Men wijzige zóó de huwelijkswet, dat zij niet meer gelijkt o

Produced by Anna Tuinman, Jeroen Hellingman, and the Online

Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

VROUWENBELANGEN

DRIE VRAAGSTUKKEN VAN ACTUEELEN AARD

DOOR DR. ALETTA H. JACOBS

L. J. Veen--Amsterdam--1899

VOORWOORD.

Onder den algemeenen titel van "Vrouwenbelangen" bevat dit bundeltje

drie opstellen, waarvan de stof ook diende voor evenzoovele

voordrachten door mij in de grootste steden des lands gehouden;

het eerste opstel werd reeds vroeger voor de pers gereed gemaakt en

onder den titel "het doel der vrouwenbeweging" in _de Gids_ van Maart

l.l. geplaatst.

Geen der hier behandelde onderwerpen maakt aanspraak op volledigheid;

om dat te kunnen doen zou langer en dieper studie noodig zijn dan

ik er aan heb kunnen wijden. Trouwens, wat ik beoogde was in de

vrouwenwereld belangstelling te wekken voor vraagstukken, waarbij

haar belangen van zeer nabij betrokken zijn en daarvoor achtte ik het

trekken van eenige hoofdlijnen voldoende. Is eenmaal die belangstelling

gaande gemaakt, dan kan de medewerking der vrouw, om verbetering te

brengen in de hier besproken gruwelijke misstanden onzer samenleving,

niet uitblijven. Zij zal daarvoor echter te overwinnen hebben de

valsche schaamte die haar tot nu toe terughield van de kennisneming

en bespreking dier vraagstukken.

Mocht ik het beoogde doel bereiken, dan zal ook de verwezenlijking

der denkbeelden, in deze opstellen neergelegd, niet uitblijven.

A. H. J.

Amsterdam, April 1899.

INHOUD.

bldz.

Economische en Staatkundige Onafhankelijkheid 1

Wettelijke Regeling der Prostitutie 30

Willekeurige Beperking van het Kindertal 63

I.

ECONOMISCHE EN STAATKUNDIGE ONAFHANKELIJKHEID.

"Van alle bewegingen, die hervormingen van politieken, socialen

of religieusen aard beoogen is de vrouwenbeweging waarschijnlijk

de belangrijkste, zeer zeker de meest uitgebreide. Zij omvat niet

alleen een enkele klasse, stam, natie of godsdienst, maar strekt zich

uit over de geheele beschaafde wereld en beoogt de behartiging der

belangen van de helft der menschheid." Deze woorden van miss Frances

Power Cobbe tot de mijne makende, stel ik mij voor het doel dezer

beweging met betrekking tot Nederlandsche toestanden te bespreken.

Ons land, behoorende tot de kleine en bij maatschappelijke hervormingen

steeds achteraankomende landen, maakt ten aanzien van een belangrijk

deel der vrouwenbeweging een gunstige uitzondering.

Wij hebben wel is waar nog niet zooals in Nieuw-Zeeland en in enkele

staten van Amerika het politiek stemrecht veroverd, wij hebben nog

niet, zooals in Engeland, een wet zien invoeren, waarbij de vrouw in

het huwelijk de vrije beschikking houdt over haar vermogen en over

haar verdiend loon, evenmin hebben wij verkregen zooals in Frankrijk,

dat voortaan voor den burgerlijken ambtenaar en voor den rechter aan

het "ja" en "neen" der vrouw dezelfde waarde wordt toegekend als aan

dat van den man,--doch laat mij niet verder uitspinnen wat wij nog

niet bereikten, want in ander opzicht zijn wij deze groote landen

reeds voorbij gestreefd.

Ik behoef er niet op te wijzen, hoe de tentoonstelling van

vrouwenarbeid, verleden jaar in Den Haag gehouden, de sluimerende

krachten van weifelenden, van aarzelenden, van bedeesden, van lakschen

en hoe ze meer mogen heeten, heeft wakker geschud om vereend den dam

van vooroordeel te ondermijnen, die de vrouwenbeweging hier nog maar

al te zeer in haar voortgang en ontwikkeling belemmert.

Misschien heeft ook de roman Hilda van Suylenburg het zijne daartoe

bijgedragen. Want moge een tendenz-roman bij een literair mensch niet

hoog staan aangeschreven, aan dezen romanvorm danken wij niettemin

grooten invloed op tot stand gekomen hervormingen.

Zoo ook heeft mevrouw Goekoop met Hilda van Suylenburg vele zwakke

volgelingen de kracht gegeven tot voortschrijden, den moed tot

volharden, den noodigen steun om den tegenstand, die er voor hen nog

mocht opdoemen, te weerstaan.

Overzien wij thans den stand van het vrouwenvraagstuk in de

verschillende landen, dan kan getuigd worden dat de vrouwen van

Nederland er voor gezorgd hebben dat bij deze beweging ons land niet

achteraan komt. Dit geldt vooral het Hooger Onderwijs.

Onze universiteiten laten de vrouwen op precies dezelfde voorwaarden

toe als de mannen, en na voldoend afgelegde examens wordt de

doctorstitel verleend, onverschillig tot welke sekse de candidaat

behoort.

In dit opzicht staan wij naast de verst-gevorderde landen en steken

gunstig af o. a. bij Engeland en Duitschland.

Wij hadden na de ervaring die hieromtrent reeds werd opgedaan met

recht mogen verwachten dat wij gespaard zouden blijven voor een

getheoretiseer over de al of niet geschiktheid der vrouw voor een

akademische opleiding, te meer nu alle andere landen reeds waren

voorgegaan met de bespreking van dit onderwerp, zonder evenwel,

zooals te denken was, tot eenig resultaat te komen.

In 1894 schreef miss Lyda Rose in "_The American Girl at College_"

"dat de college-bred woman (de vrouw die hooger onderwijs heeft

genoten) in den tegenwoordigen tijd de meest besproken vrouw is; zij

lokte een strijd uit tusschen de eminentste mannen over haar al of

niet geschiktheid voor studie, haar geestelijk en lichamelijk welzijn,

haar bestemming voor het moederschap. Deze strijd wordt nu reeds ruim

een kwart eeuw door de mannen gevoerd en zij zijn het er nog niet over

eens," zoo zegt zij verder, "doch de vrouwen gaan onderwijl voort en

vermenigvuldigen in alle landen het getal vrouwelijke doctoren in de

letteren, medicijnen, rechten en natuurwetenschappen. Daadzakelijk

toonen zij aan dat al de bezwaren van intellectueelen, moreelen,

physischen en matrimonieelen aard, ongerijmdheden zijn."

Verheugden wij ons reeds dat wij dezen woordenstrijd ontwassen en

daarmede ontloopen waren, toch werd die ook hier nog even aangebonden

door twee hoogleeraren, sieraden hunner universiteit, die hun tijd

niet te kostbaar achtten om in breedvoerige betoogen hun vooropgezette

meening kracht van bewijs te geven. [1]

Evenmin echter als prof. Winkler het bewijs leverde dat de vrouw voor

Hooger Onderwijs ongeschikt is, evenmin gelukte het den hoogleeraar

Treub het tegendeel aan te toonen; ten minste niet als men de

stelling zoo algemeen opvat als door beide hoogleeraren geschiedde,

door namelijk te willen bewijzen dat _de_ vrouw al of niet geschikt

is voor _de_ studie.

Mej. Ida Heyermans schreef terecht in haar verslag van de vergadering

waarin beide betoogen werden voorgedragen; "_de_ vrouw en _de_ studie

hooren niet bij elkander, evenmin als _de_ man en _de_ studie. Er zijn

slechts enkele vrouwen en enkele mannen geschikt tot die studie." [2]

Opvallend is in deze gedachtenwisseling dat prof. Hector Treub,

hoogleeraar in de Obstetrie en Gynaecologie (verloskunde en

vrouwenziekten), het onderwerp uit een psychisch oogpunt behandelde

en het sexueele leven der vrouw buiten de kwestie hield, terwijl

prof. Winkler, hoogleeraar in de Psychiatrie (zielsziekten) de

psychische zijde der zaak als bijzaak behandelde en met bezwaren,

ontleend aan het sexueele leven der vrouw, zijn meening verdedigde.

Geen van beide hoogleeraren is het ondertusschen gelukt, maar één nieuw

argument aan de bestaande toe te voegen, zelfs zou het niet moeilijk

vallen aan te toonen, dat zij veel krachtiger argumenten hadden kunnen

vinden, indien zij meer de Engelsche en Amerikaansche in plaats van

de Fransche en Duitsche vóór- en tegenstanders geraadpleegd hadden.

Toen eenige jaren geleden in Engeland een geestverwant in dezen

van prof. Winkler beweerde, op ongeveer dezelfde gronden als onze

hooggeleerde aanvoerde, dat _de_ vrouw voor _de_ studie niet deugde,

stelde Dr. Arabella Kenealy onmiddellijk een onderzoek in bij ruim

500 vrouwen, die met vrucht de universiteiten van Oxford en Cambridge

bezocht hadden.

Zij toetste haar waarnemingen aan een onderzoek van even zoo vele niet

gestudeerd hebbende zusters en vriendinnen dezer dames en kwam tot het

resultaat dat het Hooger Onderwijs geen nadeeligen invloed had gehad

op de lichamelijke en geestelijke gezondheid der gestudeerde vrouwen,

dat het niet belemmerend had gewerkt op het sluiten van huwelijken

en dat het aantal en de physieke gesteldheid hunner kinderen er niet

onder geleden hadden.

Met zulk een kort doch afdoend bewijs zijn eigenlijk al de bezwaren van

prof. Winkler uit den weg geruimd en ik zou ook niet langer bij zijn

verhandeling stilstaan, ware het niet, dat hij daarin herhaaldelijk los

heengeworpen gedachten zaaide, die wel is waar nu en dan in flagranten

strijd zijn met zijne redeneering op volgende bladzijden, doch die

toch met het onderwerp dat ons bezig houdt in te nauw verband staan,

dan dat ik ze onopgemerkt mag laten voorbijgaan.

Zoo zegt prof. Winkler [3] dat hij met de vrouwenbeweging vrede zou

hebben, "indien zij haar streven definieerde als een streven om de

verhouding tusschen man en vrouw--een sedert eeuwenheugenis bestaand

antagonisme--aan die veranderende toestanden te adapteeren."

Alsof dat niet feitelijk het geval ware. Alsof niet met het

vrouwenvraagstuk de sexueele verhouding van man en vrouw in het

nauwste verband stond, en dat bestaand antagonisme tusschen man en

vrouw aan iets anders ware toe te schrijven, dan aan de afhankelijke

positie die de vrouw te zijnen opzichte in den loop der eeuwen heeft

moeten innemen.

Inderdaad is met deze aanhaling van prof. Winkler de kern der

vrouwenbeweging blootgelegd, en houdt die aanhaling onmiddellijk

verband met deze andere uitspraak zijnerzijds [4]:

"Men verlangde niet de intellectueele eigenschappen te bezitten,

omdat het hoogste levensdoel was gebleven, _met en door den man

gelukkig te zijn, om volkomen moeder te kunnen wezen, om voor de

kinderen te kunnen arbeiden_, MAAR OMDAT HET HOOGSTE LEVENSDOEL WAS

GEWORDEN ONAFHANKELIJK TE ZIJN" [5].

Ja, zóó is het. Even als aan iedere groote en grootsche beweging van

volkeren of van individuen de zucht tot vrijheid en onafhankelijkheid

ten grondslag ligt, zoo beoogt ook onze beweging niets anders dan

vrijheid en onafhankelijkheid voor de vrouw.

Er is waarlijk geen zelfzuchtiger, geen bekrompener standpunt denkbaar

dan dat, waarbij de man meent aan de vrouw niet de keuze te moeten

laten van den levensweg, die _zij_ meent, dat haar zal voeren tot

geluk.

Zelfzuchtig immers, waar de man bij het aangeven van dien levensweg,

als voorwaarde stelt het dienstbaar maken van al haar gaven van

verstand en gemoed aan _zijn_ geluk. "_Met_ en _door_ den man gelukkig

te zijn," dat moet haar levensdoel wezen, derhalve moet zij afstand

doen van elke individualiteit.

Dat weinig ontwikkelde of eenzijdig oordeelende mannen zich nog

verzetten tegen het meer en meer veldwinnend optreden van de vrouw,

als zelfstandig individu en niet kunnen vatten dat een vrouw gelukkiger

kan zijn zonder man, dan met eenen dien zij uit vrijen wil niet zou

gekozen hebben, is nog te begrijpen; maar hoe ontwikkelde menschen,

die men onbevooroordeeld waant, hun oogen gesloten kunnen houden

voor de demoraliseerende gevolgen die uit een levensopvatting,

met de vrouw als afhankelijk individu, voortvloeien, dat is waarlijk

onverklaarbaar. Onverklaarbaar, omdat wij juist aan die ondergeschikte,

afhankelijke positie der vrouw zoovele maatschappelijke wanverhoudingen

te wijten hebben.

Wel wordt ons door prof. Winkler en anderen de goede oude tijd als

zoo gelukkig en zoo veel beter geschilderd en worden de vrouwen

van weleer steeds voorgesteld als tevreden met haar lot, doch

doorbladeren wij de geschiedenis der volkeren, dan ontwaren wij dat

door de ontwikkelde vrouwen overal en te allen tijde even sterk naar

vrijheid en onafhankelijkheid verlangd werd als in den tegenwoordigen,

zoo bij voorkeur gesmaden tijd.

De brieven van Anna Maria van Schurman uit ons land, de geschriften

van Marie de Gournay en Olympe de Gouges uit Frankrijk, de werken

van Mary Astell en Mary Wollstonecraft uit Engeland, de gedichten

van Margherita Costa uit Italië, de werken van Frederika Bremer uit

Zweden, de brieven van Caroline Michaëlis, de dochter van den bekenden

Göttingschen hoogleeraar, uit Duitschland, die allen getuigen er

zonder voorbehoud van, hoezeer de vrouwen in de verschillende landen

ook eertijds gebukt gingen onder de afhankelijke positie, waaronder

wet en zeden haar plaatsten.

Wij leeren echter tevens uit de geschiedenis, dat iedere opheffing

uit afhankelijke toestanden der menschheid in haar geheel steeds ten

goede is gekomen en haar telkens een stap verder bracht op den weg

der beschaving, ook al ging die opheffing gepaard met groot verzet,

ja soms met bloedigen strijd.

Ik herinner slechts aan den strijd tegen het leenstelsel in de

middeleeuwen, den strijd der burgers tegen den Adel in het eind der

vorige eeuw, den strijd tegen de slavernij in Amerika tot het midden

van deze eeuw.

Zien wij thans niet op die tijden terug als op perioden van

onbeschaafdheid, onrechtvaardigheid en ongevoeligheid?

En toch, de leenheeren rekenden het den lijfeigenen als een groote

en ongepaste aanmatiging aan, dat zij hun ondergeschiktheid moede

waren en vrijheid eischten.

De adellijken meenden werkelijk wezens van hoogere orde te zijn dan

de eenvoudige burgers en daarom aanspraak te hebben op privilegiën.

En de slavenhouders in Amerika geloofden in alle oprechtheid dat de

bestemming der negers was slaven te zijn, dat de zwarte huidkleur

diende om hen van de vrije menschen te onderscheiden en dat met de

vrijverklaring der slaven, eene goddelijke instelling door de menschen

geschonden werd.

Treffend is dan ook de overeenkomst van de argumenten voor jaren en

eeuwen reeds gebezigd om dergelijke wanverhoudingen te rechtvaardigen,

met die welke thans moeten dienst doen om de afhankelijke positie

van de vrouw goed te praten.

Het hooge doel der vrouwenbeweging is, om in de vrouw den mensch tot

volle ontwikkeling te doen komen en daarvoor is onontbeerlijk opleiding

tot zelfstandigheid. Want eerst wanneer de vrouw als zelfstandig

individu optreedt kan zij doordrongen worden van het besef, dat

zij niet alleen haar waarde ontleent aan haar geslachtsorganen of

haar voortplantingsvermogen, doch dat ook zij de maatschappij _kan_

en _moet_ dienen ten einde het menschdom op te voeren tot een hooger

peil van ontwikkeling.

Een superieur man van onzen tijd, Karl Pearson, zegt in zijn _Ethic of

Freethought_: "_Economische onafhankelijkheid is voor alle menschen

noodzakelijk, willen zij zich kunnen ontwikkelen tot volmaakte

individuen, die vrijwillig gehoorzamen aan de hoogste wetten der

zedelijkheid._"

Indien daartoe te geraken het levensdoel moet zijn, dan zal de

onafhankelijkheid der vrouw ongetwijfeld de eerste stap wezen, die

tot dat doel voert en haar verhouding tot den man mag haar daarbij

niet in den weg staan.

Wanneer toch beweerd wordt, dat het huwelijk "_de bestemming_"

is der vrouw, dan geschiedt dit--en men verlieze dit vooral niet

uit het oog--met de al of niet uitgesproken bedoeling, dat de

vrouw op grond van deze "bestemming" niet heeft te streven naar

economische onafhankelijkheid. Men stelt het zelfs voor alsof deze

onafhankelijkheid daarmede niet vereenigbaar zou zijn.

De ervaring heeft echter geleerd dat de onafhankelijkheid der vrouw

het huwelijk niet alleen niet ondermijnt, maar integendeel er toe

medewerkt, om het op zedelijker grondslagen te vestigen. Een vrouw

die geleerd heeft op eigen wieken te drijven, in eigen onderhoud te

kunnen voorzien, zal immers alleen een huwelijk aanvaarden, wanneer

waarachtige genegenheid en geestverwantschap haar daartoe drijft. Dan

kan de vereeniging rein en verheffend werken, dan eerst kan er sprake

zijn van eene zedelijke verhouding, van werkelijk geluk.

Meenen daarentegen prof. Winkler en zijne geestverwanten de huwelijken

onder de tegenwoordige verhoudingen gesloten te moeten prijzen, een

sarcastisch schrijver van onzen tijd dacht er anders over, hij noemde

ze "het graf van alle schoone illusiën." En hoe kan dat ook anders?

Wordt in den regel het meisje door de ouders wel als eerste

huwelijksvereischte voorgehouden, dat zij den man met wien zij huwt

moet liefhebben? Immers neen.

Het eerst wat men gewoonlijk doet is nagaan welke zijne

maatschappelijke en financieele positie is, of _hij_ in staat is

_haar_ te kunnen onderhouden en eerst daarna wordt gevraagd, doch

veelal niet geëischt, of zij met den man, aan wien zij zich voor het

geheele leven bindt, sympathiseert en principieel in levensopvatting

niet van hem verschilt.

Wie uwer kent niet in zijne omgeving de echtverbintenissen, waarvan

het meisje tot kort voor haar huwelijk nog verzekerde dat de man,

met wien zij ging huwen _niet_ de man harer keuze was; wat echter

haar ouders of verzorgers niet belette het huwelijk toch te laten

voltrekken, in de verwachting dat bij de vrouw dikwijls de liefde

eerst komt _in_ het huwelijk.

Dat de liefde _in_ het huwelijk dikwijls wegblijft en er in de plaats

daarvan eene slaafsche berusting of eene moedelooze onverschilligheid

intreedt, daaraan wordt verder niet veel aandacht gewijd, _het meisje

is nu verzorgd_.

Zóó wordt het huwelijk maar al te dikwijls beschouwd. Het is de

havenplaats waar elke vrouw moet binnenzeilen, de rijke om een

werkkring, een levensdoel te hebben, de arme om een kostwinner, een

verzorger te krijgen. Hoe weerzinwekkend is hierbij het waarnemen

van de regatta die in het maatschappelijk leven plaats grijpt, om

toch vooral het eerst die havenplaats te bereiken.

Indien er sprake kan zijn van eene "bestemming" dan moet die

noodzakelijk voor _man_ en _vrouw_ dezelfde wezen en dan kan die

geen andere zijn dan deze: te trachten het door Karl Pearson gestelde

ideaal te bereiken.

Dit ideaal sluit het huwelijk en het moederschap niet uit, maar eischt

daarvoor andere grondslagen, dan thans als gangbaar worden aangenomen.

Indien de tegenwoordige huwelijken leiden tot een gelukkige samenleving

en tot hoogere ontwikkeling, dan is dit louter toeval. Doch helaas,

in de meeste gevallen leiden zij, dank zij de afhankelijke positie

der vrouw, tot geheel iets anders.

Welke kracht kan er in het huwelijk ook uitgaan van vrouwen, die

dit hebben leeren beschouwen als hun toevluchtsoord? Dezulken moeten

immers _voldoen_ aan de eischen die haar gesteld en _berusten_ in de

voorwaarden die haar aangeboden worden.

Aan die verhoudingen danken wij de dubbele zedenleer, de leer dat

de Don Juan van voorheen een geschikte echtgenoot kan zijn voor eene

reine vrouw;

dat de aanstaande echtgenoote niet het recht zou hebben het verleden

van haar man te onderzoeken;

dat men de ongehuwde moeder vertrappen mag in het slijk en

tegelijkertijd met onbeschaamden blik den naam kan aanvaarden van

den schuldigen vader;

dat de ergerlijkste zedelijke misdaden van den man voor vergoelijking,

vergeving vatbaar zijn, doch dat de vrouw, soms wegens een enkelen

misstap, een verklaarbare zwakheid, veroordeeld en aan de verachting

mag worden prijs gegeven.

Nooit wordt voor haar als verzachtende omstandigheid aangemerkt,

dat de maatschappij met haar afhankelijke, alleen voor het huwelijk

opgevoede vrouwen, deze gebracht heeft tot de noodzakelijkheid dat zij

den sterken en verheffenden drang, die elk levend wezen bezielt, den

drang tot echtelijke liefde, den drang tot paren, moeten gebruiken

als koopwaar, als middel om in haar onderhoud te voorzien. Want

al bestempelt men alleen de vrouwen die door _buitenechtelijke_

geslachtsgemeenschap in haar onderhoud voorzien met den naam van

prostituées, de wijdere beteekenis die aan dit woord moet worden

toegekend, sluit onvoorwaardelijk elke geslachtsgemeenschap in waaraan

liefde niet ten grondslag ligt. Kerkelijke noch maatschappelijke

conventie kunnen daarin verandering brengen.

Vestigde ik tot dusver alleen het oog op de "bestemming" der vrouw,

die volgens de gangbare begrippen bereikt wordt met _het huwelijk_,

volgens diezelfde begrippen heeft de vrouw ook nog een bizondere

"roeping" te vervullen, _de roeping om moeder te worden_.

Wee echter het meisje dat waagt die "roeping" te vervullen zonder

huwelijk, want die zal ontwaren hoe men in onze maatschappij het

moederschap beoordeelt. Op welke voor haar zelve hoog zedelijke gronden

zij hare positie ook kunne verdedigen, door diezelfde verkondigers

der gangbare moraal wordt zij dan beschouwd en behandeld als een paria.

En waartoe verlagen sommigen het moederschap _in het huwelijk_? De

vrouw zou niet als denkend wezen het kind moeten ontvangen uit eigen,

vrijen wil, opdat het kunne bijdragen tot verhooging van het echtelijk

geluk, tot verheffing van haar eigen bestaan, tot vermeerdering

van het aantal gelukkige menschen; neen, zij zou de onbewuste,

onbeperkte voortbrengster moeten zijn van kinderen, waarvoor zelfs

niet gevraagd mag worden of de vereischten voor een gelukkig bestaan

wel aanwezig zijn.

Met zulk een opvatting staan wij voorwaar niet hooger dan het

redeloos dier.

Allen die even als ik getuigen waren van de zuchten, de klachten, de

tranen der vrouwen bij het ontwaren van een ongewenschte zwangerschap,

zullen weten hoeveel ellende er geboren wordt uit de toepassing der

wreede moraal, dat _te dezen opzichte_ de natuur _niet_ aan banden

gelegd mag worden.

Hieruit leide men niet af, dat gebrek aan moederliefde de vrouw

somtijds met schrik een vermeerdering van haar gezin doet tegemoet

zien; integendeel, het is bijna altijd een gevolg van een hooger en

ernstiger opvatting van het moederschap, waarvan men de taak niet

als voleindigd beschouwt, wanneer slechts het kind geboren is.

Ik leg hier den nadruk op, dewijl men het in den laatsten tijd wel

eens wil doen voorkomen, alsof een bewuste beperking van het aantal

kinderen, niet hoog verheven zou staan boven een onbewust voortplanten.

Beoogt de vrouwenbeweging thans in de eerste plaats de verheffing

der vrouwen tot economisch onafhankelijke individuen, deze

onafhankelijkheid moet, zooals ik hierboven reeds zeide, tot verheffing

van het zedelijk niveau der maatschappij leiden.

In hare ontwikkelingsphase zal deze hervorming ontegenzeggelijk

het aantal huwelijken en de daaruit voortspruitende geboorten

verminderen. Het ligt echter voor de hand dat de verklaring hiervan

niet gezocht moet worden in een door prof. Winkler aangevoerde, doch

door niets bewezen bewering, dat een verhoogd intellect de vrouwen

_asexueel_ en dientengevolge steriel zou maken. De verklaring behoeft

niet zoo ver gezocht te worden; zij werd reeds herhaalde malen door

de vrouwen gegeven. Laat mij haar nog eens herhalen.

De onafhankelijke, intellectueel ontwikkelde vrouw weigert een

verbond te sluiten met een man, in zedelijke waarde niet met haar

gelijk staande; zij weigert den wettelijken huwelijksband, zoolang

het burgerlijk wetboek haar na het aangaan van dien band, bejegent

als een onmondige en dan als zoodanig haar rechten ontneemt op haar

eigen persoon, haar kinderen, haar vermogen, haar loon.

In Frankrijk zoekt men naar het middel om de huwelijken te doen

toenemen en het aantal geboorten te vermeerderen en als zoodanig stelt

men o. a. voor, van overheidswege een geldelijke premie te doen geven

bij de aangifte van een wettig geboren kind, of een afzonderlijke

belasting te heffen van coelibatairen of door beperkende wetten de

vrouwen te dringen uit beroepen, ambten en werkkringen.

Alsof zoo iets zou kunnen baten! Indien men de huwelijken wil doen

toenemen dan bedenke men middelen om ze ook voor de intellectueel

ontwikkelde vrouwen aannemelijk te maken.

Daarvoor zal het zedelijk gehalte van het gros der mannen verhoogd,

aan het huwelijksformulier elke der vrouw vernederende paragraaf

ontnomen en uit het burgerlijk wetboek elke bevoorrechting in het

huwelijk van den man boven de vrouw geschrapt moeten worden.

Men wijzige zóó de huwelijkswet, dat zij niet meer gelijkt op een

contract tusschen heer en dienstmaagd, doch dat zij vormt een verbond

van twee gelijk berechtigde personen.

De belofte van gehoorzaamheid, waartoe men de vrouw verplicht bij

het sluiten van het huwelijk, ontlokt meestal een glimlach bij man

en vrouw, omdat, zoo zegt men, de man er zich nooit op zal beroepen

en de vrouw het met die belofte niet ernstig meent.

Men vergeet echter dat deze oogenschijnlijk zoo onschuldige woorden

den geest kenmerken van alle bepalingen in het burgerlijk wetboek,

die op de gehuwde vrouw betrekking hebben. Daarin is _hij_ altijd

de heer die gebiedt en _zij_ heeft alleen stem, wanneer die met de

zijne niet in tegenspraak komt. Over _haar_ kinderen heeft _hij_

alleen macht en van den eerbied voor het moederschap, altijd zoolang

het een wettig geboren kind betreft, is geen spoor in het burgerlijk

wetboek te vinden.

Wel wordt dienaangaande in het aanhangig wetsontwerp omtrent beperking

van de vaderlijke macht en de voogdij iets minder onbillijk tegenover

de vrouw gehandeld, doch van eene erkenning, dat de moeder een grooter

recht, op zijn minst genomen een even groot recht heeft op het kind

als de vader, is ook daarin geen sprake.

_Haar_ vermogen wordt gemeenschappelijk goed, d. w. z. dat _hij_

het beheert, kan uitgeven, verteren, verkwisten, zonder dat

hij haar rekenschap verschuldigd is, terwijl _zij_ zonder zijn

toestemming geen penning er van kan besteden. 't Is waar, zij kan met

huwelijksvoorwaarden trouwen, echter de vrijheid om dan eigen vermogen

naar eigen goedvinden te beheeren, erlangt zij zelfs dan nog niet.

_Haar_ verdiend loon is zijn eigendom, dat hij haar kan ontnemen,

verspelen, verbrassen.

Behoefde men wel te zoeken naar de reden, waarom verhoogd intellect van

de vrouw gepaard gaat met vermindering van huwelijken en zijn gevolgen?

De vrouwenbeweging kan alleen met de economische onafhankelijkheid

der vrouw haar doel niet bereiken, zij heeft daarvoor ook te streven

naar de politieke ontvoogding der vrouw.

De economische onafhankelijkheid kan slechts dienen om de vrouw vrij

te maken van elken sexueelen dwang; door de politieke ontvoogding

kan zij direct invloed uitoefenen tot een billijker aanwending van de

staatsgelden en op het tot stand komen van rechtvaardiger wetten. Door

dit laatste vooral kan zij, beter dan tot dusver geschiedde, voor

haar belangen zorgen en voor die van het kind.

Herhaaldelijk wordt door de mannen beweerd, zooals ook geschiedde

door prof. Winkler, dat _het gemoed der vrouw ondoorgrondelijk is;

dat de vrouw alleen door de vrouw begrepen kan worden; dat bij haar in

tegenstelling van den man, het gevoel een grooter rol speelt dan het

verstand_. Dezelfde mannen die zóó spreken, weerhouden zich evenwel

niet de vrouwen voor te schrijven waar zij den weg tot geluk moeten

zoeken; te bepalen wat haar levensdoel moet zijn; haar door de wet

de plaats aan te wijzen, die zij verplicht zijn in te nemen. Is dat

logisch en is dat rechtvaardig? Is dat in het belang der maatschappij,

waarvan de vrouwen toch de helft uitmaken? Moest niet veeleer verwacht

worden dat de mannen, die zoo terecht hebben opgemerkt dat "_zij_" een

ander wezen is dan "_hij_", de vrouwen zouden steunen in haar poging om

deel te nemen aan het staatsbestuur? Juist uit dit verschil van man en

vrouw putten wij, vrouwen, het voornaamste en krachtigste argument voor

de meening dat beiden moeten deel nemen aan het bespreken der openbare

belangen, aan de behandeling der maatschappelijke vraagstukken, aan

het samenstellen der wetten, waarnaar wij allen ons hebben te gedragen,

omdat wij dan alleen gewaarborgd zijn dat zaken van _algemeen_ belang

niet éénzijdig beoordeeld worden.

Is het eigenlijk niet alleen een gevolg van vooroordeel, van de

macht der gewoonte, het niet durven breken met bestaande toestanden,

dat wij thans nog moeten pleiten voor het recht om op staatkundig

gebied als individuen medegeteld te worden? Alsof de vrouwen niet

hetzelfde belang hebben bij eene goede wetgeving en bij het welzijn

der bevolking als de mannen.

Men verdedigt die uitsluiting der vrouwen wel eens met het argument

dat zij geene aparte menschenklasse vormen, dat de mannen die de

wetten maken dit niet doen voor eene hun vijandige klasse, maar dat

het zijn hun moeders, vrouwen, zusters of dochters voor wier belang

zij optreden.

Het is waar, de vrouwen vormen geen aparte klasse in de maatschappij,

doch is het niet alsof de mannen dat steeds vergeten bij het

vaststellen der staatsbegrooting of bij het maken der wetten? Een paar

voorbeelden slechts om deze bewering te staven en ter motiveering

tevens van hetgeen ik schreef omtrent de onbillijke aanwending

der staatsgelden. Worden er niet jaarlijks oneindig veel grooter

financieele offers gebracht aan de opleiding en intellectueele

ontwikkeling van den jongen dan aan die van het meisje?

Alsof de maatschappij niet evenzeer gebaat ware met ontwikkelde vrouwen

als met ontwikkelde mannen. Het was Henry Thomas Buckle die reeds in

1858 de leden van het Engelsche Koninklijk Instituut aanspoorde om

meer partij te trekken van hetgeen de geschiedenis in dezen te leeren

geeft. Hij wees er zijne tijdgenooten op, dat al de mannen van genie

kinderen van voortreffelijke moeders waren en dat de meest wezenlijk

uitstekende mannen niet alleen de ontwikkeling hunner gevoelens, maar

voor een niet gering deel ook de ontwikkeling van hun verstand aan den

invloed der vrouwen te danken hadden. Hij beweerde zelfs, dat ieder

die aan dien invloed niet onderworpen was geweest, iets onvolkomens,

iets gebrekkigs aankleeft. Daarom raadde hij alle onbekrompen denkenden

aan mede te werken dat de invloed der vrouwen vermeerderd en daarmede

ook deze hulpbron van kennis in gebruik genomen worde.

Wees ik in den aanvang van mijn opstel er op, dat de vrouwen hier te

lande niet te klagen hebben wat het Hooger Onderwijs--voor zoover

het de universiteiten omvat--betreft, geheel anders is het gesteld

met het onderwijs der gymnasia, hoogere burgerscholen, vakscholen.

De stedelijke gymnasia met rijks-subsidiën hebben nog steeds het recht

de meisjes buiten hun poorten te houden en nog dezer dagen werd door

een vooruitstrevend Minister van Binnenlandsche Zaken een dergelijk

onrechtvaardige toestand gebillijkt. Rijks hoogere burgerscholen

voor meisjes worden niet opgericht en op die van de jongens worden

ze getolereerd indien de minister, directeur en leeraren dit wel

goedgunstig willen toestaan en, om welke reden of onder welken invloed

ook, geen overwegende bezwaren opperen.

Vakscholen voor meisjes behooren tot de groote zeldzaamheden en staan

wat gehalte en aantal betreft in geen verhouding tot die voor jongens.

Zou hierin voor de vrouw geen verbetering komen als zij mede invloed

uitoefent op de wetgeving?

En wat nu de wetten aangaat, er zijn er nog in werking zóó wreed,

zóó onrechtvaardig, zóó barbaarsch, dat men onmogelijk kan aannemen,

in welke ontwikkelingsperiode der maatschappij wij ons ook indenken,

dat zij ooit te rechtvaardigen zijn geweest. Ik heb het oog op de

wettelijke bepalingen, regelende de verhouding van de ouders tot

hunne kinderen; wetten, die even bedervend op den man moeten werken

als zij vernederend zijn voor de vrouw.

Door deze wetten oefent de _ongehuwde_ moeder uitsluitend macht

uit over haar kind en wordt haar zelfs verboden den vader aan te

wijzen, opdat ook hij deel neemt in de verzorging en opvoeding van

beider telg;--daarentegen ontnemen deze wettelijke bepalingen aan

de _gehuwde_ vrouw elk recht op haar kind en stellen alle macht in

de handen van den vader. Hij mag haar zelfs het kind ontnemen en

elders brengen, zonder daarvan rekenschap verschuldigd te zijn. Al

wordt dit tegenwoordig niet veel meer in toepassing gebracht, toch

bestaan er voorbeelden van dat dit middel, ter bereiking van minder

edele doeleinden, werd te baat genomen en als dreigement om de vrouw

te dwingen tot handelingen, waartoe zij anders niet zou overgaan,

doet het ook thans nog maar al te dikwerf dienst.

En hoe beschermt de wet de ongehuwde moeder? Terwijl de wet in alle

andere opzichten aanneemt dat de vrouw nimmer de kinderschoenen ontwast

en men haar bijgevolg steeds indeelt bij kinderen, veroordeelden

en krankzinnigen, in dit ééne speciale geval, waar het geldt den

verleider van den waren minnaar te onderscheiden, daar acht zij het

meisje reeds op 16jarigen leeftijd mondig.

Mocht het evenwel blijken dat haar menschenkennis te kort was

geschoten en zij als gevolg harer dwaling, ongehuwd moeder werd,

dan heeft zij geen recht zich daarover te beklagen, zoo concludeert

de wetgever. Kan men werkelijk meenen, dat zulk een regeling in het

leven werd geroepen ter bevordering van het maatschappelijk belang,

van het belang van de vrouw zoowel als van dat van den man?

In het wetsontwerp betreffende den rechtstoestand der natuurlijke

kinderen zijn ook ten opzichte van deze aangelegenheid eenigszins

billijker bepalingen opgenomen, doch rechtvaardig tegenover vrouw en

kind is ook deze nieuwe proef van uitsluitend mannenwerk op wetgevend

gebied in geenen deele.

Diende men in een kwestie, zoo geheel en al het belang van vrouw en

kind rakende, de vrouw niet een stem, ja zelfs een overwegende stem

te geven?

Ik kan mij ontslagen rekenen van de taak eene kritiek op de

huwelijkswetgeving te leveren, waar dit nog slechts kort geleden zoo

voortreffelijk geschiedde door een staatsman als mr. E. Fokker [6]

en deze tot de uitspraak kwam: "dat de mannen alleen de wetgeving

hebben gemaakt is uit den inhoud geen oogenblik twijfelachtig." Van

die wetgeving getuigde dezelfde schrijver dat zij den toestand gemaakt

heeft "niet houdbaar en een beschaafde natie niet waardig."

Wel is waar verontschuldigt mr. E. Fokker de wetgevende macht door te

onderstellen, dat in 1820-1838, toen het thans nog geldend burgerlijk

wetboek tot stand kwam, de zeden en begrippen zulke onwaardige wetten

in de pen gaven [7], maar daarmede toont hij een andere opvatting

van de aanleiding tot het maken van zulke onrechtvaardige wetten te

hebben dan bijv. de Groninger hoogleeraar mr. B. D. H. Tellegen.

Toen deze in 1870, in een toespraak tot zijne leerlingen, den

rechtstoestand der vrouw aan een kritisch onderzoek onderwierp [8],

loochende hij boudweg de verontschuldiging door vele rechtsgeleerden

ook thans nog aangevoerd, dat de onbillijke wetten haar ontstaan te

danken zouden hebben aan de vermeende lichamelijke en geestelijke

inferioriteit der vrouw. Eerlijk bekende hij, "_den wettelijken

toestand van de gehuwde vrouw hebben wij mannen met het oog op ons

zelven geregeld. Wij hebben de gehuwde vrouw gemakshalve onmondig

verklaard en zelfs in de opvoeding der kinderen ons het leeuwendeel

toegeëigend._"

Een andere opvatting ook dan de beroemde Franeker professor U. Huber

reeds in de 17e eeuw leeraarde, toen hij schreef over het recht van

voogdijschap van den man over de vrouw in het huwelijk: [9] _"dit recht

is niet zoozeer ingesteld ten aanzien van de zwakheid des vrouwelijken

geslachts_ (want dan moesten de ongetrouwde vrouwen ook voogden hebben)

_maar het is een recht en voordeel der mannelijke achtbaarheid_.

Gerugsteund door de uitspraak van deze bekwame mannen acht ik het

optreden der vrouwen ter verkrijging van de bevoegdheid om hare

belangen te doen behartigen door haarzelven en om er voor te waken

dat deze belangen niet langer worden opgeofferd aan "_het recht en

voordeel der mannelijke achtbaarheid_" genoeg gerechtvaardigd.

Men zal toch ook moeten toegeven dat het verschil van man en vrouw in

neiging, in levensfuncties en misschien ook wel in levensbeschouwing

te groot is, dan dat de een voor den ander zou kunnen opkomen wanneer

het geldt de wenschen, de belangen, de plichten, de rechten voor

geheel de natie te vertegenwoordigen en in wetten te belichamen.

Zonder mij te stellen op het standpunt van mr. E. Fokker, dat de

zeden en begrippen van een of anderen tijd ooit zulke grenzenlooze

onbillijkheden als in onze wetten zijn neergelegd zouden hebben

gerechtvaardigd, meen ik het toch te moeten uitspreken, dat de vrouw

mede schuld er aan draagt, dat men tot dusver in de wetgeving geen

voldoende rekening heeft gehouden met hare belangen en hare wenschen.

Te harer verontschuldiging kon vroeger worden aangevoerd dat de last

der eeuwenlange onmondigheid haar zóó had neergedrukt, zóó verstompt,

dat zij langen tijd geen poging kon aanwenden om zich op te heffen;

zelfs voelde zij daardoor niet hoe de onderworpen toestand, waarin

wet en zeden haar geplaatst hadden, _niet_ haar natuurlijke plaats was

en besefte zij niet waarom het belang der samenleving hare opheffing

uit deze vernederende positie vorderde.

Tegenwoordig geldt deze verontschuldiging niet meer, nu wij van

alle kanten de vrouwen zien opstaan die den dageraad verkondigen

van een nieuw leven, in elk opzicht veel hooger en veel rijker dan

voorheen. Maar er zal strijd, misschien wel ernstige strijd vooraf

moeten gaan, eer de volle middagzon kan gloren en daarom is het de

heilige plicht van elke vrouw in de gelederen te treden en mede te

strijden ter bereiking van dit doel.

Van dezen plicht mogen zij zich niet laten terughouden omdat de

strijd heet te gaan tegen onze vaders, onze echtgenooten en onze

broeders,--de goedgezinden onder hen begrijpen wel dat wij niet

voeren een strijd tegen personen, maar tegen onrechtvaardige wetten,

zeden en instellingen en dat eene overwinning niet alleen de vrouw zal

verlossen uit eene vernederende onderwerping, maar ook hun (vaders,

echtgenooten en broeders) ten goede zal komen.

De vrouwen mogen zich ook niet onttrekken aan dezen strijd, dewijl

het vrij zeker is dat de thans levenden van de resultaten van haren

arbeid niet meer zelf zullen genieten, doch dat deze eerst het erfdeel

zullen worden van een volgend geslacht, welks levensvoorwaarden

daardoor zooveel gunstiger zullen zijn. Ook de lijfeigenen der

middeleeuwen hebben den door hen geplanten vrijheidsboom niet meer

zien bloeien; ook die strijders voor menschelijkheid en recht hebben

dikwijls met totale zelfopoffering gestreden ter verkrijging van

betere levensvoorwaarden voor degenen die na hen zouden komen. Wordt

hierdoor onze strijd niet verhevener, heiliger? Ware het ons alleen

te doen om zelfverheffing of eigenlotsverbetering, men zoude met een

schijn van grootmoedigheid van dit pogen afstand kunnen doen, thans

echter is ieder onzer zedelijk verplicht ten behoeve der komende

generaties zich in den strijd te mengen.

De vrouwen mogen zich ook niet laten afschrikken omdat nog zoo vele

karakterzwakken onder de zusters, even als de vogel in de kooi,

het voedsel liever voor zich gestrooid vinden, dan het in de vrije

wereld door eigen krachtsinspanning zelf op te zoeken. Zullen dezulken

in het begin hare vrijheid zelfs niet weten te waardeeren en zich

terugwenschen in den toestand van afhankelijkheid en onderwerping,

laat dit toch voor niemand eene verontschuldiging zijn om het wakker

geschudde geweten weder te doen inslapen. Laat men toch nimmer vergeten

dat het niet de vrouwen zijn van groote gaven, van fijn gevoel of

van liefderijk gemoed, die zich gelukkig en tevreden gevoelen met

de positie die de vrouw wordt aangewezen in onze hedendaagsche

maatschappij.

Zij die tevreden zijn, het zijn de rupsen onder ons, die in haar

ontwikkelingsstadium als pop bleven steken en die het nimmer, zonder

onze hulp zullen brengen tot een volmaakt vlinderbestaan.

Het is op grond van al het hier aangevoerde, dat niet langer getalmd

mag worden met het aanbinden van den strijd voor rechten, die ons in

staat zullen stellen al datgene te verwezenlijken, wat reeds in het

gemoed van duizenden vrouwen als eisch van sociale rechtvaardigheid

leeft.

Geen der vrouwen, die zich geroepen gevoelt om te strijden tegen den

alkoholvloek, vergete, dat het krachtigste middel om dezen kanker der

maatschappij metterdaad uit te roeien, bestaat in het uitvaardigen

van doeltreffende wetten met betrekking tot den alkoholverkoop en

dat het kiesbiljet het middel is om zulke wetten te verkrijgen.

Wie haar krachten wil aanwenden ter bevordering van den internationalen

vrede, begrijpe, dat dit doel het snelst bereikt wordt door

_Vrouwenkiesrecht_, want met een Kamer, samengesteld uit leden die

voor een deel hun zetel te danken hebben aan de stem der vrouwen, zal

de Staatsbegrooting niet meer belast kunnen worden met een jaarlijks

toenemend aantal millioenen voor oorlogsmateriaal en legeronderhoud.

Wil de vrouw den strijd aanbinden tegen de prostitutie, dan zorge

zij dat der vrouwen invloed op de wetgeving zich zoo spoedig mogelijk

kunne doen gelden, opdat maatregelen genomen worden, waarbij aan de

mannen in dezen niet alléén rechten en aan de vrouwen alléén plichten

worden toebedeeld.

En ook indien men van oordeel is dat bij gelijken arbeid voor de

overheid op gelijk loon mag worden aangedrongen, zoo ijvere men voor

vrouwen-kiesrecht; wordt in het huwelijk de vrije beschikking over

het vermogen of het behoud van het verdiend loon gewenscht, dan werke

men mede aan de politieke ontvoogding der vrouw.

Wil de vrouw ter bevordering van hare zelfstandigheid de vakopleiding

voor haar beter behartigd hebben, dan eische zij het stemrecht opdat

zij zoodoende invloed uitoefene op de maatregelen die daartoe leiden.

Maar bovenal moeten de vrouwen invloed op het staatsbestuur vragen

_omdat zij vrouw zijn_ en daardoor meer en anders dan de man gevoelen

voor het kind, voor den hulpelooze, voor den zwakke en voor den oude

van dagen.

Daarom, vrouwen van Nederland! nu gij u bewust wordt van uwe

verplichtingen jegens uzelve en jegens de samenleving; nu gij den drang

in u voelt geboren worden om door directe deelneming mede te werken

aan de stoffelijke en zedelijke verheffing der maatschappij, maakt

u thans los van elk kleinzielig vooroordeel dat u van de vervulling

uwer verheven taak zou kunnen afhouden en schaart u aan de zijde van

hen die, ter bereiking van het doel der vrouwenbeweging, strijden

voor de economische en staatkundige onafhankelijkheid der vrouw,

ten einde daardoor te komen tot die hoogere ontwikkelingsphase der

maatschappij, waarin gelijkheid voor wet en zedenleer gehuldigd wordt

voor den man en voor de vrouw.

II.

WETTELIJKE REGELING DER PROSTITUTIE.

In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande

bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het

prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot

oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen

van dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen

opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van

oordeel waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door

de vrouw mag worden gekend, noch door haar mag worden besproken.

Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds

voor oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur,

oorzaken van heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in

de samenleving, die ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting,

met medelijden vervullen, al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.

Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt, des te meer wordt

men er van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer

beheerscht; dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt;

dat zij velen onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en

hen doemt tot een leven vol verachting en ellende.

Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt

aan dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de

volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding,

verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan

meen ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde

te stellen, den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk

omhult en met helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn

veelzijdig optreden te onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap

te geven van hetgeen om ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad

maakt de bespreking noodzakelijk.

Hoe zal men zijn zonen kunnen behoeden voor een zedelijken val,

wanneer men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe

kan men zijne kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men

den moed mist de laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun

deernis inboezemen met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene

aanklacht is tegen onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men

zelf nog onkunde en onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?

Doch ook als men zich zelf een grooter, een hooger levensdoel

heeft gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen

van maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen

sluiten voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het

hoofd afwenden als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons

opdoemt, dan mag men geen dag langer berusten in de onware meening, dat

prostitutie _onuitroeibaar_ en haar bestaan _noodzakelijk_ zou zijn.

Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans

deze vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die

ik raadpleegde vond ik een bevredigende definitie. De meeningen

er over loopen inderdaad zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral

kerkelijk geloovigen, noemen prostitutie elke buitenechtelijke

geslachtsgemeenschap, terwijl anderen, waaronder ook ik mij zou willen

scharen, onder prostitutie verstaan elke geslachtsgemeenschap die

niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.

Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch

oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij

onder prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier

echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering

berust dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan

aanwijzen dan berekening; die niet door banden van liefde, doch door

de koorden der geldbeurs werden verbonden.

En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden

die eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige

onbezonnenheid het jawoord uitspraken, nog vóór zij wisten of beider

karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms

moeielijken levensstrijd te voeren, en te laat bemerkten dat hun

vurige hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche

waardeering, maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die

gehuwden ook, die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand

was tegen de teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer

is een bron van vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in

het onvermijdelijke.

Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere

omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er

rekening mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden

van gehuwden, wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar

vereenigd zijn, wordt aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen

omgeven, dat "_zij_" is "_zijne_" uitverkoren levensgezellin en

"_hij_" de man "_haars_" harten, en dat zij dan ook op dien grond

in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke beweegredenen

hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan ook nimmer onder

geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom gehuldigde dubbele

zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van prostitutie en

geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.

Vrouwenbelangen Drie vraagstukken van actueelen aard · 第 1 / 5 段