kon toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen
waren in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar
helpen wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam
niet verlegen behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon
verdienen. Zij luisterde daarnaar en verviel van kwaad tot erger,
telkens hopende een reddende hand te zullen vinden, die haar van haar
schandelijk leven zou verlossen en altijd bevreesd dat haar broeder
of hare voogden zouden te weten komen, welk leven zij leidde.
Zoodra zij in een bordeel aangeland was, bemerkte zij geen meester
meer te zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij
naar het ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan
een bordeelhouder in een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende
zes jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen,
waar zij, toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het
ziekenhuis terecht kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou
verlaten dan om grafwaarts te worden gedragen, was haar een troost.
Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze
ten val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan
prostitutie overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de
prostitutiekwestie een studie hebben gemaakt deelen die opvatting.
Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk, [12]
"Men denkt er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken,
waardoor zooveel ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men
let er niet op hoe gering hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die
der gansche maatschappij of van eenige harer snoodste leden is, en
toch is dit het punt, waartegen de aanval moet gericht worden. Een
doeltreffende handelwijze ten aanzien der prostitutie is slechts
mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog vestigt op de
factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de bordeelhouders,
koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers ook het
strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het
oordeel ten minste menschelijk."
De heer Koentz schrijft in zijne brochure, [13] "Maar even als
verschillende oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd,
zoo ook vond het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong,
òf in de opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan
het individu vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en
schoon, zonder behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten,
vervielen zij tot een ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven,
dat hen drong, omdat zij elders werden afgewezen, eene vaste woning
te zoeken, die alleen in de huizen der ontucht te vinden was." En
dan vraagt hij later, "Maar tracht de menschlievendheid dan niet,
die ongelukkigen, welke de slachtoffers der armoede en der verleiding
waren, uit dien gevallen staat op te heffen?" en
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt: [14] "dat het onmogelijk is om,
zoolang bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf
eenvoudig opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en
gehouden worden, vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien
nooit zich aan prostitutie zouden hebben overgegeven." En later
[15]: "Velen zouden er minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te
verleiden, wanneer zij gevaar liepen eventueel voor de opvoeding van
een kind te moeten zorgen. Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen,
zonder dat zij behoeven te vreezen ooit daarover langs rechterlijken
weg te worden lastig gevallen. Dat de prostitutie dientengevolge
wordt bevorderd, behoeft geen betoog."
Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid
van den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven
boekje, [16] tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het
vaderschap een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende
slachtoffers in het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan
nog armoede, slecht betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere
oorzaken.
Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen
als oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen,
wil ik eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat
verleiding en misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste
oorzaken zijn en daarna armoede en slechte omgeving.
Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van
vrouwen, die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.
Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over
de prostitutie aldaar [17]: "dat hij dikwijls onder de prostituées
vrouwen ontmoet, die eerst alle phasen van armoede en ellende
doorloopen hebben en door de onmogelijkheid om van de opbrengst van
haar arbeid te leven, tot deze ondeugd vervallen."
Waar zoo de feiten spreken vraagt Ds. H. Pierson van Zetten terecht:
[18] "wie geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de
dochters der armen op te offeren?"
Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der
instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij
zoo oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag
is niet moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing
der bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de
prostitutie die zich heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid,
zal bevorderen, terwijl zij de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt
minder gevaarlijk achten dan de geheime prostitutie. Zij willen de
reglementeering, waarvan de "keuring" hoofdbestanddeel uitmaakt,
handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor de kans om met de
smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen, vermindert.
Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en
juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen
de reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening
bestreden. Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter
wordend aantal doctoren, die geen geloof meer slaan aan de beteekenis
der reglementeering in het algemeen en der bordeelen in het bizonder,
als veiligheidsmaatregel.
"Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen
vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander
naspreekt", zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds
door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad
van Amsterdam.
Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig
bewijs aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden
staven. Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier
nogmaals aan van Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: "dat de
bordeelen niet noodig zijn, om de wilde hartstochten der jeugd een
uitweg te verschaffen, maar dat zij de kweekplaatsen zijn der meest
liederlijke geslachtsbevrediging voor oudere gezeten burgers en vaak
getrouwde mannen."
Dr. Voûte moest uit de resultaten van zijn onderzoek verkregen,
tevens de conclusie trekken dat, "in de bordeelen volkomen
slavernij heerschte, dat het lot der vrouwen er hoogst treurig,
ja menschonteerend bleek", en dat deze armen "de bordeelen niet
kunnen verlaten, omdat zij diep in de schulden steken, tengevolge
van de ongehoorde sommen, die zij voor alles moeten betalen en het
ongelooflijk karig loon, dat zij genieten." Op voorstel van genoemde
commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam het vorig
jaar het houden van bordeelen te verbieden.
Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen, twee geneesheeren
uit Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema
die, ofschoon principieel voorstanders der keuring, niettemin naar
aanleiding van een in 1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel
bij den Rotterdamschen gemeenteraad, tot verbod van het houden van
bordeelen, het volgende als hunne overtuiging hebben uitgesproken:
"dat het geneeskundig toezicht op de prostitutie alleen nut kan en
zal afwerpen, wanneer daarbij aan de strengste eischen der wetenschap
wordt voldaan en op de diagnose der ziekte onmiddellijk kan volgen
een opneming in een ziekeninrichting met behandeling zoo langdurig
als die toestand van ieder geval vereischt."
Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie,
uit een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de
strengste eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van
oordeel dat nergens een reglementeering is door te voeren die aan die
eischen voldoet en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht,
zooals het overal bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft
durven breken, een vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor
juist bevordert wat men met dit toezicht wil voorkomen.
Prof. Chanfleury van IJsselstein, een autoriteit op dit gebied,
die niet alleen een tijdlang in den Haag controleur van de keuring
der publieke vrouwen was, maar later als professor in huidziekten
aan de Universiteit van Amsterdam voortdurend in aanraking was met de
slachtoffers der prostitutie stelt ook eischen aan eene goede keuring,
die onmogelijk zijn door te voeren. Hij eischt bijv. dat de vrouwen
minstens eens per dag gekeurd moeten worden en dat niet alleen de
zieken, maar ook die van ziekte verdacht worden, afgezonderd moeten
worden. Er zou dus eigenlijk geen enkele overblijven. Hij komt zelf
tot de conclusie "dat een volkomen vertrouwde publieke prostitutie
onbestaanbaar is." [19]
Men mag trouwens over een _goede_ keuring denken zoo men wil, in
't algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er
vrij wel over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt
uitgeoefend in de gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer
dan eene schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende
exemplaren uit den strijd verwijderen, voor 't overige meer nadeel
dan voordeel berokkent ook voor degenen in wier voordeel zij heet
te geschieden.
Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen
waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang
worden afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen
overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn
en die niet worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner
ziekte hebben weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het
onderzoek belast, de ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf
die onmiddellijk na het onderzoek door een zieken man besmet worden,
òf, maar laat mij deze reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel
wat andere redenen, waarom de prostituées uit een gezondheidsoogpunt
gevaar opleveren voor elkeen die met haar in aanraking komt, zonder
dat zij door den keurenden dokter gelast worden zich af te zonderen.
Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart
voor besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te
bezoeken. Bestond de keuring niet, velen zouden uit vrees voor
besmetting zich wel ter dege bedenken, eer zij tot dien stap
besloten. Daarom maakt de overheid, die zulke verordeningen vaststelt
zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede bij de burgers een
misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan, dien zij niet kan
geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit maatschappelijk
kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft tot een
onmisbare instelling.
Ik zal niet dieper in de zuiver hygiënische zijde van dit vraagstuk
treden, maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat
kunnen de vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?
In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan
het van jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn
die men niet anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij
niet zijn als wij; dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen
vreemde gewaarwordingen zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze
grootste vijandinnen hebben te beschouwen. Zij zouden onze zonen
verleiden, hun hartstochten prikkelen, hun gezondheid vernietigen,
elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden, jeugdig verwelkte mannen
van hen maken. Zij zouden ons geluk verwoesten door onze echtgenooten
van onze zijde weg te rukken, ons hunne liefde ontrooven.
Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en
die misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke
misstanden en van onze eigen tekortkomingen.
Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld
hadden, zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke
ontwikkeling zijn ingetreden.
Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen
haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de
jonge man, die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om
ontvangen wordt en wij geen bezwaar hebben hem in onze familie op
te nemen. Zelfs de gehuwde man waarvan wij weten dat hij zich in
dit opzicht schuldig maakt aan ergerlijke feiten wordt door ons
verontschuldigd; wij verheerlijken hem zelfs, indien hij daarop
wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij zijn leven en na zijn
dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man, die door wetten en
instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen onthalen wij op
haat en verachting het zwakke meisje dat door machtsmisbruik viel en
wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen uitweg geboden wordt.
Wie kent niet het schoone gedicht van Victor Hugo, gewijd aan
het gevallen meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een
plaats. Het jonge onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen
dauwdrop op een rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel en
het dauwdropje valt op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne
omgeving, onvermengd met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan
het nog doen schitteren, een voorzichtige hand kan het nog redden van
zijn ondergang. Het arme gevallen dauwdropje echter kan zich alléén
niet oprichten, het heeft daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen
en gaan en trappen onbewust het dauwdropje dieper in den grond en
maken het tot slijk.
Zoo ook gaat het in de samenleving. "Het is niet zoozeer de schuld
van de verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij
is het die daaraan het grootste aandeel heeft," zijn maar al te ware
woorden van James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.
Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot
nu toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met
onze kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat
zij een gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven
en opdat zij leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde
vriendin te zien, die hun al het raadselachtige oplost, waarmede
zij hun hoofden kwellen, vooral in den tijd der puberteitsjaren,
den overgang naar geslachtsrijpheid. Daardoor voorkomen wij dat
verkeerde vrienden die teêre taak van ons overnemen en de hoofden en
harten van onze lievelingen vullen met onreine voorstellingen eener
meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook zijn wij in staat
iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig tegen te
gaan en onze kinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te overwinnen.
Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun
gelijkwaardigen, in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun
meerderen zijn; dat zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien;
dat de arme verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten,
eens meisjes waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en
verderf om zich heen verspreiden, onder beter maatschappelijke
toestanden een goede echtgenoote en gelukkige moeder hadden kunnen
zijn. Wij moeten hun er op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het
middenpunt van een gelukkig gezin te worden, zij dan even rein moeten
blijven als de bruid die zij als levensgezellin wenschen. Wij dienen
hun te waarschuwen dat een enkel zwak oogenblik in het geslachtsleven
over hun toekomst kan beslissen, dat hun gezondheid, hun gemoedsrust,
hun zelfwaardeering daardoor verwoest kunnen worden en zij daarover
dan levenslang berouw zullen gevoelen.
Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen,
bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den
strijd des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer
liefde veinzen als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting
inboezemen voor den man die zijn macht misbruikte tegenover haar
zusters, opdat zij nimmer in verzoeking komen de medeplichtigen te
worden van zulk een ellendeling.
Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al de mannen die openlijk
tegen de prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven
onder hen zien in haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke
geringschatting der vrouw. Het strijden voor gelijke rechten naast
gelijke plichten voor man en vrouw in de wetgeving, zal dus mede voor
ons een onafwijsbare taak zijn. En waar wij zagen dat armoede en gebrek
vele vrouwen in de armen der prostitutie voert, ligt het op onzen weg
tegen elken maatregel die vrouwenarbeid bemoeilijkt of buitensluit
met nadruk te protesteeren en tegen het lager bezoldigen van arbeid,
omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig onze stem te verheffen.
Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342
Burg. Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden
wordt, is opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk
te worden betoogd.
Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie
voor het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd
moeten wij over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden
de woorden van een zooeven reeds geciteerden schrijver "dat het meisje
uit de volksklasse naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid,
de treurige onderscheiding in dezen te beurt valt van op minachting
en veroordeeling te mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van
op medelijden en pogingen tot redding."
Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te
waken dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor
kan voorkomen worden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.
De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging:
"Onderlinge Vrouwenbescherming" is in deze richting werkzaam en
verdient daarvoor aller sympathie en steun.
III.
WILLEKEURIGE BEPERKING VAN HET KINDERTAL.
Besprak ik in het voorgaande opstel een delicaat vraagstuk, dat,
hetwelk wij hier onder de oogen hebben te zien is van niet minder
kieschen aard. Toch mag het niet onbesproken blijven, aangezien de
vrouwenbelangen van zeer nabij betrokken zijn bij de kwestie of de
vrouw, eenmaal gehuwd, het aantal harer kinderen door het toeval zal
laten bepalen, dan wel of zij, naar de omstandigheden die het geluk
van haar gezin beheerschen, dat aantal zelf zal regelen.
Voor wie de daad van den met rede handelenden mensch hooger stelt
dan die van iemand, die als het redeloos schepsel zijn lot door het
toeval laat beslissen, levert het hier gestelde alternatief geen
moeielijkheid op. Het vraagstuk van zoo eenvoudigen aard, moest dan
ook eigenlijk geen nadere toelichting behoeven, doch de gangbare
moraal huldigt ten opzichte van alles wat het geslachtsleven betreft
voor iemand met eene moderne levensbeschouwing zoovele wanbegrippen
dat nader uiteenzetting niet achterwege kan blijven.
De economische zijde van dit vraagstuk is ongetwijfeld van zeer groote
beteekenis, zij raakt de stoffelijke welvaart van een volk in zijn
geheelen omvang en maakt een onderwerp van studie uit van alle staat-
en staathuishoudkundigen. Velen onder hen zijn van oordeel dat het
belang der maatschappij medebrengt dat de bevolking slechts matig
toeneemt en steeds gelijken tred houdt met de toeneming der middelen
van bestaan; anderen meenen dat in de oude landen de bevolking
geruimen tijd stationnair moest blijven om zoodoende den algemeenen
levensstandaard te verhoogen, terwijl nog anderen voor dat doel
eene daling van het bevolkingscijfer voorstaan. Daartegenover staan
zij die vermeerdering der bevolking gelijkstellen met vermeerdering
van productievermogen en daarom in den volksaanwas niet het minste
gevaar zien.
Deze zijde van het vraagstuk zal door de economen dienen te worden
uitgemaakt; wij kunnen uit hun verschil van oordeel alleen de
gevolgtrekking maken, dat het nog volstrekt niet zeker is dat het
kinderbaren thans aan het maatschappelijk belang bevorderlijk is.
Naast deze algemeene zijde van het vraagstuk staat een meer bizondere,
waarbij ook de vrouwenbelangen onmiddellijk betrokken zijn en dat
daarom hier onze aandacht vraagt. Het ter wereld brengen van kinderen
is een taak der vrouwen en zoover mijn geestesoog reikt zal dit
ook wel steeds aan haar blijven toevertrouwd, want hoe verlicht de
wereld ook nog eens zal worden of hoe gunstig men de maatschappelijke
verhoudingen ook regele, dit werk zullen de mannen haar wel nooit uit
handen nemen. Van daar dat voor de vrouwen, die de lasten verbonden
aan zwangerschap en kraambed hebben te ondergaan, op wie bovendien de
verzorging der kinderen rust dit onderwerp groote beteekenis heeft
en zij de bespreking en beoordeeling van hetgeen er mede samenhangt
niet aan de mannen alleen mogen overlaten.
Met een eenvoudig voorbeeld, aan het dagelijksch leven ontleend,
zal ik trachten den invloed te schetsen, door onbeperkt moederschap
op het gezin uitgeoefend.
Ieder weet dat in de meeste gezinnen het eerste kindje met de grootste
blijdschap, met een gevoel van innig verlangen door het jonge echtpaar
verwacht wordt. Hoe gelukkig gevoelt zich het jonge vrouwtje als
zij de eerste teekenen van haar naderend moederschap ontwaart. Met
hoeveel zorg maakt zij de kleedervoorraad voor haar kindje gereed,
wat doet, wat laat zij dan niet alles, als het maar geschiedt in het
belang van het komende spruitje. Dikwijls bekommert zij zich er over
dat hare gebrekkige kennis omtrent voeding, kleeding en verzorging
van zuigelingen haar verkeerd zullen doen handelen en overal tracht
zij nog gegevens te verkrijgen om hare ontbrekende kennis aan te
vullen. Met elken dag gevoelt zij meer de zorg en liefde in zich
ontwaken voor het komende kindje en op het oogenblik dat het geboren
wordt is de moederweelde sterk genoeg om haar al het doorgestane leed
van zwangerschap en kraambed in een ommezien te doen vergeten, dan
zoude zij zich in staat gevoelen nog meer te offeren voor het zalige
moederschap. Zóó moet elk kind ontvangen worden! Geen kind moest ter
wereld komen, waarvan de ouders niet met groote blijdschap, met innig
verlangen de komst tegemoet zien. Te meer is dit van belang, wijl de
gemoedstoestand van de vrouw gedurende het zwangerschaps-tijdperk van
grooten invloed is op de geestelijke en lichamelijke vorming van het
wordende kind.
Wat zien wij evenwel gebeuren? Nauwelijks is het jonge moedertje van
het kraambed opgestaan en verheugt zij zich in het bezit van haar
eerstgeborene of weldra wordt zij verontrust omdat reeds zeer spoedig
een tweede lieveling op de komst is. Ofschoon zij het gelukkig vindt
dat haar eerste kindje niet alleen blijft, zóó spoedig had zij het
toch liever niet verwacht. Zij maakt zich terecht bezorgd, dat haar
oudste nog nauwelijks een jaar kan zijn als no. 2 verwacht moet worden,
dat deze dan reeds voor een wijl haar moederlijke zorgen moet missen,
dan reeds op hare knie plaats moet maken voor zijn opvolger, en zij
dan reeds hare zorgen moet verdeelen over twee lievelingen. Want o,
zij voelt zich nog zoo zwak; wel doet zij haar uiterste best om na haar
huishoudinkje en haar kindje goed verzorgd te hebben, nog opgeruimd
genoeg te schijnen om haar man als hij van zijne werkzaamheden tehuis
komt een vriendelijke ontvangst te bereiden en den avond in genoegelijk
samenzijn te kunnen doorbrengen, doch zij gevoelt het maar al te goed,
hare krachten zijn nog niet weder als vroeger. Zij had gehoopt, als
haar kind wat ouder wordt en zij weder geregelde nachtrust krijgt
dat dan de oude krachten wel terug zouden komen; doch nu is ook die
hoop verijdeld.