De betrekking tusschen de wetenschap der voortplanting en de
kunst van liefhebben.--Sexueele begeerte en sexueel genot als
de voorwaarden der conceptie.--De voortplanting was vroeger
overgelaten aan luim en begeerte.--Het vraagstuk der voortplanting
als een godsdienstkwestie.--Het geloof in eugeniek.--Ellen Key en
Francis Galton.--Onze schuld tegenover de nakomelingschap.--Het
vraagstuk natuurlijke keuze te vervangen.--De oorsprong en
de ontwikkeling der eugeniek.--Het algemeen aannemen van de
principes der eugeniek tegenwoordig.--De twee wegen, waarop de
principes der eugeniek in praktijk worden gebracht.--Het besef
van sexueele verantwoordelijkheid bij de vrouwen.--Verwerping van
het opgedrongen moederschap.--Het privilege van het vrijwillige
moederschap.--Oorzaken van het in minachting brengen van
het moederschap.--De beperking der conceptie.--Zij wordt
tegenwoordig door de meerderheid der bevolking in beschaafde
landen in praktijk gebracht.--De drogrede "zelfmoord van het
ras".--Zijn groote families een merkteeken van degeneratie?--Het
beperken van de voortplanting is het gevolg van natuurlijken en
beschaafden vooruitgang.--Het toenemen der Nieuw-Malthusianistische
ideeën en gebruiken.--Facultatieve steriliteit onderscheiden van
Nieuw-Malthusianisme.--De medische en hygiënische noodzakelijkheid
van de beperking der conceptie.--Voorbehoedmiddelen.--Miskraam.--De
nieuwe leer van den plicht miskraam op te wekken.--In
hoeverre is dit te rechtvaardigen?--Castratie als methode
om de voortplanting te beperken.--Negatieve eugeniek en
positieve eugeniek.--De kwestie van getuigschriften voor het
huwelijk.--De ontoereikendheid van het vaststellen der eugeniek
door de wetgeving.--Het scherpen van het maatschappelijk
geweten met betrekking tot de erfelijkheid.--Beperking van
de geschiktheid voor het moederschap.--De voor de verwekking
gunstige voorwaarden.--Steriliteit.--De kwestie van kunstmatige
bevruchting.--De voor de voortplanting meest gunstige leeftijd.--De
kwestie van het vroege moederschap.--De beste tijd voor de
voortplanting.--De voleindiging van den goddelijken levenskring.
Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en
wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs
als we nog meenden--zooals alle menschen moeten geloofd hebben en
sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven [414]--dat sexueel
verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou
dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere
uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor
de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk
voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die
wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.
Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk,
de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de
kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de
sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets,
dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst
van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de
daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling
kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het
paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze
trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in
de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen--en het is
dikwijls ook zoo bij natuurvolken--erethisme niet licht tot stand
komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs
niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de
ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de
conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat
daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.
Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben
gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie
noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en
bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne
gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews
Duncan (in zijn verhandeling over Sterility in Women), dat de
afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid
van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als
machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft
een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen,
waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts
ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder
dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter
geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen,
is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een
waarschijnlijkheid vastgesteld.
Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen, Sexual
Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat
het "hoogst waarschijnlijk" is, dat de werkdadige erotische
deelname van de vrouw aan den coïtus een belangrijke schakel
is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de
conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of
op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de
afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën
vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting
der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus,
waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt
wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste
optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele
opwinding.
Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk
is, voordat sexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering
schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting
in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan
worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden
in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding
plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls
niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in
verband brengen, dat sexueel genot bij coïtus aan den kant van
de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.
"Van alle menschelijke instincten", heeft Pinard gezegd [415], "is dat
van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft
en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen
voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De
belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van
alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de
mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd
van den holbewoner". En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de
puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te
vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er
toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. "Volgende
geslachten", schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van
de moreele denkbeelden [416], "zullen waarschijnlijk met een soort
van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke
en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten
deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust
van het individu".
Men zegt ons, dat de groote Luther in zijn tafelreden gewoon was te
zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was
("sehr närrisch"), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad
te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele
menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, "uit klei". En zeker
was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze,
waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte
in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld,
veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is,
waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn
ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze
zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was
echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de
mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed
of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij
te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal
menschen ontaard zijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet
in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude
theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van
den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het
kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van
den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter
den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid
menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak
kunnen erkennen, is de mensch zelf.
Het gebod "Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u", dat de oude
Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals
Crackanthorpe zegt [417] een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd
werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit
weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers
konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats
zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het
menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs
duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals
maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem
van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de
leiders van het menschengeslacht.
Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint
te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe
beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen
van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons
nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in
vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging
de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van
"zuivere moraliteit". Er lag een gezond natuurlijk instinct ten
grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door
het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm
herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij
moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan
onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze
maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere
gemeenschap moet haar mores hebben. Maar wij hebben geen recht een
fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen
opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan
hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend [418]. Uit dit oogpunt
is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijn diepe overtuiging
van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven
hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool
voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde,
en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de
basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.
De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding
aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar
den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is
even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In
haar Eeuw van het Kind (in 1909 in het Engelsch vertaald),
identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. "Het
is alleen maar een kwestie van tijd", schrijft zij ergens anders
(Over Liefde en Huwelijk, p. 445), "wanneer de houding van de
maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van
den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen,
die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden
godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken
van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de
redding van hun ziel".
Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over
"Beperkingen in het huwelijk" schrijft, maar ongetwijfeld
onafhankelijk van de anderen, en ook over "Eugeniek als een factor
in den godsdienst" (Sociological Papers van de Sociological
Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: "Godsdienstige
voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger
dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van
vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten
achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige
zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij
toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons
in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in
overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van
dezen tegenwoordigen tijd... Evolutie is een groot phantasmagoria,
maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten,
dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere
mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de
macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de
menschheid aangaat; hij heeft al zoo'n grooten invloed uitgeoefend
op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven,
dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door
zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden
zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is
een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste
gevoelens van onze natuur".
Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige
fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de
voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde,
afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici,
Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste
Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking,
die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting
is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden "een
wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht", die alleen kan
uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet
aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten
worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam
en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten
gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een
keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm
van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, "Die Crisis
der Sexuellen Moral", Politisch Antropologische Revue, No. 8,
1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd
is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke
uitersten van fanatisme ten opzichte van de voortplanting konden
niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst
van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.
"Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het
nageslacht zou doen?" heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is
zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles,
wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan,
is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen
door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij
de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft
[419]. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en
vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen
aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats
daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen,
zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug
betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen
over te dragen.
Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen
voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige
gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer
geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting
van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt,
en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De
idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd,
we kunnen hun invloed bemerken in 't begin van de negentiende eeuw,
bij het invoeren van het moderne systeem van hygiëne, in den groei van
de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme
hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk
heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen;
men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het
verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht
begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van
zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare
beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht
tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze
tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier
hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan
heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische
studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als
"de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die
geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het
ras van toekomstige geslachten". In haar ruimste beteekenis is de
eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch
"de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer
zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben".
In het laatste hoofdstuk van zijn Memories of My Life (1908),
over "Verbeteringen van het ras", zet Sir Francis Galton den
oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de
wetenschap der eugeniek. Het woord "eugeniek" gebruikte hij het
eerst in 1884, in zijn Human Faculty, maar het begrip dateert
van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang
geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen,
voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers,
deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over
"Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek" (1907) en
elders. Galton's talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu
uitgekomen in een verzameling door de Eugenics Education Society,
die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens
maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door
deze maatschappij wordt gepubliceerd The Eugenics Review. Aan den
meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd
aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen,
dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met
Professor Karl Pearson's biometrisch laboratorium, in University
College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson
in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën
en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl
Pearson over Robert Boyle, "Het doel en het belang voor den staat
van de wetenschap der nationale eugeniek" (1907). Biometrica,
door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers,
bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. In
Duitschland is het Archiv für Rassen und Gesellschafts-biologie
en de Politisch-Anthropologische Revue in ruime mate bezig met
verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceert
The Popular Science Monthly van tijd tot tijd artikelen, die
betrekking hebben op de eugeniek.
Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der
eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als
een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren
vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe
beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot
met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen
fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens
vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk
aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou
kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd
gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, "de
eugeniek is de oudste van de wetenschappen". De kwestie heeft alleen
een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn
door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten
met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel
gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid
der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken
hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen
het geval onder oudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche
voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van
de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk
vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in
den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is;
door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke
deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn
door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.
Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig
beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van
het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke
ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen
van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te
stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen
aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en
neurologen, als door sociologen en moralisten.
Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te
geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op
(Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van
het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de
ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling over Antenatal
Pathology met de bewering, dat "Eugeniek" of het verkrijgen van
gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld
is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van de Journal of Mental
Pathology heeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling,
die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905,
zeer juist in denzelfden geest gesproken: "De volken hebben nog
niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid
van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van
den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid
gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de
striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet
teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen,
maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het
economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals
de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden
door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling
van de volken". "Er zijn omstandigheden", zegt C. H. Hughes
("Restricted Procreation", Alienist and Neurologist, Mei 1908),
"waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig
misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is
begonnen".
Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde,
wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want
het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen,
die reeds lang aan den gang zijn.
Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van
wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160),
schreef: "Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in
den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind
krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen,
dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal
worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een
vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als
het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig
physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden
met hun medemenschen". Professor J. Arthur Thomson pleit in
zijn boek over Heredity (1908) met kracht en toch gematigd voor
verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt
wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een
betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit
gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende
kennis over de erfelijkheid (Mendel's Principles of Heredity,
1909, p. 305) merkt op: "Genetische kennis moet zeker leiden tot
nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel
niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke
opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk
meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger
en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen
bereikt is". Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren,
zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigende
Neue Sittenlehre (1905), dat het voortbrengen van kinderen onder
bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich
vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk
onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke
voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.
In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd
aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij
voorbeeld vermelden Population and Progress (1907), door Montague
Crackanthorpe, President van de Eugenics Education Society. Zie ook
Havelock Ellis, "Eugenics and St. Valentine", Nineteenth Century
and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig
jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haar Scientific Meliorism
(1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige
beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden,
afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk
erkend worden, "een nieuwe sleutel is tot de sociale positie",
en een noodzakelijke voorwaarde voor "nationale hervorming". Het
Groundwork of Eugenics (1909), van Professor Karl Pearson is
misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook
vermelden Parenthood and Race Culture (1909), dat op populaire
en enthoesiaste wijze geschreven is.
In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek
zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het
menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst
van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis
stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de
meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en
bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren,
of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten
min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden
bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers,
gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).
Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren
van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in
het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens
twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele
verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het
succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste
jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het
voorkomen van de conceptie.
Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende
beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van
de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van
moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat
het autonome gezag van een vrouw over haar eigen persoon, in sexueele
zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking
noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken,
dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is
ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat
ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in
de tot den Islam behoorende wereld van de Arabische Nachtvertellingen,
vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de "deugd en den moed"
van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat
de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg
heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, "niet de
verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat
zonder mijn toestemming geboren is" [420]. De goedkeuring, waarmee deze
geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers
van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat
een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken
wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen
noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te
verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht
een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk
voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het
voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder
natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. "De
vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen", zeide Ibsen
in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen,
"en zij zullen het doen als moeders". Maar het is niet denkbaar,
dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze,
onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt
heeft van dierlijke vreugde.
Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch
van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn,
beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In
een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet
het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle
landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard
met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls
zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen,
die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. "Het schijnt mij toe",
schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden ("The Welcome
Child", Arena, April, 1895), "dat het leven beter en edeler zal
zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in
den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze
eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig
moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap
is juist het tegenovergestelde.... Alleen als man en vrouw
beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies,
die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door
den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor
deze wereld, die in zich hebben de vreugdevolle wensch om te
leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich
eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den
zonneschijn van de liefde, die hun toekomt." Ook Ellen Key,
die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de
tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die
van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos
moederschap binnen "het gepleisterde graf van het huwelijk" nu
langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van
het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele
uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien
zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere
eischen van haar persoonlijkheid, hoewel "als een algemeene regel,
de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is
als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt
voor den komenden strijd door zich de aderen te openen". Helene
Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen,
die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen
gesteld worden. "Als tegenwoordig", zegt zij, (In de voorrede
van Liefde en de Vrouwen, 1906), "alle goede dingen van het leven
geëischt worden ook door de vrouwen--verstandelijke ontwikkeling,
economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven,
een geëerbiedigde maatschappelijke positie--en tevens, als even
van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch
niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen
in de woestijn".
De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen,
vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen
van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel
op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906)
de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste
maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van
kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware,
terwijl zij haar "brood verdienen" door mee te werken aan het
bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een
industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn,
en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde
vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor
ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende
vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James
Haslam, Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken
van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het
werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om,
in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van
een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij
haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde
vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat
er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever
een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is
vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn
aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan
in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op
vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende
onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn,
dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden
onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.
Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van
de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen
komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen
van alle landen--en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze
zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te
worden--van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve
wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer
de geldigheid van deze contrôle bespreken, want zij is een feit
en is deel geworden van onze moderne moraal. "Als een gedragslijn
als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van
menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een
meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie",
zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, "dan moeten wij aannemen,
dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid"
[421].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft,
het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit
voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid
van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen,
die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche
familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical
Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): "Uit mijn ondervinding
als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig
percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klasse
voorbehoedmiddelen gebruiken". Als een feit schijnt deze taxatie
in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In
een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin
Sidney Webb aantoont, dat "de achteruitgang in het geboortecijfer
veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die
bewijzen geven van voorspoed en voorzorg", en deze achteruitgang is
"voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk
willen", en dat "een regeling van den huwelijksstaat, zooals men
hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales,
blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking", worden de
resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door de
Fabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk
gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot
alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig
geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig
families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig
opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899
afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men,
dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen,
en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er
vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven
vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld,
op een totaal van 120.
Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde
landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende
verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In
den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in
Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen
achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk
schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te
zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere
vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in
Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland,
Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België,
Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze
voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige,
waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de
Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede,
een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in
eenig ander groot, of zelfs klein land.
Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer
geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de
voortplanting. Het is ongetwijfeld waar, dat zekere andere
elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot
een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van
het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men
toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit
is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen,
die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson,
en door Yule, beide gepubliceerd in de Journal Royal Statistical
Society, April 1906.
Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen
omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de
verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal
brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit
is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is
volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest
in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in
het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot
Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere
voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het
geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de
kerk--die altijd let op sexueele kwesties--het belang van de
moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft,
door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te
verklaren, dat onvolledige omgang een doodzonde is, terwijl ze
er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te
doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842
bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop
Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan
Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie
zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef
beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars
van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging
antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen,
met betrekking tot de gewone methode van den coïtus interruptus,
die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw,
die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen
zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het
wijze gezegde van Liguori, "den meest geleerden en ervaren mensch
in zulke zaken", dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is
navraag te doen in een zoo teedere zaak als de debitum conjugale,
en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen
(Bouvier, Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum
ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz. 179-182; aangehaald door
Hans Ferdy, Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus,
dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken,
het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat
met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van
zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming
van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.
Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat
er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer,
want, beweren zij, het beteekent "zelfmoord van het ras". Men begint
nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige
vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te
loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn,
die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te
erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en
gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste
geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en
niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de
beste types van burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu
ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van
nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen,
dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het
aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.
Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met
degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten
van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van
genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor
hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door
de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat
de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale
kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis,
A Study of British Genius, blz. 115-120). De krankzinnigen,
de idioten, de imbecielen en zwakzinnigen, de misdadigers, de
epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij
allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock
Ellis, op. cit., p. 110; Toulouse, Les Causes de la Folie, p. 91;
Harriet Alexander, "Malthusianism and Degeneracy", Alienist and
Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson
en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede
geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische
defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt
echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit
gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals
aangehaald wordt in Sexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen
in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen
van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot
pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig
het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor
zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere
pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg
van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls
aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker
zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een
van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie,
die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van
de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie,
die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders,
heeft natuurlijk niet zoo'n neiging.
Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed
op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze
in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt
door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te
meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen
voort te brengen. "Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping
heeft", zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); "ik acht het
mijn roeping superieure kinderen voort te brengen". Hij kreeg er
vier,--een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een
die zwak van gezondheid was--en hij stierf zelf krankzinnig. De
meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende
gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk
uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor
andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op
zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.
De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van
de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen
is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is
begonnen te erkennen, dat het noodig is dieper te gaan en het leven
zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat
veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de
levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een
verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor
het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme
zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt,
maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit
van het organisme van de ouders of van de voorouders.
Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen,
zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de
beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet
voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie
begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische
vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare;
hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele
leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de
menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn;
de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid
in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude
Rome en later Genève, "het Protestantsche Rome", getuigen ervan;
ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele
en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de
neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim
en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de
neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen,
een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De
meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en
in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch
het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties,
en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen
aansluiten [422]. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten
houden--tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be
moralisten en politici--een weldadige beweging. Ze beteekent een
grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de
toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen
van een hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de
menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot
geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt
is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de
wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk
en persoonlijk leven [423]. Als die menschen, die den kreet aanheffen
van "zelfmoord van het ras" ten aanzien van den achteruitgang van
het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei
nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden
ze als misdadigers behandeld te worden.
In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de
mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit
afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving,
hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk
gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der
conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten
tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en
aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische
basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en
economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van
den beroemden Essay on Population van Malthus, die het eerst uitgegeven
werd in 1798, een opzienbarend boek,--hoewel de grondstelling ervan
niet onmiddellijk te demonstreeren is,--daar het niet alleen diende
als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking
van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan
Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte
ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.
Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van
de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid,
uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij
het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere
mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou
maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een
zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere
denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar
is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in
zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen
zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral
als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en
explosieven aard is.
James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche
methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel
"Colony" in het supplement van de Encyclopædia Britannica, gaat hij
voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen
van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem
is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan:
"Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden
verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd,
zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden". Vier jaar later
drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer,
meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van
Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking
hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking
en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men
jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort:
"Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite
gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om
dogma's te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een
groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de
gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat
het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te
gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de
gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid,
dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de
middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate,
uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus
en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden
door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag,
bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens,
daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden,
zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten" [424].
Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen
erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed
op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks
gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers,
die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en
bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf
Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijn Moral Physiology
uit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de
conceptie. Iets later wijdden de broeders George en Charles Drysdale
(geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen
veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche
grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijn Elements
of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel
gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in
alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had
een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig
werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap
ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme
een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en
Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van
deze strekking, vrijgesproken werden; de Lord Chief Justice verklaarde,
dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog
nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs
door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan,
een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het
is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer
in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er
kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men
gewend was te noemen "de werktuigen van de Voorzienigheid" inderdaad
onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden,
die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.
In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf
een tijdschrift uit, The Malthusian, hierin steeds geholpen door
zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het
edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet
voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door
Dr. Hermann Rohleder, "Dr. C. R. Drysdale, Der Hauptvertreter
der Neumalthusianische Lehre", verscheen in het Zeitschrift für
Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde
landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van
de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk
genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam
van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft,
begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer,
niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden,
ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al
vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie
te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op
medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende
voorstander van wat hij noemt "facultatieve steriliteit", die hij
het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks
denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden
door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij
voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische
aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te
worden.
Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet
behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval
van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid
gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid
gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke
aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian
Lectures on Insanity, British Medical Journal, April 20, 1895)
"hun deelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst
en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt". Er zijn andere en
talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of
waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden,
maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen
kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van
krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de
aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt
van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. "Wat kan bedroevender zijn",
vraagt Blandford (loc. cit.), "dan een vrouw te zien ineenstorten
bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te
zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen,
terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en
korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige
is?" Bovendien heeft Tredgold (Lancet, Mei 17, 1902) gevonden
dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn,
de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte,
zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van
personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen
gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk
bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900),
dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk
een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen
is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken;
dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap
een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch,
Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 en Sexual Life of Woman;
Vinay, Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van
hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden
is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in
het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, "Heart Disease
in Relation to Pregnancy", British Medical Journal, Mei 25, 1907).
In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij
het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus
bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische
voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit
zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden,
en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte
resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs
voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele
betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden
mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol
te houden.
Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid
heeft--hoewel dan eerst in de laatste jaren--naar we gezien hebben,
aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in
de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen
kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door
alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het
gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde
omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk
[425]. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder
dan een eeuw geleden mogelijk was voor een kundig en geacht medisch
schrijver om te verklaren, dat het gebruik van "verschillende
afschuwelijke middelen" om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is
"op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den
Schepper" [426].
De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen,
en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want,
naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de
practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er
frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling [427]. Zelfs in
Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren
van de verwekking, worden nog pogingen gedaan--soms in kwartieren,
waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben--om een beweging in
discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer
in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd
wordt als in algemeen gebruik is gekomen.
Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken,
die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de
respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende
te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter
voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten
beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het
onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals
het behoort [428]. Dit is de opinie van Kraft-Ebing, van Moll, van
Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer,
om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen
[429].
Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te
gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met
eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een
rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China
en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd
op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt
wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn
om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben
gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis,
als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij,
in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te
hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen,
in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van
zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen
aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van
het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er
groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in
de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden
algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus
bekend als de Engelsche cape of mantel, de "capote anglaise",
of de "redingote anglaise", en onder dezen naam wordt er naar
verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw
(Casanova, Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova
schijnt deze "redingotes" echter nooit zelf gebruikt te hebben,
daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, "zich op te sluiten
in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend"
was. Deze capotes--toen uit goudvlies gemaakt--waren, naar het
schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze
niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij
er naar als "cuirasses contre la volupté et toiles d'arraignée
contre le mal". De naam "condom" dateert uit de achttiende eeuw,
en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het
de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond,
of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam,
maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan "condom" wel een
verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond,
omdat het woord soms werkelijk geschreven werd "condon". Zoo vind
ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald,
(Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan
een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:--
"Du condon cependant, vous connaissez l'usage