ook in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die der
_betaalde liefde_, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake
is, althans niet behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat
aan de eene en verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling
door de vrouw voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van
den geslachtsdrift des mans, levert hier het criterium van zich te
prostitueeren; deze vorm van prostitutie is het waarover ik speciaal
wensch te spreken.
Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van
prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de
liefde betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven
dat deze mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het
peil der prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.
De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij
onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee
rubrieken teruggebracht kunnen worden en hoewel beide rubrieken soms
ongemerkt in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen
van verschil op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.
Zij zijn de zoogenaamde _vrije prostitutie_, als zelfstandig bedrijf
uitgeoefend door een of meer te zamen wonende vrouwen, en de _gedwongen
prostitutie_, uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die
daarvan hun bedrijf maken.
De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen
zich niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder
zijn er wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich
voor korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatsten
daardoor, volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te
vreezen, voor het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking
komen, leveren zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers
der gedwongen prostitutie.
Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich
zelf staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren
onderscheidden van anderen; tegenwoordig is dit overal anders
geworden. Zij vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen
de manieren, kleeding, schijn van beschaving over van den kring,
waarin zij zich gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt
in evenzoovele schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt
en de nabootsing van het aristocratisch element is er evengoed
vertegenwoordigd, als de typen uit de onderste en alleronderste
lagen der maatschappij. Ook de zedelijkheidsladder heeft er
hare verschillende treden. Vindt men op de bovenste sport slechts
onvoorzichtigheid, onnadenkendheid, lichtzinnigheid, op de onderste
kan men de meest ontaarde zedeloosheid waarnemen.
Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt
dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.
Ik zal voor mijn opstel deze zoogenaamde vrije prostitutie verder
laten rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk
spreek van "_zoogenaamde_" vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers
niet tot het behalen van voordeel door anderen voor het bedrijf
worden geëxploiteerd, maar niettemin door opvoeding, onkunde, een
buitenechtelijk geboren kind, armoede of maatschappelijke uitstooting
aan hun vernederende levenswijze gebonden zijn.
Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven
reeds aangeduide nuance, _de gedwongen prostitutie_, die zoowel
voorkomt in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie
erkent en reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid
zich niet inlaat met eene regeling komt de gedwongen prostitutie
weinig voor; daarentegen vertoont zij zich veel waar de overheid zich
er wel mede inlaat, omdat doel der regeling is toezicht te houden
op de gezondheid der prostituées en voor dat toezicht wenschelijk
is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in de woningen waar
het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die woningen dat de
_gedwongen_ prostitutie in den gruwzaamsten vorm welig tiert. Zoo
werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand,
waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.
Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere
vrouwen vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of
bordeelen genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in
den vorm van een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter
wille zijn. Hier is geen sprake meer van vrije keus bij de vrouwen,
geen kwestie meer van onwil, zij staan in dienst van een meester of
meesteres aan wiens of wier bevelen zij verplicht zijn te gehoorzamen,
terwijl het geld dat zij daarmede verdienen en de geschenken die zij
af en toe ontvangen, meestal het eigendom worden van den patroon.
In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm
op. In alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het
gekleurd ras betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende
vrouwenslavernij laat men nog toe.
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt daarvan: "dat deze slavernij,
die omdat zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet
begrepen kan worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2
van het Burgerl. Wetb. verboden slavernij." [10]
Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes
dikwijls gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste
moeite weder kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren
heeft zelfs aan 't licht gebracht, dat er door verschillende houders
dier huizen en de zoogenaamde koppelaars een geregelde internationale
handel in meisjes gedreven wordt. Men herinnert zich ongetwijfeld nog
de ontzettende paniek die ruim een tiental jaren geleden veroorzaakt
werd door de onthullingen in de Pall Mall Gazette van eene enquête
naar de uitgebreidheid van dezen handel in meisjes.
Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van
een jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier
van het Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt,
bracht feiten aan het licht van eene geregelde oplichting en handel in
jonge meisjes, zóó gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan
voorstellen dat in een beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk
zijn. Wel hebben verschillende Regeeringen en ook de onze na dien
tijd maatregelen genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen
te gaan, doch wat ons van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig
twijfel rijzen aan de doeltreffendheid of ernstige toepassing dier
maatregelen. Toen nog kort geleden te Amsterdam door een raadscommissie
een onderzoek werd ingesteld naar den aard en omvang der aldaar
bestaande prostitutie, in verband met een aanhangig voorstel om
het houden van bordeelen te verbieden, rapporteerde Dr. Voûte,
een der leden dier commissie, dat "het grootst aantal vrouwen (in
die bordeelen) waren Fransche en Belgische en een enkele Duitsche;
Hollandsche bijna niet." En dan voegt hij er aan toe, "Engelsche en
Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van maatregelen door
de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig in trek." Hoe
cynisch klinken zulke rapporten.
Doch deze arme, blanke slavinnen die als vee worden aangekocht,
dikwijls herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en
als uitschot der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens
haar eigen wrekers, die met woeker terugbetalen de hun aangedane
vernedering, door verderf en ziekte ruimschoots uit te deelen aan
degenen te wier behoeve zij geacht worden te bestaan. Bleven die
ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van prostitutie, slechts
beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanraking komen, dan zou
men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een zedelijken
misstap verbonden is.
Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar
van vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het
gepleegde kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was,
worden niet zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere
venerische ziekten door omgang met haar losbandige echtgenooten en
brengen kinderen ter wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten
en al ras weder wegkwijnen, óf een leven moeten voortslepen, belast
met de zichtbare of voelbare straf voor den misstap des vaders.
Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een
zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose
sterft of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal,
terwijl de oorzaak ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.
Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk
de hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet
gissen welk gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.
Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang
met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de
afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel
van den aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk
en overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de
gevolgen van ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar
oorsprong. Konden wij de syphilis in haar geheel uitroeien, vele
andere ziekten zouden met haar van de aarde verdwijnen.
Is het dan niet de plicht van den Staat om met alle hem ten dienste
staande middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde
deze ziekte met wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook
tusschenbeide wanneer het geldt de bestrijding van andere besmettelijke
ziekten.
Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders
aan roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden
verplicht de kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten
wanneer zij openbare scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding
van cholera worden van overheidswege maatregelen genomen en toch,
waar het geldt een zoo gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt
de Regeering zich onzijdig en laat toe, dat ieder gemeentebestuur in
eigen kring deze zaak naar goeddunken al of niet regelt. Waaraan moet
deze onthouding toegeschreven worden?
Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in
het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig
inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger,
een wet uit te vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding
der syphilis en andere venerische ziekten. Ik meen echter dat
ook met Rijkswetten de verbreiding dezer ziekten niet zou worden
tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw verbonden met de prostitutie
en zoolang deze wordt beschouwd als een _noodzakelijk_ kwaad, zoolang
men nog slechts spreekt van middelen om de prostitutie te beperken
in plaats van haar uit te roeien, zoolang zal de maatschappij wel
opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich sleept.
Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van
de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering
der prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak
neerkomt op een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin
bestaat, dat deze zich op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een
medisch onderzoek moeten onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn
aan een of andere besmettelijke ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden
worden volgt eene ongeschikt verklaring om haar bedrijf uit te oefenen,
tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.
De oningewijden noemen dit waarschijnlijk een wijze voorzorg en een
praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter
wel beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde
verbonden moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder
ook Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren
of haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.
De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote
gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met
toelating van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van
bordeelen, schrijf ik, want ook over het toelaten of opheffen van
die broeinesten van ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.
Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat
zij het bestaan van bordeelen erkent en toelaat en de reglementeering
niet verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft
aan deze beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich
overal bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht
als bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.
Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze
strijders voor zedelijkheid en recht in 't midden gebracht hebben om
de onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.
Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen,
vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat,
en weten daardoor niet dat in zoo'n gemeente iedere vrouw, zonder
uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen,
zoodat eene vrouw, welke ook, die door een politieagent _verdacht_
wordt een prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als
prostituée te laten inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek
te onderwerpen. Namen de vrouwen van zulke gemeenten kennis van het
reglement op de prostitutie, zij zouden als een aaneengesloten phalanx
met verontwaardiging zich wenden tot het bestuur hunner gemeente met
de vraag: "Met welk recht maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze
vrijheid. Wie riep u om op te treden als handlanger der bordeelhouders
en koppelaars; wie droeg u de taak op, om ten behoeve van mannen,
die zich vrijwillig aan de prostitutie overgeven, gezonde vrouwen
beschikbaar te houden?"
Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmetting met venerische
ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde
vrouw en het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers
worden van deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs
niet den meest bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek
te onderwerpen. Al is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond
bevonden prostituée te besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig
meisje huwen en haar evenals haar kinderen deelgenoot worden van
zijn kwalen.
Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer,
vergeleek de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare
manden met appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen
niet kunnen aansteken, [11] en deze vergelijking is later door
vele voorstanders der reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos
grof klinkt ons zulk een vergelijking in de ooren! En tot welk een
vernederende gevolgtrekking strekt zij voor de gemeentebesturen,
die zich schuldig maken aan het instellen en handhaven van zulke
verordeningen. De prostituées zijn de koopwaar, in dit geval vergeleken
bij de appelen, de gemeentebesturen zijn de koopvrouwen die de zieke
exemplaren uitzoeken en verwijderen om zooveel meer koopers te lokken
voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!
Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en
reglementeering uitgaan van de veronderstelling dat prostitutie
is een _noodzakelijk kwaad_ en dat de reglementeering dient om de
schadelijke gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om
de noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men
aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde
moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk
is. Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch
heeft behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is
diefstal van voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie
Besant in haar werkje "_The legislation of female slavery in England_"
er naast stelde.
Alsof de mannen geen menschen zijn, begaafd met vrijen wil en
rede. Alsof zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden,
wanneer zij weten dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf
of anderen benadeelen. Zou de gezonde mensch dan gedwongen zijn te
handelen tegen zijn belangen in? Zou er een fatum op hem rusten?
Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers
van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.
Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat
zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat
het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door
hen op allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en
als wij dan zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen
hebben gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand
te bieden aan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij
hen geen sprake meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal
dezulken een glimlach ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten
te eerbiedigen zullen zij aanmerken als een ongepaste aanmatiging.
Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet
te bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting
ook zijn rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen
zonen leeren, evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men
zijn geslachtsdrift kan beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht
is dit te doen, wanneer er uit de voldoening nadeel ontstaat voor
zich zelf of voor anderen, voorts dat mannen niet superieur zijn aan
vrouwen, maar dat alleen door machtsmisbruik de mannen wettelijk
en dientengevolge ook maatschappelijk die plaats hebben ingenomen
en eindelijk dat vrouwen die als prostituées zijn gebrandmerkt ons
medelijden, onze opbeuring verdienen en niemand haar mag misbruiken,
zelfs niet wanneer zij zich door den nood gedwongen daarvoor aanbieden;
wanneer dit eenige geslachten achtereen onzen zonen wordt ingeprent
dan kunnen andere en betere toestanden niet uitblijven. Wij zullen
dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met gezonde neigingen,
mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór hun tijd
verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun
jonge bruid. Hun kinderen zullen zij dan zonder gewetenswroeging
in de armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende
willens en wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.
Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken
aanleg, slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen
bedwingen, is het voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie
bestaat? Is het niet goed dat zij weten, waarheen zij zich begeven
kunnen, wanneer de lust tot geslachtsbevrediging opkomt en eischt
niet het algemeen belang dat de gevolgen voor hen zoo min mogelijk
schadelijk zijn?
Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een
geheel leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier
leven ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht
door de geheele wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken,
zijn zij zonder eenige bescherming overgeleverd aan de willekeur
van de gewetenlooze individuen, die het beroep van bordeelhouder
of -houdster uitoefenen. Verlaten, door iedereen vergeten, sterven
zij meestal een afschuwelijken en vroegen dood. Wie voelt hier niet
de bittere geringschatting voor het leven der vrouwen, de brutale
aanmatiging der mannen!
Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van
beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt,
dan wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij
bij voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.
Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering
hun geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: "het is immers
de vrije keus der meisjes om opgenomen te worden in het heir der
prostituées! Zij hebben immers vrijwillig hun eer en hun aanspraken
op achting prijs gegeven, zij hebben uit vrije beweging zich geplaatst
onder uitzonderingsbepalingen, die hen tot paria's stempelt."
Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan
geacht worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij
deze verstootelingen.
Laat ik in korte trekken hier mededeelen hoe ik voor 't eerst zulk een
vrouw leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées
ongeveer dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op
mij maakte dit geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij
voor het eerst een blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren
het bestaan niet vermoedde.
Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in
het academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die
zeer ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk
mijn aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het
onderwerp der academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar
hoorde voorspellen dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude
zijn, toen rees voor mijn geest een geheel familie-drama op. Ik dacht
aan een jongen treurenden echtvriend en aan wanhopende ouders die hun
kind zoo vroeg moesten afstaan en niet eens haar laatste levensdagen
konden bijwonen.
Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige
notitie van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde
verpleegsters had men hier toen nog niet) of een der andere zieken
met haar spreken.
Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en
goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag
zij steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.
Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar
aan. Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan
haar bed herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was
dat mij tot haar bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij
op mijn herhaald tot haar gerichte vraag,--of zij geen familieleden
of goede vrienden in de stad had--haar leven mede.
Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot
eene "publieke vrouw" sprak, eene mededeeling die geschiedde met de
bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.
Het meisje was een Amsterdamsche wees, die tot haar 19e jaar in een
der weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en
dame als dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan
één getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er
daardoor niet veel aan huis kwam.
Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij
toch zeer weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na
eenige maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen
toen zij uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn
bizondere aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar
des avonds met hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde
te moeten weigeren, begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem
te luisteren, was de lust om dat groote gebouw eens binnen te gaan
en een tooneelvoorstelling bij te wonen, waarvan zij zooveel gehoord,
maar die zij nog nimmer gezien had, te groot dan dat zij kon blijven
weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in haar dienst terug en op
haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.
De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de
gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan
hij anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij
nam haar mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij
dat voortaan het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar
brood te verdienen voor haar gesloten was.