"Het werk, waartoe ik geboren was om te doen, is gedaan", schreef een
groot dichter, toen hij eindelijk zijn taak had volbracht En hoewel
ik geen recht heb een "Nunc dimittis" te zingen, weet ik toch wel,
dat de taak, die het beste gedeelte van mijn leven in beslag heeft
genomen, maar weinige jaren en weinig kracht kan overlaten voor werk,
dat nog na komt. Het is meer dan dertig jaar geleden, dat het eerste
denkbeeld om het boek te schrijven, dat hier nu voleindigd is, zich
vaag, maar toch met klem aan mij begon op te dringen; de studie en
de voorbereiding heeft meer dan vijftien jaren in beslag genomen,
en is geëindigd met de uitgave van Man and Woman, dat geplaatst is
als inleiding voor het hoofdwerk, hetwelk, met schrijven en uitgeven,
de vijftien volgende jaren in beslag heeft genomen.
Het is misschien gelukkig geweest voor mijn gemoedsrust, dat ik
bij het begin niet al de bezwaren voorzien heb, die mijn weg
zouden bemoeilijken. Ik wist natuurlijk, dat zij, die ernstig
en nauwkeurig onderzoek doen naar een onderwerp, dat de menschen
gewend zijn te vermijden, zich blootstellen aan misverstand en zelfs
aan lasterpraatjes. Maar ik meende, dat een teruggetrokken-levend
onderzoeker, die zich voorzichtig bezighield met levensvragen der
maatschappij, en zich niet wendde tot het publiek in het algemeen, maar
alleen tot de leeraren van het publiek, en die de resultaten van zijn
onderzoekingen vastlegde in technisch geschreven boekdeelen, slechts
voor weinigen toegankelijk, ik meende, dat zulk een onderzoeker ten
minste veilig zou zijn voor grove aanvallen van den kant van politie
of van regeering, onder welker bescherming hij meende te leven. Dat is
een dwaling gebleken. Toen nog pas een deel van deze Studies geschreven
en uitgegeven was, in Engeland, werd, ten gevolge van een vervolging
door de regeering bevolen, aan den verkoop van dat deel in Engeland
een einde gemaakt, en dit bracht mij er toe te besluiten, dat de
volgende deelen niet in mijn eigen land moesten worden uitgegeven. Ik
beklaag mij er niet over. Ik ben dankbaar voor de ware sympathie,
die mijn werk gevonden heeft in Duitschland en de Vereenigde Staten,
en ik moet erkennen, dat het zoo ten slotte een grooteren kring
lezers gevonden heeft, zoowel in de Engelsche taal als in de andere
belangrijke wereldtalen, dan het bij de aanvankelijke bescheiden wijze
van uitgeven, die onze regeering mij toen onmogelijk gemaakt heeft, had
kunnen vinden. Ook heeft de poging om mijn werk te onderdrukken, mij
geen aanleiding gegeven, ook maar een woord daarin te veranderen. Ik
heb, mèt of zonder hulp, mijn weg tot het einde toe voortgezet.
Ik stam van vaders- zoowel als van moederszijde van Engelsche
families, die, bijna drie honderd jaar geleden, precies deze zelfde
moeilijkheden en gevaren hebben ontmoet. In de zeventiende eeuw ging
de strijd om het probleem van den godsdienst, zooals hij nu gaat om
het probleem van de sekse. Sedert in de laatste jaren die analogie
mij duidelijk is geworden, heb ik dikwijls gedacht aan sommige van
die bewonderenswaardige, niet bekende mannen, die verjaagd zijn,
beroofd en vervolgd, sommige door de kerk, omdat de geest van het
Puritanisme hen bezielde, sommige door de Puriteinen, omdat zij hingen
aan de idealen van de kerk, beide echter even rustig en onbuigzaam,
beide gelijkelijk vechtend voor de zaak der vrijheid of der orde,
op een gebied, waar men nu niet meer over strijdt. Die overwinning
heeft mij dikwijls een goed voorteeken geschenen voor het misschien
ontaarde kind van deze mannen, die nu tracht de zaak van vrijheid en
orde voor te staan op een ander gebied.
Soms schijnt het werkelijk een wanhopige taak beweging te
brengen in den druk der logge vooroordeelen, die op geen gebied
zoo hardnekkig zijn, als op geslachtelijk gebied. Het kan er toe
bijdragen de sereniteit van ons optimisme te herwinnen, als we maar
duidelijker wilden erkennen, dat in maar zeer enkele generaties al
deze vooroordeelen zullen zijn te gronde gegaan en vergeten. Hij,
die voortschrijdt in de voetstappen der natuur volgens een wet, die
niet door menschen gemaakt is, maar boven en buiten den mensch is,
heeft tijd en eeuwigheid op zijn hand, en kan zoowel geduldig zijn
als zonder vrees. Menschen sterven, maar de denkbeelden, die zij
nastreven, blijven leven. Men kan onze boeken in de vlammen werpen,
maar in de volgende generatie worden die vlammen tot menschelijke
zielen. De verandering geschiedt door den dokter in zijn spreekkamer,
door den leeraar op de school, den prediker op den preekstoel, door
den journalist in de pers. Het is een verandering, die, langzaam maar
zeker, zich om ons heen voltrekt.
Ik weet zeker wel, dat velen zich niet in staat zullen gevoelen,
de opvatting over den toestand der sexueele kwestie, zooals
die hier uiteen is gezet, voornamelijk in het laatste deel, te
aanvaarden. Sommigen zullen die opvatting te conservatief vinden,
anderen te revolutionair. Want er zijn altijd menschen, die zich
hartstochtelijk aan het verleden vasthouden; en er zijn altijd
anderen, die hartstochtelijk dàt grijpen, wat zij voor de toekomst
houden. Maar de wijze staat tusschen beide partijen in en sympatiseert
met beide, omdat hij weet, dat wij altijd in een toestand van overgang
zijn. Het tegenwoordige is in iederen tijd alleen het keerpunt,
waar het verleden in de toekomst overgaat, en wij kunnen en moeten
met beide vrede hebben. Er kan geen wereld zijn zonder tradities;
en er kan geen leven zijn zonder beweging. Zooals Heraclitus al wist
bij het begin van de moderne philosophie, wij kunnen niet tweemaal in
denzelfden stroom baden, hoewel toch, zooals we tegenwoordig weten, de
stroom vloeit in een eindeloozen kringloop. Er is nooit een oogenblik,
waarop de nieuwe dageraad niet over de aarde aanbreekt, en nooit een
oogenblik waarop de zon niet meer ondergaat. Het is goed zelfs den
eersten glimp van den dageraad kalm te begroeten als we hem zien,
er niet met ongepaste haast heen te snellen, en het ondergaan der
zon niet den rug toe te keeren zonder dankbaarheid voor het stervende
licht, dat eens de dageraad was.
In de moreele wereld zijn wij zelf de lichtdragers, en het cosmische
proces wordt in ons verwezenlijkt. Voor een korten tijd kunnen wij,
als wij willen, de duisternis verlichten, die ons pad omgeeft. Evenals
de toortsdragers der oudheid, die aan Lucretius toeschenen het symbool
van het leven te zijn, snellen wij voorwaarts, met den fakkel in
de hand. Spoedig loopt iemand achter ons, die ons zal inhalen. Al
ons kunnen bestaat daarin, dat wij den brandenden fakkel helder en
zonder flikkeren in zijn hand geven, terwijl wij zelf in het duister
verdwijnen.