluut veroordeeld en dat op theoretische gronden. In

Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de

afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome

werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en

voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over

de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk

in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving

goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden

den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte

een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de

foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd [431]. Bij de

Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met

de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de

vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het

Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden,

gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan,

en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van

de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij

den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo's, die in

den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: "Ik

durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien,

waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet

zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden" [432]. Spoedig werd

echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke

keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische

en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging,

onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische

beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau

en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke

opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf

op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft [433].

De tegenwoordige medische wetenschap en practijk--hoewel nauwelijks

gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken--nemen over

het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die

van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke

kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den

foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering

eischen. De algemeene opinie der medici is echter op het oogenblik

niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te

helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus

in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden

der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de

geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is

de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De

maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het

ras te beschermen.

Dr. S. Macvie ("Mother versus Child", Transactions Edinburgh

Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de

respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis

van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus

uitsluitend is "een parasiet, die geen enkele functie uitoefent",

en dat, "tenzij de levensverwachting van het kind de jaren

dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid,

de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de

moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk". Deze

bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal

Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies

door te zeggen, dat "het leven van de moeder waarde heeft, omdat

zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft

om wat hij misschien worden zal".

Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de

verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al

dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder

("Der Künstliche Abort", Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906);

en ook Eugen Wilhelm ("Die Abtreibung und das Recht des Arztes

zur Vernichtung der Leibesfrucht", Sexual-Probleme, Mei en Juni,

1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk

is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te

geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit,

dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door

op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere

verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de

richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus

niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt

naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid

aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam,

merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van

de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt,

overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft,

zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf,

en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen,

als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn

verzuim miskraam teweeg te brengen.

Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te

oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie,

deel lii en liii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn

enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot

de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op

het leven en den dood van den foetus; "het recht van het kind

op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen

macht hem kan ontnemen". Er heeft hier een vergissing plaats,

tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil

tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan,

dat het kind eenig "onvervreemdbaar recht op leven" zou hebben,

heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk

een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die

eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen

ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen,

wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den

oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuring en algemeen

enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal

voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene

geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij

geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe,

in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij,

en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in

tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet

veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste,

het "onvervreemdbaar recht" van het embryo denzelfden weg zal

opgaan als het "onvervreemdbaar recht" der spermatozoën. Van

beide is het recht werkelijk "onvervreemdbaar".

In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het

toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie

der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest,

die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche

tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van

de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate

en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze,

vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela

Streitberg neemt met haar boek Das Recht zur Beseitigung Keimenden

Lebens de pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig

gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een

voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere

Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, Camilla Jellinek. Al

deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een

onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens

haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het

een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor

Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen,

waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze

gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere

vrouw zelf [434]. Het aannemen van deze motie door een vergadering

van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling,

die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke

houding die zij aannemen.

Elisabeth Zanzinger ("Verbrechen gegen die Leibesfrucht",

Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt

met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad

verklaart. "Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van

haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid... Evenals het het

persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar

maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene

van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een

zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen,

besluit de resultaten van haar daad te vernietigen". Een vrouw,

die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor

de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou

opleveren voor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de

gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen,

door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het

opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een

diepzinnig geschrift ("Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden

Lebens", Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken,

dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te

beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze

een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn

eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die

haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte

producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige

vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. "Er zijn vrouwen,

die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en

die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid

om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren

zij eenvoudig een fout van de natuur". Als sommigen van haar

voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het

veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die

miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst

Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden,

zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun

toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat

de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen,

door maatschappelijke hygiëne, door wetten ter bescherming van

werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal

op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het

jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want

duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te

beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder

zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla

Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg,

1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche

vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.

De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp,

des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het

grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten

minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad

zeggen, dat het van den kant der wet geweest is--en in Italië,

het klassieke land der wettelijke hervorming--dat deze nieuwe

beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in

Turijn, zijn Aborto, Infanticidio ed Esposizione d'Infante uit,

waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden

afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd

door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het

belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel

aandacht trok bij de publicatie.

Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers

de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de

afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo

beroemd autoriteit als Von Liszt zegt in een persoonlijken brief

aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving

beschouwt als "van zeer twijfelbaar recht", hoewel hij meent,

dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent

dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van

de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans

Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie,

Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving

niet meer gestraft zal worden. Radbruch en Von Lilienthal spreken

in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet

aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die

Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet,

dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd

door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van

haar echtgenoot.

De medische stand, die in den nieuweren tijd de eerste schrede gedaan

heeft tot autoriseeren van de afdrijving, heeft tot nog toe geen

verdere stappen gedaan. Hij is er mee tevreden geweest de grondstelling

te verkondigen, dat, als de belangen van de moeder staan tegenover

die van den foetus, deze laatste opgeofferd moeten worden. Hij heeft

geaarzeld den verderen stap te doen en de afdrijving te plaatsen

op de basis der eugeniek en het recht te eischen op afdrijving aan

te dringen ieder keer, dat de medische en hygiënische belangen van

de maatschappij zulk een stap eischen. Deze houding is volkomen te

begrijpen. Men heeft de geneeskunde altijd geïdentificeerd met het

behouden van leven, zelfs van waardeloos en erger dan waardeloos

leven. "Houdt alles in het leven! Houdt alles in het leven!" riep

Sir James Paget nerveus. De geneeskunde heeft zich beperkt tot de

nederige taak kwalen te genezen, en begint eerst tegenwoordig de

grooter en edeler taak te ondernemen van ze te voorkomen.

"De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het

vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk

kleine schrede", merkt een medisch schrijver van later tijd

op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich

op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze

"gevaarlijk kleine schrede" door het menschdom gedaan is, lang

voordat afdrijving in de wereld bekend was.

Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere

uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en

onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der

eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April,

1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan

(mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen,

zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting

is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het

belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te

voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze

personen.

In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een

merkwaardigen roman geschreven, Le Droit d'Avortement (1906),

waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen

het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is

wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van

kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter,

klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en

feministische grondslagen.

Wij hebben gezien, dat zoowel van de zijde der praktijk als van die

der theorie, in de laatste jaren een groote verandering heeft plaats

gevonden in de houding jegens de afdrijving. Het moet echter duidelijk

erkend worden, dat, in tegenstelling met de contrôle op de verwekking

door methoden tot het voorkómen van de conceptie, facultatieve

miskraam nog niet opgenomen is in onze aangenomen maatschappelijke

moraal. Als ik hier een persoonlijke opinie mag invoegen, dan zou

ik willen zeggen, dat het mij toeschijnt, dat onze moraal zich hier

tamelijk verstandig gedraagt [435]. Ik ben bepaald van meening,

dat een onbeperkte permissie aan vrouwen om afdrijving in haar eigen

belang toe te passen, of zelfs voor gemeenschappen om ze toe te passen

in het belang van het ras, niet zou passen bij onze tegenwoordige

maatschappij. Zooals Ellen Key met kracht betoogt, een beschaving,

die zonder protest toelaat, dat haar zorgvuldig uitgekozen volwassen

mannen in den oorlog op barbaarsche wijze worden geslacht, heeft nog

niet het recht verkregen met opzet ook maar zelfs haar meest inferieure

levensproducten in den schoot te vernietigen. Aan een gemeenschap,

die schuldig is aan zoo'n roekelooze verspilling van levens, kan niet

veilig deze oordeel-vereischende functie worden toevertrouwd. De

blinde en doellooze bezorgdheid om de meest hopelooze en verlaagde

levensvormen te koesteren, zelfs van het ongeboren leven, mag wel een

zwakheid heeten, en daar het dikwijls leidt tot grenzenloos lijden,

een misdaad. Maar tot nog toe is er een onoverkomelijke hinderpaal,

die vooruitgang in deze richting in den weg staat. Voordat wij

gerechtigd zijn opzettelijk een leven te vernietigen om een leven

te behouden, moeten wij leeren, hoe we het kunnen behouden door het

afschaffen van die vernielende invloeden--oorlog, ziekte, slechte

arbeidsvoorwaarden--die gemakkelijk binnen onze maatschappelijke

macht als beschaafde naties liggen [436].

Er is verder een andere overweging, waarvan het mij toeschijnt,

dat ze gewicht in de schaal legt. De vooruitgang van de beschaving

gaat in de richting van grootere voorzorg, meer voorkómen, een

verminderde behoefte om te strijden tegen het roekelooze gebrek aan

vooruitzien. De noodzakelijkheid tot afdrijving is juist een van die

resultaten van roekeloos handelen, die de beschaving neiging heeft

om te verminderen. Terwijl we kunnen toegeven, dat bij een gezonder

toestand van de beschaafde maatschappij er nog enkele gevallen zouden

kunnen voorkomen, waarin het opwekken van miskraam wenschelijk zou

kunnen zijn, schijnt het wel waarschijnlijk, dat het aantal van zulke

gevallen eer zal afnemen dan toenemen. Om de behoefte aan afdrijving

uit den weg te ruimen, en om de propaganda ten gunste er van tegen

te gaan, moeten wij ons aan den eenen kant voornamelijk verlaten

op een grootere zorgvuldigheid bij het bepalen van de conceptie en

een meerdere kennis van de middelen ter voorkoming van de conceptie

[437], en aan den anderen kant op een betere zorg door den Staat

voor zwangere vrouwen, getrouwde en ongetrouwde gelijkelijk, en een

erkenning in de praktijk van aanspraken binnen zekere perken, van de

moeder op de maatschappij [438]. Er kan maar weinig twijfel aan zijn,

dat, bij menige aanklacht wegens misdadige afdrijving, het werkelijke

vergrijp ligt bij hen, die hun sociale en hun beroepsplicht niet hebben

vervuld van het bekend maken van de meer natuurlijke en onschuldige

voorbehoedmiddelen tegen de conceptie, of die anders door hun

maatschappelijke houding de positie van de zwangere vrouw ondragelijk

gemaakt hebben. Door werkdadige maatschappelijke hervorming in deze

twee richtingen kan de nieuwe beweging ten gunste van de afdrijving

in toom gehouden worden, en men heeft zelfs gevonden, dat, door het

bevorderen van zulk een hervorming, die beweging weldadig is geweest.

Wij hebben gezien, dat de opzettelijke beperking van de conceptie een

deel geworden is van onze beschaafde moraal, en dat de praktijk en de

theorie van de facultatieve afdrijving vasten voet onder ons gekregen

hebben. Er blijft nog een derde en meer radicale methode over ter

controleering van de verwekking, de methode van het geheel wegnemen

van de mogelijkheid van de verwekking door het castreeren, of door

andere kleinere operaties, die eenzelfde verhinderende uitwerking

hebben op de voortplanting. De andere twee methoden hebben alleen

invloed op een enkele vereenigingsdaad of de gevolgen daarvan, maar

castratie heeft invloed op alle volgende daden van sexueele vereeniging

en vernietigt gewoonlijk voor goed de voortbrengende kracht.

Castratie voor verschillende maatschappelijke en andere doeleinden is

een oude en ver verspreide gewoonte, die toegepast wordt op menschen en

op dieren. Er heeft echter, over het geheel, een soort van vooroordeel

tegen bestaan, als ze werd toegepast op menschen. Vele volken hebben

een groote heilige waarde gehecht aan de ongeschondenheid van de

sexueele organen. Bij sommige natuurvolken is het verwijderen van deze

organen beschouwd geworden als een speciaal wreede beleediging, die

alleen gedaan kon worden in oogenblikken van groote opgewondenheid,

zooals na een veldslag. De geneeskunde heeft zich gekant tegen iedere

inmenging met de sexueele organen. De eed, die de Grieksche medici

afleggen, schijnt castratie te beletten: "Ik wil niet snijden"

[439]. In moderne tijden heeft er een groote verandering plaats

gevonden, castratie wordt zoowel aan mannen als aan vrouwen gedaan bij

ziekelijke toestanden; dezelfde operatie wordt soms aangeraden en nu

en dan gedaan in de hoop, dat zij sterke en abnormale sexueele impulsen

uit den weg zal ruimen. En in de laatste jaren is de castratie te hulp

geroepen, wegens haar meer radicaal karakter, in zake de negatieve

eugeniek, en waarlijk in grootere mate, omdat ze een meer radicaal

karakter heeft dan het voorkomen van de conceptie of de afdrijving.

De beweging, die de castratie begunstigt, schijnt begonnen te zijn

in de Vereenigde Staten, waar verschillende pogingen gedaan zijn ze

in de wet opgenomen te krijgen. Ze werd eerst uitsluitend aangeraden

als een straf voor misdadigers, en vooral voor sexueele vergrijpen,

door Hammond, Everts, Lydston en anderen. Van dit standpunt schijnt

ze echter onvoldoende te zijn en misschien onwettig. In vele

gevallen is castratie in het geheel geen straf en inderdaad een

positieve weldaad. In andere gevallen, als ze gedaan wordt tegen

den wil van de persoon, die het aangaat, kan ze zeer hinderlijke

geestelijke gevolgen hebben, die bij reeds gedegenereerde of

wilszwakke personen kunnen leiden tot krankzinnigheid, misdadigheid,

en tegen-maatschappelijke neigingen, die veel gevaarlijker zijn dan

de oorspronkelijke toestand. Overwegingen der eugeniek, die later op

den voorgrond kwamen, vormen een veel grooter argument vóor castratie;

in dit geval wordt de castratie geenszins verricht om een barbaarsche

en vernederende straf op te leggen, maar, met toestemming van den

geopereerde, om de gemeenschap te beschermen tegen het gevaar van

nuttelooze en verkeerde leden.

Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan

beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie

met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer

te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken

van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op

het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen

is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw

Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen

normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig

jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te

gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop

volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: "De

last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen

werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij

gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus,

en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw,

werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het

aan beide zijden bloot leggen van het "vas deferens", en het

tusschen twee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan

nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en

was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf,

(het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te

verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en

was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd

het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband

weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid

van de testikels en van den zaadstreng.

"De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te

zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er

bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën

zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het

feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone

waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd

in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele,

beslissende verandering doen blijken).

"Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is,

en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons

beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder

dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij

schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt

wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht

en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat

hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.

"Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet

dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers,

enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook

maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van

alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn".

Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten,

verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel

navolging zal vinden.

De eerste, die, voor zoover ik heb kunnen vinden, de castratie als

maatregel der negatieve eugeniek heeft aangeraden, en dat voor het

speciale "doel van prophylaxis, als toegepast op de verbetering van

het ras en de bescherming van de maatschappij", is Dr. F. E. Daniel,

uit Texas, in het jaar 1893 [440]. Daniel verwarde echter castratie

als methode tot zuivering van het ras, een methode, die uitgevoerd kan

worden in verstandhouding met het individu, dat geopereerd wordt, met

castratie als een straf, die opgelegd moet worden voor verkrachting,

sodomie, beestachtigheid en zelfs masturbatie uit gewoonte, terwijl de

wijze van uitvoering bovendien buitengewoon barbaarsch en primitief

is, n.l. het geheel wegnemen van de genitaliën. In de laatste

jaren zijn eenigszins meer gepaste, praktische en wetenschappelijke

methoden der castratie aangeraden, die niet het verwijderen van de

geslachtsklieren of organen in zich sluiten, en niet als een straf,

maar eenvoudig ter bescherming van de gemeenschap en het ras tegen

den last van waarschijnlijk onproductieve en mogelijk gevaarlijke

leden. Näcke heeft, van 1899 af, herhaaldelijk de maatschappelijke

voordeelen opgesomd van dezen maatregel [441]. Het vermeerderen

van de minderwaardige elementen van de maatschappij, zegt Näcke,

brengt ongeluk in het gezin en is een bron van groote uitgaven

voor den Staat. Hij beschouwt castratie als het eenige krachtige

voorbehoedmiddel, en hij komt daarom tot het besluit, dat we het

moeten aannemen, zooals we ook de vaccinatie aangenomen hebben,

er voor zorgende, dat we ons verzekeren van de toestemming van den

persoon zelf of van zijn voogd, van de burgerlijke autoriteiten, en

zoo noodig van een commissie van deskundigen. Ook Professor Angelo

Zuccarelli uit Napels heeft van 1899 af, den nadruk gelegd op het

belang van de castratie, voor het steriel maken van de epileptici,

de krankzinnigen van verschillende klassen, de alcoholici, de

tuberculeuzen en de instinctieve misdadigers, terwijl de keuze

van gevallen ter operatie gedaan moet worden door een commissie

van deskundigen, die schoolkinderen, candidaten voor openbare

betrekkingen, of personen, die op het punt waren te trouwen, zouden

moeten onderzoeken [442]. Deze beweging won spoedig veld, en in 1905,

bij de jaarlijksche vergadering van Zwitsersche krankzinnigen-artsen,

waren de leden het er algemeen over eens, dat het steriel maken van

krankzinnigen wenschelijk is, en dat de kwestie wettelijk geregeld moet

worden. In Zwitserland zijn, wat Europa betreft, de eerste stappen

gedaan om de castratie als maatregel van maatschappelijke prophylaxe

ten uitvoer te brengen. Het zestiende jaarlijksche rapport (1907)

van het kantonale krankzinnigengesticht te Wil geeft vier gevallen

van castratie, twee bij mannen en twee bij vrouwen,--gedaan met

de toestemming van de patienten en de burgerlijke autoriteiten--uit

maatschappelijke beweegredenen; beide vrouwen hadden tevoren onwettige

kinderen gehad, die een last waren voor de maatschappij, en alle

vier de patienten waren sexueel abnormaal; de operatie stelde de

patiënten in staat van hun lasten bevrijd te worden en te werken,

en de resultaten werden beschouwd als in alle opzichten bevredigend

voor allen, die er bij betrokken waren [443].

Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve

eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden

om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de

ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode

van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele

anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna

even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding

en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door

Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door

een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht,

zooals aanbevolen wordt door Zuccarelli.

Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen

steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed

als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten

verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze

werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het

aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie:

het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk

maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen,

een voordeel wezen. (Zie British Medical Journal, Aug. 13, 1904;

ib., Maart l.l., 1905; ib., Juli 6, 1907).

Het is welhaast niet mogelijk, naar het mij toeschijnt, de

castratie als methode van negatieve eugeniek met groot enthusiasme

te beschouwen. Bovendien moest de roekeloosheid, waarmee men soms

voorstelt ze bij de wet toe te passen--waarschijnlijk ten gevolge

van het feit, dat ze klaarblijkelijk niet zoo terugstootend is als

het minder radicale proces van de afdrijving--ons zeer voorzichtig

maken. Wij moeten ook het denkbeeld van castratie als een straf laten

varen; als zoodanig is ze niet alleen barbaarsch, maar vernederend

en is het niet waarschijnlijk, dat ze een gunstigen invloed zal

hebben. Als methode van negatieve eugeniek behoort ze nooit in

praktijk gebracht te worden zonder toestemming van den persoon, die

het aangaat. Het feit, dat het in sommige gevallen noodig zou kunnen

zijn om iemand te isoleeren, als hij niet overging tot castratie,

zou ongetwijfeld een feit zijn, dat invloed zou uitoefenen ten

gunste van het geven van toestemming; maar de toestemming is

absoluut noodzakelijk als de persoon, die de operatie ondergaat,

voor vernedering zal worden bewaard. Een mensch, die vernederd is en

verbitterd door een opgedrongen castratie, zou niet gevaarlijk zijn

voor het nageslacht, maar zou gemakkelijk een gevaarlijk lid kunnen

worden van de maatschappij, waarin hij daadwerkelijk leefde. Met

gepaste voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen kan de castratie

ongetwijfeld een zekere rol spelen bij de verheffing en de verbetering

van het ras [444].

De methoden, die we in overweging hebben genomen, in zooverre zij de

kracht tot voortbrengen beperken van de minder gezonde en werkdadige

families in een gemeenschap, zijn methoden der eugeniek. Men moet

echter niet meenen, dat zij de geheele eugeniek zijn, of dat zij op

eenigerlei wijze behooren tot het wezen van het plan der eugeniek. De

eugeniek heeft betrekking op alle werkingen, die de menschelijke

nakomelingschap verheffen en verbeteren; afdrijving en castratie

zijn middelen, die tot dit doel gebruikt worden, maar het zijn geen

middelen, die iedereen goedkeurt, en het is ook niet uitgemaakt,

of de doeleinden, die zij bereiken niet beter bereikt kunnen

worden door andere middelen; in ieder geval zijn het methoden der

negatieve eugeniek. Blijft over het veld van de positieve eugeniek,

die betrekking heeft niet op het doen verdwijnen van minderwaardige

families, maar op het uitmaken van wat de betere families zijn en op

het bevorderen van hun kracht tot voortplanting.

Terwijl de noodzakelijkheid van zich van voortplanting te onthouden

niet langer een hinderpaal is voor het huwelijk, blijft de kwestie of

twee personen met elkaar moeten trouwen in het meerendeel der gevallen

een ernstige kwestie uit het standpunt van positieve en negatieve

eugeniek beide, want het normale huwelijk moet wel kinderen in zich

sluiten, zooals ook werkelijk het voornaamste en meest gewenschte

doel ervan is. Wij moeten niet alleen in overweging nemen welke de

families zijn, die niet geschikt zijn om nageslacht voort te brengen,

maar ook welke de families of individuen zijn, die het meest geschikt

zijn om nageslacht voort te brengen en onder welke voorwaarden de

verwekking het best kan worden tot stand gebracht. De tegenwoordige

onvolledigheid van onze kennis in deze zaken legt den nadruk op de

behoefte aan zorg en voorzichtigheid bij het naderen tot deze vragen.

Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef

van de Oneida Community bij het instellen van een systeem

van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een

man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den

tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John

Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste

waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als

een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen

om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust

en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer

leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en

zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn,

zijn uiteengezet in een Essay on Scientific Propagation, waarin

de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht

beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer

van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en

praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die

kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die

al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de

verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook

maar een haarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met

de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de

geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest

mag zijn--en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat

hebben--met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver

academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest

was. "Het begint duidelijk te worden", zegt Noyes aan het begin,

"dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten

gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van

menschelijke wezens". Als we dat doen, moeten we op twee dingen

letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed

voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der

eugeniek van den tegenwoordigen tijd ("de natie heeft jaren lang

al haar aandacht gewijd aan "milieu", terwijl "erfelijkheid"

in de eerste plaats komt", zooals Karl Pearson het uitdrukt),

en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in

vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in

die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed

van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen

ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de

schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan

op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van

de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt,

"hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt". (Men moet in

herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton's

werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan

het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. "Onze plicht

is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen--wij willen

het doen--maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort;

maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg

is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen

zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid,

dat de plicht onuitvoerbaar schijnt". Noyes was een voorganger

van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak

van den godsdienst.

Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het

gebied van de voortplanting "Stirpicultuur" te noemen, waarin

hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van

den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van

de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder

de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te

verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de

mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson

en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein

gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort

te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een

geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat

wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking,

dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het

doel geschikt is. "De hoeveelheid van de productie zal in directe

verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen", zooals Noyes

de kwestie zag, "en de waarde, die voortgebracht wordt, voor zoover

het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan

tot het aantal vruchtbare mannen". In deze zaak was Noyes een

voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen

moet houden waren "Teel van de besten", en "Teel in denzelfden

kring", met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen

van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in

zijn nieuwe pas uitgekomen Entwicklungsgeschichte des Genies und

Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen,

in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust

aanhangen juist van deze principes). "Door het uitkiezen van

hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden

hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht,

die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de

huisdieren". Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van

de Joden.

Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek

aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem

laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene

verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in

kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, "beperkt het

iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot

de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen,

misschien in staat is". Bovendien beslist het, gaat hij voort,

"in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten;

want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn

tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele

beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen,

zoover als hij maar durft". "Wij zijn op alle wijzen veilig als

we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften

van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een

instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid,

die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan

de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd

onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken,

zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst

geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te

nemen". Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele

instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die

men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het

behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke

wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld

door zelfbestuur, "door de vrije keuze van hen, die genoeg van de

wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van

het Koninkrijk der Hemelen". Het tehuis moet ook in stand gehouden,

daar "het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is";

maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want

"als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden

als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de

wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen,

die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan".

De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste

maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze

principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals

we weten, "zelfbeheersching der mannen" (zie boven, p. 502),

en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of

de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond

geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van

verstandelijke overlegging en bepaald besluit. "De gemeenschap",

zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community,

1894, p. 5), "was een familie, even duidelijk afgescheiden van

de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band,

die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even

heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al

het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en

de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der

kinderen". Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap

in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke

gemeenschap in het algemeen zich vormen zal. Maar op zijn

minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord

Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19),

"hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die

gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor

wijziging vatbaar zijn", en dat "het disciplineeren van de driften

en neigingen der sekse", waarop de toekomst van de beschaving in

ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.

In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,--en zelfs

den onzen,--vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat

in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem

op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de

Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de

conceptie altijd beheerschen in overeenstemming met de principes

der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen

aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan

de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte

de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere

verandering in onze gewoonten--het aanraden en zelfs de gewoonte

van afdrijving en castratie--zou zijn goedkeuring niet verworven

hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die

in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot

in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.

De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in

1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar

door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele

van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de

gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes

Miller (de schrijver van The Strike of a Sex, en Zugassant's

Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar

den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes

aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander

lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over

de gemeenschap, dat "ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur

van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was".

Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het

biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van

bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen

van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest

populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door

dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie

van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming,

die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt,

is er veel voor en weinig tegen te zeggen.

Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt

zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de

eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van

de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in

staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te

gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding

tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden

een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we

aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een

algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat

onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is,

dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk

zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de

niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De

kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan

alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele

geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.

Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht

om te huwen is echter veel fundamenteeler dan de overweging, dat onze

kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene

verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden,

tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die

in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp,

waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet

geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind,

dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.

Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor

wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk

een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat

willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig

is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen

deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de

maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht

om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit,

als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken

in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen

invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei

wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats

invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte

personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de

werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele

paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft

de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De

Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het

individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.

Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt

door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen

bij de wet. Laat ons eens aannemen--zooals inderdaad gemakkelijk aan

te nemen is--dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen

van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen

gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat

zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van

verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het

huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten

het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van

uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd

onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de

gemeenschap is geen winst, maar een verlies.

Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod

tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van

verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter,

voor een deel wordt ze ontdoken door handigheid en bedrog, voor een

deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger

nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den

Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters

verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of

voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel

en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen

maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken [445].

Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend

jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen

aan haar priesters,--een welopgevoede en geoefende klasse van mannen,

die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te

komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste

ideaal in het leven [446] te beschouwen,--dan kunnen we begrijpen

hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele

toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende

menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen

en geen idealen van coelibaat hebben.

De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van

eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in

het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen

om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft

blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het

milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is,

en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het

juist de lagere klassen zijn--degenen, die het meest onderworpen

zijn aan den invloed van een slecht milieu--die het veelvuldigst

voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De

beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied

voor de erfelijkheid, nemen pari passu toe met de verbetering van

het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er

nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van

het sexueele verkeer--misschien wel de meest voor de voortplanting

productieve helft--plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt

het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen

om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal

hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen

buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den

factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere

klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid, die het

gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode

zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en

afdrijving is. Maar deze methode--als ze in het groot wordt toegepast,

zooals ze zou moeten worden [447] en zonder toestemming van het

individu--is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo

zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het

milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan

worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet,

zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar

zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken

van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting

leidt tot een verbeterd milieu.

Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze

ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den

dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig,

niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van

den wil, en het beheerschen van de emoties.

De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze

kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk,

dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der

partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot

echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de

ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben,

en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een

nietigverklaring van het huwelijk [448].

In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl

competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken,

als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze

groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd [449], is een

schrede vooruit op den weg van het menschdom. Er zijn vele andere

ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten

uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men

afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval

heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te

straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.

De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend

zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In

1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder

uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid

en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In

1872 raadde Bertillon aan, (Art. "Demographie", Dictionnaire

Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de

voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de

betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het

haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van

het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.),

niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen,

als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te

vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel

karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het

huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphilis et Mariage, 1890),

Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie

et Mariage, 1898). In Oostenrijk betoogt Haskovec uit Praag

("Contrat Matrimonial et l'Hygiène Publique", Comptes-rendus

Congrès International de Médecine, Lissabon, 1906, Sectie VII,

p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden

overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose,

alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand

van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn

voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika

vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat,

man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan

door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en

Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme,

zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig

onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan

een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te

worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel

van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt

ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen

houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk),

dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen

van gezond zijn. "Het schijnt mij juist even noodig toe", merkt

zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), "een medisch

getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor

de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene

geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere

van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak

beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste".

Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een

persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in

de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een

stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk

en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in

zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo

dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van

het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de

gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar

het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel

ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het

gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling

van afkeer jegens de individuen, die hun verantwoordelijkheid

niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de

enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.

De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om

deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat

een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op

dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat

de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt

bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke

getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden

worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige

gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen,

die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen,

zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol

hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze

zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk

betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk

nageslacht--"de openlijke erkenning van een natuurlijken adel"--maar

zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid

en van persoonlijke geschiktheid [450].

Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen

bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen

en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg

brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid,

een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den

wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische,

psychologische en pathologische gegevens over het individu op te

schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De

vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen

op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke

lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden,

zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het

materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog

moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte

af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze

stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen

bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele

scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders,

meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische,

en psychologische gegevens, terwijl ieder kind onderworpen wordt aan

een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een

systematische opgave aangaande zijn physieken toestand [451]. Dit

onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en

na bepaalde tusschenpoozen herhaald. "Ieder kind moest", zooals naar

waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, "als

hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht

worden, alsof het voor een levensverzekering was". Als deze wijze van

handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn

bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er

zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder's dossier mocht wel door

den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met

testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk

opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen

lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.

Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding

jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu

voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te

worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt

staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid

over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907,

p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om

deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze,

en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit

genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk

legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van "navraag,

door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan,

door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en

gezondheid aangaat", is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan

Urquhart. "Ik heb in de laatste jaren zeer den indruk gekregen",

schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710),

"dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door

het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en

jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of

moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging

gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik

zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil;

en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die

niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad".

Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel

onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door

overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen

(Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische

houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van

het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der

erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van

getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden

door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een

zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit

niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis, The Nationalization

of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege

neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter

veld. De dagen van den particulieren medicus--die, zooals Duclaux

(L'Hygiène Sociale, p. 263), het uitdrukte, in zijn spreekkamer

zit "als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen

en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil"--zullen

ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te

gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den

willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit

individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is,

bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij

den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen,

en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren,

die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de

toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde

zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van

de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het

ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen

altijd in de overgroote minderheid zijn.

Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle

essentieele--erfelijke, anthropometrische en pathologische--feiten,

moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als

van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het

voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken,

zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische

vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk

voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens

het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk

voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten;

een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren

stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders

noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid

en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even

grooten invloed te doen zijn.

Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal

gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in

de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op

een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het

stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van

de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren

tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal

het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest

is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden

aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben

tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden,

daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige

uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar

men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de

kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families

ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van

de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen,

zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeft veel meer

belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers,

en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een

bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen,

die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard

zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af,

tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even

weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.

Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de

voorstellen der "moederschapspremie", waarvan we meer en meer

hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer

als Mr. Sidney Webb schrijft: "Wij zullen het probleem van de

moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest

onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische

basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet

beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd" [452]. Hoe waar

deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden

dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot

een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip

van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het

stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap,

dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie

aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou

willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel

om er ook maar over te spreken [453]. De eenige gezonde reden voor

het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat

in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van

de geschikten te bevorderen.

Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht

heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te

stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te

spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is

gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te

zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke

zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen

bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel

moeten bereiken [454].

Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke

stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te

ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de

problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat

we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn,

waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten,

is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die

individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd

door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit,

dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het

geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen

zijn. Onder de groote massa's van de bevolking, die niet trachten

hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar

gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische

wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat

der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor

die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden

zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met

elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het

wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er

geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk

verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren,

wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 %

van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot

verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een

onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat,

daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den

Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen

worden bij afwezigheid van nakomelingen.

Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek,

dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven,

maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer

voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische

daad van den coïtus uit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid,

dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen;

terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende

bron is van steriliteit. "Van iederen man", zegt Arthur Cooper

(British Medical Journal, 11 Mei 1907), "die een sexueel gebrek of

een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal

of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die

betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot

paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen

dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijs van het

tegendeel verkregen is". In geval van een steriel huwelijk

moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man,

want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en

zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen

zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken

("Die Sterilen Ehen", Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904,

afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken

de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is

het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf,

of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet

beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als

eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk

ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken

(vergelijk Kisch, The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für

Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen,

waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent

de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent

indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij

zijn vrouw geïnfecteerd had.

Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën

van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat

gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen

de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op

grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was,

heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den

minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en

dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder

af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal,

om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie

met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende

bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan

om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna

altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit

laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen

roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische

opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van

grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak,

zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te

voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld

een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510)

waarin--ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch

van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een

anderen man bevrucht te worden,--hij herhaalde zorgvuldige pogingen

deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen

hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden

zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes

had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man

impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om

kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen

afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.

De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor

het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van

de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een

uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche

Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd

de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van

de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven

is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat

kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk

gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik

onwettig was ("Artificial Fecundation before the Inquisition",

British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van

deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het

voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed

zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is,

of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten,

waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.

Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot

gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn

voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder

welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen

[455]. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt,

wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?

De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht

zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal

of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid

volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten

ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet

zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een

oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat

stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich

te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op

verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de

algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa

in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus

zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en

een man op zijn dertigste [456], maar obstetrici zijn gewoonlijk

tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders

als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen

bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf

en twintig zijn [457]. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en

dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de

voortbrenging te verminderen [458]. Tegenwoordig is er in Engeland en

in verschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den

leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal

jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk

aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het

voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden

ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn,

waarom we deze neiging zouden wijzigen.

Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen

niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar

zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat

tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de

negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs

als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge

intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis,

A Study of British Genius, blz. 120 et seq.). Geschiktheid tot

voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste

jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger,

en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of

daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren

zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv. Lancet, 5

Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d'Obstétrique

de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene,

waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood

geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de

gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van

verschillende gevallen melding gemaakt in het British Medical

Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.

Van meer belang is de kwestie van vroege

zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht

aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger

inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de

klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar

en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger

kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen

tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere

zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de

geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte

onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche

thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig

moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat,

hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer

jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer

zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van

moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën

verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als

er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is

een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten

er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht

van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging

noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën

in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van

de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit,

dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae

van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen,

dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei

wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie

et d'Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen

waargenomen van moeders onder de zeventien jaar, in het Rawson

Hospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras,

meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in

het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere

complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier

gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal,

hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade

aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze

voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van

het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking,

dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege

zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen

leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat

de vroege zwangerschap optreedt.

Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed

verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij

buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond

zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet

alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro

heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders

onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel

in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn

of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke

gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor

het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval

van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren

niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New

Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in de Medical

Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen

leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en

teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den

leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de

zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk

en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet

bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het

kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf

pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk

melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal,

Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den

leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie,

dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens

de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht

ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den

juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed

verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog

7 1/2 pond. "Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën

zien hebben", besloot Robertson, "en ik heb er nooit een gezien,

die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging

tegemoet zag".

De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande

de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel

als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden,

die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene

neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend

feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig

het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is

als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die

in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd

tusschen de twintig en de dertig (Statistisches Jahrbuch, Budapest,

1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te

Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met

den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch (Sexual Life of

Woman, Part II), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des

te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling,

een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen

in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet

geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de

twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is,

dat moeders onder de achttien neiging hebben na een buitengewoon

kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de

door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen,

dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk

zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er

op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal

evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer

verandert in abnormale richting.

Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we

opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen

omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In

Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger

al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was,

en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat

vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden,

dat de eerste coïtus geen speciale moeilijkheden meebracht.

Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel

jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat

men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp

zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er

is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend

geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de

leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of

minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen;

en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam

is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige

gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige

van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door

Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van

een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap

door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel,

dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een

jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen

kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de

moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een

voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met

sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden,

in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo

dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder

wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn,

en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd;

het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste

mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het

zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf,

als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar

tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door

het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou

kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de

buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.

Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van

vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op

het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de

meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De

beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds,

voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de

twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een

ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt

het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen,

te doen uitkomen.

Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor

de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden

te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne

andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag,

welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest

geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting. De beste

tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst

is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal

voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen

zomer [459], en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de

menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van

de menstruatie en de twee volgende dagen--die overeenkomen met den

"oestrus" de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi,

uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle

gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in

dien tijd plaats vinden [460]. Soranus zoowel als de Talmud hebben

den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de

bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen

tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond

van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in

den zonneschijn.

We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan,

het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot

van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke

kringloop van het leven is volbracht.

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 66 / 71 题